U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 11-02-1998.
Wijzigingen Officiële bron
Vrijstellingsregeling waterige fracties en reinigingswater 1998Vrijstellingsregeling waterige fracties en reinigingswater 1998De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

Gelet op artikel 64 van de Wet bodembescherming;

Gezien het advies van de Technische commissie bodembescherming;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag26 januari 1998De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Margaretha de Boer

Van het verbod, gesteld in artikel 5, eerste lid, van het Besluit gebruik dierlijke meststoffen 1998, wordt vrijstelling verleend voor het gebruik van waterige fracties waarvan het stikstofgehalte niet groter is dan 200 milligram N-kjeldal per liter.

Van het verbod, gesteld in artikel 5, eerste lid, van het Besluit gebruik dierlijke meststoffen 1998, wordt vrijstelling verleend voor het gebruik van reinigingswater.

Aan de in artikel 2 bedoelde vrijstelling zijn de volgende voorschriften verbonden:

Aan de in artikel 3 bedoelde vrijstelling zijn de volgende voorschriften verbonden:

Aan de in de artikelen 2 en 3 bedoelde vrijstellingen zijn voorts, voor zover van toepassing, de voorschriften verbonden die zijn opgenomen in de artikelen 7 tot en met 12.

Reinigingswater wordt uitsluitend gebruikt op de tot het bedrijf van de producent waar het van afkomstig is, behorende grond.

Waterige fracties en reinigingswater worden gebruikt zonder toegevoegde andere stoffen en uitsluitend tussen één uur na zonsopgang en één uur voor zonsondergang.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling wordt aangehaald als: Vrijstellingsregeling waterige fracties en reinigingswater 1998.

Bij een niveau van de waterige fractie of van het reinigingswater in de opslag van minder dan 2 meter, gemeten vanaf de bodem van de opslag, geschiedt de bemonstering volgens de steekbuismethode.

Bij een niveau van de waterige fractie of van het reinigingswater in de opslag van minstens 2 meter, gemeten vanaf de bodem van de opslag, geschiedt de bemonstering volgens de flesmethode.

Het monster wordt genomen met behulp van een steekbuis. De steekbuis bestaat uit een doorzichtige monsterbuis met een binnendiameter van 2 à 2,5 centimeter. De steekbuis is minstens even lang als het niveau van de waterige fractie of van het reinigingswater in de opslag.

Het uiteinde van de buis kan worden afgesloten met een stop die bevestigd is aan een stugge draad of stang die door de buis loopt. Door aan de bovenzijde van de buis aan de draad of de stang te trekken wordt de onderzijde van de buis afgesloten, waardoor de fles met mest wordt gevuld. Er wordt één monster genomen, waarvan de minimale omvang 0, 75 liter bedraagt.

Het monster wordt genomen met behulp van een houder waarin een fles wordt geklemd. De houder is verzwaard en kan met behulp van een ketting die aan de houder is bevestigd, op de gewenste diepte worden gebracht. Aan de houder is tevens een stop bevestigd die een stukje in de fles kan worden gedrukt, waardoor de fles wordt afgesloten. Door een ruk aan de ketting kan de stop uit de fles worden getrokken, waardoor de fles met mest wordt gevuld.

De bemonstering vindt plaats door het nemen van deelmonsters. De deelmonsters worden genomen verdeeld over de gehele diepte van de waterige fractie of het reinigingswater, en wel zodanig dat het diepteverschil telkens 75 centimeter bedraagt. Indien mogelijk, worden de deelmonsters tevens genomen op tegenoverliggende plaatsen in de opslag. De verschillende deelmonsters zijn even groot in omvang. De deelmonsters worden verzameld in een schone emmer, waarna onder voortdurend roeren een inzendmonster wordt samengesteld. De minimale omvang van een inzendmonster bedraagt 0,75 liter.

De bemonstering geschiedt met behulp van monstername-apparatuur die grondig met water is gereinigd en vervolgens is gedesinfecteerd.

De bepaling van het N-kjeldal-gehalte wordt uitgevoerd volgens de methode NEN-ISO 5663 (1993). Op het onderzoekslaboratorium dient het monster vóór de analyse 5 keer te worden verdund.

De bepaling van het NH3-gehalte wordt uitgevoerd volgens de methode NEN 6472 (1983).

De bepaling van het droge stofpercentage wordt uitgevoerd volgens de methode NEN 6620.