U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 25-01-2020.

Regeling · BWBR0009386

Arbeidstijdenbesluit vervoer

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 14 februari 1998, houdende nadere regels inzake de arbeids- en rusttijden in of op voertuigen, aan boord van vaartuigen en voor loodsen (Arbeidstijdenbesluit vervoer)Arbeidstijdenbesluit vervoerWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op voordracht van Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 augustus 1997, nr. DGP/WJZ/V 723769, Directoraat-Generaal Personenvervoer;

Gelet op artikel 5:12, tweede lid, van de Arbeidstijdenwet;

De Raad van State gehoord (advies van 30 september 1997, no. W09.97.0529);

Gezien het nader rapport van Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 februari 1998, nr. DGP/WJZ/V 725 901, Directoraat-Generaal Personenvervoer;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen, dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Lech14 februari 1998 Beatrix De Minister van Verkeer en Waterstaat, A. Jorritsma-Lebbink De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, A. P. W. Melkert de tiende maart 1998 De Minister van Justitie, W. Sorgdrager

In dit besluit wordt verstaan onder wet: de Arbeidstijdenwet.

Artikel 11:3, eerste lid, van de wet is niet van toepassing op overtredingen die zijn geconstateerd na staandehoudingen langs de voor openbaar gebruik toegankelijke wegen van een vrachtauto, bus of taxi in lege of beladen toestand als bedoeld in artikel 2.3:1.

Paragraaf 5.1 en – voorzover aangeduid als overtredingen – de paragrafen 5.2 tot en met 5.5 en de daarop berustende bepalingen en artikel 11:1 van de wet zijn van overeenkomstige toepassing op de bestuurder die geen werkgever of werknemer is in de zin van de wet.

Met uitsluiting van het Arbeidstijdenbesluit zijn dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen van toepassing op iedere verplaatsing, die geheel of gedeeltelijk over voor openbaar gebruik toegankelijke wegen plaats vindt in lege of beladen toestand, alsmede de direct daarmee samenhangende werkzaamheden, van:

Dit artikel en artikel 2.3:2, vijfde lid, vervallen met ingang van 1 januari 2023.

Met inachtneming van de artikelen 25, derde lid, en 26, zevende lid, van verordening (EU) nr. 165/2014 besluit Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat ten aanzien van de aanvraag, verlening, weigering, intrekking of schorsing van een tachograafkaart.

De werkgever, de werknemer en de persoon, bedoeld in artikel 2:7, eerste lid, van de wet, die als bestuurder rijden op een vrachtauto of bus, die is voorzien van een controleapparaat, handelen overeenkomstig de artikelen 27 onderscheidenlijk 29, vijfde lid, van verordening (EU) nr. 165/2014.

De houder van een werkplaatskaart handelt overeenkomstig de artikelen 22, tweede lid, derde lid, eerste volzin, vierde en vijfde lid, en 23 van verordening (EU) nr. 165/2014.

De werkgever en de persoon bedoeld in artikel 2:7, eerste lid, van de wet gebruikt een bedrijfskaart om de registratie van gegevens met betrekking tot de in artikel 4:3, eerste lid, van de wet neergelegde verplichting in het controleapparaat in te stellen en de in het controleapparaat geregistreerde gegevens te kunnen onttrekken.

Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kunnen regels worden gesteld over:

Vervallen

Vervallen

Voor taxivervoer wordt voor de toepassing van artikel 5:6 van de wet de zondag aangemerkt als de periode gelegen tussen zondag 06.00 uur en 24.00 uur.

De bestuurder die vervoer anders dan taxivervoer verricht, handelt in overeenstemming met artikel 6, eerste tot en met derde lid, van verordening (EG) nr. 561/2006 dan wel, voor zover het AETR-verdrag van toepassing is, in overeenstemming met artikel 6 van het AETR-verdrag.

Vervallen

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat wordt aangewezen als de bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 19, tweede lid, en 22, tweede lid, van verordening (EG) nr. 561/2006.

Vervallen

Wijzigt dit besluit.

Met uitsluiting van het Arbeidstijdenbesluit is dit hoofdstuk van toepassing op de werknemer van 18 jaar of ouder, die voor een spoorwegonderneming als bedoeld in de Spoorwegwet, in of op een spoorvoertuig een dienst verricht waarbij hij gedurende meer dan een uur wordt ingezet op een traject waarvan het begin- of eindpunt meer dan 15 kilometer over de grens is gelegen.

De werkgever bewaart de gegevens en bescheiden met betrekking tot de in artikel 4:3 van de wet neergelegde registratieverplichting ten minste 52 weken, gerekend vanaf de datum waarop de gegevens en bescheiden betrekking hebben.

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, met uitzondering van § 4.5, wordt verstaan onder:

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, met uitzondering van § 4.5, wordt verstaan onder:

Tenzij anders is bepaald, wordt in dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:

In § 4.5 wordt verstaan onder:

Artikel 4.3 en hoofdstuk 5 van de wet en de daarop berustende bepalingen zijn niet van toepassing op:

Paragraaf 5.1 en – voorzover aangeduid als overtredingen – de paragrafen 5.2 tot en met 5.5 van de wet en de daarop berustende bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op een lid van het boordpersoneel dat geen werkgever of werknemer is in de zin van de wet.

Met uitsluiting van hetgeen in het Arbeidstijdenbesluit is bepaald, is dit hoofdstuk van toepassing op arbeid, verricht aan boord van luchtvaartuigen.

De werkgever, de persoon, bedoeld in artikel 4.2:2, en het lid van het boordpersoneel, bedoeld in artikel 4.4:1, eerste lid, bewaren de gegevens en bescheiden met betrekking tot artikel 4.4:1, eerste en tweede lid, en de in artikel 4.3 van de wet neergelegde registratieverplichting ten minste 52 weken, gerekend vanaf de datum waarop de desbetreffende gegevens en bescheiden betrekking hebben.

In plaats van § 5.2 van de wet is deze paragraaf en EG-verordening 3922/91 van toepassing op bemanningsleden op vluchten die vallen onder EG-verordening 3922/91.

De werkgever organiseert de arbeid zodanig dat voor een lid van het boordpersoneel de werktijd niet meer dan 2000 uur per jaar bedraagt en zo gelijk mogelijk over het kalenderjaar wordt verspreid.

Bij regeling van Onze Ministers kan worden bepaald op welke wijze de vliegdienstperiode kan worden verlengd bij gesplitste dienst.

Bij regeling van Onze Ministers kunnen regels worden gesteld ten aanzien van:

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

In plaats van paragraaf 5.2 van de wet is deze paragraaf van toepassing op het lid van het boordpersoneel op rondvluchten met helikopters.

In plaats van paragraaf 5.2 van de wet is deze paragraaf van toepassing op het lid van het cockpitpersoneel op verkeersvluchten van helikopters, met uitzondering van rondvluchten.

In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt onder «landing» verstaan: een nadering, gevolgd door het tot stilstand op een landingsplaats hetzij in een hovervlucht brengen van een helikopter met:

Artikel 4:3 en hoofdstuk 5 van de wet en de daarop berustende bepalingen zijn niet van toepassing op arbeid, verricht op schepen als bedoeld in artikel 12, tweede lid, onderdelen a, b en c, van het Binnenvaartbesluit.

Paragraaf 5.1 en – voorzover aangeduid als overtredingen of strafbare feiten – de paragrafen 5.2 tot en met 5.5 en de daarop berustende bepalingen van de wet zijn van overeenkomstige toepassing op bemanningsleden die geen werkgever of werknemer zijn in de zin van de wet.

Onverminderd artikel 5.4:1, eerste lid, wordt van een bemanningslid dat werknemer is de dagelijkse arbeidstijd geregistreerd op een door de werkgever te bepalen wijze.

In plaats van paragraaf 5.2 van de wet wordt deze paragraaf toegepast.

Voor de toepassing van de artikelen 5.5:3 tot en met 5.5:5 houden de werkgever en de gezagvoerend schipper rekening met de arbeids-, rust- en vaartijden, vervuld gedurende een tijdvak van 48 uren, onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop het schip de binnenwateren is binnengevaren.

De werkgever en de gezagvoerend schipper organiseren de arbeid zodanig, dat een bemanningslid dat werknemer is in elke periode van 7 dagen ten hoogste 42 uren arbeid verricht tussen 23:00 uur en 06:00 uur.

De werkgever en de gezagvoerend schipper nemen bij de vaststelling van het aantal arbeids- en rustdagen van een bemanningslid dat werknemer is, clausule 5 van de overeenkomst in acht.

De werkgever en de gezagvoerend schipper organiseren de arbeid van een bemanningslid dat werknemer is zodanig, dat indien hij meer dan 6 uren arbeid per dienst verricht, zijn arbeid wordt onderbroken door een pauze.

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder rusttijd een periode van ten minste 1 uur waarin geen arbeid wordt verricht.

Paragraaf 5.1 van de wet en – voorzover aangeduid als overtredingen – de paragrafen 5.2 tot en met 5.5. van de wet en de daarop berustende bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op de kapitein die zonder werknemer te zijn in de zin van de wet arbeid verricht aan boord van zeeschepen.

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op arbeid, verricht aan boord van installaties, opgericht op of boven de bodem van de zee.

De scheepsbeheerder bewaart de werklijsten ten minste 3 jaren, gerekend vanaf het einde van de periode waarop de werklijsten betrekking hebben.

In plaats van paragraaf 5.2 van de wet wordt deze paragraaf toegepast op arbeid, verricht aan boord van een zeeschip als bedoeld in artikel 6.1:1, onderdeel a, onder 1°, met uitzondering van de tijd waarin dit zeeschip in havensleepdienst dienst doet.

De kapitein organiseert de arbeid zodanig dat de arbeid van de zeevarende telkens na ten hoogste 7 uur wordt afgewisseld door een pauze.

De kapitein organiseert de wettelijk voorgeschreven oefeningen en appèls zodanig dat zij zo min mogelijk inbreuk maken op de rusttijden en geen oververmoeidheid veroorzaken.

In plaats van paragraaf 5.2 van de wet wordt deze paragraaf toegepast op arbeid, verricht aan boord van een zeeschip als bedoeld in artikel 6.1:1, onderdeel a, onder 1°, gedurende de tijd waarin dit zeeschip in havensleepdienst dienst doet, alsmede, in aanvulling op artikel 6.3:1, eerste lid, op arbeid, verricht aan boord van een sleepboot als bedoeld in artikel 1 van het Binnenvaartbesluit, gedurende de tijd waarin deze havensleepboot in havensleepdienst dienst doet.

De kapitein organiseert de arbeid zodanig dat de zeevarenden van 18 jaar of ouder in elke periode van 13 achtereenvolgende weken gemiddeld ten hoogste 48 uren per week arbeid verrichten.

De artikelen 6.4:1, eerste lid, 6.4:2, eerste tot en met derde lid, 6.4:3 voor zover het betreft de bewaartermijn, 6.5:4, 6.5:6 en 6.5:7 zijn van overeenkomstige toepassing.

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Met uitsluiting van hetgeen in het Arbeidstijdenbesluit is bepaald zijn dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen uitsluitend van toepassing op arbeid, verricht door schippers en vissers aan boord van vissersvaartuigen.

In plaats van paragraaf 5.2 van de wet wordt deze paragraaf toegepast op arbeid, verricht aan boord van een vissersvaartuig.

De schipper organiseert de arbeid zodanig dat zijn gemiddelde wekelijkse arbeidstijd en die van de vissers van 18 jaar of ouder ten hoogste 48 uren bedraagt, gerekend over een periode van 52 achtereenvolgende weken.

De schipper organiseert de arbeid zodanig dat de arbeid van een visser telkens na ten hoogste 6 uren wordt afgewisseld door een pauze.

De schipper organiseert de wettelijk voorgeschreven oefeningen en appèls zodanig dat zij zo min mogelijk inbreuk maken op de rusttijden en geen oververmoeidheid veroorzaken.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Met uitsluiting van hetgeen in het Arbeidstijdenbesluit is bepaald is dit hoofdstuk uitsluitend van toepassing op arbeid, verricht door registerloodsen.

Paragraaf 5.1 van de wet en – voorzover aangewezen als overtredingen – de paragrafen 5.2 tot en met 5.5 van de wet en de daarop berustende bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op de registerloods die zonder werkgever of werknemer in de zin van de wet te zijn arbeid verricht aan boord van zeeschepen.

In plaats van paragraaf 5.2 van de wet wordt deze paragraaf toegepast.

De registerloods mag na 4 aaneengesloten uren loodsen op afstand vanaf de wal pas weer op deze wijze dienst verrichten na ten minste 8 aaneengesloten uren rust.

Het niet naleven van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4.4:1, 4.4:2, 4.5:2, 4.5:3, 4.5:4, 4.5:5, 4.5:6, 4.8:3, derde lid, 4.8:4, vierde lid, 4.8:5, achtste lid, 4.8:6, derde lid, 4.8:7, 4.8:8, eerste en vijfde lid, 4.8:9, vierde lid, 4.8:10, vijfde lid, 4.9:1, tweede lid, 4.10:1, eerste lid, laatste volzin en tweede lid, alsmede van de EG-verordening, genoemd in artikel 4.1:5, bijlage III, onderdelen 1.1090 onder 1 en 2, 1.1100, 1.1105, 1.1110 onder 1.3 en 1.4.2, 1.1115, 1.1125 en 1.1135 levert een overtreding op.

Het niet naleven van de artikelen 5.4:1, 5.4:2, 5.5:2 tot en met 5.5:5a, 5.5:5b, tweede lid, 5.5:6 en 5.5:7 is een overtreding.

Het niet-naleven van de artikelen 7.3:2, 7.3:3 en 7.3:4 levert een overtreding op.

De gevallen waarin een toezichthouder bevoegd is afgifte van een bestuurderskaart te vorderen zijn die genoemd in artikel 26, zevende lid, van verordening (EU) nr. 165/2014.

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 1998.

Dit besluit wordt aangehaald als: Arbeidstijdenbesluit vervoer.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

I. De maximum vliegwerktijd is afhankelijk van het aanvangstijdstip van de vliegwerktijd, uitgedrukt in lokale tijd, en wordt vastgesteld zoals aangegeven in tabel G, Kolom I.

II. Indien de oproep tot aanmelding voor een vliegwerktijd valt:

III. Indien de oproep tot aanmelding plaatsvindt in een reservetijd en de aanmelding dient plaats te vinden meer dan 8 uren na die oproep, onder gelijktijdige opheffing van de reserveverplichting, dan wordt de maximum vliegwerktijd bepaald volgens tabel G, Kolom I.

IV. Indien de oproep tot aanmelding voor een vliegwerktijd valt:

Tabel G

Maximum vliegwerktijden over een langere periode

V. Op de eerste dag, dat een vliegwerktijd meer dan 6 uur bedraagt, dan wel een reservetijd of een combinatie van vliegwerktijd en reservetijd meer dan 7 uur bedraagt, vangt een periode aan van maximaal 15 dagen, waarin het totaal aantal uren vliegwerktijd en het totaal aantal uren vliegwerktijd plus reservetijd op geen enkele dag de waarde in tabel H, kolom «maximum vliegwerktijd» resp. «vliegwerktijd plus reservetijd», behorende bij die dag, overschrijdt.

VI. De onder V genoemde periode eindigt op die dag, dat gerekend vanaf het begin van die periode, het totaal van de vliegwerktijd en het totaal van de vliegwerktijd plus reservetijd gelijk is aan, dan wel minder is dan de bij die dag vermelde normwaarden.

Tabel H

1Indien bekorte rust wordt toegepast ingevolge artikel 4.8:9, uit te breiden tot 15.29 uur.

VII. Verzwarende omstandigheden

1. Bij het uitvoeren van een vliegwerktijd worden de volgende omstandigheden als verzwarend voor de werkzaamheden van het cockpitpersoneel aangemerkt:

2. Indien de onder 1. genoemde omstandigheden zich voordoen, worden de volgende correcties te worden toegepast:

3. Indien de ongecorrigeerde vliegtijd minder dan 5 uur bedraagt, mogen de in dit artikel voorgeschreven correcties achterwege blijven.

VIII. Correctie voor grondtijd zonder werkzaamheden

1. Van een grondtijd langer dan twee en een half uren, kunnen voor de berekening van de gecorrigeerde vliegwerktijd i.v.m. toetsing aan het daarvoor geldende maximum volgens tabel G ten hoogste twee en half uren buiten beschouwing worden gelaten, voor zover het lid van het cockpitpersoneel gedurende deze uren geen werkzaamheden voor zijn maatschappij heeft verricht en waarbij ten minste twee en een half uren als vliegwerktijd worden aangemerkt.

2. Alle in onder 1. genoemde uren grondtijd worden als vliegwerktijd in aanmerking genomen.

3. De onder 1. genoemde berekening wordt per vliegwerktijd slechts op één grondtijd toegepast.

Tabel I

Aantal landingen

T.g.v. een oneven aantal landingen bij daglicht wordt van het naasthogere even aantal landingen uitgegaan.