Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, met het oog op het voorkomen van onbillijkheden en teneinde enige correcties aan te brengen in de Algemene nabestaandenwet, de Algemene nabestaandenwet en de Wet financiering volksverzekeringen te wijzigen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage18 juni 1998 Beatrix De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, F. H. G. de Grave de dertigste juni 1998 De Minister van Justitie, W. SorgdragerWijzigt de Algemene nabestaandenwet.
Wijzigt de Wet financiering volksverzekeringen.
Wijzigt de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
Voor de nabestaande wiens uitkering op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onderdeel b, zoals dit onderdeel op de dag voor inwerkingtreding van deze wet luidde, is geëindigd in verband met het voeren van een gezamenlijke huishouding anders dan ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel l, van de Algemene nabestaandenwet, herleeft het recht op een nabestaandenuitkering met ingang van de eerste dag van de maand dat hij deze gezamenlijke huishouding uiterlijk binnen zes maanden na inwerkingtreding van deze wet, niet meer voert.
De Bank, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Algemene nabestaandenwet, kan, in afwijking van het eerste lid, een langere termijn vaststellen indien de toepassing wat de termijn van zes maanden betreft, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Indien de toepassing van artikel 3, zevende lid, van de Algemene nabestaandenwet in verband met de uitbreiding van het begrip bloedverwant in de eerste graad tot de persoon die met de nabestaande een gezamenlijke huishouding voert leidt tot het beëindigen van het recht op nabestaandenuitkering, gaat deze wijziging eerst in zes maanden na inwerkingtreding van deze wet.
Beschikkingen voor de inwerkingtreding van deze wet gegeven door de Bank, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Algemene nabestaandenwet, op grond van artikel 67, achtste lid, van die wet en de daarop berustende bepalingen, worden in overeenstemming gebracht met de bepalingen van deze wet en aangemerkt als beschikkingen op grond van artikel 67 van de Algemene nabestaandenwet zoals dat artikel luidt na inwerkingtreding van deze wet.
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 1996.
In afwijking van het eerste lid, treedt artikel III in werking met ingang van 1 juli 1999.