U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-03-2002.

Regeling · BWBR0010200

Honden- en kattenbesluit 1999

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 11 januari 1999, houdende regelen inzake bedrijfsmatige verkoop, aflevering en inbewaringneming van honden en katten (Honden- en kattenbesluit 1999)Honden- en kattenbesluit 1999Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 17 juli 1998, no. J. 986550, Directie Juridische Zaken;

Gelet op de artikelen 3, eerste lid, onderdeel f, 38, 45, 55, 56, 65 en 96 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;

De Raad van State gehoord (advies van 5 oktober 1998, no. W11.98.0346);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, van 4 januari 1999, nr. TRCJZ/1998/2204, Directie Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad wordt geplaatst.

's-Gravenhage11 januari 1999Beatrix De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,H. H. Apothekerde vierde februari 1999De Minister van Justitie,A. H. Korthals

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Voor de berekening van de beschikbare vloeroppervlakte voor de honden of katten, bedoeld in de artikelen 12 en 13, worden de niet gespeende honden of katten die zich bij hun moeder bevinden niet meegerekend.

Een hond wordt in de gelegenheid gesteld om tenminste twee uur per dag in een buitenverblijf of op een speelweide als bedoeld in artikel 8, tweede lid, te vertoeven.

Bij de aflevering van een hond of kat vanuit een bedrijfsinrichting of asiel wordt aan de koper of de verwerver van de hond of kat het in artikel 21, vijfde lid, bedoelde bewijs van inenting verstrekt.

De artikelen 8, tweede en vierde lid, onderdeel d, 17, 21, 22 en 26 zijn niet van toepassing indien artikel 11a van de Wet op de dierproeven op de inrichting van toepassing is.

Het is vanaf de inwerkingtreding van dit besluit voor een tijdvak van 2 maanden toegestaan de in artikel 2, eerste lid, bedoelde activiteiten te verrichten op een op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit bestaande inrichting, mits degene die binnen dat tijdvak op de inrichting verantwoordelijk is voor de in artikel 2, eerste lid, bedoelde activiteiten binnen 2 maanden na de inwerkingtreding van dit besluit de inrichting overeenkomstig dit besluit aanmeldt.

Artikel 7, eerste lid, is voor een tijdvak van 3 jaar vanaf de inwerkingtreding van dit besluit niet op een inrichting van toepassing, indien degene onder wiens verantwoordelijkheid de in artikel 2, eerste lid, bedoelde activiteiten op die inrichting worden verricht, aantoont dat:

Het Honden- en Kattenbesluit 1981 wordt ingetrokken.

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Laatstbedoeld besluit wordt niet genomen voordat 30 dagen zijn verstreken nadat het onderhavige besluit is overgelegd aan beide kamers der Staten-Generaal, en evenmin indien binnen die termijn door of namens een der kamers of door tenminste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens ter kennen wordt gegeven dat de inwerkingtreding van dit besluit bij wet wordt geregeld.

Dit besluit wordt aangehaald als: Honden- en kattenbesluit met vermelding van het jaartal van het Staatsblad waarin het zal worden geplaatst.