Ministeriële regeling · BWBR0010278

Regeling milieugerichte technologie 1999

Wijzigingen Officiële bron
Regeling milieugerichte technologie 1999Regeling milieugerichte technologie 1999De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Gelet op artikel 15.13, eerste tot en met derde lid, van de Wet milieubeheer en artikel 5 van het Besluit milieusubsidies;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage12 februari 1999De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer J.P. Pronk

In deze regeling wordt verstaan onder:

a.de minister:

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

b. groep:

economische eenheid, waarin organisatorisch zijn verbonden:

c. milieuverdienste:

belang van een project voor de vermindering van de belasting van het milieu;

d.haalbaarheidsproject:

samenhangend geheel van activiteiten, bestaande uit een analyse en een beoordeling van de mogelijkheden om een product, apparaat, systeem of techniek te ontwikkelen of in de praktijk toe te passen;

e. onderzoeks- of ontwikkelingsproject:

samenhangend geheel van activiteiten, gericht op:

f. praktijkexperiment:

samenhangend geheel van activiteiten, bestaande uit het treffen van technische of beheersmatige voorzieningen, voorzover geheel of nagenoeg geheel bestemd voor het vergroten van inzicht in de geschiktheid voor toepassing in de praktijk van een product, apparaat, systeem of techniek, alsmede de daarmee samenhangende activiteiten, geheel of nagenoeg geheel gericht op het verbeteren van die geschiktheid;

g. kennisoverdrachtproject:

samenhangend geheel van activiteiten, gericht op het overdragen van kennis en informatie over de toepassing van milieutechnologie aan een bepaalde doelgroep;

h. demonstratieproject:

samenhangend geheel van activiteiten die een technisch en economisch risico inhouden, bestaande uit het treffen van technische of beheersmatige voorzieningen, met behulp van:

i. marktintroductieproject:

samenhangend geheel van activiteiten, bestaande uit het in Nederland treffen van technische of beheersmatige voorzieningen, met behulp van producten, apparaten, systemen of technieken die:

j. toepassingsproject:

het ten behoeve van het toepassen in de praktijk investeren in een reeds tot ontwikkeling gebracht product, apparaat, systeem of techniek, waarvan stimulering van de toepassing op grote schaal wegens de milieuverdienste gewenst is;

k. ondernemer:

Het maximale subsidiepercentage van de subsidiabele kosten, onderscheidenlijk het maximale subsidiebedrag, is voor:

De subsidie-onvanger is verplicht:

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Een wijziging van de richtlijn nr. 70/220/EEG van de Raad de Europese Gemeenschappen van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de luchtverontreiniging door gassen afkomstig van motoren met elektrische ontsteking (PbEG L76) gaat voor de toepassing van artikel 9, tweede lid, onderdelen a, onder 1°, b, onder 1°, en d gelden met ingang van de dag waarop de betrokken wijzigingsrichtlijn in werking is getreden.

Indien het een project betreft, dat betrekking heeft op wegvoertuigen en dat niet een toepassingproject als bedoeld in artikel 9, derde lid, betreft, dient de subsidie-ontvanger er voor zorg te dragen dat de wegvoertuigen uiterlijk 16 maanden na de datum waarop de subsidie is verleend, op de openbare weg in gebruik worden genomen, dan wel ‐ ingeval het project de vervanging van meer dan de helft van een wagenpark of meer dan 25 wegvoertuigen betreft ‐ de eerste helft van de wegvoertuigen waarop het project betrekking heeft, uiterlijk 16 maanden na de datum waarop de subsidie is verleend, op de openbare weg in gebruik wordt genomen en de tweede helft van de wegvoertuigen waarop het project betrekking heeft, uiterlijk binnen 24 maanden na de datum waarop de subsidie is verleend, op de openbare weg in gebruik wordt genomen.

In deze paragraaf wordt verstaan onder broeikasgas: methaan (CH4), lachgas (N2O), of de fluorverbindingen HFK’s, PFK’s of SF6.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling milieugerichte technologie 1999.