Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 11 december 1998, nr. 98080169 WJZ/W, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op de richtlijn nr. 97/11/EG van de Raad van de Europese Unie van 3 maart 1997 (PbEG L73) tot wijziging van Richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten en op artikel 26, eerste lid, onder d en e, van de Mijnwet continentaal plat;
De Raad van State gehoord (advies van 25 januari 1999, nr. W10.98.0582);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 1 maart 1999, nr. WJZ/W 99011 853, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage4 maart 1999Beatrix De Minister van Economische Zaken,A. Jorritsma-Lebbinkelfde maart 1999De Minister van Justitie,A. H. KorthalsWijzigt het Mijnreglement continentaal plat.
Het verbod, bedoeld in artikel 30a van het Mijnreglement continentaal plat, is niet van toepassing op mijnbouwinstallaties als bedoeld in dat artikel, die zijn opgericht voor 14 maart 1999.
Het verbod, bedoeld in artikel 70a van het Mijnreglement continentaal plat, is niet van toepassing op pijpleidingen als bedoeld in dat artikel, die zijn gelegd voor 14 maart 1999.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.