Regeling · BWBR0010353

Cadmiumbesluit Wms 1999

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 22 maart 1999 tot vaststelling van het Cadmiumbesluit Wms 1999Cadmiumbesluit milieubeheerWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 21 oktober 1998, nr. MJZ98100562, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Gelet op artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen en op richtlijn 76/769/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten (PbEG L 186);

De Raad van State gehoord (advies van 8 februari 1999, nr. W08.98.0479);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 16 maart 1999, nr. MJZ99153580, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage22 maart 1999Beatrix De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,J. P. Pronkde achtste april 1999De Minister van Justitie,A. H. Korthals

Dit besluit is niet van toepassing op producten voorzover daaromtrent regels zijn gesteld in het Besluit beheer elektrische en elektronische apparatuur.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.1, geldt niet met betrekking tot de toepassing van cadmium in een product, vermeld in de bij dit besluit behorende bijlage, voor zover het cadmium is toegepast voor het doel, vermeld bij dat product.

Het verbod, bedoeld in artikel 3.1, geldt niet met betrekking tot een kringloopproduct dat is voorzien van een onuitwisbare aanduiding waaruit blijkt dat het product is vervaardigd uit een secundaire grondstof.

Het verbod, bedoeld in artikel 3.1, geldt niet met betrekking tot een secundaire grondstof indien de afnemer van de grondstof door de producent of degene die de secundaire grondstof aan een ander ter beschikking stelt voorafgaand aan de eerste levering aan die ander schriftelijk op de hoogte is gesteld van de aanwezigheid van cadmium daarin en van de geldende wettelijke bepalingen omtrent cadmium in producten.

Het verbod, bedoeld in artikel 3.1, geldt niet met betrekking tot cadmiumhoudende verpakkingen, vervaardigd uit secundaire grondstof, indien daarvoor ter uitvoering van artikel 11, derde lid, eerste gedachtestreepje, van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 december 1994 (94/62/EG), betreffende verpakking en verpakkingsafval (PbEG L 365/10) een regeling in werking is getreden.

Dit besluit berust mede op artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer.

Na de inwerkingtreding van dit besluit berust de Regeling vaststellingsmethode cadmiumgehalte van produkten op artikel 4.1, eerste lid, van dit besluit.

Het verbod, bedoeld in artikel 3.1, geldt met betrekking tot het aan een ander ter beschikking stellen of in handelsvoorraden voorhanden hebben van producten, waarin cadmium is toegepast, genoemd in bijlage 3, behorende bij het Cadmiumbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen, doch welke toepassing ingevolge dit besluit niet meer is toegestaan, eerst twee jaren na de inwerkingtreding van dit besluit.

De bijlage bevat in kolom 1, een lijst van cadmiumhoudende producten, als bedoeld in de artikelen 2.2 en 3.2 van het Cadmiumbesluit milieubeheer, waarvan de in kolom 2, aangegeven toepassing van cadmium als oppervlaktelaag, pigment, kleurstof of stabilisator als essentieel wordt beschouwd.