U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 17-07-1999.

Ministeriële regeling · BWBR0010583

Regeling subsidies voortgezet onderwijs

Wijzigingen Officiële bron
Regeling subsidies voortgezet onderwijsRegeling subsidies voortgezet onderwijsDe staatssecretaris van onderwijs, cultuur en wetenschappen,

Gelet op artikel 4, eerste lid, en artikel 11, tweede lid, van de Wet overige OCenW-subsidies;

Besluit:

De staatssecretaris van onderwijs, cultuur en wetenschappen drs. K.Y.I.J.Adelmund

In deze regeling wordt verstaan onder:

Subsidie wordt verstrekt aan een natuurlijke persoon of aan een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid waarvan de statutaire doelstelling past binnen het doel van de subsidieverlening.

Het activiteitenplan omvat een overzicht van de aard en de omvang van de voorgenomen activiteiten alsmede een omschrijving waaruit blijkt dat de subsidiedoeleinden op effectieve wijze worden bereikt.

Het meerjarenactiviteitenplan omvat de hoofdlijnen van de activiteiten en de daarmee beoogde resultaten in de jaren waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft.

De begroting gaat vergezeld van een gemotiveerd overzicht van de liquiditeitsbehoefte.

De meerjarenraming biedt inzicht in de inkomsten en uitgaven die de aanvrager in verband met de te subsidiëren activiteiten voorziet in de jaren waarop de raming betrekking heeft.

De subsidie wordt verleend voor een periode van ten hoogste één kalenderjaar, tenzij de minister anders bepaalt.

In het geval van het niet vervullen van de voorwaarde, bedoeld in artikel 4.34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, worden de op grond van artikel 2 verleende subsidiebedragen verlaagd tot het bedrag van de subsidie dat na vaststelling of goedkeuring van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen ter beschikking staat, een en ander naar rato van het aantal subsidieaanvragers aan wie subsidie is verleend en van de hoogte van de verleende subsidiebedragen.

De subsidieontvanger werkt mee aan door of namens de minister ingestelde onderzoeken die erop gericht zijn de minister inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de ontwikkeling van het beleid.

Voor de beschikbaarstelling van goederen aan derden of het verrichten van diensten voor derden brengt de subsidieontvanger een vergoeding in rekening die tenminste kostendekkend is.

De subsidieontvanger is aan het Rijk een door de minister te bepalen deel van de inkomsten, rente uitgezonderd, die rechtstreeks of middellijk voortvloeien uit activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, verschuldigd. Dit deel bedraagt ten hoogste 50% van de desbetreffende inkomsten, maar niet meer dan het subsidiebedrag.

Voorafgaande instemming van de minister is vereist met:

De minister kan op diverse tijdstippen een voortgangs- dan wel eindrapportage vragen. De betaalbaarstelling van de voorschotten kan hiervan afhankelijk worden gesteld.

De minister kan in verband met de hoogte van het subsidiebedrag of de aard van de te verrichten activiteiten, toestaan dat wordt afgeweken van de artikelen 12 tot en met 15.

De minister kan een controleprotocol opstellen voor het onderzoek door de accountant, bedoeld in artikel 17, eerste lid. De subsidieontvanger bedingt bij de accountant dat deze zijn onderzoek inricht overeenkomstig het controleprotocol.

Het subsidiebedrag wordt in twaalf gedeelten betaald. Het eerste gedeelte wordt betaald vier weken na de subsidieverlening, en de daarop volgende gedeelten binnen een jaar. De minister kan van de eerste en tweede volzin afwijken.

Deze regeling zal met de toelichting in Uitleg OCenW-Regelingen worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de derde dag na de datum van publicatie Uitleg OCenW-Regelingen waarin deze regeling is geplaatst.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling subsidies voortgezet onderwijs.