Regeling · BWBR0010646
Uitvoeringsbesluit WEB
Op de voordrachten van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 8 maart 1999, nr. 1998/8716 (3704) en van 31 maart 1999, nr. 1999/14257 (3693), directie Wetgeving en Juridische Zaken, de eerste voordracht gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
Gelet op de artikelen 2.2.1, eerste lid en vijfde lid, 2.2.4, vierde lid, 2.2.12, tweede lid, 2.3.1, eerste en derde lid, 2.3.6, tweede en derde lid, 2.4.1, eerste en tweede lid, 2.4.2, vierde lid, 2.5.3, negende lid, 2.5.5, tweede en derde lid, 2.5.10, eerste lid, en 2.6a van de Wet educatie en beroepsonderwijs, alsmede artikel 19, vijfde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs;
De Raad van State gehoord (adviezen van 29 april 1999, nr. W05.99.0160/II en van 6 mei 1999, nr. W05.99/0111/III);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, van 22 juli 1999, nr. 1999/30854 (3704), directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage6 augustus 1999Beatrix De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,L. M. L. H. A. Hermans De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,L. J. Brinkhorstde tweede september 1999De Minister van Justitie,A. H. KorthalsIn dit besluit wordt verstaan onder:
- a.
wet: de Wet educatie en beroepsonderwijs;
- b.
deelnemer: een in artikel 8.1.1, eerste lid, eerste volzin, van de wet bedoelde deelnemer.
Een ministeriële regeling als bedoeld in de artikelen 2.2.3, derde lid, 5.2.3, 6.1.1 en 6.1.4, tweede lid, wordt vastgesteld na overleg als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, van de wet.
De paragrafen 1, 2, 4 en 5 zijn van toepassing op instellingen als bedoeld in artikel 1.3.1 van de wet, voor zover het betreft:
- a.
regionale opleidingencentra en regionale opleidingencentra in een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1.3.1 van de wet,
- b.
vakscholen als bedoeld in artikel 12.3.5, derde lid, van de wet,
- c.
instellingen van een bepaalde richting als bedoeld in artikel 12.3.6, tweede lid, van de wet, en
- d.
instellingen met een extra breedtegebrek als bedoeld in artikel 12.3.7, derde lid, van de wet,
waarvoor de rijksbijdrage wordt vastgesteld door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.
Paragraaf 1, paragraaf 2 met uitzondering van artikel 2.2.1, eerste lid, en artikel 2.2.5, alsmede paragraaf 4 zijn van overeenkomstige toepassing en paragraaf 5 is van toepassing ten aanzien van het beroepsonderwijs binnen agrarische opleidingscentra waarvoor de rijksbijdrage wordt vastgesteld door Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.
Paragraaf 3 onderscheidenlijk de paragrafen 4 en 5 heeft betrekking onderscheidenlijk hebben mede betrekking op het voorbereidend beroepsonderwijs dat wordt verzorgd aan agrarische opleidingscentra.
Paragraaf 5 heeft mede betrekking op innovatie- en praktijkcentra als bedoeld in artikel 1.3.4 van de wet, op de in artikel 12.3.8 van de wet genoemde instituten, alsmede op de in artikel 12.3.9 van de wet genoemde hogescholen.
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- a.
opleiding: een beroepsopleiding die is opgenomen in het Centraal register en die wordt bekostigd ingevolge een besluit van Onze Minister op grond van artikel 2.1.1, eerste lid, van de wet;
- b.
voltijds deelnemer: een deelnemer die blijkens een overeenkomst als bedoeld in artikel 8.1.3 van de wet een opleidingstraject volgt dat blijkens een onderwijs- en examenregeling als bedoeld in artikel 7.4.8 van de wet voldoet aan de eisen van Wet studiefinanciering 2000 of van de de hoofdstukken 3 en 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;
- c.
deeltijds deelnemer: een deelnemer aan een opleiding, niet zijnde een voltijds deelnemer;
- d.
diploma beroepsonderwijs: een door een examencommissie uitgereikt bewijsstuk dat met goed gevolg is afgelegd het examen van een onder a bedoelde opleiding, alsmede van een opleiding die niet langer is opgenomen in het in artikel 2.1.1 van de wet bedoelde overzicht,
- e.
agrarisch opleidingscentrum: een agrarisch opleidingscentrum als bedoeld in artikel 1.3.3 van de wet;
- f.
voorbereidend beroepsonderwijs: voorbereidend beroepsonderwijs dat wordt verzorgd aan een agrarisch opleidingscentrum;
- g.
leerling: een leerling die voor het volgen van voorbereidend beroepsonderwijs is ingeschreven aan een agrarisch opleidingscentrum.
Binnen het raam van de door de begrotingswetgever voor het desbetreffende kalenderjaar beschikbaar gestelde middelen, stelt Onze Minister jaarlijks de omvang vast van de landelijk beschikbare budgetten voor de exploitatiekosten en voor de huisvestingskosten voor zowel het beroepsonderwijs als het voorbereidend beroepsonderwijs.
Onze Minister stelt jaarlijks de omvang vast van het landelijk beschikbare budget ten behoeve van voorbereidende en ondersteunende activiteiten als bedoeld in artikel 7.2.2, vierde lid, van de wet dat in mindering wordt gebracht op het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten voor het beroepsonderwijs.
Het na toepassing van het eerste lid resterende deel van het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten voor het beroepsonderwijs voor een kalenderjaar wordt verdeeld als volgt:
- a.
80% wordt toegerekend aan het landelijk deel ten behoeve van de maatstaf ingeschreven deelnemers, en
- b.
20% wordt toegerekend aan het landelijk deel ten behoeve van de maatstaf diploma's beroepsonderwijs.
Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor een instelling voor de exploitatiekosten voor het beroepsonderwijs voor een kalenderjaar door bij elkaar op te tellen:
- a.
het rijksbijdragedeel op grond van de maatstaf ingeschreven deelnemers,
- b.
het rijksbijdragedeel op grond van de maatstaf diploma's beroepsonderwijs, en
- c.
het rijksbijdragedeel ten behoeve van voorbereidende en ondersteunende activiteiten,
zoals deze delen voor het desbetreffende jaar voor de instelling worden berekend op grond van artikel 2.2.3, artikel 2.2.4 respectievelijk artikel 2.2.5.
De op grond van het eerste lid berekende rijksbijdrage kan worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
Artikel 2.2.3 Berekening rijksbijdragedeel volgens maatstaf ingeschreven deelnemers beroepsonderwijs
Onze Minister berekent het rijksbijdragedeel op grond van de maatstaf ingeschreven deelnemers volgens de formule:
i = n
Σ {[(DDi x DFi) + VDi] x Pi}
i = 1
----------------------------------------------- x LMID
LDw
In deze formule wordt verstaan onder:
i: opleiding verzorgd aan de desbetreffende instelling,
n: het aantal opleidingen verzorgd aan de desbetreffende instelling,
DDi: het aantal deeltijds deelnemers dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende jaar aan de desbetreffende instelling voor de desbetreffende opleiding is ingeschreven en daadwerkelijk die opleiding volgt, en voor zover het deelnemers aan de beroepsbegeleidende leerweg, bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, onder b, van de wet betreft, voor zover deze deelnemers:
- a.
uiterlijk op 31 december van datzelfde kalenderjaar een overeenkomst als bedoeld in artikel 7.2.8, tweede lid, van de wet hebben gesloten, en
- b.
indien zij een opleiding volgen als bedoeld in het tweede lid, onder b, uiterlijk op 1 juni van het daaropvolgende kalenderjaar, dan wel in geval zij een andere opleiding volgen uiterlijk op dezelfde datum als genoemd onder a, daadwerkelijk de opleiding in de praktijk van het beroep, bedoeld in artikel 7.2.8, eerste lid, van de wet volgen op de grondslag van een overeenkomst als bedoeld onder a,
DFi: de op grond van het tweede lid aan de desbetreffende opleiding toegekende deeltijdfactor,
VDi: het aantal voltijds deelnemers dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende jaar aan de desbetreffende instelling voor de desbetreffende opleiding is ingeschreven en daadwerkelijk die opleiding volgt,
Pi: de op grond van het derde lid aan de desbetreffende opleiding toegekende prijsfactor,
het gedeelte van de formule boven de streep: de deelnemerswaarde van de desbetreffende instelling,
LDw: de landelijke deelnemerswaarde, zijnde de som van de deelnemerswaarden van de instellingen, en
LMID: het landelijk deel ten behoeve van de maatstaf ingeschreven deelnemers, zoals dat voor het desbetreffende jaar is vastgesteld op grond van artikel 2.2.1, tweede lid, onder a.
De deeltijdfactor, bedoeld in het eerste lid onder DFi, bedraagt:
- a.
voor de opleidingen die zijn opgenomen in het Centraal register en die worden bekostigd door Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij: 0,5;
- b.
voor de opleidingen die zijn opgenomen in het Centraal register en die worden bekostigd door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, voor zover voor die opleidingen eindtermen als bedoeld in artikel 7.2.4, eerste lid, van de wet zijn vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport: 0,8, en
- c.
voor de overige opleidingen: 0,35.
Jaarlijks voor 1 september voorafgaand aan het kalenderjaar waarvoor de rijksbijdrage wordt vastgesteld, wordt bij ministeriële regeling de prijsfactor, bedoeld in het eerste lid onder Pi, vastgesteld die wordt toegekend aan een opleiding die in dat kalenderjaar voor het eerst in het Centraal register wordt opgenomen. Wijzigingen van prijsfactoren van reeds in het Centraal register opgenomen opleidingen worden eveneens jaarlijks voor 1 september voorafgaand aan het kalenderjaar waarvoor de rijksbijdrage wordt vastgesteld, bij ministeriële regeling vastgesteld.
Onze Minister berekent het rijksbijdragedeel op grond van de maatstaf diploma's beroepsonderwijs volgens de formule:
DI.1 + 2DI.2 + 4DI.3
----------------------------------- x LMD
LD.1 + 2LD.2 + 4LD.3
In deze formule wordt verstaan onder:
DI.1: het aantal diploma's beroepsonderwijs dat aan die instelling is uitgereikt in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende jaar bij opleidingen als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder a, van de wet,
DI.2: het aantal diploma's beroepsonderwijs dat aan die instelling is uitgereikt in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende jaar bij opleidingen als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder b, van de wet,
DI.3: het aantal diploma's beroepsonderwijs dat aan die instelling is uitgereikt in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende jaar bij opleidingen als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder c tot en met f, van de wet,
LD.1: het aantal diploma's beroepsonderwijs dat landelijk is uitgereikt in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende jaar bij opleidingen als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder a, van de wet,
LD.2: het aantal diploma's beroepsonderwijs dat landelijk is uitgereikt in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende jaar bij opleidingen als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder b, van de wet,
LD.3: het aantal diploma's beroepsonderwijs dat landelijk is uitgereikt in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende jaar bij opleidingen als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder c tot en met f, van de wet, en
LMD: het landelijk deel ten behoeve van de maatstaf diploma's beroepsonderwijs, zoals dat voor het desbetreffende jaar is vastgesteld op grond van artikel 2.2.1, tweede lid, onder b.
Onze Minister berekent het rijksbijdragedeel voor voorbereidende en ondersteunende activiteiten als bedoeld in artikel 7.2.2, vierde lid, van de wet, voor een kalenderjaar door het landelijk beschikbare budget ten behoeve van voorbereidende en ondersteunende activiteiten, zoals dat voor dat kalenderjaar is vastgesteld op grond van artikel 2.2.1, eerste lid, over de instellingen te verdelen naar rato van het aantal deelnemers per instelling, voor zover deze deelnemers voldoen aan de volgende voorwaarden:
- a.
zij waren op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende jaar ingeschreven aan de desbetreffende instelling voor een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder a of b, van de wet, en waren tevens
- b.
niet in het bezit van:
- 1°.
een diploma lager beroepsonderwijs of voorbereidend beroepsonderwijs, tenzij dat diploma is verkregen op grond van een eindexamen waarbij een of meer vakken op A-niveau of vier of meer vakken op B-niveau zijn geëxamineerd,
- 2°.
een diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs,
- 3°.
een bewijs dat de eerste drie leerjaren van een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs of van een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs met gunstig gevolg zijn doorlopen, of
- 4°.
een diploma beroepsonderwijs van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder b tot en met f, van de wet.
- 1°.
In geval van fusie van instellingen of indien vanwege afspraken tussen instellingen over de verzorging van beroepsopleidingen, bepaalde gegevens als bedoeld in de artikelen 2.2.3, eerste lid, 2.2.4 of 2.2.5, anders moeten worden toegerekend, geeft Onze Minister op overeenkomstige wijze toepassing aan die bepalingen. Afspraken als bedoeld in de eerste volzin blijken uit een door het bevoegd gezag, in voorkomend geval tezamen met andere betrokken bevoegde gezagsorganen, aan Onze Minister overgelegde en ondertekende verklaring dienaangaande.
Indien Onze Minister van een instelling het formulier Bekostigingstelling beroepsonderwijs van bijlage 4 bij dit besluit niet uiterlijk 1 juli van het jaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring heeft ontvangen, stelt Onze Minister de hoogte van de rijksbijdrage voor deze instelling voor het desbetreffende kalenderjaar vast, conform de voorschriften in het tweede tot en met het vijfde lid.
Bij de toepassing van artikel 2.2.2 wordt voor een instelling als bedoeld in het eerste lid, bij de berekening van de rijksbijdrage voor exploitatiekosten voor het beroepsonderwijs:
- a.
in afwijking van artikel 2.2.3, eerste lid, de uitkomst van het gedeelte van de formule boven de streep vastgesteld op 90% van de uitkomst van dat deel van de formule van het voorgaande kalenderjaar;
- b.
in afwijking van artikel 2.2.4 de uitkomst van het gedeelte van de formule boven de streep vastgesteld op 90% van de uitkomst van dat deel van de formule van het voorgaande kalenderjaar;
- c.
in afwijking van artikel 2.2.5 het aantal deelnemers vastgesteld op 90% van het aantal deelnemers dat is gehanteerd bij de berekening van de rijksbijdrage van het voorgaande kalenderjaar.
Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, wordt in artikel 2.2.4 in de begripsbepalingen LD1, LD2 en LD3 tevens gelezen: alsmede de op grond van artikel 2.2.7, tweede lid, onderdeel b, vastgestelde aantallen diploma's.
De instellingen, bedoeld in het eerste lid, dienen uiterlijk 1 november van het jaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar het in het eerste lid bedoelde formulier, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring, in bij Onze Minister.
Indien uit het formulier, bedoeld in het vierde lid, blijkt dat toepassing van artikel 2.2.3, artikel 2.2.4 respectievelijk artikel 2.2.5 leidt tot een lagere waarde dan vastgesteld op grond van het tweede lid, onderdelen a, b respectievelijk c, wordt de vergoeding van de instelling berekend op grond van die lagere waarde.
Indien uit het formulier, bedoeld in het vierde lid, blijkt dat toepassing van artikel 2.2.3, artikel 2.2.4 respectievelijk artikel 2.2.5, leidt tot een gelijke of hogere waarde dan vastgesteld op grond van het tweede lid, onderdelen a, b respectievelijk c, wordt de vergoeding van de instelling berekend op grond van het tweede lid.
Ten aanzien van het voorbereidend beroepsonderwijs zijn de volgende bekostigingsbepalingen van de wet niet van toepassing:
- a.
de artikelen 2.1.1 en 2.1.2,
- b.
artikel 2.2.1, wat betreft de zinsnede «die ten aanzien van de in artikel 2.2.2, tweede lid, onder a en b, bedoelde gegevens betrekking heeft op het tweede aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaar», en
- c.
Ten aanzien van het voorbereidend beroepsonderwijs zijn de volgende bekostigingsbepalingen van de Wet op het voortgezet onderwijs niet van toepassing:
- a.
de artikelen 77 en 78,
- b.
- c.
- d.
artikel 97, alsmede de artikelen 98a tot en met 100,
- e.
de artikelen 104, 105 en 106,
- f.
Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor een agrarisch opleidingscentrum voor de exploitatiekosten voor het voorbereidend beroepsonderwijs dat ten behoeve van deze berekening is onderverdeeld in beroepsonderwijs en leerwegondersteunend onderwijs, volgens de formule:
{Liv x PLiv} + {Lil x PLil}
In deze formule wordt verstaan onder:
Liv: het aantal leerlingen dat op 1 oktober van het kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende jaar aan het desbetreffende agrarisch opleidingscentrum staat ingeschreven voor het beroepsonderwijs,
Lil: het aantal leerlingen dat op 1 oktober van het kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende jaar aan het desbetreffende agrarisch opleidingscentrum staat ingeschreven voor het leerwegondersteunend onderwijs,
PLiv: de op grond van het tweede lid voor het desbetreffende kalenderjaar toegekende prijs per leerling beroepsonderwijs, en
PLil: de op grond van het tweede lid voor het desbetreffende kalenderjaar toegekende prijs per leerling leerwegondersteunend onderwijs.
Jaarlijks voor 1 september voorafgaand aan het kalenderjaar waarvoor de rijksbijdrage wordt vastgesteld, worden bij ministeriële regeling de prijzen per leerling vastgesteld.
Onze Minister verdeelt het op grond van artikel 2.1.3 voor een kalenderjaar vastgestelde landelijk beschikbare budget voor de huisvestingskosten voor het beroepsonderwijs over de instellingen naar rato van de voor dat kalenderjaar op grond van artikel 2.2.2 berekende rijksbijdrage voor exploitatiekosten per instelling.
Ten aanzien van scholen voor voortgezet onderwijs in scholengemeenschappen als bedoeld in artikel IV, eerste lid, van de Wet van 29 mei 1997 (Stb. 1997, 229) tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met decentralisatie van huisvestings- en bestedingsbeslissingen en vervallen van het economisch claimrecht, wordt bij ministeriële regeling jaarlijks een bedrag vastgesteld ten behoeve van de huisvestingskosten per leerling die op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende jaar was ingeschreven aan een school voor voortgezet onderwijs als hiervoor bedoeld.
Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op het voorbereidend beroepsonderwijs.
De op grond van het eerste lid berekende rijksbijdrage kan worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
Artikel 2.2.6 is van overeenkomstige toepassing.
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- a.
instelling:
- 1°.
een instelling als bedoeld in artikel 1.3.1 van de wet,
- 2°.
een agrarisch innovatie- en praktijkcentrum als bedoeld in artikel 1.3.4 van de wet,
- 3°.
een in artikel 12.3.8 van de wet genoemd instituut, en
- 4°.
een in artikel 12.3.9 van de wet genoemde hogeschool;
- 1°.
- b.
uitkering: een werkloosheidsuitkering of een suppletie inzake arbeidsongeschiktheid alsmede een andere uitkering wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel, anders dan op grond van de Ziektewet.
Onze Minister brengt op de rijksbijdrage voor een instelling voor een kalenderjaar een bedrag in mindering volgens de volgende formule:
PI
------ x (A + B + C)
PL
In deze formule wordt verstaan onder
PI: de rijksbijdrage voor de desbetreffende instelling voor de exploitatiekosten zoals vastgesteld op grond van:
- a.
artikel 2.2.2, in geval van een agrarisch opleidingscentrum vermeerderd met de rijksbijdrage zoals vastgesteld op grond van artikel 2.3.2,
- b.
paragraaf 1 van hoofdstuk 2 van de Uitvoeringsregeling WEB,
- c.
paragraaf 2 van hoofdstuk 2 van de Uitvoeringsregeling WEB, dan wel
- d.
artikel 2 van het Besluit bekostiging agrarische innovatie- en praktijkcentra 1997;
PL: de som van de rijksbijdragen van de instellingen voor de exploitatiekosten zoals vastgesteld op grond van de bij PI vermelde grondslagen;
A: de kosten van de uitkeringen in het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar van gewezen personeel van de instellingen, voor zover deze kosten voortvloeien uit een ontslag dat is geëffectueerd voor 1 augustus 1995;
B: de kosten van de uitkeringen in dat kalenderjaar van gewezen personeel van de instellingen, voor zover deze kosten voortvloeien uit een ontslag dat is geëffectueerd in de periode tussen 31 juli 1995 en 1 augustus 1998 en waarvoor de rechtspersoon, bedoeld in artikel 4.4.2 van de wet zoals luidend op 31 juli 1998, heeft ingestemd op grond van artikel 2.5.8, derde lid, van de wet zoals luidend op 31 juli 1998, met het ten laste van bedoelde rechtspersoon brengen van de kosten van deze uitkeringen, en
C: 40% van de kosten van de uitkeringen in dat kalenderjaar voor gewezen personeel van de instellingen, voor zover deze kosten voortvloeien uit een ontslag dat is geëffectueerd op of na 1 augustus 1998.
Onze Minister brengt vervolgens op de rijksbijdrage van een instelling voor het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar in mindering:
- a.
de kosten van de uitkeringen in dat kalenderjaar voor gewezen personeel van de desbetreffende instelling, voor zover deze kosten voortvloeien uit een ontslag dat is geëffectueerd in de periode tussen 31 juli 1995 en 1 augustus 1998 en waarvoor de rechtspersoon, bedoeld in artikel 4.4.2 van de wet zoals luidend op 31 juli 1998, niet heeft ingestemd op grond van artikel 2.5.8, derde lid, van de wet zoals luidend op 31 juli 1998, met het ten laste van bedoelde rechtspersoon brengen van de kosten van deze uitkeringen, en
- b.
60% van de kosten van de uitkeringen in dat kalenderjaar voor gewezen personeel van de desbetreffende instelling, voor zover deze kosten voortvloeien uit een ontslag dat is geëffectueerd op of na 1 augustus 1998.
De uitkomsten van de in het eerste en tweede lid bedoelde berekeningen worden rekenkundig afgerond op twee decimalen.
Onze Minister gaat gedurende het kalenderjaar waarop de verminderingen op de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 2.5.2, eerste lid, betrekking hebben, per maand over tot een voorlopige inhouding op de rijksbijdrage.
De definitieve vaststelling van de verminderingen, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats in maart of zoveel eerder als mogelijk is, volgend op het desbetreffende jaar.
In dit hoofdstuk wordt onder volwassen inwoner verstaan, een persoon van 18 jaren of ouder die op grond van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens bij een gemeente is ingeschreven.
Binnen het raam van de door de begrotingswetgever voor het desbetreffende kalenderjaar beschikbaar gestelde middelen, stelt Onze Minister jaarlijks de omvang vast van het landelijk beschikbare budget voor de educatie, bedoeld in artikel 2.3.1, eerste lid, van de wet.
De in artikel 2.3.1, eerste lid, van de wet bedoelde rijksbijdrage educatie wordt door Onze Minister berekend op grond van:
- a.
het door het Centraal Bureau voor de Statistiek op verzoek van Onze Minister berekende aantal volwassen inwoners van de gemeente op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de rijksbijdrage wordt vastgesteld,
- b.
het door het Centraal Bureau voor de Statistiek op verzoek van Onze Minister berekende gemiddelde percentage volwassen inwoners van de gemeente met een opleiding op ten hoogste het niveau van het diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend beroepsonderwijs over het zevende tot en met tweede jaar voorafgaande aan het jaar van de rijksbijdrage, vermenigvuldigd met het onder a bedoelde aantal inwoners op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de rijksbijdrage wordt vastgesteld, en
- c.
het door het Centraal Bureau voor de Statistiek op verzoek van Onze Minister berekende aantal volwassen inwoners van de gemeente op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de rijksbijdrage wordt vastgesteld, waarvoor geldt dat beide ouders of de volwassen inwoner zelf en 1 ouder geboren zijn in een land dat niet is opgenomen in bijlage 1c bij dit besluit.
Bij een wijziging van de gemeentelijke indeling of een grenscorrectie wordt de rijksbijdrage die op grond van het eerste lid is berekend voor een gemeente die geheel of gedeeltelijk opgaat in 1 of meer andere gemeenten, vanaf de datum van herindeling aan de gemeenten toegerekend naar rato van het aantal inwoners dat in de desbetreffende gemeente blijft onderscheidenlijk naar de desbetreffende gemeente overgaat.
De in artikel 2.3.1, eerste lid, van de wet bedoelde rijksbijdrage educatie kan met inachtneming van het eerste en tweede lid worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
Onze Minister berekent de in artikel 2.3.1, eerste lid, van de wet bedoelde rijksbijdrage educatie voor 15% aan hand van de maatstaf, bedoeld in artikel 3.2.2, eerste lid, onderdeel a, voor 45% aan de hand van de maatstaf, bedoeld in artikel 3.2.2, eerste lid, onderdeel b, en voor 40% aan de hand van de maatstaf, bedoeld in artikel 3.2.2, eerste lid, onderdeel c.
De in artikel 2.3.1, derde lid, van de wet bedoelde rijksbijdrage voor de huisvestingskosten voor opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel a, van de wet, van een instelling als bedoeld in artikel 1.3.1 van de wet waarmee een gemeente een overeenkomst als bedoeld in artikel 2.3.4 van de wet heeft gesloten, niet zijnde een instelling als bedoeld in artikel 12.3.5 van de wet, wordt jaarlijks door Onze Minister vastgesteld op het niveau van de bekostiging zoals voor die instelling is vastgesteld voor het kalenderjaar 1999.
De in het eerste lid bedoelde rijksbijdrage kan worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
De paragrafen 1 tot en met 3 zijn van toepassing op de landelijke organen als bedoeld in artikel 1.5.1 van de wet, met uitzondering van het landelijk orgaan op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving voor zover niet anders is bepaald.
Paragraaf 4 is van toepassing op het landelijk orgaan op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving.
Paragraaf 5 is van toepassing op alle landelijke organen.
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- a.
landelijk orgaan: een landelijk orgaan als bedoeld in artikel 1.5.1 van de wet;
- b.
leerbedrijf: een bedrijf of organisatie als bedoeld in artikel 7.2.9, eerste lid, van de wet;
- c.
bpv-plaats: een in artikel 4.2.5, eerste lid, bedoelde beroepspraktijkvormingsplaats;
- d.
normatieve bpv-plaats: een in artikel 4.2.5, tweede lid, bedoelde normatieve bpv-plaats;
- e.
opleiding: een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2 van de wet in de beroepsopleidende of beroepsbegeleidende leerweg, dan wel in beide leerwegen;
- f.
exploitatiekosten: de kosten van een landelijk orgaan niet zijnde de huisvestingskosten.
De rijksbijdrage omvat:
- a.
een bedrag voor exploitatiekosten, berekend volgens paragraaf 2, daaronder mede begrepen een bedrag in verband met kosten van werkloosheidsuitkeringen en suppleties inzake arbeidsongeschiktheid, en
- b.
een bedrag voor huisvestingskosten, berekend volgens paragraaf 3.
Binnen het raam van de door de begrotingswetgever voor het desbetreffende kalenderjaar beschikbaar gestelde middelen, stelt Onze Minister jaarlijks de omvang vast van de landelijk beschikbare budgetten voor de exploitatiekosten en voor de huisvestingskosten van de landelijke organen.
Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten voor een landelijk orgaan voor:
- a.
de taken, bedoeld in artikel 1.5.2, eerste, tweede en vijfde lid, van de wet, aan de hand van de maatstaf opleidingen,
- b.
de taken, bedoeld in artikel 1.5.2, derde lid, van de wet, aan de hand van de maatstaven bpv-plaatsen in de beroepsbegeleidende leerweg en in de beroepsopleidende leerweg, en
- c.
de taken, bedoeld in artikel 1.5.2, vierde lid, van de wet, aan de hand van de maatstaven leerbedrijven in de beroepsbegeleidende leerweg en in de beroepsopleidende leerweg.
Het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten van de landelijke organen wordt verdeeld als volgt:
- a.
20% wordt toegerekend aan het landelijk deel ten behoeve van de maatstaf opleidingen,
- b.
60% wordt toegerekend aan het landelijk deel ten behoeve van de maatstaven bpv-plaatsen in de beroepsbegeleidende leerweg en in de beroepsopleidende leerweg, en
- c.
20% wordt toegerekend aan het landelijk deel ten behoeve van de maatstaven leerbedrijven in de beroepsbegeleidende leerweg en in de beroepsopleidende leerweg.
Onze Minister berekent voor een landelijk orgaan de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten door bij elkaar op te tellen:
- a.
het rijksbijdragedeel op grond van de maatstaf opleidingen,
- b.
het rijksbijdragedeel op grond van de maatstaven bpv-plaatsen in de beroepsbegeleidende leerweg en in de beroepsopleidende leerweg, en
- c.
het rijksbijdragedeel op grond van de maatstaven leerbedrijven in de beroepsbegeleidende leerweg en in de beroepsopleidende leerweg,
zoals deze delen voor het desbetreffende kalenderjaar voor het landelijk orgaan worden berekend op grond van respectievelijk de artikelen 4.2.4 en 4.2.5, 4.2.6, 4.2.7 en 4.2.8.
Het aandeel van de op grond van het eerste lid berekende rijksbijdrage voor de exploitatiekosten van het landelijk orgaan in het desbetreffende landelijk beschikbare budget wordt uitgedrukt in een percentage van dat budget.
De op grond van het eerste lid berekende rijksbijdrage kan worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten voor het landelijk orgaan voor zover het betreft het gedeelte van het landelijk beschikbare budget dat is toegerekend aan de maatstaf opleidingen, door:
- a.
voor elke opleiding waarvoor het landelijk orgaan de eindtermen heeft voorgesteld, en voor zover deze eindtermen op 1 augustus voorafgaand aan het kalenderjaar waarvoor de rijksbijdrage wordt berekend, zijn vermeld in het Centraal register, het aantal studiebelastingsuren dat is vastgesteld als onderdeel van de eindtermen voor die opleiding te delen door 1600, dit aantal af te ronden op een half naar boven, en het totaal te vermenigvuldigen met
- b.
het aantal in het Centraal register opgenomen deelkwalificaties van de onder a bedoelde opleidingen, met dien verstande dat een deelkwalificatie slechts eenmaal meetelt, en de uitkomst te delen door
- c.
het totaal van de in het Centraal register opgenomen deelkwalificaties van de onder a bedoelde opleidingen, zonder de beperking in onderdeel b.
De berekening volgens het eerste lid leidt tot een aantal punten voor het landelijk orgaan, rekenkundig afgerond op een half. Onze Minister verdeelt het in het eerste lid bedoelde gedeelte van het landelijk beschikbare budget over de landelijke organen naar rato van het aantal punten van elk landelijk orgaan.
Voor de toepassing van artikel 4.2.6 wordt onder een bpv-plaats verstaan, een beroepspraktijkvormingsplaats waarvoor een overeenkomst als bedoeld in artikel 7.2.8, tweede lid, van de wet, is gesloten op grond waarvan een leerbedrijf verplicht is in het tweede studiejaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft, beroepspraktijkvorming te verzorgen.
Voor de toepassing van artikel 4.2.6 wordt uitgegaan van een aantal normatieve bpv-plaatsen per landelijk orgaan per leerweg. Dat aantal wordt berekend door:
- a.
bij elkaar op te tellen de aantallen uren beroepspraktijkvorming van alle bpv-plaatsen in die leerweg in het studiejaar, bedoeld in het eerste lid, voor zover het betreft opleidingen waarvoor dat landelijk orgaan de eindtermen heeft voorgesteld, en
- b.
dat totale aantal te delen door 960 uren.
Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten voor het landelijk orgaan voor zover het betreft het gedeelte van het landelijk beschikbare budget dat is toegerekend aan de maatstaven bpv-plaatsen in de beroepsbegeleidende leerweg en in de beroepsopleidende leerweg, op de wijze als bepaald in het tweede tot en met vierde lid.
Met betrekking tot het voorlaatste studiejaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft, worden vastgesteld:
- a.
het landelijk aantal normatieve bpv-plaatsen in de beroepsbegeleidende leerweg,
- b.
het landelijk aantal normatieve bpv-plaatsen in de beroepsopleidende leerweg,
- c.
voor elk landelijk orgaan, het aantal normatieve bpv-plaatsen in de beroepsbegeleidende leerweg, en
- d.
voor elk landelijk orgaan, het aantal normatieve bpv-plaatsen in de beroepsopleidende leerweg.
De op grond van het tweede lid, aanhef en onder a en b, vastgestelde landelijke aantallen worden vermenigvuldigd met respectievelijk 0,00433 en 0,00414, de uitkomsten worden bij elkaar opgeteld en het procentuele aandeel van elk landelijk aantal in dat totale aantal wordt vastgesteld.
Van het in het eerste lid bedoelde gedeelte van het landelijk beschikbare budget wordt het bedrag vastgesteld voor elk landelijk aantal, overeenkomstig het in het derde lid bedoelde percentage. Dat bedrag wordt over de landelijke organen verdeeld naar rato van de voor elk landelijk orgaan op grond van het tweede lid, aanhef en onder c en d, vastgestelde aantallen.
Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten voor het landelijk orgaan voor zover het betreft het gedeelte van het landelijk beschikbare budget dat is toegerekend aan de maatstaven leerbedrijven in de beroepsbegeleidende leerweg en in de beroepsopleidende leerweg, op de wijze als bepaald in het tweede tot en met het vijfde lid.
Ten aanzien van de drie studiejaren die voorafgaan aan het jaar waarin de rijksbijdrage wordt vastgesteld, wordt een derde gedeelte bepaald van:
- a.
het landelijk aantal leerbedrijven dat de beroepspraktijkvorming in de beroepsbegeleidende leerweg in die studiejaren verzorgt;
- b.
het landelijk aantal leerbedrijven dat de beroepspraktijkvorming in de beroepsopleidende leerweg in die studiejaren verzorgt;
- c.
voor elk landelijk orgaan, het aantal leerbedrijven dat de beroepspraktijkvorming in de beroepsbegeleidende leerweg in die studiejaren verzorgt;
- d.
voor elk landelijk orgaan, het aantal leerbedrijven dat de beroepspraktijkvorming in de beroepsopleidende leerweg in die studiejaren verzorgt.
Een leerbedrijf telt slechts eenmaal mee in de aantallen, bedoeld in het tweede lid, onder c en d.
De op grond van het tweede lid, onder a en b, vastgestelde landelijke aantallen worden vermenigvuldigd met respectievelijk 0,00314 en 0,0018, de beide uitkomsten worden bij elkaar opgeteld en het procentuele aandeel van elk landelijk aantal in dat totale aantal wordt vastgesteld.
Van het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten wordt het bedrag vastgesteld voor elk landelijke aantal, overeenkomstig het in het vierde lid bedoelde percentage. Dat bedrag wordt over de landelijke organen verdeeld naar rato van de voor elk landelijk orgaan op grond van het tweede lid, aanhef en onder c en d, vastgestelde aantallen.
Bij de vaststellingen, bedoeld in artikel 4.2.7, tweede lid, betrekt Onze Minister uitsluitend de leerbedrijven:
- a.
die zijn aangeduid met de code leerbedrijf, bedoeld in bijlage 3 bij dit besluit, en
- b.
waar op enig moment in het studiejaar dat direct voorafgaat aan het kalenderjaar waarin de rijksbijdrage wordt vastgesteld, ten minste één deelnemer daadwerkelijk de opleiding in de praktijk van het beroep, bedoeld in artikel 7.2.8, eerste lid, van de wet, volgt op de grondslag van een overeenkomst als bedoeld in het tweede lid van dat artikel.
Voor de toepassing van het eerste lid, onder a, stelt het landelijk orgaan de betrokken instellingen in kennis van de in het eerste lid onder a bedoelde codes van de leerbedrijven, en stelt het de instellingen tijdig in kennis van wijzigingen daarin. De in de eerste volzin bedoelde instellingen zijn instellingen als bedoeld in artikel 1.3.1 of 1.4.1 van de wet, een in artikel 12.3.8 van de wet genoemd instituut of een in artikel 12.3.9 van de wet genoemde hogeschool.
Onze Minister stelt het bedrag voor huisvestingskosten voor elk landelijk orgaan vast overeenkomstig het percentage dat op grond van artikel 4.2.3, tweede lid, voor dat landelijk orgaan is vastgesteld, met dien verstande dat aanpassingen als bedoeld in het derde lid van dat artikel daarbij buiten beschouwing blijven.
De op grond van het eerste lid berekende rijksbijdrage kan worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
De rijksbijdrage omvat:
- a.
een bedrag voor exploitatiekosten, berekend volgens deze paragraaf, daaronder mede begrepen een bedrag in verband met kosten van werkloosheidsuitkeringen en suppleties inzake arbeidsongeschiktheid, en
- b.
een bedrag voor huisvestingskosten, berekend volgens deze paragraaf.
Binnen het raam van de door de begrotingswetgever voor het desbetreffende begrotingsjaar beschikbaar gestelde middelen, stelt Onze Minister jaarlijks het landelijk beschikbare budget vast voor de exploitatiekosten en voor de huisvestingskosten van het landelijk orgaan op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving.
Onze Minister berekent de rijksbijdrage afzonderlijk voor:
- a.
de taken, bedoeld in artikel 1.5.2, eerste, tweede en vijfde lid, van de wet,
- b.
de taken, bedoeld in artikel 1.5.2, derde lid, van de wet, en
- c.
de taken, bedoeld in artikel 1.5.2, vierde lid, van de wet.
Van het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten van het landelijk orgaan wordt:
- a.
20% toegerekend aan de taken, bedoeld in artikel 4.4.3, onder a, met dien verstande dat 10% van het desbetreffende deel van het landelijk beschikbare budget betrekking heeft op strategische expertise-ontwikkeling,
- b.
60% toegerekend aan de taken, bedoeld in artikel 4.4.3, onder b, en
- c.
20% toegerekend aan de taken, bedoeld in artikel 4.4.3, onder c.
Onze Minister berekent de totale rijksbijdrage voor de exploitatiekosten van het landelijk orgaan door de middelen bij elkaar op te tellen die voor het landelijk orgaan zijn berekend op grond van de artikelen 4.4.3 en 4.4.4.
De op grond van het eerste lid vastgestelde rijksbijdrage kan worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
Onze Minister stelt het bedrag voor huisvestingskosten voor het landelijk orgaan vast.
De op grond van het eerste lid vastgestelde rijksbijdrage kan worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
In deze paragraaf wordt onder uitkering verstaan, een werkloosheidsuitkering of een suppletie inzake arbeidsongeschiktheid alsmede een andere uitkering wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel, anders dan op grond van de Ziektewet, voortvloeiend uit een dienstbetrekking aan een landelijk orgaan.
Het in artikel 2.4.1, tweede lid, van de wet bedoelde bedrag dat Onze Minister in verband met uitkeringen in mindering brengt op de rijksbijdrage voor een kalenderjaar, wordt berekend volgens het tweede tot en met vijfde lid.
Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen berekent voor elk landelijk orgaan, daaronder mede begrepen het landelijk orgaan op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving, ten behoeve van het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar het relatieve aandeel van de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten in het totaal van deze rijksbijdragen zoals berekend volgens paragraaf 2 en paragraaf 4 voor zover het betreft de exploitatiekosten.
Onze Minister brengt op de rijksbijdrage voor een kalenderjaar een bedrag in mindering, berekend met de volgende formule:
RALO x (A+B+C+D)
In deze formule wordt verstaan onder:
RALO: het in het tweede lid bedoelde relatieve aandeel;
A: de kosten van de uitkeringen in het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar voor gewezen personeel van de in het tweede lid bedoelde landelijke organen, voor zover deze kosten voortvloeien uit een ontslag dat is geëffectueerd voor 1 augustus 1995;
B: de kosten van de uitkeringen in dat kalenderjaar voor gewezen personeel van de in het tweede lid bedoelde landelijke organen, voor zover deze kosten voortvloeien uit een ontslag dat is geëffectueerd in de periode tussen 31 juli 1995 en 1 augustus 1998 en waarvoor de rechtspersoon, bedoeld in artikel 4.4.2 van de wet zoals luidend op 31 juli 1998, heeft ingestemd op grond van artikel 2.5.8, derde lid, van de wet zoals luidend op 31 juli 1998, met het ten laste van bedoelde rechtspersoon brengen van de kosten van deze uitkeringen;
C: 65% van de kosten van de uitkeringen in dat kalenderjaar voor gewezen personeel van de in het tweede lid bedoelde landelijke organen, voor zover deze kosten voortvloeien uit een ontslag dat is geëffectueerd op of na 1 augustus 1998;
D: 100% van de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar voor gewezen personeel van een landelijk orgaan dat de taken beëindigt, anders dan op grond van een bestuursoverdracht als bedoeld in artikel 9.2.2 van de wet, indien het bestuur van dit landelijk orgaan niet tevens bestuur is van een ander landelijk orgaan.
Onze Minister brengt vervolgens op de rijksbijdrage voor het landelijk orgaan voor de exploitatiekosten en de huisvestingskosten gezamenlijk, voor het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar in mindering:
- a.
de kosten van de uitkeringen in dat kalenderjaar voor gewezen personeel van dat landelijk orgaan, voor zover deze kosten voortvloeien uit een ontslag dat is geëffectueerd in de periode tussen 31 juli 1995 en 1 augustus 1998 en waarvoor de rechtspersoon, bedoeld in artikel 4.4.2 van de wet zoals luidend op 31 juli 1998, niet heeft ingestemd op grond van artikel 2.5.8, derde lid, van de wet zoals luidend op 31 juli 1998, met het ten laste van bedoelde rechtspersoon brengen van de kosten van deze uitkeringen, en
- b.
35% van de kosten van de uitkeringen in dat kalenderjaar voor gewezen personeel van dat landelijk orgaan, voor zover deze kosten voortvloeien uit een ontslag dat is geëffectueerd op of na 1 augustus 1998.
De uitkomsten van de in het derde en vierde lid bedoelde berekeningen worden rekenkundig afgerond op twee decimalen.
Onze Minister gaat gedurende het kalenderjaar waarop de verminderingen van de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, betrekking hebben, per maand over tot een voorlopige inhouding op de rijksbijdrage.
De definitieve vaststelling van de verminderingen, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats in maart of zoveel eerder als mogelijk is, volgend op het kalenderjaar.
De definitieve vaststelling van de verminderingen betrekking hebbend op het kalenderjaar 2001 vindt plaats in euro's door de bedragen van de vermindering te delen door 2.20371.
De bepalingen van dit hoofdstuk hebben betrekking op:
- a.
instellingen, voor zover het betreft:
- 1°.
regionale opleidingencentra en regionale opleidingencentra in een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1.3.1 van de wet,
- 2°.
vakscholen als bedoeld in artikel 12.3.5, derde lid, van de wet,
- 3°.
instellingen van een bepaalde richting als bedoeld in artikel 12.3.6, tweede lid, van de wet, en
- 4°.
instellingen met een extra breedtegebrek als bedoeld in artikel 12.3.7, derde lid, van de wet,
- 1°.
- b.
landelijke organen als bedoeld in artikel 1.5.1 van de wet met uitzondering van het landelijk orgaan op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving, alsmede
- c.
gemeentebesturen en instellingen als bedoeld in artikel 2.3.4 van de wet.
In dit hoofdstuk wordt onder gegevenswoordenboek verstaan, de opsomming van een door het bevoegd gezag van een instelling, een gemeentebestuur of het bestuur van een landelijk orgaan te verzamelen gegevens, bedoeld in artikel 5.2.1.
De informatieverzameling, bedoeld in de artikelen 2.2.4, 2.3.6, 2.5.3 en 2.5.5 van de wet, waarover het bevoegd gezag van een instelling dient te beschikken, bevat de gegevens volgens de beschrijving in het gegevenswoordenboek dat is opgenomen in bijlage 1 bij dit besluit, met gebruikmaking van de codering zoals opgenomen in de bijlagen 1a tot en met 1c bij dit besluit.
De informatieverzameling, bedoeld in artikel 2.3.6 van de wet, waarover het gemeentebestuur dient te beschikken, bevat de gegevens volgens de beschrijving in het gegevenswoordenboek dat is opgenomen in bijlage 2 bij dit besluit.
De informatieverzameling, bedoeld in artikel 2.5.10 juncto artikel 2.5.5 van de wet, waarover het bestuur van een landelijk orgaan dient te beschikken, bevat de gegevens volgens de beschrijving in het gegevenswoordenboek dat is opgenomen in bijlage 3 bij dit besluit.
De gegevens, bedoeld in het eerste en derde lid, die betrekking hebben op de bekostiging, zijn in het desbetreffende gegevenswoordenboek als zodanig aangeduid.
Op verzoek van Onze Minister stelt het bevoegd gezag van een instelling, het gemeentebestuur dan wel het bestuur van een landelijk orgaan gegevens aan hem ter beschikking, die door de instelling, de gemeente of het landelijk orgaan op grond van artikel 5.2.1 zijn verzameld. De beschikbaarstelling geschiedt overeenkomstig de formulieren die op het beroepsonderwijs, de educatie respectievelijk de werkzaamheden van het landelijk orgaan van toepassing zijn, zoals die zijn opgenomen in bijlage 4, bijlage 5, respectievelijk bijlage 6 bij dit besluit. De beschikbaarstelling kan zowel schriftelijk als langs elektronische weg geschieden. In voorkomende gevallen kan Onze Minister bij het verzoek om beschikbaarstelling reeds bij hem bekende gegevens opnemen.
Bij ministeriële regeling kan in bijzondere gevallen een aanvullende vragenlijst ten aanzien van bekostiging worden vastgesteld ter beantwoording door het bevoegd gezag van een instelling.
Het bevoegd gezag van een instelling, het gemeentebestuur en het bestuur van een landelijk orgaan bewaren de boeken, bescheiden en informatie op andere informatiedragers die verband houden met de toepassing van dit hoofdstuk voor zover het betreft gegevens ten behoeve van het door Onze Minister te voeren beleid ten aanzien van het beroepsonderwijs, van de educatie en van de landelijke organen, gedurende ten minste zeven jaren.
Het bevoegd gezag van een instelling, het gemeentebestuur en het bestuur van een landelijk orgaan bewaren de gegevens die verband houden met de toepassing van dit hoofdstuk op zodanige wijze dat daaruit de voor de vaststelling van de geaggregeerde gegevens van belang zijnde gegevens kunnen worden nagegaan.
De bepalingen van dit hoofdstuk hebben betrekking op:
instellingen als bedoeld in de artikelen 1.3.1, 1.3.2, 1.3.3, 1.3.4, 12.3.5, 12.3.8, 12.3.9, 12.3.12, 12.3.13 of 12.3.14 van de wet, en
landelijke organen als bedoeld in artikel 1.5.1 van de wet.
Het personeel en het gewezen personeel van instellingen en landelijke organen zijn in elk geval belanghebbende in de zin van dit hoofdstuk.
Indien een instelling of een landelijk orgaan de taken beëindigt en een rechtsopvolger ontbreekt, waaronder tevens is begrepen het geval van een onherroepelijk vonnis tot faillietverklaring van de desbetreffende instelling of het desbetreffende landelijk orgaan, voorzien de bevoegde gezagsorganen van de overige instellingen onderscheidenlijk de besturen van de overige landelijke organen er gezamenlijk in dat aan de verplichtingen jegens het personeel en het gewezen personeel die uit de wet- en regelgeving voortvloeien, wordt voldaan. De toepassing van de eerste volzin geschiedt met inachtneming van het bepaalde over vermindering van de rijksbijdrage in verband met de kosten van uitkeringen voor gewezen personeel van een instelling die of een landelijk orgaan dat de taken beëindigt in de ministeriële regeling op grond van artikel 12.3.48 van de wet onderscheidenlijk artikel 4.5.2.
Voor de uitkomsten van het functiewaarderingssysteem van een instelling als bedoeld in de artikelen 1.3.1, 1.3.2, 1.3.3, 1.3.4, 12.3.5, 12.3.8 en 12.3.12 van de Wet educatie en beroepsonderwijs of van een landelijk orgaan geldt voor de functie van voorzitter van het college van bestuur en de centrale directie dat daaraan ten hoogste een salarisschaal is verbonden waarvan het hoogste bedrag overeenkomt met het maximum salarisbedrag van schaal 18 van bijlage 1A van het Kaderbesluit rechtspositie BVE, zoals dat luidde op de dag voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
Het in het eerste lid bedoelde maximum kan worden bijgesteld aan de hand van de algemene salarisontwikkeling die voor het personeel van instellingen onderscheidenlijk landelijke organen wordt overeengekomen.
Vervallen.
Bij ministeriële regeling kan worden voorgeschreven, welke gegevens Onze Minister in afwijking van artikel 2.2.5 hanteert voor de bekostiging voor zover nog niet kan worden beschikt over de in dat artikel, onder b, voorgeschreven gegevens. De vervangende gegevens komen zoveel mogelijk overeen met de voorgeschreven gegevens.
Bij ministeriële regeling wordt vastgesteld:
- a.
vervallen;
- b.
in afwijking van artikel 2.2.3, eerste lid, onder Pi respectievelijk DFi: welke prijsfactor respectievelijk welke deeltijdfactor:
- 1°.
vervallen;
- 2°.
vervallen;
- 3°.
vervallen;
- 4°.
vervallen;
- 5°.
vervallen;
- 6°.
tot uiterlijk 1 januari 2002 voor deeltijdse deelnemers aan 4-jarige opleidingen middelbaar beroepsonderwijs,
wordt toegekend aan opleidingen waarvan de opleidingen zoals vermeld in het overzicht, bedoeld in artikel 12.3.17, eerste lid, van de wet, een voortzetting vormen.
- 1°.
- c.
in afwijking van artikel 2.2.3, eerste lid, onder Pi respectievelijk DFi: welke prijsfactor respectievelijk welke deeltijdfactor:
- 1°.
vervallen;
- 2°.
vervallen;
- 3°.
vervallen;
- 4°.
vervallen;
- 5°.
vervallen;
- 6°.
tot uiterlijk 1 januari 2002 voor deeltijdse deelnemers aan 4-jarige opleidingen middelbaar beroepsonderwijs,
wordt toegekend aan bekostigde opleidingen die niet vallen onder a of b en die in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan de eerste toepassing van artikel 2.2.3 werden verzorgd aan de instellingen, en
- 1°.
- d.
welk niveau wordt toegekend aan een opleiding als bedoeld onder b of c met het oog op de toepassing van artikel 2.2.4, en voor zover van toepassing, welk niveau wordt toegekend aan een opleiding als bedoeld onder b of c, met het oog op de toepassing van artikel 2.2.5.
Onder diploma's beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 2.1.2, onder d, worden mede begrepen, bij ministeriële regeling aangewezen diploma's en certificaten van opleidingen als bedoeld in artikel 12.3.2 van de wet.
Voor de toepassing van artikel 2.2.3, eerste lid, DDi, voor het kalenderjaar 2000 worden onder deelnemers in de beroepsbegeleidende leerweg van opleidingen als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder a en b, van de wet, ook verstaan, deelnemers als bedoeld in artikel 5, derde, vierde en vijfde lid, van de Overgangsregeling bekostiging beroepsonderwijs WEB tot 2000 zoals luidend op 1 augustus 1998.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de kalenderjaren 2001 en 2002, met dien verstande dat in genoemd artikel 5, derde, vierde en vijfde lid, voor «1998» telkens wordt gelezen «1999» respectievelijk «2000» en voor «1999» telkens «2000» respectievelijk «2001».
Indien de op grond van artikel 2.4.1, eerste lid, voor een instelling, niet zijnde een agrarisch opleidingscentrum, vastgestelde rijksbijdrage ten behoeve van de huisvestingskosten voor een kalenderjaar van de desbetreffende instelling, vermeerderd met het gedeelte van de rijksbijdrage, berekend op grond van artikel 2.4.1, tweede lid, minder bedraagt dan het op grond van artikel 3, alsmede in voorkomende gevallen op grond van artikel 8 van de Regeling bekostiging huisvesting bve-sector 1999 voor het desbetreffende kalenderjaar vastgestelde bedrag voor de desbetreffende instelling, ontvangt de instelling voor het desbetreffende kalenderjaar een aanvulling tot dat bedrag.
Indien de op grond van artikel 2.4.1, eerste lid, voor een agrarisch opleidingscentrum vastgestelde rijksbijdrage ten behoeve van de huisvestingskosten voor een kalenderjaar van de desbetreffende instelling, vermeerderd met het gedeelte van de rijksbijdrage, berekend op grond van artikel 2.4.1, derde lid, minder bedraagt dan het op grond van artikel 4, alsmede in voorkomende gevallen op grond van artikel 7 van de Regeling bekostiging huisvesting bve-sector voor het desbetreffende kalenderjaar vastgestelde bedrag voor de desbetreffende instelling, ontvangt de instelling voor het desbetreffende kalenderjaar een aanvulling tot dat bedrag.
Vervallen
Vervallen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
rijksbijdrage educatie: de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 2.3.1, eerste lid, van de wet;
landelijk beschikbare budget: het landelijk beschikbare budget voor de educatie, bedoeld in artikel 2.3.1, eerste lid, van de wet;
oude berekening: berekening van de rijksbijdrage educatie voor het jaar 2000 op grond van de Tijdelijke regeling rijksbijdrage educatie zoals luidend op 1 september 1999, toegepast op het landelijk beschikbare budget voor het jaar 2000;
nieuwe berekening: berekening van de rijksbijdrage educatie voor het jaar 2000 op grond van de artikelen 3.2.2 en 3.2.3, toegepast op het landelijk beschikbare budget voor het jaar 2000.
De berekeningsmaatstaven, bedoeld in de artikelen 3.2.2 en 3.2.3, worden in de jaren 2000 tot en met 2003 toegepast op het landelijk beschikbare budget, verminderd met een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag. In de ministeriële regeling worden de bedragen van de vermindering voor de jaren 2001, 2002 en 2003 vastgesteld op onderscheidenlijk 75%, 50% en 25% van het bedrag van de vermindering voor het jaar 2000.
De op grond van het eerste lid berekende verminderingen van de rijksbijdrage educatie kunnen worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
Indien de rijksbijdrage educatie in het jaar 2000 bij de nieuwe berekening hoger of lager is dan bij de oude berekening, wordt in de jaren 2000 tot en met 2003 de op grond van de artikelen 3.2.2, 3.2.3 en 6.2.2 bepaalde rijksbijdrage educatie verlaagd onderscheidenlijk verhoogd met het verschil tussen de uitkomsten van die beide berekeningen, vermenigvuldigd met A x B/C, waarin:
A =
- –
in het jaar 2000: 4/5,
- –
in het jaar 2001: 3/5,
- –
in het jaar 2002: 2/5,
- –
in het jaar 2003: 1/5;
B = het landelijk beschikbare budget voor het desbetreffende jaar, verminderd met het op grond van artikel 6.2.2 voor het desbetreffende jaar vastgestelde bedrag en
C = het landelijk beschikbare budget voor het desbetreffende jaar.
Bij een wijziging van de gemeentelijke indeling of een grenscorrectie worden de op grond van het eerste lid berekende verlagingen of verhogingen van de rijksbijdrage educatie voor een gemeente die geheel of gedeeltelijk opgaat in 1 of meer andere gemeenten vanaf de datum van herindeling aan de gemeenten toegerekend naar rato van het aantal inwoners dat in de desbetreffende gemeente blijft onderscheidenlijk naar de desbetreffende gemeente overgaat.
De op grond van het eerste en tweede lid berekende verlagingen of verhogingen van de rijksbijdrage educatie kunnen worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
Onze Minister voegt in het jaar 2000 een bedrag toe aan de rijksbijdrage educatie voor een gemeente indien deze rijksbijdrage bij de nieuwe berekening ten minste f 2 000 000,– lager is dan bij de oude berekening.
Onze Minister voegt in het jaar 2000 een bedrag toe aan het totaal van de rijksbijdragen educatie in een samenwerkingsgebied als bedoeld in artikel 2 van de Wet gemeenschappelijke regelingen naar de situatie op 1 januari 1999, indien
- a.
het totaal van de rijksbijdragen educatie voor de gemeenten in dat gebied bij de nieuwe berekening ten minste f 800 000,– lager is dan bij de oude berekening, of
- b.
het totaal van de rijksbijdragen educatie voor de gemeenten in dat gebied bij de nieuwe berekening, gelijk is aan of lager is dan 0,9 x dat totaal bij de oude berekening.
De op grond van het eerste of tweede lid toe te voegen bedragen worden vastgesteld door het op grond van artikel 6.2.2 voor het jaar 2000 vastgestelde bedrag te verdelen over de gemeenten, bedoeld in het eerste lid, en de samenwerkingsgebieden, bedoeld in het tweede lid. Deze verdeling geschiedt naar rato van de omvang van de verschillen tussen de uitkomsten van de oude en de nieuwe berekening bij die gemeenten onderscheidenlijk bij het totaal van de gemeenten in die gebieden.
De op grond van het tweede en derde lid berekende bedragen voor de samenwerkingsgebieden, bedoeld in het tweede lid, worden door Onze Minister verdeeld over de gemeenten in het desbetreffende gebied die bij de nieuwe berekening een lagere rijksbijdrage educatie zouden ontvangen dan bij de oude berekening. De verdeling vindt plaats naar rato van de omvang van de verschillen tussen de uitkomsten van de oude en de nieuwe berekening bij die gemeenten.
Bij de berekeningen, bedoeld in het tweede en vierde lid, en bij de berekening op grond van het derde lid met betrekking tot de gemeenten in de samenwerkingsgebieden, bedoeld in het tweede lid, worden de gemeenten, bedoeld in het eerste lid, buiten beschouwing gelaten.
In de jaren 2001, 2002 en 2003 voegt Onze Minister aan de rijksbijdragen van de gemeenten, bedoeld in het eerste lid, en de gemeenten, bedoeld in het vierde lid, onderscheidenlijk 75%, 50% en 25% van het bedrag voor het jaar 2000 toe.
Bij een wijziging van de gemeentelijke indeling of een grenscorrectie worden de op grond van het eerste tot en met zesde lid berekende bedragen voor een gemeente die geheel of gedeeltelijk opgaat in 1 of meer andere gemeenten vanaf de datum van herindeling aan de gemeenten toegerekend naar rato van het aantal inwoners dat in de desbetreffende gemeente blijft onderscheidenlijk naar de desbetreffende gemeente overgaat.
De op grond van het eerste tot en met zesde lid berekende bedragen kunnen worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
De in deze paragraaf voor de jaren 2002 en 2003 berekende bedragen worden vastgesteld in euro's door de uitkomst van de berekeningen te delen door 2.20371.
Bij ministeriële regeling wordt voorgeschreven, welke gegevens Onze Minister in afwijking van de artikelen 4.2.4 tot en met 4.2.8 hanteert voor zover nog niet kan worden beschikt over de in die artikelen voorgeschreven gegevens. De vervangende gegevens komen zoveel mogelijk overeen met de voorgeschreven gegevens.
Tot het tijdstip van inwerkingtreding van bijlage 3 bij dit besluit wordt in artikel 4.2.8, eerste lid, onder a, in plaats van «bijlage 3 bij dit besluit» gelezen: bijlage 3 van de Regeling Informatievoorziening BVE.
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Indien de rijksbijdrage voor de huisvestingskosten van een landelijk orgaan zoals voor het kalenderjaar 2002 berekend ingevolge paragraaf 3 van hoofdstuk 4 juncto artikel 6.3.3 lager is dan de rijksbijdrage voor de huisvestingskosten van dat landelijk orgaan voor het kalenderjaar 2001, wordt in afwijking van paragraaf 3 van hoofdstuk 4 juncto artikel 6.3.3 de rijksbijdrage voor het kalenderjaar 2002 verhoogd met 50% van het verschil.
Indien de rijksbijdrage voor de huisvestingskosten van een landelijk orgaan zoals voor het kalenderjaar 2002 berekend ingevolge paragraaf 3 van hoofdstuk 4 juncto artikel 6.3.3 hoger is dan de rijksbijdrage voor de huisvestingskosten van dat landelijk orgaan voor het kalenderjaar 2001, wordt in afwijking van paragraaf 3 van hoofdstuk 4 juncto artikel 6.3.3 de rijksbijdrage voor het kalenderjaar 2002 verlaagd met 50% van het verschil.
Voor de bepaling van het verschil, bedoeld in in het eerste en tweede lid, wordt de rijksbijdrage voor de huisvestingskosten voor het jaar 2001 omgerekend in euro's door het vastgestelde bedrag te delen door 2,20 371.
Onze Minister evalueert de werking van hoofdstuk 4 na afloop van een periode van 5 jaren na het tijdstip van inwerkingtreding van dat hoofdstuk.
Dit besluit treedt, met uitzondering van de hoofdstukken 2, 3, 4, 5 voor zover het betreft de artikelen 5.2.1, 5.2.2 en 5.2.4, en 6, in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst.
De hoofdstukken 2, 3, 4 en 6 van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende hoofdstukken, paragrafen en artikelen verschillend kan worden vastgesteld. Laatstbedoeld besluit wordt niet genomen dan nadat vier weken zijn verstreken nadat het onderhavige besluit is overgelegd aan de beide Kamers der Staten-Generaal en gedurende die termijn niet door of namens een van beide kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in de hoofdstukken 2 en 6, paragraaf 1, dan wel de hoofdstukken 3 en 6, paragraaf 2, dan wel de hoofdstukken 4 en 6, paragraaf 3, van dit besluit geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. De bepalingen vinden voor het eerst toepassing ten aanzien van de rijksbijdragen voor het jaar 2000.
De artikelen 5.2.1, 5.2.2 en 5.2.4 van dit besluit treden in werking 12 maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met dien verstande dat de formulieren ten aanzien van de gegevens inzake uitgereikte diploma's niet eerder van toepassing zijn dan over het kalenderjaar 2001 en de overige formulieren niet eerder dan over het studiejaar 2001–2002.
Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit WEB.
A. Deelnemers
B. Personeel
INHOUDSOPGAVE
1. | INLEIDING | 74 | |
2. | BEGRIPSBEPALINGEN EN DEFINITIES | 75 | |
3. | GEGEVENSLIJST | 76 | |
A. | Deelnemers | 76 | |
GROEP: Deelnemer | 76 | ||
A1. | Achternaam | 76 | |
A2. | Voorvoegsels achternaam | 76 | |
A3. | Voorletters | 77 | |
A4. | Geboortedatum | 77 | |
A5. | Geslacht | 77 | |
A6. | Woonadres | 77 | |
A7. | Opleiding afgelopen jaar | 77 | |
A8. | Code Doelgroep | 78 | |
Gehandicapte | 78 | ||
Nieuwkomer | 78 | ||
Allochtoon | 78 | ||
VOA-deelnemer | 79 | ||
GROEP: Kwalificatie | 79 | ||
A9. | Code Kwalificatie | 79 | |
A10. | Inschrijfdatum | 79 | |
A11. | Datum einde inschrijving | 80 | |
A12. | Hoogste vooropleiding | 80 | |
A13. | Datum diploma | 80 | |
GROEP: Leerweg | 80 | ||
A14. | Code leerweg | 80 | |
A15. | Datum begin leerweg | 80 | |
A16. | Intensiteit | 81 | |
A17. | Locatie onderwijs | 81 | |
GROEP: BPV-plaats | 81 | ||
A18. | Afsluitdatum BPV | 81 | |
A19a. | Datum begin BPV | 81 | |
A19b. | Datum einde BPV | 82 | |
A20. | Code leerbedrijf | 82 | |
A21. | BPV-omvang | 82 | |
B. | Personeel | 83 | |
GROEP: Persoonskenmerken | 83 | ||
B1. | Geslacht | 83 | |
B2. | Geboortedatum | 83 | |
GROEP: Arbeidsovereenkomst | 83 | ||
B3. | Functiecategorie | 83 | |
B4. | Inschaling | 83 | |
B5. | Maximum salarisschaal bij functie | 84 | |
B6. | Salarisgarantie | 84 | |
B7. | Datum indiensttreding | 84 | |
B8. | Datum einde dienstverband | 84 | |
B9. | Soort aanstelling | 85 | |
B10. | Betrekkingsomvang | 85 | |
B11. | BAPO-UREN | 85 | |
B12. | FPU | 85 | |
B13. | Einde dienstverband | 85 |
In dit gegevenswoordenboek staat per gegeven de technische uitwerking, zoals die dient voor de uitwisseling van het gegeven tussen de instellingen en OCenW. Het gaat hierbij om de gegevens zoals die door de scholen worden vastgelegd. Dit betekent niet dat deze gegevens ook zo worden geleverd aan het departement. De manier waarop dat gebeurt wordt bepaald in bijlage 4, Formulieren. Verder betekent dit ook niet dat in alle gevallen de hier gepresenteerde waarden (codes) dienen te worden gebruikt in de eigen administratie. Dat hoeft feitelijk alleen bij de levering. Zo kan de instelling een volledige buitenlandse postcode hanteren, maar die naar de hier beschreven waarden omzetten bij levering.
De gegevens hebben betrekking op opleidingen die geregeld zijn in de Wet Educatie en Beroepsonderwijs. Het gaat hierbij niet alleen om gegevens van deelnemers die begonnen zijn met hun opleiding nadat die wet van kracht is geworden: de wet en deze bijlage regelen ook de gegevens van deelnemers die daarvóór zijn ingeschreven, maar hun opleiding nog niet hebben beëindigd. Deze deelnemers en opleidingen worden pre-WEBs genoemd. Een nadere definitie en de opleidingen die hieronder vallen worden gegeven in hoofdstuk 2.
Het gaat in het Uitvoeringsbesluit alléén om opleidingen die voor bekostiging door de overheid in aanmerking komen. Voor de opleidingen die gebaseerd zijn op eerdere wetgeving worden zo veel mogelijk dezelfde gegevens gehanteerd. Afwijkingen zullen in de rubriek «opmerkingen» worden aangegeven. Waar nodig wordt verwezen naar tabellen die zijn opgenomen in de bijlage (bijvoorbeeld opleidingscodes). Sommige gegevens zijn nodig van examendeelnemers (extraneï). Dat zal apart worden aangegeven.
De gegevens staan gegroepeerd volgens een hiërarchische datamodel. Dat is een structuur die aangeeft hoe de gegevens met elkaar samenhangen. Deels blijkt die al uit de inhoudsopgave. Zo horen bij een Beroepspraktijkvormingsplaats (BPV-plaats) een begin-, een einddatum, een omvang en een leerbedrijf. Deze gegevens vormen samen de Groep BPV-plaats. In deze bijlage zal worden aangegeven bij welke Groep elk gegeven hoort. De hiërarchische structuur geeft niet alleen aan tot welke Groep een gegeven hoort, maar ook hoe groepen samenhangen. Bij de deelnemergegevens is het hoogste niveau de Groep Deelnemer. Daaronder vallen de Groepen Kwalificatie en Doelgroep. De Groep Leerweg valt onder Kwalificatie, de Groep BPV-plaats onder Leerweg. De hiërarchische structuur geeft dus ook aan dat de gegevens van een leerweg bij een Kwalificatie horen. Een Groep kan verscheidene keren voorkomen. Zo kan een deelnemer voor verschillende kwalificaties zijn ingeschreven, en binnen een kwalificatie verschillende leerwegen volgen (dit laatste niet tegelijkertijd). Dat betekent dat de bijbehorende gegevens ook even vaak dienen te worden geregistreerd. In theorie kan een gegeven ook verscheidene keren in een Groep voorkomen. In deze bijlage is dat echter niet het geval. Er geldt een aparte structuur voor personeel. Hier is het hoogste niveau de Werknemer, waaronder de groepen Persoonskenmerken en Arbeidsovereenkomst vallen, maar geen losse gegevens.
Deze bijlage is ook van toepassing op educatiedeelnemers. Dat geldt in het bijzonder voor enkele gegevens die bij beroepsonderwijs onder de Groep Leerweg vallen. Maar bij educatie kennen we geen leerweg. Bij educatiedeelnemers vallen deze gegevens eigenlijk onder de Groep Kwalificatie. Dat wordt bij dit gegeven ook opgemerkt. Op deze wijze wordt voorkomen dat deze gegevens dubbel worden opgenomen, een keer voor beroepsonderwijs en een keer voor educatie.
De informatie die in deze bijlage per gegeven wordt verstrekt, omvat een aantal vaste rubrieken, de zogenaamde Kenmerken. Dat zijn bijvoorbeeld definitie en domein. Tezamen vormen deze Kenmerken het profiel van het gegeven. Er zijn Kenmerken die steeds aanwezig zijn, zoals Definitie. Andere, zoals Validiteit, komen slechts een enkele keer voor. Een (vast) Kenmerk is Type onderwijs. Dit geeft aan of het gegeven van toepassing is op beroepsonderwijs, educatie of beide. Een overzicht van alle Kenmerken en hun definitie wordt gegeven in hoofdstuk 2.
De indeling van deze bijlage is als volgt. In hoofdstuk 2 worden enkele gebruikte termen gedefinieerd, voor zover dat niet al in andere teksten (wet, tekst Uitvoeringsbesluit) is gebeurd. Het bestaat uit twee delen: algemene termen en de Kenmerken. Hoofdstuk 3 vormt de kern van deze bijlage en omvat de profielen van alle te registreren gegevens. Aan deelnemergegevens en aan personeelsgegevens zijn aparte paragrafen gewijd.
De gegevens die hier worden opgenomen dienen door de accountant gecontroleerd te kunnen worden aan de hand van in de administratie opgeslagen brondocumenten, zoals een onderwijsovereenkomst, een uittreksel uit het bevolkingsregister (bijvoorbeeld op grond van de Koppelingswet) of een kopie van een diploma.
Gegeven: | Het object van een gegevensvraag. Het meest elementaire, betekenisvolle stuk informatie dat kan worden vastgelegd. Zo'n gegeven is bijvoorbeeld geslacht. |
Kenmerk (van een gegeven): | Dat is het aspect van een gegeven uit de gegevenslijst dat standaard in het Gegevenswoordenboek is opgenomen, zoals« definitie» of «domein». |
(Gegevens)profiel: | De verzameling kenmerken van een gegeven. Deze verzameling bepaalt en beschrijft het gegeven. Ook het commentaar maakt dus deel uit van de beschrijving. |
Groep: | Een set van bij elkaar horende (samenhangende) gegevens. Bij voorbeeld: «Begindatum BPV» hoort bij de Groep «BPV». |
Pre-WEB-opleiding: | Geeft aan of dit gegeven verplicht moet worden geleverd voor opleidingen die reeds zijn gestart voordat de WEB in werking is getreden. Dat zijn opleidingen in het BBO, MBO en deeltijd-MBO. In onderstaand woordenboek zijn alle deelnemergegevens ook voor pre-WEB-deelnemers verplicht, tenzij anders aangegeven. |
Sommige Kenmerken komen slechts bij een paar gegevens voor.
Definitie: | De definitie geeft een nauwkeurige en eenduidige omschrijving van het gegeven. |
Type onderwijs: | Geeft aan of dit gegeven alleen voorkomt bij het Beroepsonderwijs, alleen bij de Educatie of bij beide. |
Lengte: | Geeft het maximale aantal tekens waaruit het gegeven kan bestaan. Hangt samen met Type en Domein. |
Domein: | Waarden die het gegeven kan aannemen, bijvoorbeeld een getal tussen 0 en 999999999. Het domein omvat ook de waarde van Afwezigheid (zie onder). |
Doel: | Geeft het doel aan waartoe het gegeven wordt opgevraagd. De deelnemergegevens worden doorgaans voor bekostiging van de instelling opgevraagd, de personeelsgegevens uitsluitend voor beleidsvoorbereiding en -evaluatie. Soms zijn ze nodig voor de bekostiging van de landelijke organen; dat wordt dan expliciet vermeld. Bekostiging is alleen het doel bij het beroepsonderwijs, niet bij educatie. De voor bekostiging relevante gegevens worden ook voor beleidsdoeleinden gebruikt. |
Validiteit: | Geeft aan welke controle er kan of moet worden uitgevoerd. Bijvoorbeeld: «aan de hand van een uittreksel uit het bevolkingsregister» of «Wordt gecontroleerd door IBG aan de hand van de GBA». |
GROEP: Deelnemer
A1. Achternaam | |
Definitie | Officiële achternaam van de deelnemer, significant deel, zonder voorvoegsel. |
Type onderwijs | Beroepsonderwijs. |
Doel | Bekostiging, uitsluitend ten behoeve van controle door de accountant. |
Opmerking | Geldt ook voor examendeelnemer |
A2. Voorvoegsels achternaam | |
Definitie | De verzameling van één of meer voorvoegsels en/of lidwoorden die aan het significante deel van de officiële achternaam van de deelnemer voorafgaat en daarmee gezamenlijk de achternaam vormt. |
Type onderwijs | Beroepsonderwijs. |
Lengte | 10 |
Doel | Bekostiging, uitsluitend ten behoeve van controle door de accountant. |
Opmerking | Geldt ook voor examendeelnemer |
A3. Voorletters | |
Definitie | De verzameling letters die wordt gevormd door de eerste letter van alle in volgorde voorkomende voornamen van de deelnemer. |
Type onderwijs | Beroepsonderwijs. |
Lengte | 6 |
Doel | Bekostiging, uitsluitend ten behoeve van controle door de accountant. |
Opmerking | Geldt ook voor examendeelnemer |
A4. Geboortedatum | |
Definitie | De datum waarop de deelnemer geboren is. |
Type onderwijs | Educatie en Beroepsonderwijs |
Lengte | 8 |
Domein | CCYYMMDD (century, year, month, day). Legitieme datum conform NEN 1888. |
Doel | Bekostiging, beleidsinformatie |
Opmerking | Geldt ook voor examendeelnemer |
A5. Geslacht | |
Definitie | De aanduiding of de deelnemer een man of een vrouw is. |
Type onderwijs | Educatie en Beroepsonderwijs. |
Lengte | 1 |
Domein | 1 (= man),2 (= vrouw). |
Doel | Bekostiging, beleidsinformatie |
Opmerking | Geldt ook voor examendeelnemer |
A6. Woonadres | |
Definitie | De code van het adres waar de deelnemer woont. |
Type onderwijs | Educatie en Beroepsonderwijs |
Lengte | 4 |
Domein | De vier cijfers van de postcode volgens het Postcodeboek PTT (NEN 5825) voor postcodes binnen Nederland. |
Daarnaast (o.a. voor woonadressen buiten Nederland) : | |
0010 : woonadres in België | |
0020 : woonadres in Duitsland; | |
0030 : woonadres elders buiten Nederland; | |
0040 : geen vaste woon- of verblijfplaats. | |
Doel | Beleidsinformatie |
A7. Opleiding afgelopen jaar | |
Definitie | De code van de opleiding die de deelnemer volgde op 1 oktober van het vorige studiejaar inclusief het resultaat dat over dat studiejaar werd bereikt. |
Type onderwijs | Educatie en Beroepsonderwijs. |
Lengte | 5 |
Domein | Vooropleidingstabel OC&W (zie bijlage 1a) |
Doel | Beleidsinformatie |
Opmerkingen | Niet pre-WEB. |
A8. Code Doelgroep | |
Definitie | De code van de Groep waartoe de deelnemer behoort (zie onder). |
Type onderwijs | Educatie en Beroepsonderwijs. |
Lengte | 3 |
Domein | Zie de codes bij de volgende subgegevens |
Doel | Bekostiging en beleidsinformatie. |
Opmerkingen | Voor de duidelijkheid zullen de doelgroepen hierna worden opgenomen als subgegevens van Code Doelgroep. Hierin zullen in het profiel als kenmerk, indien van toepassing, ook een begin- en einddatum worden opgenomen. Deze geven aan, in welke periode de doelgroep kan worden gebruikt. |
Gehandicapte | |
Definitie | De deelnemer die, met extra ondersteuning verband houdende met zijn functiebeperking, een beroepsopleiding in het secundair beroepsonderwijs volgt. Hierbij is een functiebeperking een motorische, zintuiglijke (gezichts- of gehoor-), orgaan-, bewustzijns-, spraak- of taalstoornis, of een verstandelijke handicap. |
Type onderwijs | Beroepsonderwijs. |
Lengte | 3 |
Code | 001 |
Validiteit | Een verklaring van een deskundige. Deze verklaring kan maximaal drie jaar oud zijn, gerekend tot aan de aanmelding voor de opleiding. |
Doel | Beleidsinformatie |
Begindatum | 1 augustus 1998 |
Opmerkingen | Niet pre-WEB. |
Nieuwkomer | |
Definitie | Een deelnemer die als nieuwkomer door een gemeente wordt aangemeld. |
Type onderwijs | Educatie |
Lengte | 3 |
Code | 002 |
Validiteit | Opgave gemeente |
Doel | Bekostiging en beleidsinformatie |
Begindatum | 1 augustus 1998 |
Opmerkingen | Niet pre-WEB. |
Allochtoon | |
Definitie | Een allochtoon is een persoon die zélf, én van wie één van de ouders in een doelgroepland (zie bijlage 1c) geboren zijn, of van wie beide ouders in een doelgroepland geboren zijn. |
Type onderwijs | Educatie en Beroepsonderwijs. |
Lengte | 3 |
Code | 003 |
Doel | Beleidsinformatie |
Begindatum | 1 augustus 1998 |
Opmerkingen | Een doelgroepland is een land dat niet voorkomt in de Lijst ontwikkelde landen bij Tabel Doelgroepen BVE (bijlage 1c). Niet pre-WEB. |
VOA-deelnemer | |
Definitie | Een VOA-deelnemer is een deelnemer die voldoet aan de volgende voorwaarden: |
a. hij is ingeschreven voor een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder a of b, van de wet, en is tevens | |
b. niet in het bezit van: | |
1°. een diploma lager beroepsonderwijs of voorbereidend beroepsonderwijs, tenzij dat diploma is verkregen op grond van een eindexamen waarbij een of meer vakken op A-niveau of vier of meer vakken op B-niveau zijn geëxamineerd, | |
2°. een diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, | |
3°. een bewijs dat de eerste drie leerjaren van een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs of van een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs met gunstig gevolg zijn doorlopen, of | |
4°. een diploma beroepsonderwijs van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder b tot en met f, van de wet. | |
Type onderwijs | Beroepsonderwijs. |
Lengte | 3 |
Code | 004 |
Doel | Bekostiging en beleidsinformatie |
GROEP: Kwalificatie | |
A9. Code Kwalificatie | |
Definitie | Het nummer van de kwalificatie waarvoor de deelnemer zich heeft ingeschreven volgens de onderwijsovereenkomst. Voor pre-WEBse en educatiedeelnemers is het de opleidingscode. |
Type onderwijs | Educatie en Beroepsonderwijs |
Lengte | 5 |
Domein | CREBO, KSE (zie bijlage 1b), MBO, Deeltijd-MBO, BBO. |
Doel | Bekostiging en beleidsinformatie |
A10. Inschrijfdatum | |
Definitie | De datum waarop de onderwijsovereenkomst met de deelnemer respectievelijk de examenovereenkomst met de examendeelnemer van kracht wordt volgens die overeenkomst. (In de praktijk is dat bij de deelnemer de datum aanvang van de opleiding van de deelnemer.) Voor pre-WEBse deelnemers is het de datum waarop de deelnemer als daadwerkelijk schoolgaand is ingeschreven. |
Type onderwijs | Educatie en Beroepsonderwijs. |
Lengte | 8. |
Domein | CCYYMMDD. Legitieme datum conform ISO 8601. |
Doel | Bekostiging en beleidsinformatie |
Opmerking | Geldt ook voor examendeelnemer. |
A11. Datum einde inschrijving | |
Definitie | De geplande datum waarop de inschrijving voor de opleiding volgens de onderwijsovereenkomst van de deelnemer eindigt. Indien de deelnemer de opleiding eerder beëindigt dan is het de werkelijke einddatum. Voor pre-WEBse deelnemers is het de datum waarop de opleiding beëindigd is. |
Type onderwijs | Educatie en Beroepsonderwijs. |
Lengte | 8. |
Domein | CCYYMMDD. Legitieme datum conform ISO 8601. |
Doel | Bekostiging en beleidsinformatie |
A12. Hoogste vooropleiding | |
Definitie | De hoogst genoten opleiding van de deelnemer (behaald diploma of met succes doorlopen leerjaar) bij aanvang van de opleiding, in relatie tot de te volgen kwalificatie. |
Type onderwijs | Educatie en Beroepsonderwijs. |
Lengte | 5 |
Domein | Vooropleidingstabel OC&W (zie bijlage 1a) |
Doel | beleidsinformatie |
Opmerkingen | Niet pre-WEB. |
A13. Datum diploma | |
Definitie | De datum waarop door de deelnemer of de examendeelnemer succesvol het bij de opleiding behorende examen is afgelegd. |
Type onderwijs | Beroepsonderwijs |
Lengte | 8 |
Domein | CCYYMMDD. Legitieme datum conform ISO 8601. |
Doel | Bekostiging en beleidsinformatie |
Opmerking | Geldt ook voor examendeelnemer |
GROEP: Leerweg | |
A14. Code leerweg | |
Definitie | De aanduiding van de leerweg die de deelnemer volgt. |
Type onderwijs | Beroepsonderwijs |
Lengte | 1 |
Domein | 1: Beroepsopleidend |
2: Beroepsbegeleidend | |
Van de code 1 en 2 moet de combinatie met de kwalificatie voorkomen in de BRIN-CREBO-tabel van het betreffende studiejaar. | |
Doel | Bekostiging en beleidsinformatie |
Opmerkingen | Niet pre-WEB. |
A15. Datum begin leerweg | |
Definitie | De datum waarop de leerweg begint. |
Type onderwijs | Beroepsonderwijs. |
Lengte | 8. |
Domein | CCYYMMDD. Legitieme datum conform ISO 8601. |
Doel | Bekostiging en beleidsinformatie |
Opmerkingen | Niet pre-WEB. |
A16. Intensiteit | |
Definitie | De aanduiding van de intensiteit van door de deelnemer gevolgde opleiding (kwalificatie + leerweg) in het betreffende studiejaar. |
Type onderwijs | Educatie en Beroepsonderwijs |
Lengte | 1 |
Domein | 1 = voltijdsdeelnemer; dat is een deelnemer die blijkens een overeenkomst als bedoeld in artikel 8.1.3 van de wet een opleidingstraject volgt dat blijkens een onderwijs- en examenregeling als bedoeld in artikel 7.4.8 van de wet voldoet aan de eisen van de Wet studiefinanciering 2000 of van de hoofdstukken 3 en 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten; |
2 = deeltijdsdeelnemer; dat is een deelnemer aan een opleiding, niet zijnde een voltijds deelnemer; | |
3 = examendeelnemer. | |
Doel | Bekostiging en beleidsinformatie |
Opmerking | Geldt ook voor examendeelnemer. Valt bij educatie onder de Groep Kwalificatie. |
A17. Locatie onderwijs | |
Definitie | De code van de locatie (gemeente) waar de deelnemer het meeste onderwijs volgt. (Dit is exclusief beroepspraktijkvorming.) |
Type onderwijs | Educatie en Beroepsonderwijs |
Lengte | 4 |
Domein | Tabel «gemeenten» GBA (volgens Postcodetabel); |
Daarnaast (o.a. voor locatie-adressen buiten Nederland): | |
0010: adres in België | |
0020: adres in Duitsland; | |
0030: adres elders buiten Nederland. | |
Doel | Beleidsinformatie |
Opmerking | Valt bij educatie onder de Groep Kwalificatie. |
GROEP: BPV-plaats | |
A18. Afsluitdatum BPV | |
Definitie | De datum waarop de praktijkovereenkomst is afgesloten. |
Type onderwijs | Beroepsonderwijs. |
Lengte | 8. |
Domein | CCYYMMDD. Legitieme datum conform ISO 8601. |
Doel | Bekostiging instelling |
Opmerkingen | Niet pre-WEB. |
A19a. Datum begin BPV | |
Definitie | De datum waarop de beroepspraktijkvorming aanvangt volgens de praktijkovereenkomst. |
Type onderwijs | Beroepsonderwijs. |
Lengte | 8. |
Domein | CCYYMMDD. Legitieme datum conform ISO 8601. |
Doel | Bekostiging instelling en landelijke organen |
Opmerkingen | Niet pre-WEB. |
A19b. Datum einde BPV | |
Definitie | De geplande datum waarop de beroepspraktijkvorming wordt beëindigd volgens de praktijkovereenkomst. Indien de deelnemer de praktijkovereenkomst eerder beëindigt dan is het de werkelijke einddatum. |
Type onderwijs | Beroepsonderwijs. |
Lengte | 8. |
Domein | CCYYMMDD. Legitieme datum conform ISO 8601. |
Doel | Bekostiging instelling en landelijke organen |
Opmerkingen | Niet pre-WEB. |
A20. Code leerbedrijf | |
Definitie | De code van het leerbedrijf, gedefinieerd in Bijlage 3 (gegeven D28), waar de deelnemer de beroepspraktijkvorming volgt op grond van de praktijkovereenkomst. |
Type onderwijs | Beroepsonderwijs. |
Lengte | 17 |
Domein | 99ZZ1234XY9999988 |
99ZZ = BRIN-nummer van het Landelijke Orgaan voor het Beroepsonderwijs; | |
1234XY = postcode van het adres waar het leerbedrijf/-organisatie is gevestigd; | |
99999 = huisnummer. Dit moet naar rechts worden aangeschoven en aangevuld met spaties; | |
88 = nummer leerbedrijf/-organisatie, toegekend door Landelijk Orgaan voor het Beroepsonderwijs. Een getal van één cijfer dient een voorloopnul te krijgen. | |
Doel | Bekostiging instelling en landelijke organen |
Opmerkingen | Niet pre-WEB. |
A21. BPV-omvang | |
Definitie | Het berekend aantal klokuren beroepspraktijkvorming per week. |
Type onderwijs | Beroepsonderwijs. |
Lengte | 2 |
Domein | 0–50. |
Doel | Bekostiging landelijke organen |
Specificatie | De berekening vindt plaats op basis van de volgende gegevens: |
A. het aantal praktijkuren van de BPV-plaats, blijkend uit de praktijkovereenkomst; | |
B. de begindatum beroepspraktijkvorming; | |
C. de einddatum beroepspraktijkvorming. | |
Stap 1: Vaststellen van het aantal weken beroepspraktijkvorming: het aantal weken dat ligt tussen de begindatum beroepspraktijkvorming en de einddatum beroepspraktijkvorming (rekenkundig afgerond op één decimaal). | |
Stap 2: Herberekenen van het aantal weken beroepspraktijkvorming: het aantal weken van stap 1 wordt vermenigvuldigd met het getal 40; dit resultaat wordt daarna gedeeld door het getal 52 (rekenkundig afgerond op één decimaal). | |
Stap 3: Deel het «overeengekomen aantal uren BPV» door het «herberekende aantal weken BPV» uit stap 2. | |
De factor 40/52 is het gevolg van het feit dat er in het beroepsonderwijs gewerkt wordt met jaren van 40 weken. In praktijk is deze berekening een onderschatting van het werkelijke aantal uren. Er zal meestal méér dan 40 weken in een jaar gewerkt worden. | |
Opmerkingen | Niet pre-WEB. |
In deze paragraaf is een werknemer iemand die een arbeidsrelatie heeft met de instelling, waarbij hij / zij is benoemd in een functie die is vastgelegd in het vastgestelde formatieplan van de instelling.
GROEP: Persoonskenmerken | |
B1. Geslacht | |
Definitie | Aanduiding of de werknemer een man of vrouw is. |
Type onderwijs | Educatie en Beroepsonderwijs. |
Lengte | 1 |
Domein | 1 = man2 = vrouw |
Doel | Beleidsinformatie |
B2. Geboortedatum | |
Definitie | De datum waarop de werknemer geboren is. |
Type onderwijs | Educatie en Beroepsonderwijs. |
Lengte | 8 |
Domein | CCYYMMDD (century, year, month, day). Legitieme datum conform NEN 8601 |
Doel | Beleidsinformatie |
GROEP: Arbeidsovereenkomst | |
B3. Functiecategorie | |
Definitie | Functiecategorie van de werknemer, zoals genoemd in de CAO-BVE en vastgelegd in het formatieplan van de instelling. |
Type onderwijs | Educatie en Beroepsonderwijs. |
Lengte | 1 |
Domein | 1 = onderwijsgevend personeel |
2 = ondersteunend en beheerspersoneel | |
Doel | Beleidsinformatie |
B4. Inschaling | |
Definitie | Inschaling van de werknemer in het carrièrepatroon zoals vermeld in de vigerende CAO-BVE. |
Type onderwijs | Educatie en Beroepsonderwijs. |
Lengte | 4 |
Domein | xxnn, waarin: |
xx: schaal volgens Kaderbesluit rechtspositie BVE (01 t/m 99 of een letter (cijfer) combinatie. Zo wordt de code Bt gebruikt voor de Melkertbanen. Deze hebben overigens alleen betekenis in combinatie met een Maximumschaal); | |
nn: regelnummer binnen de schaal volgens het Kaderbesluit rechtspositie BVE 01 t/m 99. | |
Bij xx en nn zo nodig voornullen. | |
Doel | Beleidsinformatie |
Opmerking | Wanneer het salarisbedrag van de werknemer niet voorkomt in het desbetreffende carrièrepatroon wordt als benadering gebruikt de hoogste inschaling in het carrièrepatroon waarvan het bijbehorende bedrag niet hoger is dan het salarisbedrag van de werknemer. |
B5. Maximum salarisschaal bij functie | |
Definitie | De maximumsalarisschaal die hoort bij de functie waarin de werknemer is benoemd. |
Type onderwijs | Educatie en Beroepsonderwijs. |
Lengte | 2 |
Domein | 01 t/m 98 (voorloopnul bij schaal < 10), |
99: vast bedrag, benaderd met schaal en regelnummer bij Inschaling. | |
Doel | Beleidsinformatie |
Opmerking | Code 99 is niet toegestaan in combinatie met een lettercombinatie bij Inschaling. |
B6. Salarisgarantie | |
Definitie | Het salaris dat de werknemer krijgt en dat niet uitsluitend gebaseerd is op zijn huidige functie. |
Type onderwijs | Educatie en Beroepsonderwijs. |
Lengte | 6 |
Domein | xxabnn: |
xx = maximumschaal volgens Kaderbesluit; | |
ab = lettercombinatie in het regelnummer, zoals Bt; | |
nn = regelnummer binnen een schaal van het Kaderbesluit rechtspositie BVE 01 t/m 99. | |
Bij xx en nn zo nodig voornullen. a en b mogen spaties zijn, b alléén als a dat ook is. | |
Doel | Beleidsinformatie |
Opmerkingen | xx mag niet lager zijn dan Maximum salarisschaal. |
Wanneer het bedrag dat de werknemer krijgt niet voorkomt in enig carrièrepatroon wordt als benadering gebruikt de hoogste inschaling in een carrièrepatroon waarvan het bijbehorende bedrag niet hoger is dan het salarisbedrag van de werknemer. | |
B7. Datum indiensttreding | |
Definitie | De datum waarop de werknemer bij de instelling dan wel bij een van de fusiepartners/rechtsvoorgangers van de instelling in dienst is getreden. |
Deze datum dient betrekking te hebben op een ononderbroken tijdvak. | |
Type onderwijs | Educatie en Beroepsonderwijs. |
Lengte | 8 |
Domein | CCYYMMDD (century, year, month, day). Legitieme datum conform NEN 8601. |
Doel | Beleidsinformatie |
B8. Datum einde dienstverband | |
Definitie | De datum waarop de arbeidsovereenkomst eindigt |
Type onderwijs | Educatie en Beroepsonderwijs. |
Lengte | 8 |
Domein | CCYYMMDD (century, year, month, day). Legitieme datum conform NEN 8601. |
Doel | Beleidsinformatie |
B9. Soort aanstelling | |
Definitie | Aard van het dienstverband. |
Type onderwijs | Educatie en Beroepsonderwijs. |
Lengte | 1 |
Domein | 1 = dienstverband voor bepaalde tijd; |
2 = dienstverband voor bepaalde tijd, behorend bij de opleiding die door de werknemer wordt gevolgd; | |
3 = dienstverband voor onbepaalde tijd. | |
Doel | Beleidsinformatie |
B10. Betrekkingsomvang | |
Definitie | Betrekkingsomvang volgens de arbeidsovereenkomst, uitgedrukt als een fractie van een normbetrekking volgens de geldende CAO. |
Type onderwijs | Educatie en Beroepsonderwijs. |
Lengte | 6 |
Domein | Positie 1: 0 of 1, |
positie 2: komma, | |
positie 3 t/m 6: decimalen. | |
Verplicht | J |
Doel | Beleidsinformatie |
Opmerkingen | In geval van een variabele werktijd wordt het geschatte gemiddelde genomen. |
B11. BAPO-UREN | |
Definitie | Het aantal klokuren en minuten per week waarvoor de werknemer verlof geniet op grond van de geldende BAPO-regeling, uitgedrukt als een fractie van een normbetrekking volgens de geldende CAO. |
Type onderwijs | Educatie en Beroepsonderwijs. |
Lengte | 6 |
Domein | Positie 1: 0 of 1, |
positie 2: komma, | |
positie 3 t/m 6: decimalen. | |
Doel | Beleidsinformatie |
B12. FPU | |
Definitie | Het aantal klokuren en minuten per week waarmee de betrekkingsomvang is verminderd in het kader van de geldende regeling Flexibel pensioen en uittreden, uitgedrukt als een fractie van een normbetrekking volgens de geldende CAO.. |
Type onderwijs | Educatie en Beroepsonderwijs. |
Lengte | 6 |
Domein | Positie 1: 0 of 1, |
positie 2: komma, | |
positie 3 t/m 6: decimalen. | |
Doel | Beleidsinformatie |
B13. Einde dienstverband | |
Definitie | De reden van het eindigen van het dienstverband of de situatie na dienstverband. |
Type onderwijs | Educatie en Beroepsonderwijs. |
Lengte | 1 |
Domein | 1: heeft een wachtgelduitkering op basis van een aanstelling in het onderwijs; |
2: heeft vrijwillig ontslag genomen; | |
3: is met pensioen gegaan; | |
4: is ontslagen in verband met arbeidsongeschiktheid | |
5: is overleden; | |
6: einde tijdelijke benoeming volgens de datum op overeenkomst. | |
Doel | Beleidsinformatie |
Sector | Code positie 1 t/m 4 | Diploma positie 5 | Omschrijving opleiding | Leerweg | Vol-/deeltijd | Aggregatie | Startdatum | Einddatum |
PO | 0010 | basisonderwijs | 30 | 19980801 | 99999999 | |||
PO | 0020 | speciaal onderwijs | 30 | 19980801 | 99999999 | |||
PO | 0030 | voortgezet speciaal onderwijs | 6 | 19980801 | 99999999 | |||
VO | 0041 | algemeen leerjaar AVO eerste leerjaar | 1 | 19980801 | 99999999 | |||
VO | 0042 | algemeen leerjaar AVO tweede leerjaar | 1 | 19980801 | 99999999 | |||
VO | 0043 | algemeen leerjaar AVO derde leerjaar | 1 | 19980801 | 99999999 | |||
VO | 0051 | algemeen leerjaar AVO/VBO eerste leerjaar | 1 | 19980801 | 99999999 | |||
VO | 0052 | algemeen leerjaar AVO/VBO tweede leerjaar | 1 | 19980801 | 99999999 | |||
VO | 0053 | algemeen leerjaar AVO/VBO derde leerjaar | 1 | 19980801 | 99999999 | |||
VO | 0061 | algemeen leerjaar VBO eerste leerjaar | 1 | 19980801 | 99999999 | |||
VO | 0062 | algemeen leerjaar VBO tweede leerjaar | 1 | 19980801 | 99999999 | |||
VO | 0071 | algemeen leerjaar IVBO eerste leerjaar | 1 | 19980801 | 99999999 | |||
VO | 0072 | algemeen leerjaar IVBO tweede leerjaar | 1 | 19980801 | 99999999 | |||
VO | 0083 | ivbo-techniek derde leerjaar | 5 | 19980801 | 99999999 | |||
VO | 0084 | X | ivbo-techniek vierde leerjaar | 5 | 19980801 | 99999999 | ||
VO | 0093 | ivbo-dgo derde leerjaar | 5 | 19980801 | 99999999 | |||
VO | 0094 | X | ivbo-dgo vierde leerjaar | 5 | 19980801 | 99999999 | ||
VO | 0103 | ivbo-handel, economie en administratie derde leerjaar | 5 | 19980801 | 99999999 | |||
VO | 0104 | X | ivbo-handel, economie en administratie vierde leerjaar | 5 | 19980801 | 99999999 | ||
VO | 0113 | ivbo-landbouw derde leerjaar | 5 | 19980801 | 99999999 | |||
VO | 0114 | X | ivbo-landbouw vierde leerjaar | 5 | 19980801 | 99999999 | ||
VO | 0123 | vbo-techniek derde leerjaar | 5 | 19980801 | 99999999 | |||
VO | 0124 | X | vbo-techniek vierde leerjaar | 5 | 19980801 | 99999999 | ||
VO | 0133 | vbo-dgo derde leerjaar | 5 | 19980801 | 99999999 | |||
VO | 0134 | X | vbo-dgo vierde leerjaar | 5 | 19980801 | 99999999 | ||
VO | 0143 | vbo-handel, economie en administratie derde leerjaar | 5 | 19980801 | 99999999 | |||
VO | 0144 | X | vbo-handel, economie en administratie vierde leerjaar | 5 | 19980801 | 99999999 | ||
VO | 0153 | vbo-landbouw derde leerjaar | 5 | 19980801 | 99999999 | |||
VO | 0154 | X | vbo-landbouw vierde leerjaar | 5 | 19980801 | 99999999 | ||
VO | 0163 | mavo derde leerjaar | 2 | 19980801 | 99999999 | |||
VO | 0164 | X | mavo vierde leerjaar | 2 | 19980801 | 99999999 | ||
VO | 0173 | havo derde leerjaar | 3 | 19980801 | 99999999 | |||
VO | 0174 | havo vierde leerjaar | 3 | 19980801 | 99999999 | |||
VO | 0175 | X | havo vijfde leerjaar | 3 | 19980801 | 99999999 | ||
VO | 0183 | vwo derde leerjaar | 4 | 19980801 | 99999999 | |||
VO | 0184 | vwo vierde leerjaar | 4 | 19980801 | 99999999 | |||
VO | 0185 | vwo vijfde leerjaar | 4 | 19980801 | 99999999 | |||
VO | 0186 | X | vwo zesde leerjaar | 4 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0191 | voltijd mbo-techniek lange en tussenopleidingen eerste leerjaar | 8 | 19980801 | 99999999 | |||
BVE | 0192 | voltijd mbo-techniek lange en tussenopleidingen tweede leerjaar | 8 | 19980801 | 99999999 | |||
BVE | 0193 | X | voltijd mbo-techniek lange opleidingen derde leerjaar | 8 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0194 | X | voltijd mbo-techniek lange opleidingen vierde leerjaar | 8 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0201 | voltijd mbo-economie lange en tussenopleidingen eerste leerjaar | 8 | 19980801 | 99999999 | |||
BVE | 0202 | voltijd mbo-economie lange en tussenopleidingen tweede leerjaar | 8 | 19980801 | 99999999 | |||
BVE | 0203 | X | voltijd mbo-economie lange opleidingen derde leerjaar | 8 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0204 | X | voltijd mbo-economie lange opleidingen vierde leerjaar | 8 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0211 | voltijd mbo-dgo lange opleidingen eerste leerjaar | 8 | 19980801 | 99999999 | |||
BVE | 0212 | voltijd mbo-dgo lange opleidingen tweede leerjaar | 8 | 19980801 | 99999999 | |||
BVE | 0213 | X | voltijd mbo-dgo lange opleidingen derde leerjaar | 8 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0221 | voltijd mbo-agrarisch lange opleidingen eerste leerjaar | 8 | 19980801 | 99999999 | |||
BVE | 0222 | voltijd mbo-agrarisch lange opleidingen tweede leerjaar | 8 | 19980801 | 99999999 | |||
BVE | 0223 | X | voltijd mbo-agrarisch lange opleidingen derde leerjaar | 8 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0224 | X | voltijd mbo-agrarisch lange opleidingen vierde leerjaar | 8 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0231 | X | voltijd mbo-techniek korte opleiding eerste leerjaar | 7 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0232 | X | voltijd mbo-techniek korte opleiding tweede leerjaar | 7 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0241 | X | voltijd mbo-economie korte opleiding eerste leerjaar | 7 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0242 | X | voltijd mbo-economie korte opleiding tweede leerjaar | 7 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0251 | X | voltijd mbo-dgo korte opleiding eerste leerjaar | 7 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0252 | X | voltijd mbo-dgo korte opleiding tweede leerjaar | 7 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0261 | X | voltijd mbo-agrarisch korte opleiding eerste leerjaar | 7 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0262 | X | voltijd mbo-agrarisch korte opleiding tweede leerjaar | 7 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0271 | voltijd mbo-havo/mbo eerste leerjaar | 8 | 19980801 | 99999999 | |||
BVE | 0272 | X | voltijd mbo-havo/mbo tweede leerjaar | 8 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0281 | voltijd mbo-VHBO eerste leerjaar | 8 | 19980801 | 99999999 | |||
BVE | 0282 | voltijd mbo-VHBO tweede leerjaar | 8 | 19980801 | 99999999 | |||
BVE | 0283 | X | voltijd mbo-VHBO derde leerjaar | 8 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0291 | voltijd mbo-oriëntatie en schakelen | 7 | 19980801 | 99999999 | |||
BVE | 0300 | X | deeltijd mbo-techniek | 11 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0310 | X | deeltijd mbo-economie | 11 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0320 | X | deeltijd mbo-dgo | 11 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0330 | X | deeltijd mbo-agrarisch | 11 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0341 | X | beroeps begeleidend onderwijs techniek primair eerste leerjaar | 9 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0342 | X | beroeps begeleidend onderwijs techniek primair tweede leerjaar | 9 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0343 | X | beroeps begeleidend onderwijs techniek primair derde leerjaar | 9 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0344 | X | beroeps begeleidend onderwijs techniek primair vierde leerjaar | 9 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0351 | X | beroeps begeleidend onderwijs techniek voortgezet en tertiair eerste leerjaar | 10 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0352 | X | beroeps begeleidend onderwijs techniek voortgezet en tertiair tweede leerjaar | 10 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0353 | X | beroeps begeleidend onderwijs techniek voortgezet en tertiair derde leerjaar | 10 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0354 | X | beroeps begeleidend onderwijs techniek voortgezet en tertiair vierde leerjaar | 10 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0361 | X | beroeps begeleidend onderwijs economie primair eerste leerjaar | 9 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0362 | X | beroeps begeleidend onderwijs economie primair tweede leerjaar | 9 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0363 | X | beroeps begeleidend onderwijs economie primair derde leerjaar | 9 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0371 | X | beroeps begeleidend onderwijs economie voortgezet en tertiair eerste leerjaar | 10 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0372 | X | beroeps begeleidend onderwijs economie voortgezet en tertiair tweede leerjaar | 10 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0381 | X | beroeps begeleidend onderwijs dgo primair eerste leerjaar | 9 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0382 | X | beroeps begeleidend onderwijs dgo primair tweede leerjaar | 9 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0391 | X | beroeps begeleidend onderwijs dgo voortgezet en tertiair eerste leerjaar | 10 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0392 | X | beroeps begeleidend onderwijs dgo voortgezet en tertiair tweede leerjaar | 10 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0393 | X | beroeps begeleidend onderwijs dgo voortgezet en tertiair derde leerjaar | 10 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0401 | X | beroeps begeleidend onderwijs agrarisch primair eerste leerjaar | 9 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0402 | X | beroeps begeleidend onderwijs agrarisch primair tweede leerjaar | 9 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0403 | X | beroeps begeleidend onderwijs agrarisch primair derde leerjaar | 9 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0404 | X | beroeps begeleidend onderwijs agrarisch primair vierde leerjaar | 9 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0411 | X | beroeps begeleidend onderwijs agrarisch voortgezet en tertiair eerste leerjaar | 10 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0412 | X | beroeps begeleidend onderwijs agrarisch voortgezet en tertiair tweede leerjaar | 10 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0413 | X | beroeps begeleidend onderwijs agrarisch voortgezet en tertiair derde leerjaar | 10 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0414 | X | beroeps begeleidend onderwijs agrarisch voortgezet en tertiair vierde leerjaar | 10 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0420 | X | beroepsonderwijs niveau 1 (Assistentopleiding) beroepsopleidende leerweg | BO | VT+DT | 12 | 19980801 | 19990731 |
BVE | 0430 | X | beroepsonderwijs niveau 2 (Basisberoepsopleiding) beroepsopleidende leerweg | BO | VT+DT | 13 | 19980801 | 19990731 |
BVE | 0440 | X | beroepsonderwijs niveau 3 (Vakopleiding) beroepsopleidende leerweg | BO | VT+DT | 14 | 19980801 | 19990731 |
BVE | 0450 | X | beroepsonderwijs niveau 4 (Middenkaderopleiding) beroepsopleidende leerweg | BO | VT+DT | 15 | 19980801 | 19990731 |
BVE | 0460 | X | beroepsonderwijs niveau 4 (Specialistenopleiding) beroepsopleidende leerweg | BO | VT+DT | 15 | 19980801 | 19990731 |
BVE | 0640 | X | beroepsonderwijs niveau 1 (assistentopleiding) beroepsopleidende leerweg voltijd | BO | VT | 12 | 19990801 | 99999999 |
BVE | 0650 | X | beroepsonderwijs niveau 1 (assistentopleiding) beroepsopleidende leerweg deeltijd | BO | DT | 16 | 19990801 | 99999999 |
BVE | 0660 | X | beroepsonderwijs niveau 2 (basisberoepsopleiding) beroepsopleidende leerweg voltijd | BO | VT | 13 | 19990801 | 99999999 |
BVE | 0670 | X | beroepsonderwijs niveau 2 (basisberoepsopleiding) beroepsopleidende leerweg deeltijd | BO | DT | 17 | 19990801 | 99999999 |
BVE | 0680 | X | beroepsonderwijs niveau 3 (vakopleiding) beroepsopleidende leerweg voltijd | BO | VT | 14 | 19990801 | 99999999 |
BVE | 0690 | X | beroepsonderwijs niveau 3 (vakopleiding) beroepsopleidende leerweg deeltijd | BO | DT | 18 | 19990801 | 99999999 |
BVE | 0700 | X | beroepsonderwijs niveau 4 (middenkaderopleiding) beroepsopleidende leerweg voltijd | BO | VT | 15 | 19990801 | 99999999 |
BVE | 0710 | X | beroepsonderwijs niveau 4 (middenkaderopleiding) beroepsopleidende leerweg deeltijd | BO | DT | 19 | 19990801 | 99999999 |
BVE | 0720 | X | beroepsonderwijs niveau 4 (specialistenopleiding) beroepsopleidende leerweg voltijd | BO | VT | 15 | 19990801 | 99999999 |
BVE | 0730 | X | beroepsonderwijs niveau 4 (specialistenopleiding) beroepsopleidende leerweg deeltijd | BO | DT | 19 | 19990801 | 99999999 |
BVE | 0470 | X | beroepsonderwijs niveau 1 (Assistentopleiding) beroepsbegeleidende leerweg | BB | 20 | 19980801 | 99999999 | |
BVE | 0480 | X | beroepsonderwijs niveau 2 (Basisberoepsopleiding) beroepsbegeleidende leerweg | BB | 21 | 19980801 | 99999999 | |
BVE | 0490 | X | beroepsonderwijs niveau 3 (Vakopleiding) beroepsbegeleidende leerweg | BB | 22 | 19980801 | 99999999 | |
BVE | 0500 | X | beroepsonderwijs niveau 4 (Middenkaderopleiding) beroepsbegeleidende leerweg | BB | 23 | 19980801 | 99999999 | |
BVE | 0510 | X | beroepsonderwijs niveau 4 (Specialistenopleiding) beroepsbegeleidende leerweg | BB | 23 | 19980801 | 99999999 | |
BVE | 0520 | X | educatie-mavo | 25 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0530 | X | educatie-havo | 25 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0540 | X | educatie-vwo | 25 | 19980801 | 99999999 | ||
BVE | 0550 | educatie-overig | 24 | 19980801 | 99999999 | |||
BVE | 0560 | NT2 | 26 | 19980801 | 99999999 | |||
BVE | 0570 | vormingswerk/deeltijd oriëntatie en schakelen | 27 | 19980801 | 99999999 | |||
HO | 0580 | X | voltijd/deeltijd hbo | 28 | 19980801 | 99999999 | ||
HO | 0590 | X | wo | 29 | 19980801 | 99999999 | ||
OV | 0600 | X | overig (binnen Nederland) | 30 | 19980801 | 99999999 | ||
OV | 0610 | X | overig (buiten Nederland) | 30 | 19980801 | 99999999 | ||
OV | 0620 | geen onderwijs | 31 | 19980801 | 99999999 | |||
OV | 0630 | onbekend | 32 | 19980801 | 99999999 |
1 | algemene leerjaren avo/vbo∗ |
2 | mavo |
3 | havo |
4 | vwo |
5 | vbo |
6 | voortgezet speciaal onderwijs |
7 | vt mbo kort en pre-WEB-assistentopleidingen |
8 | vt mbo lange en tussenopleidingen |
9 | bbo primair/assistent |
10 | bbo voortgezet/tertiair |
11 | dtmbo |
12 | beroepsonderwijs niveau 1 beroepsopleidende leerweg voltijd |
13 | beroepsonderwijs niveau 2 beroepsopleidende leerweg voltijd |
14 | beroepsonderwijs niveau 3 beroepsopleidende leerweg voltijd |
15 | beroepsonderwijs niveau 4 beroepsopleidende leerweg voltijd |
16 | beroepsonderwijs niveau 1 beroepsopleidende leerweg deeltijd |
17 | beroepsonderwijs niveau 2 beroepsopleidende leerweg deeltijd |
18 | beroepsonderwijs niveau 3 beroepsopleidende leerweg deeltijd |
19 | beroepsonderwijs niveau 4 beroepsopleidende leerweg deeltijd |
20 | beroepsonderwijs niveau 1 beroepsbegeleidende leerweg |
21 | beroepsonderwijs niveau 2 beroepsbegeleidende leerweg |
22 | beroepsonderwijs niveau 3 beroepsbegeleidende leerweg |
23 | beroepsonderwijs niveau 4 beroepsbegeleidende leerweg |
24 | educatie KSE niveau 1 t/m 3∗ |
25 | educatie KSE niveau 4 t/m 6 |
26 | educatie NT2 niveau 1 t/m 5∗ |
27 | vormingswerk voor jeugdigen∗ |
28 | hbo |
29 | wo |
30 | overig onderwijs |
31 | geen onderwijs∗ |
32 | onbekend∗ |
∗ deze vooropleidingen kunnen niet worden afgerond middels het verkrijgen van een diploma
De code van de vooropleiding bestaat uit 5 posities:
positie 1, 2 en 3: | een volgnummer waarin een nadere indicatie voor de «onderwijssoort» is opgenomen; |
positie 4: | een cijfer dat het betreffende leerjaar aangeeft; |
positie 5: | het cijfer «0» of «1». Dit cijfer geeft aan of de leerling de vooropleiding wel of niet gediplomeerd heeft afgesloten («0» = geen diploma«1» = wel diploma). Opleidingen die gediplomeerd kunnen worden afgesloten zijn aangegeven met een X. |
Aggregatie: | verwijst naar de categorie (geaggregeerde vorm) die bij de telling wordt gehanteerd. |
Start- en einddatum: | Periode waarin de betreffende vooropleiding van toepassing is. |
Indien in de kolom «Diploma» een «X» staat dan kan bij deze code op de 5e positie zowel een «0» als een «1» voorkomen.
Indien in de kolom «Diploma» geen «X» staat dan kan bij deze code op de 5e positie alleen een «0» voorkomen.
Deze code dient voor zowel de Hoogste vooropleiding als de Opleiding afgelopen jaar.
Bij de «Hoogste vooropleiding» gaat het om «met goed gevolg doorlopen opleidingen of leerjaren». Dat betekent dat «5e klas VWO» aangeeft dat iemand overgegaan is naar de 6e klas en «zesde klas VWO» betekent dus dat iemand dat diploma behaald heeft. Het gaat bovendien om de hoogste vooropleiding voorafgaand aan de inschrijving. Het is dus niet de bedoeling dat die jaarlijks bijgesteld wordt binnen één opleiding.
Naast de hoogste vooropleiding dient ook de opleiding van het afgelopen jaar te worden aangegeven. Het gaat hierbij om de opleiding die op 1 oktober van het vorig jaar werd gevolgd, inclusief het behaalde resultaat in de vorm van een diploma. In tegenstelling tot de hoogste vooropleiding gaat het hier dus niet om een eventueel overgangsbewijs en moet hij wél jaarlijks worden bijgesteld.
De gegevensuitwisseling met behulp van formulieren is voorlopig nog geaggregeerd. De categorieën waarvoor tellingen worden gevraagd zijn genoemd in de« Tabel Indeling ... ten behoeve van geaggregeerde opvraag» op de vorige bladzij. De kolom «aggregatie» uit de Vooropleidingentabel verwijst naar deze categorieën.
Met de voorgestelde code blijft het probleem bestaan welke men moet kiezen als een leerling twee opleidingen heeft gevolgd waarvan het verschil in niveau niet duidelijk is. Bijvoorbeeld tweede klas HAVO én derde klas MAVO. Dit zal weinig voorkomen en de keus is betrekkelijk willekeurig. We laten de beslissing over aan de inschrijver. Het verdient aanbeveling in dat geval de meest recente te kiezen.
Niet alle diploma's van een bepaald type zijn even zwaar. Zo kan men bijvoorbeeld bij MAVO een aantal vakken op C-niveau en een aantal op D-niveau halen. Wij maken dit onderscheid hier niet. Het gaat er alleen om of iemand een bepaald diploma heeft.
In principe laten we het aan de inschrijver over welke code een opleiding krijgt die hier niet genoemd is. Dat kan zijn omdat de opleiding in het buitenland is genoten, of niet meer bestaat (MMS), of weinig voorkomt (conservatorium) of mij onbekend is.
Examendeelnemers (extranei) Beroepsonderwijs dienen gecodeerd te worden als (deeltijd) BOL, dus code 420–460, 650, 670, 690, 710 of 730.
Onderwijssoort | Code kwalificatie | Naam kwalificatie | Code deelkwalificatie | Naam deelkwalificatie | Niveau |
Educatie | 30001 | MAVO | 40001 | Nederlandse taal | KSE 4 |
40002 | Friese taal | KSE 4 | |||
40003 | Franse taal | KSE 4 | |||
40004 | Duitse taal | KSE 4 | |||
40005 | Engelse taal | KSE 4 | |||
40006 | Spaanse taal | KSE 4 | |||
40007 | Turkse taal | KSE 4 | |||
40008 | Arabische taal | KSE 4 | |||
40009 | Geschiedenis en staatsinrichting | KSE 4 | |||
40010 | Aardrijkskunde | KSE 4 | |||
40011 | Wiskunde | KSE 4 | |||
40012 | Natuurkunde | KSE 4 | |||
40013 | Scheikunde | KSE 4 | |||
40014 | Biologie | KSE 4 | |||
40015 | Economie | KSE 4 | |||
40016 | Tekenen | KSE 4 | |||
40017 | Handvaardigheid I (handenarbeid) | KSE 4 | |||
40018 | Handvaardigheid II (textiele werkvormen) | KSE 4 | |||
40019 | Muziek | KSE 4 | |||
40020 | Maatschappijleer | KSE 4 | |||
40021 | Overig | KSE 4 | |||
Educatie | 30002 | HAVO | 40022 | Nederlandse taal en letterkunde | KSE 5 |
40023 | Friese taal en letterkunde | KSE 5 | |||
40024 | Franse taal en letterkunde | KSE 5 | |||
40025 | Duitse taal en letterkunde | KSE 5 | |||
40026 | Engelse taal en letterkunde | KSE 5 | |||
40027 | Spaanse taal en letterkunde | KSE 5 | |||
40028 | Russische taal en letterkunde | KSE 5 | |||
40029 | Turkse taal en letterkunde | KSE 5 | |||
40030 | Arabische taal en letterkunde | KSE 5 | |||
40031 | Geschiedenis en staatsinrichting | KSE 5 | |||
40032 | Aardrijkskunde | KSE 5 | |||
40033 | Wiskunde A | KSE 5 | |||
40034 | Wiskunde B | KSE 5 | |||
40035 | Natuurkunde | KSE 5 | |||
40036 | Scheikunde | KSE 5 | |||
40037 | Biologie | KSE 5 | |||
40038 | Economie | KSE 5 | |||
40039 | Handelswetenschappen en recht | KSE 5 | |||
40040 | Tekenen | KSE 5 | |||
40041 | Handvaardigheid I (handenarbeid) | KSE 5 | |||
40042 | Handvaardigheid II (textiele werkvormen) | KSE 5 | |||
40043 | Muziek | KSE 5 | |||
40044 | Maatschappijleer | KSE 5 | |||
40045 | Overig | KSE 5 | |||
Educatie | 30003 | VWO | 40046 | Nederlandse taal en letterkunde | KSE 6 |
40047 | Friese taal en letterkunde | KSE 6 | |||
40048 | Latijnse taal en letterkunde | KSE 6 | |||
40049 | Griekse taal en letterkunde | KSE 6 | |||
40050 | Franse taal en letterkunde | KSE 6 | |||
40051 | Duitse taal en letterkunde | KSE 6 | |||
40052 | Engelse taal en letterkunde | KSE 6 | |||
40053 | Spaanse taal en letterkunde | KSE 6 | |||
40054 | Russische taal en letterkunde | KSE 6 | |||
40055 | Turkse taal en letterkunde | KSE 6 | |||
40056 | Arabische taal en letterkunde | KSE 6 | |||
40057 | Geschiedenis en staatsinrichting | KSE 6 | |||
40058 | Aardrijkskunde | KSE 6 | |||
40059 | Wiskunde A | KSE 6 | |||
40060 | Wiskunde B | KSE 6 | |||
40061 | Natuurkunde | KSE 6 | |||
40062 | Scheikunde | KSE 6 | |||
40063 | Biologie | KSE 6 | |||
40064 | Economische wetenschappen I en Recht | KSE 6 | |||
40065 | Economische wetenschappen II en Recht | KSE 6 | |||
40066 | Tekenen | KSE 6 | |||
40067 | Handvaardigheid I (handenarbeid) | KSE 6 | |||
40068 | Handvaardigheid II (textiele werkvormen) | KSE 6 | |||
40069 | Muziek | KSE 6 | |||
40070 | Filosofie | KSE 6 | |||
40071 | Maatschappijleer | KSE 6 | |||
40072 | Overig | KSE 6 | |||
Educatie | 30004 | Educatie overig | 40073 | Nederlands | KSE 1 |
40074 | Nederlands | KSE 2 | |||
40075 | Nederlands | KSE 3 | |||
40076 | Engels | KSE 1 | |||
40077 | Engels | KSE 2 | |||
40078 | Engels | KSE 3 | |||
40079 | Rekenen en Wiskunde | KSE 1 | |||
40080 | Rekenen en Wiskunde | KSE 2 | |||
40081 | Rekenen en Wiskunde | KSE 3 | |||
40082 | Maatschappij oriëntatie1 | KSE 2 | |||
40083 | Overig | KSE 1 | |||
40084 | Overig | KSE 2 | |||
40085 | Overig | KSE 3 | |||
Educatie | 30005 | NT2 | 40086 | Lezen | NT 1 |
40087 | Lezen | NT 2 | |||
40088 | Lezen | NT 3 | |||
40089 | Lezen | NT 4 | |||
40090 | Lezen | NT 5 | |||
40091 | Luisteren | NT 1 | |||
40092 | Luisteren | NT 2 | |||
40093 | Luisteren | NT 3 | |||
40094 | Luisteren | NT 4 | |||
40095 | Luisteren | NT 5 | |||
40096 | Spreken | NT 1 | |||
40097 | Spreken | NT 2 | |||
40098 | Spreken | NT 3 | |||
40099 | Spreken | NT 4 | |||
40100 | Spreken | NT 5 | |||
40101 | Schrijven | NT 1 | |||
40102 | Schrijven | NT 2 | |||
40103 | Schrijven | NT 3 | |||
40104 | Schrijven | NT 4 | |||
40105 | Schrijven | NT 5 |
1 Deze term wordt gebruikt in de Wet inburgering nieuwkomers en de bijbehorende AMvBs, maar wijkt af van de term «Maatschappelijke oriëntatie» uit de Regeling eindtermen breed maatschappelijk functioneren en sociale redzaamheid, die gepubliceerd is in Uitleg nr. 1 van 15 januari 1997. Het gaat echter om dezelfde opleiding.
Niveau-code | Niveau-omschrijving |
KSE 6 | KSE-niveau 6 |
KSE 5 | KSE-niveau 5 |
KSE 4 | KSE-niveau 4 |
KSE 3 | KSE-niveau 3 |
KSE 2 | KSE-niveau 2 |
KSE 1 | KSE-niveau 1 |
NT 5 | NT2-niveau 5 |
NT 4 | NT2-niveau 4 |
NT 3 | NT2-niveau 3 |
NT 2 | NT2-niveau 2 |
NT 1 | NT2-niveau 1 |
Deze lijst bevat de (eventueel voormalige) landen die géén doelgroepland zijn voor de definitie van allochtoon bij Doelgroepen uit het Gegevenswoordenboek BVE-Instellingen. Alle andere landen zijn Doelgroepland. Daaronder vallen ook (eventueel voormalige) overzeese gebiedsdelen als Suriname en de Nederlandse Antillen en de EU-landen Griekenland, Italië, Portugal en Spanje.
Australië
België
Duitsland (incl. Bondsrepubliek en DDR)
Canada
Denemarken
Faeröer, de
Finland
Frankrijk
Groenland
Groot-Brittannië
Ierland
IJsland
Israël
Japan
Kaiser Wilhelmsland
Kanaaleilanden
Liechtenstein
Luxemburg
Man
Monaco
Nederland (exclusief overzeese gebiedsdelen)
Nederlands Indië
Nederlands Nieuw Guinea
New Foundland
Nieuw-Zeeland
Noorwegen
Norfolk
Oostenrijk
Oostenrijk-Hongarije
Palestina
Saarland
V.S.
Zweden
Zwitserland
A. Contracten
B. Deelnemers
Inhoudsopgave
INHOUDSOPGAVE | 99 | ||
1. | INLEIDING | 100 | |
2. | BEGRIPSBEPALINGEN EN DEFINITIES | 101 | |
3. | GEGEVENSLIJST | 101 | |
A. | Contractgegevens | 101 | |
GROEP: Gemeente | 101 | ||
C1. | Contactcode | 101 | |
C2. | Naam | 101 | |
C3. | Samenwerkingsgemeente | 102 | |
GROEP: Contract | 102 | ||
C5. | Contractnummer | 102 | |
C6. | Instelling | 102 | |
C9. | Prijs | 102 | |
GROEP: Opleiding | 102 | ||
C10. | Aard opleiding | 102 | |
C11. | Deelnemers | 102 | |
GROEP: Financiering | 102 | ||
C12. | Financieringsbron | 102 | |
C13. | Bedrag | 103 | |
B. | Deelnemergegevens | 103 | |
GROEP: Deelnemer | 103 | ||
C14. | Code Doelgroep | 103 | |
Subgegeven Nieuwkomer | 103 | ||
GROEP: Kwalificatie | 103 | ||
C15. | Code Kwalificatie | 103 | |
C16. | Inschrijfdatum | 103 | |
C17. | Datum einde inschrijving | 104 | |
C18. | Resultaat kwalificatie | 104 | |
C19. | Jaar Kwalificatie | 104 | |
GROEP: Vak | 104 | ||
C20. | Deelkwalificatie | 104 | |
C21. | Resultaat deelkwalificatie | 104 | |
C22. | Datum certificaat/toets | 105 |
In dit gegevenswoordenboek staat per gegeven de technische uitwerking, zoals die dient voor de uitwisseling van het gegeven tussen de gemeenten en OCenW.
Het gaat in het Uitvoeringsbesluit alléén om opleidingen die voor bekostiging door de overheid in aanmerking komen. Voor de opleidingen die gebaseerd zijn op eerdere wetgeving worden zo veel mogelijk dezelfde gegevens gehanteerd. Afwijkingen zullen in de rubriek «opmerkingen» worden aangegeven. Waar nodig wordt verwezen naar tabellen die zijn opgenomen in de bijlage (bijvoorbeeld opleidingscodes). Sommige gegevens zijn nodig van examendeelnemers (extraneï). Dat zal apart worden aangegeven.
In deze bijlage onderscheiden we contractgegevens en deelnemergegevens. De gegevens staan gegroepeerd volgens een hiërarchische datamodel. Dat is een structuur die aangeeft hoe de gegevens met elkaar samenhangen. Deels blijkt die al uit de inhoudsopgave. Zo horen een Financieringsbron en het bedrag van de financiering bij elkaar. Deze gegevens vormen samen de Groep Financiering. In deze bijlage zal worden aangegeven bij welke Groep elk gegeven hoort. Bij de contractgegevens onderscheiden we de Groepen Gemeente, Contract, Opleiding en Financiering, bij de deelnemergegevens de Groepen Deelnemer, Kwalificatie en Vak. De hiërarchische structuur geeft niet alleen aan tot welke Groep een gegeven hoort, maar ook hoe groepen samenhangen. Bij de contractgegevens is het hoogste niveau de Groep Gemeente. Daaronder vallen de Groepen Contract en Financiering. Onder Contract valt nog de Groep Opleiding. Bij de deelnemergegevens is het hoogste niveau de Groep Deelnemer. Daaronder valt de Groep Kwalificatie en daar weer onder de Groep Vak. De hiërarchische structuur geeft dus ook aan dat de gegevens van Vak bij een Kwalificatie horen. Een Groep kan verscheidene keren voorkomen. Zo kan een deelnemer voor verschillende kwalificaties zijn ingeschreven, en bij een kwalificatie verschillende vakken volgen. Dat betekent dat de bijbehorende gegevens ook even vaak dienen te worden geregistreerd. Een gegeven kan ook verscheidene keren in een Groep voorkomen. Dat is het geval bij Samenwerkingsgemeente en bij resultaten NT2.
De informatie die in deze bijlage per gegeven wordt verstrekt, omvat een aantal vaste rubrieken, de zogenaamde Kenmerken. Dat zijn bijvoorbeeld definitie en domein. Tezamen vormen deze Kenmerken het profiel van het gegeven. Een overzicht van alle Kenmerken en hun definitie wordt gegeven in hoofdstuk 2.
De indeling van deze bijlage is als volgt. In hoofdstuk 2 worden enkele gebruikte termen gedefinieerd, voor zover dat niet al in andere teksten (wet, tekst Uitvoeringsbesluit) is gebeurd. Het bestaat uit twee delen: algemene termen en de Kenmerken. Hoofdstuk 3 vormt de kern van deze bijlage en omvat de profielen van alle te registreren gegevens. Aan contractgegevens en aan deelnemergegevens zijn aparte paragrafen gewijd.
Gegeven: | Het object van een gegevensvraag. Het meest elementaire, betekenisvolle stuk informatie dat kan worden vastgelegd. Zo'n gegeven is bijvoorbeeld «Aard opleiding». |
Kenmerk (van een gegeven): | Dat is het aspect van een gegeven uit de gegevenslijst dat standaard in het Gegevenswoordenboek is opgenomen, zoals «definitie» of «domein. |
(Gegevens)profiel: | De verzameling kenmerken van een gegeven. Deze verzameling bepaalt en beschrijft het gegeven. |
Groep: | Een set van bij elkaar horende (samenhangende) gegevens. Bij voorbeeld: «Contractnummer» hoort bij de groep «Contract». |
Pre-WEB-opleiding: | Geeft aan of dit gegeven verplicht moet worden geleverd voor opleidingen die reeds zijn gestart voordat de WEB in werking is getreden. In onderstaand woordenboek zijn alle deelnemergegevens ook voor pre-WEB-deelnemers verplicht, tenzij anders aangegeven. |
Sommige Kenmerken komen slechts bij een paar gegevens voor.
Definitie | De definitie geeft een nauwkeurige en eenduidige omschrijving van het gegeven. |
Lengte | Geeft het maximale aantal tekens waaruit het gegeven kan bestaan. Hangt samen met Type en Domein. |
Domein | Waarden die het gegeven kan aannemen, bijvoorbeeld een getal tussen «0» en «999999999». Het domein omvat ook de waarde van Afwezigheid. |
A. Contractgegevens | |
GROEP: Gemeente | |
C1. Contactcode | |
Definitie | Uniek nummer waaraan de gemeente, de aanspreekgemeente of het openbaar lichaam herkend kan worden. |
Lengte | 4 |
Domein | Codetabel van CBS (gemeenten) of Cfi (samenwerkingsverbanden). |
C2. Naam | |
Definitie | De naam van de gemeente de aanspreekgemeente of het openbaar lichaam. |
Lengte | 40 |
C3. Samenwerkingsgemeente | |
Definitie | Dit is het nummer van de gemeenten waarmee ten behoeve van de educatie een samenwerkingsverband bestaat. |
Lengte | 4 |
Domein | Codetabel van CBS |
GROEP: Contract | |
C5. Contractnummer | |
Definitie | Het volgnummer van het contract dat de gemeente met een instelling heeft afgesloten. |
Lengte | 4 |
Domein | 1–9999 |
C6. Instelling | |
Definitie | Het BRIN-nummer van de instelling waarmee de gemeente een contract heeft afgesloten. |
Lengte | 4 |
Domein | Codetabel van Cfi |
C9. Prijs | |
Definitie | De prijs die de gemeente per kalenderjaar betaalt voor de uitvoering van het contract. |
Lengte | 8 |
Domein | 0 – 99 999 999 |
GROEP: Opleiding | |
C10. Aard opleiding | |
Definitie | De aard van de opleiding waarvoor er educatie bij de instelling(en) is ingekocht. |
Lengte | 1 |
Domein | 1= VAVO; |
2 = Breed maatschappelijk functioneren; | |
3 = Sociale redzaamheid; | |
4 = Inburgering; | |
5 = Overige NT2; | |
9 = Overige; | |
C11. Deelnemers | |
Definitie | Het totaal aantal deelnemers dat overeengekomen is voor een opleiding. |
Lengte | 4 |
Domein | 0–9999 |
GROEP: Financiering | |
C12. Financieringsbron | |
Definitie | Waar het bedrag vandaan komt dat voor de educatie wordt gebruikt (b.v. rijksbijdrage, inburgeringsmiddelen, etc). |
Lengte | 1A |
Domein | 1 = Rijksbijdrage educatie |
2 = Rijksbijdrage inburgering | |
3 = Andere gemeentelijke bijdrage | |
C13. Bedrag | |
Definitie | Het geld dat deze bron bijdraagt voor educatie. |
Lengte | 8 |
Domein | 0 – 99 999 999 |
B. Deelnemergegevens | |
GROEP: Deelnemer | |
C14. Code Doelgroep | |
Definitie | De code van de groep waartoe de deelnemer behoort (zie onder). |
Lengte | 3 |
Domein | Zie de codes bij de volgende subgegevens |
Opmerkingen | Voor de duidelijkheid zullen de doelgroepen hierna worden opgenomen als subgegevens van Code Doelgroep. Hierin zullen in het profiel als kenmerk, indien van toepassing, ook een begin- en einddatum worden opgenomen. Deze geven aan, in welke periode de doelgroep kan worden gebruikt. |
Subgegeven Nieuwkomer | |
Definitie | Een deelnemer die als nieuwkomer door een gemeente wordt aangemeld. |
Lengte | 3 |
Code | 002 |
Begindatum | 1 augustus 1998 |
GROEP: Kwalificatie | |
C15. Code Kwalificatie | |
Groep | Kwalificatie |
Definitie | Het nummer van de kwalificatie waarvoor de deelnemer zich heeft ingeschreven volgens de onderwijsovereenkomst. Voor pré-WEBse en educatie-deelnemers is het de opleidingscode. |
Lengte | 5 |
Domein | Voor WEBse opleidingen moet de code voorkomen in de Codetabel Kwalificatiestructuur educatie (KSE, tabel OCenW, zie bijlage 1b). |
Opmerking | Geldt ook voor examendeelnemer. |
C16. Inschrijfdatum | |
Definitie | De datum waarop de onderwijsovereenkomst met de deelnemer respectievelijk de examenovereenkomst met de examendeelnemer van kracht wordt volgens die overeenkomst. (In de praktijk is dat bij de deelnemer de datum aanvang van de opleiding van de deelnemer.) Voor pré-WEBse deelnemers is het de datum waarop de deelnemer als daadwerkelijk schoolgaand is ingeschreven. |
Lengte | 8. |
Domein | CCYYMMDD. Legitieme datum conform ISO 8601. |
Opmerking | Geldt ook voor examendeelnemer. |
C17. Datum einde inschrijving | |
Definitie | De geplande datum waarop de inschrijving voor de opleiding volgens de onderwijs-overeenkomst van de deelnemer eindigt. Indien de deelnemer de opleiding eerder beëindigt dan is het de werkelijke einddatum. Voor pré-WEBse deelnemers is het de datum waarop de opleiding beëindigd is. |
Lengte | 8. |
Domein | CCYYMMDD. Legitieme datum conform ISO 8601. |
C18. Resultaat kwalificatie | |
Definitie | De aanduiding of de deelnemer het diploma of het staatsexamen NT2 heeft gehaald. |
Lengte | 1. |
Domein | «J» (ja) |
«N» (nee) | |
Opmerking | Geldt ook voor examendeelnemer. |
C19. Jaar Kwalificatie | |
Definitie | Het jaar waarin door de deelnemer succesvol het bij de opleiding behorende examen is afgelegd. |
Lengte | 4 |
Domein | CCYY |
Opmerking | Geldt ook voor examendeelnemer. |
GROEP: Vak | |
C20. Deelkwalificatie | |
Definitie | Dit is het nummer van de deelkwalificatie of het vak waarvoor de deelnemer zich heeft ingeschreven |
Lengte | 5 |
Domein | De code moet voorkomen in de Codetabel Kwalificatiestructuur educatie (KSE, tabel OCenW, zie bijlage 1b). |
C21. Resultaat deelkwalificatie | |
Definitie | De aanduiding of de deelnemer een deelkwalificatie heeft gehaald of de aanduiding van het niveau dat de deelnemer voor dit onderdeel van de toets of het staatsexamen NT2 heeft behaald. |
Lengte | 1. |
Domein | «C» (certificaat) |
«1» – «9» (toetsresultaat) | |
Binnen NT2 onderscheiden we de volgende resultaten: |
toets | code | ||
Staatsexamen | II | 7 | |
Staatsexamen | I | 6 | |
Overige | 5 | 5 | |
Overige | 4 | 4 | |
Overige | 3 | 3 | |
Overige | 2 | 2 | |
Overige | 1 | 1 | |
Overige | 0 | 0 |
C22. Datum certificaat/toets | |
Definitie | De datum waarop door de deelnemer succesvol het bij de deelkwalificatie behorende certificaat is behaald dan wel de datum waarop door de deelnemer een NT2-toets of staatsexamen NT2 heeft afgelegd. |
Lengte | 8 |
Domein | CCYYMMDD. Legitieme datum conform ISO 8601. |
INHOUDSOPGAVE
INHOUDSOPGAVE | 106 | ||
1. | INLEIDING | 107 | |
2. | DEFINITIES | 108 | |
3. | GEGEVENSLIJST | 108 | |
GROEP: Leerbedrijf | 108 | ||
D27. | Postcode vestigingsadres | 108 | |
D28. | Code Leerbedrijf | 108 | |
D29. | Begindatum erkenning | 109 | |
D30. | Einddatum erkenning | 109 | |
D31. | Werkgebied | 109 | |
GROEP: Personeel | 109 | ||
D32. | Geboortejaar | 109 | |
D33. | Geslacht | 109 | |
D34. | Functie | 109 | |
D35. | Aanstellingsomvang | 109 | |
D36. | Aanstellingstype | 110 | |
D37. | Schaal/regelnummer | 110 | |
D38. | Datum aanstelling | 110 |
In dit gegevenswoordenboek staat per gegeven de technische uitwerking, zoals die dient voor de uitwisseling van het gegeven tussen de landelijke organen en OCenW.
Het gaat hierbij om de gegevens zoals die door de landelijke organen worden vastgelegd. Dit betekent niet dat deze gegevens ook zo worden geleverd aan het departement. De manier waarop dat gebeurt wordt bepaald in bijlage 6, formulieren. Verder betekent dit ook niet dat in alle gevallen de hier gepresenteerde waarden (codes) dienen te worden gebruikt in de eigen administratie. Dat hoeft feitelijk alleen bij de levering.
De informatie die in deze bijlage per gegeven wordt verstrekt omvat een aantal vaste rubrieken, de zogenaamde Kenmerken. Dat zijn bijvoorbeeld definitie en domein. Tezamen vormen deze Kenmerken het profiel van het gegeven. Een overzicht van alle Kenmerken en hun definitie wordt gegeven in hoofdstuk 2.
De gegevens staan gegroepeerd volgens een structuur die aangeeft hoe de gegevens met elkaar samenhangen. Deels blijkt die al uit de inhoudsopgave. Zo horen bij een Leerbedrijf een door het landelijk orgaan gegeven code, zijn postcode, een begin-, een einddatum erkenning en een werkgebied. Deze gegevens vormen samen de Groep Leerbedrijf. Verder is er nog de Groep Personeel. In deze bijlage zal worden aangegeven bij welke Groep elk gegeven hoort.
De indeling van deze bijlage is als volgt. In hoofdstuk 2 worden enkele gebruikte termen gedefinieerd, voor zover dat niet al in andere teksten (wet, tekst Uitvoeringsbesluit) is gebeurd. Het bestaat uit twee delen: algemene termen en de Kenmerken. Hoofdstuk 3 vormt de kern van deze bijlage en omvat de profielen van alle te registreren gegevens.
Gegeven: | Het object van een gegevensvraag. Het meest elementaire, betekenisvolle stuk informatie dat kan worden vastgelegd. Zo'n gegeven is bijvoorbeeld «Code leerbedrijf». |
Kenmerk (van een gegeven): | Dat is het aspect van een gegeven uit de gegevenslijst dat standaard in het Gegevenswoordenboek is opgenomen, zoals «definitie» of «domein». |
(Gegevens)profiel: | De verzameling kenmerken van een gegeven. Deze verzameling bepaalt en beschrijft het gegeven. |
Werknemer: | Iemand die een arbeidsrelatie heeft met het landelijk orgaan, waarbij hij/zij is benoemd in een functie die is vastgelegd in de vastgestelde formatie. |
Groep: | Een set van bij elkaar horende (samenhangende) gegevens. Bij voorbeeld: «Code leerbedrijf» hoort bij de Groep Leerbedrijf. |
Definitie | De definitie geeft een nauwkeurige en eenduidige omschrijving van het gegeven. |
Type | Soort gegeven, bijvoorbeeld: numeriek, alfanumeriek, datum, logisch (J/N) e.d. Het type numeriek wordt alléén gebruikt voor gegevens waarmee gerekend kan worden. Als het alleen maar om een numerieke code gaat, wordt het gegeven alfanumeriek genoemd. |
Lengte | Geeft het maximale aantal tekens waaruit het gegeven kan bestaan. Hangt samen met Type en Domein. |
Domein | Waarden die het gegeven kan aannemen, bijvoorbeeld een getal tussen «0» en «999999999». Het domein omvat ook de waarde bij afwezigheid. |
Doel | Geeft het doel aan waartoe het gegeven wordt opgevraagd. Dit kan zijn bekostiging (en beleid) of (slechts) beleid. De voor bekostiging relevante gegevens worden ook voor beleidsdoeleinden gebruikt. . |
GROEP: Leerbedrijf | |
D27. Postcode vestigingsadres | |
Definitie | Dit is de postcode van de huidige vestigingsplaats van het leerbedrijf |
Lengte | 6 |
Domein | Postcodeboek PTT NEN 5825 |
Doel | Bekostiging |
D28. Code Leerbedrijf | |
Definitie | Unieke code voor het leerbedrijf als bedoeld in artikel 7.2.9, eerste lid, van de wet, zoals opgenomen in het overzicht van bedrijven en organisaties met een gunstige beoordeling, als bedoeld in artikel 7.2.10, derde lid, van de wet. |
Lengte | 17 |
Domein | 99ZZ1234XY9999988 |
99ZZ = BRIN-nummer van het Landelijke Orgaan voor het Beroepsonderwijs; | |
1234XY = postcode van het adres van het leerbedrijf/-organisatie; | |
99999 = huisnummer. Dit moet naar rechts worden aangeschoven en aangevuld met spaties; | |
88 = nummer leerbedrijf/-organisatie, toegekend door Landelijk Orgaan voor het Beroepsonderwijs. Een getal van één cijfer dient een voorloopnul te krijgen. | |
Doel | Bekostiging |
29. Begindatum erkenning | |
Definitie | Datum van opname in het register erkende leerbedrijven |
Lengte | 8 |
Domein | DD/MM/CCYY |
Legitieme datum | |
Doel | Bekostiging |
D30. Einddatum erkenning | |
Definitie | Datum van beëindiging opname in het register erkende leerbedrijven |
Lengte | 8 |
Domein | DD/MM/CCYY |
Legitieme datum | |
Doel | Bekostiging |
D31. Werkgebied | |
Definitie | De 2 cijfers van de BIK '95 (bedrijven indeling Kamer van Koophandel), waartoe het bedrijf behoort |
Lengte | 2 |
Domein | 2 cijfers BIK '95 |
Doel | Bekostiging |
GROEP: Personeel | |
D32. Geboortejaar | |
Definitie | Het jaar waarin het personeelslid geboren is. |
Lengte | 4 |
Domein | 1900–heden |
Doel | Beleid |
D33. Geslacht | |
Definitie | De aanduiding of het personeelslid een man of een vrouw is. |
Lengte | 1 |
Domein | 1 = man |
2 = vrouw conform NEN 5218 | |
0 = onbekend | |
Doel | Beleid |
D34. Functie | |
Definitie | Dit is de code voor de functie die het personeelslid heeft. |
Lengte | 1 |
Domein | «1» = directielid |
«2» = middenmanagement en consulenten | |
«3» = ondersteunend en beheerspersoneel | |
«4» = beleidsmedewerker | |
«5» = overigen | |
Doel | Beleid |
D35. Aanstellingsomvang | |
Definitie | Het aantal uren per week waarvoor het personeelslid is benoemd. |
Lengte | 2 |
Domein | min. 1 en max. 40 |
Doel | Beleid |
D36. Aanstellingstype | |
Definitie | De aanduiding of de werknemer in vast of tijdelijk dienstverband is. (Uitzendkrachten worden niet opgenomen) |
Lengte | 1 |
Domein | 1 = Tijdelijk |
2 = vast | |
Doel | Beleid |
D37. Schaal/regelnummer | |
Definitie | De salarisschaal met het regelnummer van het personeelslid. |
Lengte | 4 |
Domein | «xynn»: |
x = schaal volgens de CAO landelijke organen; x is een letter; | |
y = J voor jeugdlonen, anders een spatie; | |
nn = regelnummer binnen de schaal volgens de CAO landelijke organen. | |
Bij nn zo nodig voornullen. | |
Doel | Beleid |
D38. Datum aanstelling | |
Definitie | De datum waarop het personeelslid bij het landelijk orgaan in dienst is getreden. |
Lengte | 8 |
Domein | DD/MM/CCYY |
Legitieme datum | |
Doel | Beleid |
- –
ROC's en ROC's in een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1.3.1. van de wet;
- –
vakscholen, als bedoeld in artikel 12.3.5 derde lid van de wet;
- –
instellingen van een bepaalde richting, als bedoeld in artikel 12.3.6, tweede lid van de wet;
- –
instellingen met een extra breedte gebrek, als bedoeld in artikel 12.3.7, derde lid van de wet.
- –
september
publicatie verzoek om informatie in Uitleg OCenW-regelingen
- –
1 oktober
toezending formulieren en toelichtingsbrochure aan instellingen
- –
22 oktober
uiterste datum waarop de formulieren door Cfi moeten zijn ontvangen
- –
15 december
terugmelding geregistreerde gegevens aan instellingen door Cfi
Deelnametelling BVE-opleidingen
Soort | Voltijd/deelijd | Niveau | Aantal deelnemers 1–10-«kalenderjaar» | Gediplomeerden deeltijd | ||||||||||
1e verblijfjaar | 2e verblijfjaar | 3e verblijfjaar | 4e verblijfjaar | 5e verblijfjaar | ||||||||||
man | vrouw | man | vrouw | man | vrouw | man | vrouw | man | vrouw | man | vrouw | |||
«soort» | «vt/dt» | «niveau» |
∗ schuin gedrukte teksten zijn voorbedrukt
Soort
- –
bbo incl. ex-inservice1
- –
bbl
- –
mbo1
- –
bol
- –
educatie
Alle soorten onderwijs worden geagregeerd naar niveau.
1 Met inachtneming van het gestelde in hoofdstuk 6 van het Uitvoeringsbesluit WEB
Niveau
bbo incl. ex-inservice: | – assistent – primair – voortgezet – tertiair |
mbo: | – assistent – kort – tussen/lang |
bbl: | – niveau 1: assistentopleiding – niveau 2: basisberoepsopleiding – niveau 3: vakopleiding – niveau 4: specialisten-middenkaderopleiding |
bol: | – niveau 1: assistentopleiding – niveau 2: basisberoepsopleiding – niveau 3: vakopleiding – niveau 4: specialisten-middenkaderopleiding |
educatie KSE: | – niveau 1 t/m 3 – niveau 4 – niveau 5 – niveau 6 |
educatie NT2: | – niveau 1 – niveau 2 – niveau 3 – niveau 4 – niveau 5 |
Aantal deelnemers 1–10-kalenderjaar
Het aantal deelnemers (gesplitst in m/v), dat bij de instelling op 1 oktober «kalenderjaar» was ingeschreven onderverdeeld naar verblijfsjaren∗.
∗ Het verblijfsjaar is de periode tussen de peildatum en de inschrijfdatum, uitgedrukt in gehele jaren, waarbij naar boven wordt afgerond (een deel van een jaar geldt dus als een heel jaar). Dit begrip komt in de plaats van het vroeger gehanteerde begrip leerjaar.
Gediplomeerden
Het aantal deelnemers (gesplitst in m/v), dat in de periode vanaf 1 oktober jaar t-1 tot 1 oktober jaar t een diploma heeft behaald.
- –
ROC's en ROC's in een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1.3.1. van de wet;
- –
vakscholen, als bedoeld in artikel 12.3.5 derde lid van de wet;
- –
instellingen van een bepaalde richting, als bedoeld in artikel 12.3.6, tweede lid van de wet;
- –
instellingen met een extra breedte gebrek, als bedoeld in artikel 12.3.7, derde lid van de wet.
- –
januari
publicatie verzoek om informatie in Uitleg OCenW-regelingen
- –
1 april
toezending formulieren en toelichtingsbrochure aan instellingen
- –
1 juni
uiterste datum waarop de formulieren door Cfi moeten zijn ontvangen
- –
1 juli
terugmelding geregistreerde gegeven aan instellingen
Niveau 1: assistentopleiding | Niveau 2: basisberoepsopleiding | Niveau 3: vakopleiding | Niveau 4: Specialisten- en middenkaderopleiding | |||||||||||||
Met diploma | Zonder diploma | Met diploma | Zonder diploma | Met diploma | Zonder diploma | Met diploma | Zonder diploma | |||||||||
man | vrouw | man | vrouw | man | vrouw | man | vrouw | man | vrouw | man | vrouw | man | vrouw | man | vrouw | |
«soort» |
Educatie KSE
Niveau 1 t/m 3 | Niveau 4 | Niveau 5 | Niveau 6 | |||||||||||||
Met diploma | Zonder diploma | Met diploma | Zonder diploma | Met diploma | Zonder diploma | Met diploma | Zonder diploma | |||||||||
man | vrouw | man | vrouw | man | vrouw | man | vrouw | man | vrouw | man | vrouw | man | vrouw | man | vrouw | |
«soort» |
Educatie NT2
Niveau 1 t/m 2 | Niveau 3 | Niveau 4 | Niveau 5 | |||||||||||||
Met diploma | Zonder diploma | Met diploma | Zonder diploma | Met diploma | Zonder diploma | Met diploma | Zonder diploma | |||||||||
man | vrouw | man | vrouw | man | vrouw | man | vrouw | man | vrouw | man | vrouw | man | vrouw | man | vrouw | |
«soort» |
∗ schuin gedrukte teksten zijn voorbedrukt
Soort onderwijs (bbl, voltijds bol, deeltijds bol, educatie KSE en educatie NT2)
Het onderwijs waarvoor de deelnemer voor deze opleiding in dit studiejaar voor de eerste maal is ingeschreven bij de instelling.
De opleiding die gevolgd werd op 1 oktober van het voorafgaande studiejaar.
algemene leerjaren AVO/VBO
- –
mavo
- –
havo
- –
vwo
- –
vbo
- –
vso
- –
vt-mbo kort/assistent
- –
vt-mbo lang/tussen
- –
bbl niveau 1
- –
bbl niveau 2
- –
bbl niveau 3
- –
bbl niveau 4
- –
bol niveau 1
- –
bol niveau 2
- –
bol niveau 3
- –
bol niveau 4
- –
bbo primair/assistent
- –
bbo voortgezet/tertiair
- –
dt-mbo
- –
hbo
- –
wo
- –
educatie KSE 1–3
- –
educatie KSE 4–6
- –
educatie NT-2 1–5
- –
vormingswerk
- –
overig onderwijs
- –
geen onderwijs
- –
onbekend
Geaggregeerd naar niveau, met- en zonder diploma en man/vrouw het aantal deelnemers dat bij de instelling op 1 oktober «kalenderjaar» was ingeschreven voor een opleiding en dat na 1 oktober «kalenderjaar-1» is gestart met de betreffende opleiding bij de instelling.
Leeftijdsopbouw | DTMBO | BBO | VTMBO | |||||||
Primair | Voortgezet/tertiair | Kort | Lang/tussen | |||||||
man | vrouw | man | vrouw | man | vrouw | man | vrouw | man | vrouw | |
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 |
«leeftijdsopbouw» |
∗ schuin gedrukte teksten zijn voorbedrukt
- –
jonger dan 15 jaar
- –
15 jaar
- –
16 jaar
- –
17 jaar
- –
18 jaar
- –
19 jaar t/m 21 jaar
- –
22 jaar t/m 27 jaar
- –
28 jaar t/m 39 jaar
- –
40 jaar t/m 64 jaar
- –
65 jaar en ouder
Geaggregeerd naar niveau en man/vrouw de leeftijd op 1 augustus kalenderjaar van het aantal deelnemers dat bij de instelling op 1 oktober kalenderjaar was ingeschreven voor een opleiding.
Leeftijdsopbouw | «schoolsoort» | |||||||
Niveau 1 | Niveau 2 | Niveau 3 | Niveau 4 | |||||
man | vrouw | man | vrouw | man | vrouw | man | vrouw | |
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 |
«leeftijdsopbouw» |
∗ schuin gedrukte teksten zijn voorbedrukt
- –
BBL
- –
BOL- voltijds
- –
BOL- deeltijds
- –
jonger dan 15 jaar
- –
15 jaar
- –
16 jaar
- –
17 jaar
- –
18 jaar
- –
19 jaar t/m 21 jaar
- –
22 jaar t/m 27 jaar
- –
28 jaar t/m 39 jaar
- –
40 jaar t/m 64 jaar
- –
65 jaar en ouder
Geaggregeerd naar niveau en man/vrouw de leeftijd op 1 augustus «kalenderjaar» van het aantal deelnemers dat bij de instelling op 1 oktober «kalenderjaar» was ingeschreven voor een opleiding.
Leeftijdsopbouw | Educatie-KSE | |||||||
Niveau 1–3 | Niveau 4 | Niveau 5 | Niveau 6 | |||||
man | vrouw | man | vrouw | man | vrouw | man | vrouw | |
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 |
«leeftijdsopbouw» |
∗ schuin gedrukte teksten zijn voorbedrukt
- –
jonger dan 15 jaar
- –
15 jaar
- –
16 jaar
- –
17 jaar
- –
18 jaar
- –
19 jaar t/m 21 jaar
- –
22 jaar t/m 27 jaar
- –
28 jaar t/m 39 jaar
- –
40 jaar t/m 64 jaar
- –
65 jaar en ouder
Geaggregeerd naar niveau en man/vrouw de leeftijd op 1 augustus «kalenderjaar» van het aantal deelnemers dat bij de instelling op 1 oktober «kalenderjaar» was ingeschreven voor een opleiding.
Leeftijdsopbouw | Educatie-NT2 | |||||||
Niveau 1–2 | Niveau 3 | Niveau 4 | Niveau 5 | |||||
man | vrouw | man | vrouw | man | vrouw | man | vrouw | |
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 |
«leeftijdsopbouw» |
∗ schuin gedrukte teksten zijn voorbedrukt
- –
jonger dan 15 jaar
- –
15 jaar
- –
16 jaar
- –
17 jaar
- –
18 jaar
- –
19 jaar t/m 21 jaar
- –
22 jaar t/m 27 jaar
- –
28 jaar t/m 39 jaar
- –
40 jaar t/m 64 jaar
- –
65 jaar en ouder
Geaggregeerd naar niveau en man/vrouw de leeftijd op 1 augustus «kalenderjaar» van het aantal deelnemers dat bij de instelling op 1 oktober «kalenderjaar» was ingeschreven voor een opleiding.
Soort Onderwijs | Zonder diploma | |
man | vrouw | |
1 | 2 | 3 |
«soort» |
∗ schuin gedrukte teksten zijn voorbedrukt
- –
bbo primair/assistent
- –
bbo voortgezet/tertiair
- –
voltijd mbo kort/assistent
- –
voltijd mbo lang/tussen
- –
deeltijd mbo
- –
bbl niveau 1
- –
bbl niveau 2
- –
bbl niveau 3
- –
bbl niveau 4
- –
voltijd bol niveau 1
- –
voltijd bol niveau 2
- –
voltijd bol niveau 3
- –
voltijd bol niveau 4
- –
deeltijd bol niveau 1
- –
deeltijd bol niveau 2
- –
deeltijd bol niveau 3
- –
deeltijd bol niveau 4
Geaggregeerd naar man/vrouw het aantal deelnemers dat in de periode vanaf 1 oktober «kalenderjaar-1» tot en met 30 september «kalenderjaar» zonder een diploma de instelling heeft verlaten.
Doelgroep | Soort onderwijs | Nieuwe instroom vanuit Educatie | Nieuwe instroom | Deelnemers | Uitstroom met diploma | Uitstroom zonder diploma |
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 |
«doelgroep» | soort |
∗ schuin gedrukte teksten zijn voorbedrukt
- –
gehandicapte
- –
nieuwkomer
- –
allochtoon
- –
VOA- deelnemer
- –
BOL en BBL bij gehandicapte
- –
educatie bij nieuwkomer
- –
BOL, BBL en educatie bij allochtoon
- –
BOL, BBL, mbo, bbo bij VOA-deelnemer
Geaggregeerd naar soort onderwijs het aantal deelnemers dat binnen de periode vanaf 1 oktober «kalenderjaar-1» tot en met 30 september «kalenderjaar» bij de instelling was ingeschreven. Deelnemers die in het studiejaar zijn in- of uitgestroomd tellen ook mee. Nieuwe instroom is het aantal deelnemers die in deze periode is gestart met de betreffende opleiding bij de instelling.
- –
ROC's en ROC's in een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1.3.1. van de wet
- –
vakscholen, als bedoeld in artikel 12.3.5 derde lid van de wet
- –
instellingen van een bepaalde richting, als bedoeld in artikel 12.3.6, tweede lid, van de wet
- –
instellingen met een extra breedte gebrek, als bedoeld in artikel 12.3.7, derde lid, van de wet
- –
november
publicatie informatieverzoek in Uitleg OCenW-Regelingen
- –
1 december
toezending formulieren en toelichtingsbrochure aan instellingen
- –
1 februari
uiterste datum waarop formulieren door cfi moeten zijn ontvangen
- –
1 mei
toezending terugmelding geregistreerde gegevens aan instellingen
- –
1 juli
uiterste datum waarop door cfi de gewaarmerkte formulieren en de bijbehorende accountantsverklaring moeten zijn ontvangen.
BRIN-nr. «kalenderjaar» | «brinnummer» | ||||||
opleidingscode | Naam opleiding | Deelnemers 1-10 «kalenderjaar» | Diploma's «kalenderjaar» | ||||
totaal | waarvan VOA-deelnemers | ||||||
man | vrouw | man | vrouw | man | vrouw | ||
«code» | «naam» |
∗ schuin gedrukte teksten zijn voorbedrukt.
- –
beroepsbegeleidende leerweg
- –
beroepsopleidende leerweg voltijds
- –
beroepsopleidende leerweg deeltijds
- –
bbo∗
- –
mbo voltijds∗
- –
mbo deeltijds∗
∗ met inachtneming van het gestelde in hoofdstuk 6 van het uitvoeringsbesluit WEB
Aantal deelnemers, dat op de peildatum 1 oktober van het vermelde kalenderjaar een opleiding volgt en is ingeschreven bij de instelling en in het bezit is van een geldende onderwijsovereenkomst, als bedoeld in artikel 8.1.3 van de wet (voorzover het een WEBse opleiding betreft).
Voor deelnemers aan de beroepsbegeleidende leerweg met uitzondering van de kwalificaties verpleging en verzorging geldt dat de deelnemer moet voldoen aan het gestelde in artikel 2.2.3 van het uitvoeringsbesluit (praktijkovereenkomst moet zijn afgesloten en ingegaan uiterlijk op 31 december van het betreffende kalenderjaar)
Voor deelnemers aan de beroepsbegeleidende leerweg van de kwalificaties verpleging en verzorging geldt eveneens het gestelde in artikel 2.2.3 van het uitvoeringsbesluit (praktijkovereenkomst moet zijn afgesloten op uiterijk op 31 december van het betreffende kalenderjaar en moet zijn ingegaan uiterlijk op 1 juni van het daaropvolgende kalenderjaar).
Aantal deelnemers, dat op de peildatum 1 oktober van het vermelde kalenderjaar een opleiding volgt en is ingeschreven bij de instelling en in het bezit is van een geldende onderwijsovereenkomst, als bedoeld in artikel 8.1.3 van de wet en bovendien behoren tot de doelgroep «VOA-deelnemer». De definitie van deze doelgroep is opgenomen in het gegevenswoordenboek instellingen (bijlage 1 van het uitvoeringsbesluit onder het gegeven «A8 Code doelgroep».
Het aantal diploma's, dat in het betreffende kalenderjaar door de examencommissie als bedoeld in artikel 7.4.6 van de wet is uitgereikt aan deelnemers, die bij de instelling in het betreffende kalenderjaar waren ingeschreven en in het bezit waren van een geldende onderwijsovereenkomst, dan wel een examenovereenkomst als bedoeld in artikel 8.1.3 van de wet (voorzover het een WEBse opleiding betreft). Verder geldt dat de opleiding (waarvan een diploma is afgegeven) bij de instelling wordt bekostingd dan wel bekostigd is geweest. De datum van het diploma moet vallen binnen de periode van de onderwijsovereenkomst c.q. examenovereenkomst.
- –
ROC's en ROC's in een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1.3.1. van de wet;
- –
vakscholen, als bedoeld in artikel 12.3.5 derde lid van de wet;
- –
instellingen van een bepaalde richting, als bedoeld in artikel 12.3.6, tweede lid van de wet;
- –
instellingen met een extra breedte gebrek, als bedoeld in artikel 12.3.7, derde lid van de wet.
- –
september
publicatie verzoek om informatie in Uitleg OCenW-regelingen
- –
15 september
toezending formulieren en toelichtingsbrochure aan instellingen
- –
1 februari
uiterste datum waarop de formulieren door Cfi moeten zijn ontvangen
- –
1 juli
uiterste ontvangstdatum van de gewaarmerkte overzichtsformulieren plus accountantsverklaring
Opleidingscode | ||
Berekend aantal uren BPV | Aantal deelnemers | |
«opleidingscode» |
∗ schuin gedrukte teksten zijn voorbedrukt
– kwalificatiecode + leerweg
Het aantal uren BPV over het «studiejaar». Vastlegging conform het gegevenswoordenboek.
De berekening vindt plaats op basis van de volgende gegevens:
- A.
Gegeven A21 uit bijlage 1: BPV-omvang
- B.
Gegeven A19a uit bijlage 1: Datum begin BPV
- C.
Gegeven A 19b uit bijlage 1: Datum einde BPV
De berekening vindt plaats via de volgende stappen:
Stap 1: Het vaststellen van het aantal weken beroepspraktijkvorming in het studiejaar.
Stap 2: Het herberekenen van het aantal weken beroepspraktijkvorming in het studiejaar.
Stap 3: Het vaststellen van het aantal uren beroepspraktijkvorming in het studiejaar
Stap 4. Het vaststellen van het totaal aantal uren BPV voor elke kwalificatiecode + leerweg.
In de BPV-telling wordt gevraagd naar het «Berekend aantal uren BPV». Dit aantal is de som van het aantal uren BPV per deelnemer, van wie het aantal (deelnemers) moet worden opgegeven in de volgende kolom. Het aantal uren per deelnemer wordt berekend met behulp van de BPV-omvang, zoals beschreven bij het gegeven A21 in Bijlage 1: Informatie-verzameling instellingen bij U-WEB en de periode van de BPV van de deelnemer die in het afgelopen schooljaar viel. Deze berekening wordt stapsgewijs behandeld aan de hand van een voorbeeld. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de volgende (fictieve) gegevens:
Schooljaar: | 1998–1999 |
Datum begin BPV: | 1 november 1998 |
Datum einde BPV: | 1 november 2000 |
BPV-omvang: | 32 (uur per week) |
Bepaal het aantal weken van de BPV-periode dat in het schooljaar, dat wil zeggen tussen 1 augustus 1998 en 31 juli 1999 valt. Kies als Begindatum de Datum begin BPV of, als die vóór 1-8-98 valt, het begin van het schooljaar (1-8-98). Kies als Einddatum de Datum einde BPV of, als die ná 31-7-99 valt, het eind van het schooljaar (31-7-99). Bepaal het aantal weken hiertussen, waarbij een gedeelte van een week wordt afgerond (1–2 dagen naar beneden, 2½–5 dagen naar boven).
In het voorbeeld is de periode 1 november 1998–31 juli 1999. Dat zijn 39 weken.
Vermenigvuldig het werkelijke aantal weken met 40/52. Op die manier werken we met een schooljaar van 40 weken. (Dat is ook gedaan bij de berekening van de BPV-omvang). Hierbij wordt weer naar het dichtstbijzijnde gehele getal afgerond.
In het voorbeeld wordt de rekenperiode 40/52 x 39 weken = 30 weken.
Vermenigvuldig het in stap 2 berekende aantal weken met de BPV-omvang. Dit levert het Berekend aantal uren BPV van de deelnemer.
In het voorbeeld wordt het resultaat 30 x 32 uur = 960 uur.
Nadat op boven beschreven wijze het aantal uur BPV per deelnemer is bepaald worden deze aantallen per kwalificatie + leerweg opgeteld. Het resultaat hiervan dient te worden ingevuld op het telformulier onder de kop «Berekend aantal uren BPV» per opleidingscode. Het aantal dat het betreft dient onder de kop Aantal deelnemers ingevuld te worden.
Code leerbedrijf | Aantal deelnemers | ||||
Brinnr. Landelijk Orgaan | postcode | huisnummer | volgnr. | BOL | BBL |
∗ schuin gedrukte teksten zijn voorbedrukt
Gegeven A20 uit bijlage 1
Het aantal deelnemers, onderscheiden naar de leerweg, dat op enig moment binnen dat studiejaar bij het leerbedrijf een praktijkplaats hadden op basis van een praktijkovereenkomst.
- –
ROC's en ROC's in een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1.3.1. van de wet;
- –
vakscholen, als bedoeld in artikel 12.3.5 derde lid van de wet;
- –
instellingen van een bepaalde richting, als bedoeld in artikel 12.3.6, tweede lid van de wet;
- –
instellingen met een extra breedte gebrek, als bedoeld in artikel 12.3.7, derde lid van de wet.
- –
januari
publicatie verzoek om informatie in Uitleg OCenW-regelingen
- –
februari
toezending formulieren en toelichtingsbrochure aan instellingen
- –
1 maart
uiterste datum waarop de formulieren door Cfi moeten zijn ontvangen
- –
1 juni
uiterste datum terugmelding geregistreerde gegevens aan instellingen
Tabel 1: Soort aanstelling en maximum schaal bij functie
Tabel | Functiecategorie | Geslacht | Soort aanstelling | Max. schaal | Aantal personen | Aantal FTE's |
1 | 9 | 9 | 9 | 99 | 9999 | 9999,99 |
Tabel 2: Leeftijd en betrekkingsomvang
Tabel | Functiecategorie | Geslacht | Leeftijd | Betrekkingsomvang | Aantal personen | Aantal FTE's |
2 | 9 | 9 | 99 | 9,99 | 9999 | 9999,99 |
Tabel 3: Duur van de aanstelling en einde dienstverband
Tabel | Functiecategorie | Geslacht | Jaar van indiensttreding | Einde dienstverband | Aantal personen | Aantal FTE's |
3 | 9 | 9 | 99 | 9 | 9999 | 9999,99 |
Tabel 4: Inschaling, maximum schaal bij de functie en duur van de aanstelling
Tabel | Functiecategorie | Geslacht | Jaar van indiensttreding | Inschaling | Max. schaal bij functie | Aantal personen | Aantal FTE's |
4 | 9 | 9 | 99 | 9999 | 99 | 9999 | 9999,99 |
Tabel 5: BAPO
Tabel | Functiecategorie | Geslacht | Leeftijd | Inschaling | Betrekkingsomvang | BAPO | Aantal personen | Aantal FTE's |
5 | 9 | 9 | 99 | 9999 | 9,99 | 9,99 | 9999 | 9999,99 |
Tabel 6: FPU
Tabel | Functiecategorie | Geslacht | Leeftijd | Inschaling | Betrekkingsomvang | FPU | Aantal personen | Aantal FTE's |
6 | 9 | 9 | 99 | 9999 | 9,99 | 9,99 | 9999 | 9999,99 |
Tabel 7: Salaris-garantie
Tabel | Functiecategorie | Geslacht | Leeftijd | Inschaling | Betrekkingsomvang | Salarisgarantie | Aantal personen | Aantal FTE's |
7 | 9 | 9 | 99 | 9999 | 9,99 | 999999 | 9999 | 9999,99 |
Er zijn 7 tabellen gedefinieerd die de instellingen moeten leveren. Deze tabellen leveren informatie betreffende aantallen personen met een bepaalde combinatie van kenmerken die op 1 oktober van het jaar bij een instelling in dienst zijn en de totale betrekkingsomvang die zij vertegenwoordigen. Hierop is één uitzondering: tabel 3 heeft betrekking op personeel dat in het afgelopen studiejaar uit dienst is getreden. Deze tabellen moeten op 1 maart van het jaar volgend op het jaar waarop de gegevens betrekking hebben bij het ministerie binnen zijn.
De tabellen zijn opgebouwd uit regels, die elk weer zijn opgebouwd uit gegevens, die we hier items noemen. Het eerste item is steeds de tabelcode (1–7). Daarop volgen gegevens die de selectie van de personen definiëren. Deze gegevens bepalen in combinatie welke personen er geteld worden. Daarop volgt het item Aantal personen, dat het resultaat geeft van deze selectie. Het item Aantal FTE's tenslotte geeft de totale betrekkingsomvang van deze personen, uitgedrukt in fte's (aantal normbetrekkingen).
Voor deze tabellen worden de volgende eenheden gebruikt:
leeftijd: | jaar (afgerond naar dichtstbijzijnde gehele getal), berekend uit geboortedatum en peildatum |
betrekkingsomvang: | 0,1 normbetrekking |
FPU, BAPO | 0,01 normbetrekking |
Aantal FTE's is de totale betrekkingsomvang van alle geselecteerde personen met een bepaalde combinatie, uitgedrukt in gehele normbetrekkingen.
Het aantal negen's geeft de lengte van het betreffende veld aan (dus niet het type). Ook is de plaats van de komma aangegeven.
Alleen de laatste twee kolommen bevatten telgegevens : het aantal FTE's en daarbij betrokken personen. De overige kolommen bevatten alleen de «identificerende» gegevens t.b.v. de genoemde aantallen.
Het nummer van de tabel wordt bij bestandsmatige levering in elke regel ingevuld : ook dit is een identificerend gegeven.
Tabelregels met zowel aantal FTE's én aantal personen gelijk aan NUL behoeven niet te worden ingevuld/geëxporteerd.
1. Verzoek van centrumgemeente of samenwerkingsorgaan
Naam: .................................................................................................................................................
...............................................................................................................................................................
2. Namen samenwerkende gemeenten
Naam gemeenten
...............................................................................................................................................................
...............................................................................................................................................................
..............................................................................................................................................................
3. Betaalgegevens
Postbanknummer: ............................................................................................................................
Ten name van ....................................................................................................................................
Adres ...................................................................................................................................................
Postcode /woonplaats ....................................................................................................................
4. Bijlage
Bij dit verzoek dient een afschrift van de gemeenschappelijke regeling c.q. het besluit van de betrokken gemeenten te worden meegezonden.
Indien gemeenten een samenwerkingsverband aangaan voor educatie of een bestaand verband wijzigen dient dit voor 1 december voorafgaande aan het jaar waarop de samenwerking ingaat aan Cfi gemeld te worden.
- –
gemeenten;
- –
samenwerkende gemeenten.
- –
september
publicatie verzoek om informatie in Uitleg OCenW-regelingen
- –
21 december
toezending formulieren en toelichtingsbrochure aan gemeenten
- –
30 januari
uiterste datum waarop de formulieren door Cfi moeten zijn ontvangen
- –
maart
uiterste datum terugmelding geregistreerde gegevens aan gemeenten
Instelling | Aantal deelnemers | |||||
BRIN-nummer | Naam instelling | Beschikbaar gesteld bedrag | Vavo | NT2 | Breed Maatsch. Functioneren | Sociale Redzaamheid |
TOTAAL |
De gemeente dient voor 31 januari van het jaar waarvoor de middelen aan de gemeente worden toegekend de bovenstaande gegevens te verstrekken aan Cfi over dat kalenderjaar.
- –
gemeenten;
- –
samenwerkende gemeenten.
- –
januari
publicatie verzoek om informatie in Uitleg OCenW-regelingen
- –
1 februari
toezending formulieren en toelichtingsbrochure aan instellingen
- –
1 maart
uiterste datum waarop de formulieren door Cfi moeten zijn ontvangen
- –
1 juni
uiterste datum terugmelding geregistreerde gegevens aan instellingen
Onderwijs | Programma | ||
Niveau | Naam | tenminste 6 vakken | minder dan 6 vakken |
1 | educatie (excl. NT2) | ||
2–3 | educatie (excl. NT2) | ||
4 | mavo | ||
5 | havo | ||
6 | vwo |
Het aantal deelnemers geaggregeerd naar tenminste 6 vakken en minder dan 6 vakken.
Onderwijs | Aantal certificaten | ||||||||
Niveau | Naam | diploma | 0 | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | >5 |
1 | educatie (excl. NT2) | n.v.t | n.v.t. | n.v.t. | n.v.t. | n.v.t. | n.v.t. | n.v.t. | n.v.t. |
2–3 | educatie (excl. NT2) | n.v.t | |||||||
4 | mavo | ||||||||
5 | havo | ||||||||
6 | vwo |
Het aantal deelnemers geaggregeerd naar het aantal certificaten.
NT2 | Niveau toets | Staatsexamen | Uitstroom zonder toets | ||||||||
Soort deelnemers | deelnemers | onderdeel | 0 | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | I | II | |
nieuwkomers | spreken | ||||||||||
luisteren | |||||||||||
lezen | |||||||||||
schrijven | |||||||||||
geslaagd | n.v.t. | n.v.t. | n.v.t. | n.v.t. | n.v.t. | n.v.t. | |||||
overigen | spreken | ||||||||||
luisteren | |||||||||||
lezen | |||||||||||
schrijven | |||||||||||
geslaagd | n.v.t. | n.v.t. | n.v.t. | n.v.t. | n.v.t. | n.v.t. |
Het aantal deelnemers geaggregeerd naar het behaalde resultaat.
– landelijke organen als bedoeld in artikel 1.5.1 van de wet.
- –
5 juni
publicatie verzoek om informatie in Uitleg OCenW-regelingen
- –
vóór 1 juli
toezending formulieren en toelichtingsbrochure aan instellingen
- –
1 augustus
uiterste datum waarop de formulieren door Cfi moeten zijn ontvangen
- –
1 oktober
uiterste datum terugmelding geregistreerde gegevens aan instellingen
Functie | Type | Schaal/regel | Geslacht | Geboortejaar | Aantal personen | Aantal fte's |
Er is een tabel gedefinieerd die de landelijke organen moeten leveren. Deze tabel levert informatie betreffende functies en personen die op 1 maart 1999 in dienst zijn bij het landelijk orgaan. Per regel kunnen de gegevens van de functies en personen met eenzelfde combinatie van gegevens worden opgenomen. Veelal zal per regel echter slechts één persoon kunnen worden vermeld met eenzelfde combinatie.
De code voor de functie die het personeelslid heeft.
De aanduiding of de werknemer in vast of tijdelijk dienstverband is (uitzendkrachten worden niet opgenomen).
De salarisschaal met het regelnummer van het personeelslid, conform de CAO-LOB.
De aanduiding of het personeelslid een man of een vrouw is.
Het jaar waarin het personeelslid geboren is.
Het aantal personen die met eenzelfde combinatie op de regel van het het formulier zijn opgenomen.
De totale betrekkingsomvang van de geselecteerde personen, uitgedrukt in gehele normbetrekkingen.