U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 26-11-2003.

Regeling · BWBR0010646

Uitvoeringsbesluit WEB

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 6 augustus 1999, houdende vaststelling van de algemene berekeningswijze van de rijksbijdrage voor het beroepsonderwijs, de educatie en de landelijke organen, alsmede vaststelling van voorschriften over het informatieverkeer, bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs (Uitvoeringsbesluit WEB)Uitvoeringsbesluit WEBWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordrachten van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 8 maart 1999, nr. 1998/8716 (3704) en van 31 maart 1999, nr. 1999/14257 (3693), directie Wetgeving en Juridische Zaken, de eerste voordracht gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

Gelet op de artikelen 2.2.1, eerste lid en vijfde lid, 2.2.4, vierde lid, 2.2.12, tweede lid, 2.3.1, eerste en derde lid, 2.3.6, tweede en derde lid, 2.4.1, eerste en tweede lid, 2.4.2, vierde lid, 2.5.3, negende lid, 2.5.5, tweede en derde lid, 2.5.10, eerste lid, en 2.6a van de Wet educatie en beroepsonderwijs, alsmede artikel 19, vijfde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs;

De Raad van State gehoord (adviezen van 29 april 1999, nr. W05.99.0160/II en van 6 mei 1999, nr. W05.99/0111/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, van 22 juli 1999, nr. 1999/30854 (3704), directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage6 augustus 1999Beatrix De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,L. M. L. H. A. Hermans De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,L. J. Brinkhorstde tweede september 1999De Minister van Justitie,A. H. Korthals

In dit besluit wordt verstaan onder:

Een ministeriële regeling als bedoeld in de artikelen 2.2.3, derde lid, 5.2.3, 6.1.1 en 6.1.4, tweede lid, wordt vastgesteld na overleg als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, van de wet.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Binnen het raam van de door de begrotingswetgever voor het desbetreffende kalenderjaar beschikbaar gestelde middelen, stelt Onze Minister jaarlijks de omvang vast van de landelijk beschikbare budgetten voor de exploitatiekosten en voor de huisvestingskosten voor zowel het beroepsonderwijs als het voorbereidend beroepsonderwijs.

Onze Minister berekent het rijksbijdragedeel op grond van de maatstaf diploma's beroepsonderwijs volgens de formule:

DI.1 + 2DI.2 + 4DI.3

----------------------------------- x LMD

LD.1 + 2LD.2 + 4LD.3

In deze formule wordt verstaan onder:

DI.1: het aantal diploma's beroepsonderwijs dat aan die instelling is uitgereikt in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende jaar bij opleidingen als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder a, van de wet,

DI.2: het aantal diploma's beroepsonderwijs dat aan die instelling is uitgereikt in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende jaar bij opleidingen als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder b, van de wet,

DI.3: het aantal diploma's beroepsonderwijs dat aan die instelling is uitgereikt in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende jaar bij opleidingen als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder c tot en met f, van de wet,

LD.1: het aantal diploma's beroepsonderwijs dat landelijk is uitgereikt in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende jaar bij opleidingen als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder a, van de wet,

LD.2: het aantal diploma's beroepsonderwijs dat landelijk is uitgereikt in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende jaar bij opleidingen als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder b, van de wet,

LD.3: het aantal diploma's beroepsonderwijs dat landelijk is uitgereikt in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende jaar bij opleidingen als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder c tot en met f, van de wet, en

LMD: het landelijk deel ten behoeve van de maatstaf diploma's beroepsonderwijs, zoals dat voor het desbetreffende jaar is vastgesteld op grond van artikel 2.2.1, tweede lid, onder b.

Onze Minister berekent het rijksbijdragedeel voor voorbereidende en ondersteunende activiteiten als bedoeld in artikel 7.2.2, vierde lid, van de wet, voor een kalenderjaar door het landelijk beschikbare budget ten behoeve van voorbereidende en ondersteunende activiteiten, zoals dat voor dat kalenderjaar is vastgesteld op grond van artikel 2.2.1, eerste lid, over de instellingen te verdelen naar rato van het aantal deelnemers per instelling, voor zover deze deelnemers voldoen aan de volgende voorwaarden:

In geval van fusie van instellingen of indien vanwege afspraken tussen instellingen over de verzorging van beroepsopleidingen, bepaalde gegevens als bedoeld in de artikelen 2.2.3, eerste lid, 2.2.4 of 2.2.5, anders moeten worden toegerekend, geeft Onze Minister op overeenkomstige wijze toepassing aan die bepalingen. Afspraken als bedoeld in de eerste volzin blijken uit een door het bevoegd gezag, in voorkomend geval tezamen met andere betrokken bevoegde gezagsorganen, aan Onze Minister overgelegde en ondertekende verklaring dienaangaande.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

In dit hoofdstuk wordt onder volwassen inwoner verstaan, een persoon van 18 jaren of ouder die op grond van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens bij een gemeente is ingeschreven.

Binnen het raam van de door de begrotingswetgever voor het desbetreffende kalenderjaar beschikbaar gestelde middelen, stelt Onze Minister jaarlijks de omvang vast van het landelijk beschikbare budget voor de educatie, bedoeld in artikel 2.3.1, eerste lid, van de wet.

Onze Minister berekent de in artikel 2.3.1, eerste lid, van de wet bedoelde rijksbijdrage educatie voor 15% aan hand van de maatstaf, bedoeld in artikel 3.2.2, eerste lid, onderdeel a, voor 45% aan de hand van de maatstaf, bedoeld in artikel 3.2.2, eerste lid, onderdeel b, en voor 40% aan de hand van de maatstaf, bedoeld in artikel 3.2.2, eerste lid, onderdeel c.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

De rijksbijdrage omvat:

Binnen het raam van de door de begrotingswetgever voor het desbetreffende kalenderjaar beschikbaar gestelde middelen, stelt Onze Minister jaarlijks de omvang vast van de landelijk beschikbare budgetten voor de exploitatiekosten en voor de huisvestingskosten van de landelijke organen.

Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten voor een landelijk orgaan voor:

Het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten van de landelijke organen wordt verdeeld als volgt:

De rijksbijdrage omvat:

Binnen het raam van de door de begrotingswetgever voor het desbetreffende begrotingsjaar beschikbaar gestelde middelen, stelt Onze Minister jaarlijks het landelijk beschikbare budget vast voor de exploitatiekosten en voor de huisvestingskosten van het landelijk orgaan op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving.

Onze Minister berekent de rijksbijdrage afzonderlijk voor:

Van het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten van het landelijk orgaan wordt:

In deze paragraaf wordt onder uitkering verstaan, een werkloosheidsuitkering of een suppletie inzake arbeidsongeschiktheid alsmede een andere uitkering wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel, anders dan op grond van de Ziektewet, voortvloeiend uit een dienstbetrekking aan een landelijk orgaan.

De bepalingen van dit hoofdstuk hebben betrekking op:

In dit hoofdstuk wordt onder gegevenswoordenboek verstaan, de opsomming van een door het bevoegd gezag van een instelling, een gemeentebestuur of het bestuur van een landelijk orgaan te verzamelen gegevens, bedoeld in artikel 5.2.1.

Op verzoek van Onze Minister stelt het bevoegd gezag van een instelling, het gemeentebestuur dan wel het bestuur van een landelijk orgaan gegevens aan hem ter beschikking, die door de instelling, de gemeente of het landelijk orgaan op grond van artikel 5.2.1 zijn verzameld. De beschikbaarstelling geschiedt overeenkomstig de formulieren die op het beroepsonderwijs, de educatie respectievelijk de werkzaamheden van het landelijk orgaan van toepassing zijn, zoals die zijn opgenomen in bijlage 4, bijlage 5, respectievelijk bijlage 6 bij dit besluit. De beschikbaarstelling kan zowel schriftelijk als langs elektronische weg geschieden. In voorkomende gevallen kan Onze Minister bij het verzoek om beschikbaarstelling reeds bij hem bekende gegevens opnemen.

Bij ministeriële regeling kan in bijzondere gevallen een aanvullende vragenlijst ten aanzien van bekostiging worden vastgesteld ter beantwoording door het bevoegd gezag van een instelling.

De bepalingen van dit hoofdstuk hebben betrekking op:

Het personeel en het gewezen personeel van instellingen en landelijke organen zijn in elk geval belanghebbende in de zin van dit hoofdstuk.

Indien een instelling of een landelijk orgaan de taken beëindigt en een rechtsopvolger ontbreekt, waaronder tevens is begrepen het geval van een onherroepelijk vonnis tot faillietverklaring van de desbetreffende instelling of het desbetreffende landelijk orgaan, voorzien de bevoegde gezagsorganen van de overige instellingen onderscheidenlijk de besturen van de overige landelijke organen er gezamenlijk in dat aan de verplichtingen jegens het personeel en het gewezen personeel die uit de wet- en regelgeving voortvloeien, wordt voldaan. De toepassing van de eerste volzin geschiedt met inachtneming van het bepaalde over vermindering van de rijksbijdrage in verband met de kosten van uitkeringen voor gewezen personeel van een instelling die of een landelijk orgaan dat de taken beëindigt in de ministeriële regeling op grond van artikel 12.3.48 van de wet onderscheidenlijk artikel 4.5.2.

Vervallen

Vervallen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

rijksbijdrage educatie: de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 2.3.1, eerste lid, van de wet;

landelijk beschikbare budget: het landelijk beschikbare budget voor de educatie, bedoeld in artikel 2.3.1, eerste lid, van de wet;

oude berekening: berekening van de rijksbijdrage educatie voor het jaar 2000 op grond van de Tijdelijke regeling rijksbijdrage educatie zoals luidend op 1 september 1999, toegepast op het landelijk beschikbare budget voor het jaar 2000;

nieuwe berekening: berekening van de rijksbijdrage educatie voor het jaar 2000 op grond van de artikelen 3.2.2 en 3.2.3, toegepast op het landelijk beschikbare budget voor het jaar 2000.

De in deze paragraaf voor de jaren 2002 en 2003 berekende bedragen worden vastgesteld in euro's door de uitkomst van de berekeningen te delen door 2.20371.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Onze Minister evalueert de werking van hoofdstuk 4 na afloop van een periode van 5 jaren na het tijdstip van inwerkingtreding van dat hoofdstuk.

Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit WEB.

A. Deelnemers

B. Personeel

INHOUDSOPGAVE

In dit gegevenswoordenboek staat per gegeven de technische uitwerking, zoals die dient voor de uitwisseling van het gegeven tussen de instellingen en OCenW. Het gaat hierbij om de gegevens zoals die door de scholen worden vastgelegd. Dit betekent niet dat deze gegevens ook zo worden geleverd aan het departement. De manier waarop dat gebeurt wordt bepaald in bijlage 4, Formulieren. Verder betekent dit ook niet dat in alle gevallen de hier gepresenteerde waarden (codes) dienen te worden gebruikt in de eigen administratie. Dat hoeft feitelijk alleen bij de levering. Zo kan de instelling een volledige buitenlandse postcode hanteren, maar die naar de hier beschreven waarden omzetten bij levering.

De gegevens hebben betrekking op opleidingen die geregeld zijn in de Wet Educatie en Beroepsonderwijs. Het gaat hierbij niet alleen om gegevens van deelnemers die begonnen zijn met hun opleiding nadat die wet van kracht is geworden: de wet en deze bijlage regelen ook de gegevens van deelnemers die daarvóór zijn ingeschreven, maar hun opleiding nog niet hebben beëindigd. Deze deelnemers en opleidingen worden pre-WEBs genoemd. Een nadere definitie en de opleidingen die hieronder vallen worden gegeven in hoofdstuk 2.

Het gaat in het Uitvoeringsbesluit alléén om opleidingen die voor bekostiging door de overheid in aanmerking komen. Voor de opleidingen die gebaseerd zijn op eerdere wetgeving worden zo veel mogelijk dezelfde gegevens gehanteerd. Afwijkingen zullen in de rubriek «opmerkingen» worden aangegeven. Waar nodig wordt verwezen naar tabellen die zijn opgenomen in de bijlage (bijvoorbeeld opleidingscodes). Sommige gegevens zijn nodig van examendeelnemers (extraneï). Dat zal apart worden aangegeven.

De gegevens staan gegroepeerd volgens een hiërarchische datamodel. Dat is een structuur die aangeeft hoe de gegevens met elkaar samenhangen. Deels blijkt die al uit de inhoudsopgave. Zo horen bij een Beroepspraktijkvormingsplaats (BPV-plaats) een begin-, een einddatum, een omvang en een leerbedrijf. Deze gegevens vormen samen de Groep BPV-plaats. In deze bijlage zal worden aangegeven bij welke Groep elk gegeven hoort. De hiërarchische structuur geeft niet alleen aan tot welke Groep een gegeven hoort, maar ook hoe groepen samenhangen. Bij de deelnemergegevens is het hoogste niveau de Groep Deelnemer. Daaronder vallen de Groepen Kwalificatie en Doelgroep. De Groep Leerweg valt onder Kwalificatie, de Groep BPV-plaats onder Leerweg. De hiërarchische structuur geeft dus ook aan dat de gegevens van een leerweg bij een Kwalificatie horen. Een Groep kan verscheidene keren voorkomen. Zo kan een deelnemer voor verschillende kwalificaties zijn ingeschreven, en binnen een kwalificatie verschillende leerwegen volgen (dit laatste niet tegelijkertijd). Dat betekent dat de bijbehorende gegevens ook even vaak dienen te worden geregistreerd. In theorie kan een gegeven ook verscheidene keren in een Groep voorkomen. In deze bijlage is dat echter niet het geval. Er geldt een aparte structuur voor personeel. Hier is het hoogste niveau de Werknemer, waaronder de groepen Persoonskenmerken en Arbeidsovereenkomst vallen, maar geen losse gegevens.

Deze bijlage is ook van toepassing op educatiedeelnemers. Dat geldt in het bijzonder voor enkele gegevens die bij beroepsonderwijs onder de Groep Leerweg vallen. Maar bij educatie kennen we geen leerweg. Bij educatiedeelnemers vallen deze gegevens eigenlijk onder de Groep Kwalificatie. Dat wordt bij dit gegeven ook opgemerkt. Op deze wijze wordt voorkomen dat deze gegevens dubbel worden opgenomen, een keer voor beroepsonderwijs en een keer voor educatie.

De informatie die in deze bijlage per gegeven wordt verstrekt, omvat een aantal vaste rubrieken, de zogenaamde Kenmerken. Dat zijn bijvoorbeeld definitie en domein. Tezamen vormen deze Kenmerken het profiel van het gegeven. Er zijn Kenmerken die steeds aanwezig zijn, zoals Definitie. Andere, zoals Validiteit, komen slechts een enkele keer voor. Een (vast) Kenmerk is Type onderwijs. Dit geeft aan of het gegeven van toepassing is op beroepsonderwijs, educatie of beide. Een overzicht van alle Kenmerken en hun definitie wordt gegeven in hoofdstuk 2.

De indeling van deze bijlage is als volgt. In hoofdstuk 2 worden enkele gebruikte termen gedefinieerd, voor zover dat niet al in andere teksten (wet, tekst Uitvoeringsbesluit) is gebeurd. Het bestaat uit twee delen: algemene termen en de Kenmerken. Hoofdstuk 3 vormt de kern van deze bijlage en omvat de profielen van alle te registreren gegevens. Aan deelnemergegevens en aan personeelsgegevens zijn aparte paragrafen gewijd.

De gegevens die hier worden opgenomen dienen door de accountant gecontroleerd te kunnen worden aan de hand van in de administratie opgeslagen brondocumenten, zoals een onderwijsovereenkomst, een uittreksel uit het bevolkingsregister (bijvoorbeeld op grond van de Koppelingswet) of een kopie van een diploma.

Sommige Kenmerken komen slechts bij een paar gegevens voor.

GROEP: Deelnemer

In deze paragraaf is een werknemer iemand die een arbeidsrelatie heeft met de instelling, waarbij hij / zij is benoemd in een functie die is vastgelegd in het vastgestelde formatieplan van de instelling.

∗ deze vooropleidingen kunnen niet worden afgerond middels het verkrijgen van een diploma

De code van de vooropleiding bestaat uit 5 posities:

Indien in de kolom «Diploma» een «X» staat dan kan bij deze code op de 5e positie zowel een «0» als een «1» voorkomen.

Indien in de kolom «Diploma» geen «X» staat dan kan bij deze code op de 5e positie alleen een «0» voorkomen.

Deze code dient voor zowel de Hoogste vooropleiding als de Opleiding afgelopen jaar.

Bij de «Hoogste vooropleiding» gaat het om «met goed gevolg doorlopen opleidingen of leerjaren». Dat betekent dat «5e klas VWO» aangeeft dat iemand overgegaan is naar de 6e klas en «zesde klas VWO» betekent dus dat iemand dat diploma behaald heeft. Het gaat bovendien om de hoogste vooropleiding voorafgaand aan de inschrijving. Het is dus niet de bedoeling dat die jaarlijks bijgesteld wordt binnen één opleiding.

Naast de hoogste vooropleiding dient ook de opleiding van het afgelopen jaar te worden aangegeven. Het gaat hierbij om de opleiding die op 1 oktober van het vorig jaar werd gevolgd, inclusief het behaalde resultaat in de vorm van een diploma. In tegenstelling tot de hoogste vooropleiding gaat het hier dus niet om een eventueel overgangsbewijs en moet hij wél jaarlijks worden bijgesteld.

De gegevensuitwisseling met behulp van formulieren is voorlopig nog geaggregeerd. De categorieën waarvoor tellingen worden gevraagd zijn genoemd in de« Tabel Indeling ... ten behoeve van geaggregeerde opvraag» op de vorige bladzij. De kolom «aggregatie» uit de Vooropleidingentabel verwijst naar deze categorieën.

Met de voorgestelde code blijft het probleem bestaan welke men moet kiezen als een leerling twee opleidingen heeft gevolgd waarvan het verschil in niveau niet duidelijk is. Bijvoorbeeld tweede klas HAVO én derde klas MAVO. Dit zal weinig voorkomen en de keus is betrekkelijk willekeurig. We laten de beslissing over aan de inschrijver. Het verdient aanbeveling in dat geval de meest recente te kiezen.

Niet alle diploma's van een bepaald type zijn even zwaar. Zo kan men bijvoorbeeld bij MAVO een aantal vakken op C-niveau en een aantal op D-niveau halen. Wij maken dit onderscheid hier niet. Het gaat er alleen om of iemand een bepaald diploma heeft.

In principe laten we het aan de inschrijver over welke code een opleiding krijgt die hier niet genoemd is. Dat kan zijn omdat de opleiding in het buitenland is genoten, of niet meer bestaat (MMS), of weinig voorkomt (conservatorium) of mij onbekend is.

Examendeelnemers (extranei) Beroepsonderwijs dienen gecodeerd te worden als (deeltijd) BOL, dus code 420–460, 650, 670, 690, 710 of 730.

1 Deze term wordt gebruikt in de Wet inburgering nieuwkomers en de bijbehorende AMvBs, maar wijkt af van de term «Maatschappelijke oriëntatie» uit de Regeling eindtermen breed maatschappelijk functioneren en sociale redzaamheid, die gepubliceerd is in Uitleg nr. 1 van 15 januari 1997. Het gaat echter om dezelfde opleiding.

Deze lijst bevat de (eventueel voormalige) landen die géén doelgroepland zijn voor de definitie van allochtoon bij Doelgroepen uit het Gegevenswoordenboek BVE-Instellingen. Alle andere landen zijn Doelgroepland. Daaronder vallen ook (eventueel voormalige) overzeese gebiedsdelen als Suriname en de Nederlandse Antillen en de EU-landen Griekenland, Italië, Portugal en Spanje.

Australië

België

Duitsland (incl. Bondsrepubliek en DDR)

Canada

Denemarken

Faeröer, de

Finland

Frankrijk

Groenland

Groot-Brittannië

Ierland

IJsland

Israël

Japan

Kaiser Wilhelmsland

Kanaaleilanden

Liechtenstein

Luxemburg

Man

Monaco

Nederland (exclusief overzeese gebiedsdelen)

Nederlands Indië

Nederlands Nieuw Guinea

New Foundland

Nieuw-Zeeland

Noorwegen

Norfolk

Oostenrijk

Oostenrijk-Hongarije

Palestina

Saarland

V.S.

Zweden

Zwitserland

A. Contracten

B. Deelnemers

Inhoudsopgave

In dit gegevenswoordenboek staat per gegeven de technische uitwerking, zoals die dient voor de uitwisseling van het gegeven tussen de gemeenten en OCenW.

Het gaat in het Uitvoeringsbesluit alléén om opleidingen die voor bekostiging door de overheid in aanmerking komen. Voor de opleidingen die gebaseerd zijn op eerdere wetgeving worden zo veel mogelijk dezelfde gegevens gehanteerd. Afwijkingen zullen in de rubriek «opmerkingen» worden aangegeven. Waar nodig wordt verwezen naar tabellen die zijn opgenomen in de bijlage (bijvoorbeeld opleidingscodes). Sommige gegevens zijn nodig van examendeelnemers (extraneï). Dat zal apart worden aangegeven.

In deze bijlage onderscheiden we contractgegevens en deelnemergegevens. De gegevens staan gegroepeerd volgens een hiërarchische datamodel. Dat is een structuur die aangeeft hoe de gegevens met elkaar samenhangen. Deels blijkt die al uit de inhoudsopgave. Zo horen een Financieringsbron en het bedrag van de financiering bij elkaar. Deze gegevens vormen samen de Groep Financiering. In deze bijlage zal worden aangegeven bij welke Groep elk gegeven hoort. Bij de contractgegevens onderscheiden we de Groepen Gemeente, Contract, Opleiding en Financiering, bij de deelnemergegevens de Groepen Deelnemer, Kwalificatie en Vak. De hiërarchische structuur geeft niet alleen aan tot welke Groep een gegeven hoort, maar ook hoe groepen samenhangen. Bij de contractgegevens is het hoogste niveau de Groep Gemeente. Daaronder vallen de Groepen Contract en Financiering. Onder Contract valt nog de Groep Opleiding. Bij de deelnemergegevens is het hoogste niveau de Groep Deelnemer. Daaronder valt de Groep Kwalificatie en daar weer onder de Groep Vak. De hiërarchische structuur geeft dus ook aan dat de gegevens van Vak bij een Kwalificatie horen. Een Groep kan verscheidene keren voorkomen. Zo kan een deelnemer voor verschillende kwalificaties zijn ingeschreven, en bij een kwalificatie verschillende vakken volgen. Dat betekent dat de bijbehorende gegevens ook even vaak dienen te worden geregistreerd. Een gegeven kan ook verscheidene keren in een Groep voorkomen. Dat is het geval bij Samenwerkingsgemeente en bij resultaten NT2.

De informatie die in deze bijlage per gegeven wordt verstrekt, omvat een aantal vaste rubrieken, de zogenaamde Kenmerken. Dat zijn bijvoorbeeld definitie en domein. Tezamen vormen deze Kenmerken het profiel van het gegeven. Een overzicht van alle Kenmerken en hun definitie wordt gegeven in hoofdstuk 2.

De indeling van deze bijlage is als volgt. In hoofdstuk 2 worden enkele gebruikte termen gedefinieerd, voor zover dat niet al in andere teksten (wet, tekst Uitvoeringsbesluit) is gebeurd. Het bestaat uit twee delen: algemene termen en de Kenmerken. Hoofdstuk 3 vormt de kern van deze bijlage en omvat de profielen van alle te registreren gegevens. Aan contractgegevens en aan deelnemergegevens zijn aparte paragrafen gewijd.

Sommige Kenmerken komen slechts bij een paar gegevens voor.

INHOUDSOPGAVE

In dit gegevenswoordenboek staat per gegeven de technische uitwerking, zoals die dient voor de uitwisseling van het gegeven tussen de landelijke organen en OCenW.

Het gaat hierbij om de gegevens zoals die door de landelijke organen worden vastgelegd. Dit betekent niet dat deze gegevens ook zo worden geleverd aan het departement. De manier waarop dat gebeurt wordt bepaald in bijlage 6, formulieren. Verder betekent dit ook niet dat in alle gevallen de hier gepresenteerde waarden (codes) dienen te worden gebruikt in de eigen administratie. Dat hoeft feitelijk alleen bij de levering.

De informatie die in deze bijlage per gegeven wordt verstrekt omvat een aantal vaste rubrieken, de zogenaamde Kenmerken. Dat zijn bijvoorbeeld definitie en domein. Tezamen vormen deze Kenmerken het profiel van het gegeven. Een overzicht van alle Kenmerken en hun definitie wordt gegeven in hoofdstuk 2.

De gegevens staan gegroepeerd volgens een structuur die aangeeft hoe de gegevens met elkaar samenhangen. Deels blijkt die al uit de inhoudsopgave. Zo horen bij een Leerbedrijf een door het landelijk orgaan gegeven code, zijn postcode, een begin-, een einddatum erkenning en een werkgebied. Deze gegevens vormen samen de Groep Leerbedrijf. Verder is er nog de Groep Personeel. In deze bijlage zal worden aangegeven bij welke Groep elk gegeven hoort.

De indeling van deze bijlage is als volgt. In hoofdstuk 2 worden enkele gebruikte termen gedefinieerd, voor zover dat niet al in andere teksten (wet, tekst Uitvoeringsbesluit) is gebeurd. Het bestaat uit twee delen: algemene termen en de Kenmerken. Hoofdstuk 3 vormt de kern van deze bijlage en omvat de profielen van alle te registreren gegevens.

Deelnametelling BVE-opleidingen

schuin gedrukte teksten zijn voorbedrukt

Soort

Alle soorten onderwijs worden geagregeerd naar niveau.

1 Met inachtneming van het gestelde in hoofdstuk 6 van het Uitvoeringsbesluit WEB

Niveau

Aantal deelnemers 1–10-kalenderjaar

Het aantal deelnemers (gesplitst in m/v), dat bij de instelling op 1 oktober «kalenderjaar» was ingeschreven onderverdeeld naar verblijfsjaren∗.

∗ Het verblijfsjaar is de periode tussen de peildatum en de inschrijfdatum, uitgedrukt in gehele jaren, waarbij naar boven wordt afgerond (een deel van een jaar geldt dus als een heel jaar). Dit begrip komt in de plaats van het vroeger gehanteerde begrip leerjaar.

Gediplomeerden

Het aantal deelnemers (gesplitst in m/v), dat in de periode vanaf 1 oktober jaar t-1 tot 1 oktober jaar t een diploma heeft behaald.

Educatie KSE

Educatie NT2

schuin gedrukte teksten zijn voorbedrukt

Soort onderwijs (bbl, voltijds bol, deeltijds bol, educatie KSE en educatie NT2)

Het onderwijs waarvoor de deelnemer voor deze opleiding in dit studiejaar voor de eerste maal is ingeschreven bij de instelling.

De opleiding die gevolgd werd op 1 oktober van het voorafgaande studiejaar.

algemene leerjaren AVO/VBO

Geaggregeerd naar niveau, met- en zonder diploma en man/vrouw het aantal deelnemers dat bij de instelling op 1 oktober «kalenderjaar» was ingeschreven voor een opleiding en dat na 1 oktober «kalenderjaar-1» is gestart met de betreffende opleiding bij de instelling.

schuin gedrukte teksten zijn voorbedrukt

Geaggregeerd naar niveau en man/vrouw de leeftijd op 1 augustus kalenderjaar van het aantal deelnemers dat bij de instelling op 1 oktober kalenderjaar was ingeschreven voor een opleiding.

schuin gedrukte teksten zijn voorbedrukt

Geaggregeerd naar niveau en man/vrouw de leeftijd op 1 augustus «kalenderjaar» van het aantal deelnemers dat bij de instelling op 1 oktober «kalenderjaar» was ingeschreven voor een opleiding.

schuin gedrukte teksten zijn voorbedrukt

Geaggregeerd naar niveau en man/vrouw de leeftijd op 1 augustus «kalenderjaar» van het aantal deelnemers dat bij de instelling op 1 oktober «kalenderjaar» was ingeschreven voor een opleiding.

schuin gedrukte teksten zijn voorbedrukt

Geaggregeerd naar niveau en man/vrouw de leeftijd op 1 augustus «kalenderjaar» van het aantal deelnemers dat bij de instelling op 1 oktober «kalenderjaar» was ingeschreven voor een opleiding.

schuin gedrukte teksten zijn voorbedrukt

Geaggregeerd naar man/vrouw het aantal deelnemers dat in de periode vanaf 1 oktober «kalenderjaar-1» tot en met 30 september «kalenderjaar» zonder een diploma de instelling heeft verlaten.

schuin gedrukte teksten zijn voorbedrukt

Geaggregeerd naar soort onderwijs het aantal deelnemers dat binnen de periode vanaf 1 oktober «kalenderjaar-1» tot en met 30 september «kalenderjaar» bij de instelling was ingeschreven. Deelnemers die in het studiejaar zijn in- of uitgestroomd tellen ook mee. Nieuwe instroom is het aantal deelnemers die in deze periode is gestart met de betreffende opleiding bij de instelling.

schuin gedrukte teksten zijn voorbedrukt.

∗ met inachtneming van het gestelde in hoofdstuk 6 van het uitvoeringsbesluit WEB

Aantal deelnemers, dat op de peildatum 1 oktober van het vermelde kalenderjaar een opleiding volgt en is ingeschreven bij de instelling en in het bezit is van een geldende onderwijsovereenkomst, als bedoeld in artikel 8.1.3 van de wet (voorzover het een WEBse opleiding betreft).

Voor deelnemers aan de beroepsbegeleidende leerweg met uitzondering van de kwalificaties verpleging en verzorging geldt dat de deelnemer moet voldoen aan het gestelde in artikel 2.2.3 van het uitvoeringsbesluit (praktijkovereenkomst moet zijn afgesloten en ingegaan uiterlijk op 31 december van het betreffende kalenderjaar)

Voor deelnemers aan de beroepsbegeleidende leerweg van de kwalificaties verpleging en verzorging geldt eveneens het gestelde in artikel 2.2.3 van het uitvoeringsbesluit (praktijkovereenkomst moet zijn afgesloten op uiterijk op 31 december van het betreffende kalenderjaar en moet zijn ingegaan uiterlijk op 1 juni van het daaropvolgende kalenderjaar).

Aantal deelnemers, dat op de peildatum 1 oktober van het vermelde kalenderjaar een opleiding volgt en is ingeschreven bij de instelling en in het bezit is van een geldende onderwijsovereenkomst, als bedoeld in artikel 8.1.3 van de wet en bovendien behoren tot de doelgroep «VOA-deelnemer». De definitie van deze doelgroep is opgenomen in het gegevenswoordenboek instellingen (bijlage 1 van het uitvoeringsbesluit onder het gegeven «A8 Code doelgroep».

Het aantal diploma's, dat in het betreffende kalenderjaar door de examencommissie als bedoeld in artikel 7.4.6 van de wet is uitgereikt aan deelnemers, die bij de instelling in het betreffende kalenderjaar waren ingeschreven en in het bezit waren van een geldende onderwijsovereenkomst, dan wel een examenovereenkomst als bedoeld in artikel 8.1.3 van de wet (voorzover het een WEBse opleiding betreft). Verder geldt dat de opleiding (waarvan een diploma is afgegeven) bij de instelling wordt bekostingd dan wel bekostigd is geweest. De datum van het diploma moet vallen binnen de periode van de onderwijsovereenkomst c.q. examenovereenkomst.

schuin gedrukte teksten zijn voorbedrukt

– kwalificatiecode + leerweg

Het aantal uren BPV over het «studiejaar». Vastlegging conform het gegevenswoordenboek.

De berekening vindt plaats op basis van de volgende gegevens:

De berekening vindt plaats via de volgende stappen:

Stap 1: Het vaststellen van het aantal weken beroepspraktijkvorming in het studiejaar.

Stap 2: Het herberekenen van het aantal weken beroepspraktijkvorming in het studiejaar.

Stap 3: Het vaststellen van het aantal uren beroepspraktijkvorming in het studiejaar

Stap 4. Het vaststellen van het totaal aantal uren BPV voor elke kwalificatiecode + leerweg.

In de BPV-telling wordt gevraagd naar het «Berekend aantal uren BPV». Dit aantal is de som van het aantal uren BPV per deelnemer, van wie het aantal (deelnemers) moet worden opgegeven in de volgende kolom. Het aantal uren per deelnemer wordt berekend met behulp van de BPV-omvang, zoals beschreven bij het gegeven A21 in Bijlage 1: Informatie-verzameling instellingen bij U-WEB en de periode van de BPV van de deelnemer die in het afgelopen schooljaar viel. Deze berekening wordt stapsgewijs behandeld aan de hand van een voorbeeld. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de volgende (fictieve) gegevens:

Bepaal het aantal weken van de BPV-periode dat in het schooljaar, dat wil zeggen tussen 1 augustus 1998 en 31 juli 1999 valt. Kies als Begindatum de Datum begin BPV of, als die vóór 1-8-98 valt, het begin van het schooljaar (1-8-98). Kies als Einddatum de Datum einde BPV of, als die ná 31-7-99 valt, het eind van het schooljaar (31-7-99). Bepaal het aantal weken hiertussen, waarbij een gedeelte van een week wordt afgerond (1–2 dagen naar beneden, 2½–5 dagen naar boven).

In het voorbeeld is de periode 1 november 1998–31 juli 1999. Dat zijn 39 weken.

Vermenigvuldig het werkelijke aantal weken met 40/52. Op die manier werken we met een schooljaar van 40 weken. (Dat is ook gedaan bij de berekening van de BPV-omvang). Hierbij wordt weer naar het dichtstbijzijnde gehele getal afgerond.

In het voorbeeld wordt de rekenperiode 40/52 x 39 weken = 30 weken.

Vermenigvuldig het in stap 2 berekende aantal weken met de BPV-omvang. Dit levert het Berekend aantal uren BPV van de deelnemer.

In het voorbeeld wordt het resultaat 30 x 32 uur = 960 uur.

Nadat op boven beschreven wijze het aantal uur BPV per deelnemer is bepaald worden deze aantallen per kwalificatie + leerweg opgeteld. Het resultaat hiervan dient te worden ingevuld op het telformulier onder de kop «Berekend aantal uren BPV» per opleidingscode. Het aantal dat het betreft dient onder de kop Aantal deelnemers ingevuld te worden.

schuin gedrukte teksten zijn voorbedrukt

Gegeven A20 uit bijlage 1

Het aantal deelnemers, onderscheiden naar de leerweg, dat op enig moment binnen dat studiejaar bij het leerbedrijf een praktijkplaats hadden op basis van een praktijkovereenkomst.

Tabel 1: Soort aanstelling en maximum schaal bij functie

Tabel 2: Leeftijd en betrekkingsomvang

Tabel 3: Duur van de aanstelling en einde dienstverband

Tabel 4: Inschaling, maximum schaal bij de functie en duur van de aanstelling

Tabel 5: BAPO

Tabel 6: FPU

Tabel 7: Salaris-garantie

Er zijn 7 tabellen gedefinieerd die de instellingen moeten leveren. Deze tabellen leveren informatie betreffende aantallen personen met een bepaalde combinatie van kenmerken die op 1 oktober van het jaar bij een instelling in dienst zijn en de totale betrekkingsomvang die zij vertegenwoordigen. Hierop is één uitzondering: tabel 3 heeft betrekking op personeel dat in het afgelopen studiejaar uit dienst is getreden. Deze tabellen moeten op 1 maart van het jaar volgend op het jaar waarop de gegevens betrekking hebben bij het ministerie binnen zijn.

De tabellen zijn opgebouwd uit regels, die elk weer zijn opgebouwd uit gegevens, die we hier items noemen. Het eerste item is steeds de tabelcode (1–7). Daarop volgen gegevens die de selectie van de personen definiëren. Deze gegevens bepalen in combinatie welke personen er geteld worden. Daarop volgt het item Aantal personen, dat het resultaat geeft van deze selectie. Het item Aantal FTE's tenslotte geeft de totale betrekkingsomvang van deze personen, uitgedrukt in fte's (aantal normbetrekkingen).

Voor deze tabellen worden de volgende eenheden gebruikt:

Aantal FTE's is de totale betrekkingsomvang van alle geselecteerde personen met een bepaalde combinatie, uitgedrukt in gehele normbetrekkingen.

Het aantal negen's geeft de lengte van het betreffende veld aan (dus niet het type). Ook is de plaats van de komma aangegeven.

Alleen de laatste twee kolommen bevatten telgegevens : het aantal FTE's en daarbij betrokken personen. De overige kolommen bevatten alleen de «identificerende» gegevens t.b.v. de genoemde aantallen.

Het nummer van de tabel wordt bij bestandsmatige levering in elke regel ingevuld : ook dit is een identificerend gegeven.

Tabelregels met zowel aantal FTE's én aantal personen gelijk aan NUL behoeven niet te worden ingevuld/geëxporteerd.

1. Verzoek van centrumgemeente of samenwerkingsorgaan

Naam: .................................................................................................................................................

...............................................................................................................................................................

2. Namen samenwerkende gemeenten

Naam gemeenten

...............................................................................................................................................................

...............................................................................................................................................................

..............................................................................................................................................................

3. Betaalgegevens

Postbanknummer: ............................................................................................................................

Ten name van ....................................................................................................................................

Adres ...................................................................................................................................................

Postcode /woonplaats ....................................................................................................................

4. Bijlage

Bij dit verzoek dient een afschrift van de gemeenschappelijke regeling c.q. het besluit van de betrokken gemeenten te worden meegezonden.

Indien gemeenten een samenwerkingsverband aangaan voor educatie of een bestaand verband wijzigen dient dit voor 1 december voorafgaande aan het jaar waarop de samenwerking ingaat aan Cfi gemeld te worden.

De gemeente dient voor 31 januari van het jaar waarvoor de middelen aan de gemeente worden toegekend de bovenstaande gegevens te verstrekken aan Cfi over dat kalenderjaar.

Het aantal deelnemers geaggregeerd naar tenminste 6 vakken en minder dan 6 vakken.

Het aantal deelnemers geaggregeerd naar het aantal certificaten.

Het aantal deelnemers geaggregeerd naar het behaalde resultaat.

– landelijke organen als bedoeld in artikel 1.5.1 van de wet.

Er is een tabel gedefinieerd die de landelijke organen moeten leveren. Deze tabel levert informatie betreffende functies en personen die op 1 maart 1999 in dienst zijn bij het landelijk orgaan. Per regel kunnen de gegevens van de functies en personen met eenzelfde combinatie van gegevens worden opgenomen. Veelal zal per regel echter slechts één persoon kunnen worden vermeld met eenzelfde combinatie.

De code voor de functie die het personeelslid heeft.

De aanduiding of de werknemer in vast of tijdelijk dienstverband is (uitzendkrachten worden niet opgenomen).

De salarisschaal met het regelnummer van het personeelslid, conform de CAO-LOB.

De aanduiding of het personeelslid een man of een vrouw is.

Het jaar waarin het personeelslid geboren is.

Het aantal personen die met eenzelfde combinatie op de regel van het het formulier zijn opgenomen.

De totale betrekkingsomvang van de geselecteerde personen, uitgedrukt in gehele normbetrekkingen.