Op de voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 26 maart 1999, nr. CDJZ/491/1999, gedaan mede namens de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
Gelet op artikel 4 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren;
Gelet op richtlijn nr. 96/61/EG van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PbEG L 257/26);
De Raad van State gehoord (advies van 18 juni 1999, nr. W09.99.0146/V);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 17 augustus 1999, nr. CDJZ/WVW/1999-1251, uitgebracht mede namens de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage24 augustus 1999Beatrix De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,J. M. de Vries De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,J. P. Pronkdrieëntwintigste september 1999De Minister van Justitie,A. H. KorthalsWijzigt het Uitvoeringsbesluit verontreiniging rijkswateren.
Ten aanzien van aanvragen als bedoeld in artikel 6 van het Uitvoeringsbesluit verontreiniging rijkswateren die vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit reeds waren ingediend blijft het Uitvoeringsbesluit verontreiniging rijkswateren zoals dat luidde onmiddellijk voor die datum van toepassing.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 31 oktober 1999.