Ministeriële regeling · BWBR0010671
Subsidieregeling maatschappelijke organisaties en milieu
Gelet op artikel 15.13, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer;
Besluit:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag25 augustus 1999 De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, J.P.PronkIn deze regeling wordt verstaan onder:
a. de minister:de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
b.project:een samenstel van activiteiten met een bovenprovinciaal, nationaal of internationaal belang, die gericht zijn op duurzame ontwikkeling en naar hun aard een eenmalig karakter hebben;
c.werkprogramma:een samenstel van activiteiten met een bovenprovinciaal, nationaal of internationaal belang, die gericht zijn op duurzame ontwikkeling en naar hun aard een voortschrijdend karakter hebben;
d.projectsubsidie:subsidie voor een project;
e. programmasubsidie:subsidie voor een werkprogramma.
De minister kan in het belang van het bevorderen van de bewustwording voor milieuvraagstukken en de vergroting van het maatschappelijk draagvlak voor een duurzame ontwikkeling, alsmede voor de behartiging van een algemeen of specifiek belang van duurzame ontwikkeling, subsidies verlenen voor projecten en werkprogramma’s.
Aanvragen tot subsidieverlening worden vóór 1 september van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de uitvoering van het project of het werkprogramma, blijkens de in de aanvraag aangegeven tijdplanning, begint, ingediend bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, met gebruikmaking van een aldaar verkrijgbaar formulier.
In afwijking van het eerste lid worden in 1999 aanvragen tot subsidieverlening vóór 1 oktober ingediend.
De minister kan, indien dat naar zijn oordeel in het belang van duurzame ontwikkeling geboden is, afwijking toestaan van de termijn, bedoeld in het eerste en tweede lid.
Een project of werkprogramma heeft een maximale looptijd van drie aaneengesloten jaren.
De minister kan, indien dat naar zijn oordeel in het belang van duurzame ontwikkeling geboden is, een langere looptijd van een project of werkprogramma, dan genoemd in het eerste lid toestaan.
Het subsidiebedrag wordt bepaald op basis van het werkelijke tekort en bedraagt niet meer dan het in de beschikking tot subsidieverlening genoemde maximum-bedrag.
Voor een projectsubsidie komen uitsluitend in aanmerking rechtspersonen zonder winstoogmerk die hun domicilie in Nederland hebben.
Voor een projectsubsidie komen uitsluitend in aanmerking:
- a.
projecten die gericht zijn op het vergroten van de bewustwording met betrekking tot duurzame productie en consumptie;
- b.
projecten die gericht zijn op het betrekken van burgers bij de ontwikkeling en uitvoering van rijksbeleid met betrekking tot duurzame ontwikkeling;
- c.
projecten die anderszins bijdragen aan de in artikel 2 bedoelde doelstelling.
Als subsidiabele kosten worden in aanmerking genomen de kosten betreffende de uitvoering van een project, alsmede, voorzover van toepassing, de kosten die gemoeid zijn met de verstrekking van de gegevens, bedoeld in de artikelen 13 en 14 van het Besluit milieusubsidies.
Aanvragen met betrekking tot projecten worden gelijktijdig beoordeeld op basis van hun geschiktheid om bij te dragen aan de in artikel 2 bedoelde doelstelling en aan de in artikel 6, tweede lid, onder a en b, bedoelde subdoelstellingen.
Onverminderd artikel 15, eerste lid, van het Besluit milieusubsidies kan de minister afwijken van het eerste lid indien dat naar zijn oordeel in het belang van duurzame ontwikkeling geboden is.
De minister betrekt bij de beoordeling of en in welke mate een project bijdraagt aan de in artikel 2 bedoelde doelstelling, voorzover deze van toepassing zijn, ten minste de volgende aspecten:
- a.
de mate waarin het project een afgebakende doelgroep heeft, voorzien is in een betrokkenheid van de doelgroep en het project uitzicht biedt aan de doelgroep om door middel van eigen handelingen een bijdrage te leveren aan een duurzame ontwikkeling;
- b.
de mate waarin het project bijdraagt aan een duurzame ontwikkeling of aan het bereiken van specifieke doelstellingen van het milieubeleid;
- c.
de meerwaarde van het project ten opzichte van bestaande soortgelijke activiteiten;
- c.
de spreiding van de projecten en werkprogramma’s over de verschillende actoren, terreinen en doelgroepen van het milieubeleid;
- d.
de mate van aansluiting op bestaande structuren, netwerken en activiteiten;
- e.
de mate van innovatie van het project;
- f.
de verhouding tussen de gevraagde subsidie en het, naar het oordeel van de minister, geschatte resultaat van het project.
Voor een programmasubsidie komen uitsluitend in aanmerking rechtspersonen zonder winstoogmerk die hun domicilie in Nederland en een bovenprovinciaal werkterrein hebben en die als hoofddoelstelling hebben het leveren van een bijdrage aan een duurzame ontwikkeling.
Als subsidiabele kosten worden in aanmerking genomen de kosten betreffende de uitvoering van een werkprogramma, de kosten die gemoeid zijn met de uitvoering van de evaluatie, bedoeld in artikel 15, alsmede, voorzover van toepassing, de kosten die gemoeid zijn met de verstrekking van de gegevens, bedoeld in de artikelen 13 en 14 van het Besluit milieusubsidies.
Bij de subsidieverlening kan de minister bepalen dat het subsidiebedrag door hem wordt bijgesteld, rekening houdend met de arbeidskostenontwikkeling in de gepremieerde en gesubsidieerde sector.
Met het oog op de toepassing van het eerste lid kan de minister bij de subsidieverlening tevens bepalen welk deel van het subsidiebedrag in aanmerking zal worden genomen voor een bijstelling in verband met de arbeidskostenontwikkeling.
Indien een subsidie met toepassing van het eerste lid wordt bijgesteld, kan de bevoorschotting overeenkomstig worden gewijzigd.
Aanvragen met betrekking tot werkprogramma’s worden gelijktijdig beoordeeld op basis van hun geschiktheid om bij te dragen aan de in artikel 2 bedoelde doelstelling.
Onverminderd artikel 15, eerste lid, van het Besluit milieusubsidies kan de minister afwijken van het eerste lid indien dat naar zijn oordeel in het belang van duurzame ontwikkeling geboden is.
De minister betrekt bij de beoordeling of en in welke mate een werkprogramma bijdraagt aan de in artikel 2 bedoelde doelstelling, voorzover deze van toepassing zijn, tenminste de volgende aspecten:
- a.
de mate van continuïteit ten opzichte van eerdere aan de organisatie verleende programmasubsidies;
- b.
de uitkomsten van uitgevoerde evaluaties;
- c.
de mate waarin het werkprogramma bijdraagt aan een duurzame ontwikkeling of aan het bereiken van specifieke doelstellingen van het milieubeleid;
- d.
de meerwaarde van het werkprogramma ten opzichte van andere soortgelijke activiteiten;
- e.
de spreiding van projecten en werkprogramma’s over de verschillende actoren, terreinen en doelgroepen van het milieubeleid;
- f.
de mate van aansluiting op bestaande structuren, netwerken en activiteiten;
- g.
de verhouding tussen de gevraagde subsidie en het, naar het oordeel van de minister, geschatte resultaat.
De ontvanger van een programmasubsidie is verplicht een evaluatie uit te voeren volgens een model dat verkrijgbaar is bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
Onverminderd artikel 11, tweede lid, van het Besluit milieusubsidies gaat de aanvraag tot verlening van een programmasubsidie vergezeld van een voorstel tot evaluatie, alsmede van een begroting van de daarmee verband houdende kosten.
Onverminderd artikel 14, tweede lid, van het Besluit milieusubsidies gaat de aanvraag tot vaststelling van een programmasubsidie vergezeld van de uitkomsten van de uitgevoerde evaluatie.
De tussentijdse verantwoording, bedoeld in artikel 13 van het Besluit milieusubsidies, gaat, indien het een programmasubsidie betreft, tevens vergezeld van de uitkomsten van de uitgevoerde evaluatie.
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling maatschappelijke organisaties en milieu.