Wijzigingen Officiële bron
Beleidsregels bestuurlijke boeten Bureau Heffingen 1999Beleidsregels bestuurlijke boeten Bureau Heffingen 1999De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

Besluit:

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage22 oktober 1999 De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, L.J.Brinkhorst

Dit besluit bevat beleidsregels die de inspecteur van het Bureau Heffingen toepast bij het opleggen van boeten overeenkomstig hoofdstuk VIIIA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bij de volgende heffingen:

Een handelen of nalaten van een derde die voor of namens de heffingplichtige optreedt, wordt aan de heffingplichtige toegerekend.

Voor de toepassing van dit besluit geldt als dag van betaling:

De inspecteur onderzoekt bij het vaststellen van het bedrag van de boete op basis van de bepalingen van de hoofdstukken II of III of er sprake is van omstandigheden als bedoeld in hoofdstuk IV, die aanleiding geven om het bedrag van de op te leggen boete te verlagen of te verhogen.

Indien de heffingplichtige niet binnen de in de wet gestelde termijn in bezwaar is gekomen tegen de boetebeschikking en redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de termijnoverschrijding aan hem of zijn gemachtigde kan worden toegerekend, verklaart de inspecteur hem ontvankelijk in zijn bezwaar.

Indien de inspecteur binnen vijf jaar na het tijdstip van overlijden van de heffingplichtige daarvan kennisneemt en hem geen verzoek heeft bereikt om de boetebeschikking te vernietigen, dan wel de boete te verminderen, past hij artikel 67i, tweede en derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen ambtshalve toe.

De inspecteur houdt het opleggen van de vergrijpboete aan, zodra hij weet dat het feit ter zake waarvan de boete wordt opgelegd, onderwerp is of kan zijn van een opsporingsonderzoek dan wel van een strafrechtelijke vervolging. Indien de termijn waarbinnen de belastingaanslag en de boetebeschikking moeten zijn opgelegd, dreigt te verstrijken, treedt de inspecteur tijdig in overleg met de betrokken opsporingsautoriteiten om te bepalen of er definitief voor strafrechtelijke vervolging wordt gekozen dan wel of er alsnog een vergrijpboete wordt opgelegd.

Indien de heffingplichtige geen of niet tijdig aangifte doet van de forfaitaire mineralenheffingen, de verfijnde mineralenheffingen, de heffing van intermediaire onderneming of de bestemmingsheffing, dan legt de inspecteur per heffing waarvan de aangifte niet of niet tijdig is gedaan, een verzuimboete op van € 110.

De inspecteur past bij de berekening van het bedrag van de vergrijpboete ingeval van grove schuld in afwijking van artikel 23 een hoger percentage voor grove schuld toe, tot ten hoogste 100%, indien:

Tot de omstandigheden die aanleiding kunnen geven de op te leggen of opgelegde verzuim- of vergrijpboete te matigen behoren:

De inspecteur past deze regels toe met ingang van de dag waarop dit besluit is vastgesteld.

Het besluit van 17 december 1991, nr. J.9113365, houdende de verklaring van toepassing van de Leidraad administratieve boeten 1984 op de overschotheffing (Stcrt. 250) wordt ingetrokken, met dien verstande dat het van toepassing blijft op de oplegging van naheffingsaanslagen voor verschuldigde overschotheffingen als bedoeld in artikel 13 van de Meststoffenwet, zoals dit artikel luidde vóór inwerkingtreding van artikel I van de wet van 2 mei 1997, houdende wijziging van de Meststoffenwet (Stb. 360).

Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels bestuurlijke boeten Bureau Heffingen 1999.