Regeling · BWBR0010847

Hygiënebesluit leghennenbedrijven 1999

Wijzigingen Officiële bron
Hygiënebesluit leghennenbedrijven 1999Hygiënebesluit leghennenbedrijven 1999 Het Bestuur van het Productschap Pluimvee en Eieren heeft,

gelet op de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999,

op 11 november 1999 vastgesteld het navolgende

BESLUIT

Voor het Bestuur,R.J.TazelaarvoorzitterS.B.M.Jongeriussecretaris

Dit besluit neemt de terminologie, als omschreven in artikel 1 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999, over.

De ondernemer die een leghennenbedrijf uitoefent en zijn pluimvee in legbatterijen houdt is niet verplicht bij iedere stal de voorruimte te splitsen in een bufferdeel en een schoon deel en op de scheiding van het bufferdeel en het schone deel van schoeisel te wisselen indien hij voldoet aan de eisen zoals omschreven in Bijlage I.

De informatie die verkregen is uit het onderzoek van de monsters, als bedoeld in artikel 4, dient schriftelijk te worden vastgelegd en te worden doorgegeven aan de afnemer van de eieren en aan het Productschap. Indien de analyseresultaten van het onderzoek door het betreffende erkende laboratorium rechtstreeks aan het Productschap worden doorgegeven heeft de ondernemer voldaan aan de in de vorige zin bedoelde verplichting om de informatie door te geven aan het Productschap.

Daar waar bekend is dat een koppel leghennen S.e./S.t.-positief is, moeten de eieren worden afgezet naar de eiproductenindustrie of een andere effectieve en toegestane (warmte)behandeling ondergaan. Deze eieren mogen niet als klasse A eieren worden verhandeld. Afzet naar de eiproductenindustrie is verplicht in de volgende situaties:

De gekanaliseerde afzet van eieren naar de eiproductenindustrie gaat voor de meerleeftijdenbedrijven in op 1 april 2002.

De ondernemer die een leghennenbedrijf uitoefent en zijn pluimvee in legbatterijen houdt is niet verplicht iedere stal te splitsen in een bufferdeel en een schoon deel en op de scheiding van het bufferdeel en het schone deel van schoeisel te wisselen, mits hij de hygiëne op één van de volgende wijzen heeft gewaarborgd:

Hygiënesluis per bedrijfsgebouw die volledig afgescheiden is van de ruimte waarin het pluimvee gehouden wordt, waarbij een fysieke scheiding aanwezig is tussen bufferdeel en schoon deel en waarin het bufferdeel van kleding en schoeisel gewisseld wordt. In het schone deel dienen voldoende aantallen bedrijfsgebouweigen schoeisel en -kleding aanwezig te zijn.

Met dezelfde kleding en schoeisel mag nooit het volgende bedrijfsgebouw worden betreden

Per bedrijf van kleding wisselen in een aparte omkleedruimte/kantine, die alleen deze functie heeft. Hier worden ook schone laarzen aangetrokken. Deze ruimte wordt gezien als de centrale hygiënesluis. Per bedrijfsgebouw is bedrijfsgebouweigen schoeisel aanwezig, dat ook bij het betreden van dat gebouw gebruikt wordt. Alle stallen binnen dit bedrijfsgebouw mogen worden betreden.

De Productschappen Vee, Vlees en Eieren (PVE) hebben in 1997 het “Plan van aanpak, preventie en bestrijding Salmonella in de eiersector” opgesteld. Hierin staan de maatregelen die een pluimveehouder moet nemen om Salmonella te bestrijden.

Wanneer op een meerleeftijdenbedrijf S.e. of S.t. wordt geconstateerd, moet samen met de dierenarts, Gezondheidsdienst en/of een andere deskundige een uitgebreid tracerings-, monitorings- en bestrijdingsplan voor het bedrijf worden opgesteld om de besmetting op het bedrijf te bestrijden en een herbesmetting te voorkomen. Dit plan dient te worden opgesteld tussen de uitslag van de (bloed)monstername en het plaatsen van het volgende koppel dieren. Op het eenleeftijdbedrijf geldt dezelfde verplichting zodra de besmetting zich voor een tweede achtereenvolgende keer op het bedrijf voordoet.

Wanneer het tracerings-, monitorings- en bestrijdingsplan niet succesvol blijkt te zijn, kan de PVE aanvullende eisen aan het bedrijf stellen wat betreft inrichting, bestrijdings- en beheersingsmaatregelen en de logistiek en bestemming van de eieren.

Dit Handboek biedt een handleiding voor het traceren, monitoren en bestrijden van S.e./S.t. op legbedrijven middels een op maat geschreven Bedrijfshygiëneplan. Het Bedrijfshygiëneplan zal per specifiek (besmet) bedrijf richting geven aan een nieuwe opzet waarbij de kans op (her)besmetting zoveel mogelijk wordt vermeden. Bedrijfsspecifieke aandachtspunten worden systematisch verzameld en als actiepunten naar de ondernemer toe vertaald.

Het Handboek is een opstap tot het Bedrijfshygiëneplan. De huidige situatie m.b.t. de werkwijze, werkvolgorde, goederenstroom, hygiëne, gedrag en denkwijze van de ondernemer wordt in kaart gebracht. Uitgangspunt bij de screening is de “Verordening Hygiënevoorschriften Pluimveehouderij 1999”. Hierin staan een aantal productievoorwaarden zoals die sinds 1 november 1997 voor pluimveehouders gelden.

De screening van het (besmette) bedrijf vindt plaats aan de hand van de checklist in het Handboek. Door met de pluimveehouder de aandachtspunten van de checklist na te lopen, de ogen tijdens de rondgang op het bedrijf goed de kost te geven en aan de hand van de bedrijfsplattegrond na te gaan of de werkwijze en/of bedrijfsopzet voor verbetering vatbaar is, resulteert het Bedrijfshygiëneplan in een aantal concrete actiepunten (bestrijdingsplan).

Met het uitvoeren van de actiepunten (en aanbevelingen) wordt een zo hoog mogelijke drempel voor (her)besmetting opgeworpen.

Voor de screening kan het pluimveebedrijf het beste de hulp van een extern deskundige inroepen. Hij/zij is niet bedrijfsblind en kan daardoor de valkuilen en besmettingsrisico’s beter aangeven dan de ondernemer zelf.

Door middel van open vragen met: “Wat, waarom, en vooral hoe?”, wordt er een audit gehouden bij de veehouder. Doel van dit gesprek is o.a. het gedrag van de pluimveehouder te leren kennen. Daartoe wordt het volgende geïnventariseerd:

Rondje zetten om wat van toepassing is bij (+/-):

Hoe denkt de pluimveehouder dat hij een besmetting met Salmonella heeft gekregen?

…………………………………………………………………………………………………. …………………………………………………………………………………………………. …………………………………………………………………………………………………. …………………………………………………………………………………………………. ………………………………………………………………………………………………….

Teken een plattegrond waarop de bedrijfsgebouwen staan aangegeven. Eventueel met cijfer daarbij vermelden:

Bij het doorlopen van de checklisten dient de route van het voer en de eieren op de plattegrond te worden aangegeven.

Door middel van een checklist worden alle mogelijke risicobronnen met betrekking tot (her)besmetting van S.e en S.t. systematisch doorgelopen. Daarbij wordt de bedrijfsplattegrond gebruikt om de route of plek van bepaalde dingen te bepalen.

Lees voordat u de checklist van het Handboek toepast, eerst de “Verordening Hygiënevoorschriften Pluimveehouderij 1999” door, zodat de artikelen waaraan niet voldaan wordt, voldoende aandacht krijgen.

De eisen zoals die in de “Verordening Hygiënevoorschriften Pluimveehouderij 1999” zijn gesteld, zijn in dit Handboek cursief gedrukt. De daarbij bijbehorende vragen zijn met een sterretje aangegeven. Het bedrijf wordt verondersteld al aan deze productievoorwaarden te voldoen. Als dat inderdaad zo is, wordt “ voldoet ” omcirkeld. Als het bedrijf nog niet aan deze voorwaarden voldoet, is het per definitie een actiepunt.

De bedrijfsplattegrond wordt gedurende het doorlopen van de checklist bijgewerkt. Indien er “ Aangeven per stal ” staat, is er in de antwoordkolom 5 maal ruimte voor een antwoord. Het bovenste antwoord geldt dan voor stal 1, daaronder voor stal 2, enzovoort.

De checklist is als volgt opgebouwd:

Bij de checklist is de volgende kolomindeling aangehouden:

Bedrijfshygiëne is de basis voor een goed tegenoffensief. Met de juiste hygiënemaatregelen is het risico op besmetting preventief in te dammen.

In de checklist wordt afgetast of het bedrijf voldoende preventieve maatregelen heeft genomen en/of nog meer drempels kan opwerpen om (her)besmetting te voorkomen.

De in de checklist aangeven onderdelen “Slecht” geven de actiepunten weer waarin het bedrijf zich dient te verbeteren.

PLAATJE INVOEGEN

Geeft op de plattegrond het schone en vuile gedeelte van het bedrijf aan.

Geeft op de plattegrond aan:

Geef op de plattegrond aan:

Bij het traceren dient men te letten op zaken die het bedrijf aan- en afvoert en de manier waarop de pluimveehouder hiermee op z’n bedrijf omgaat. Door bijvoorbeeld voor het voer na te gaan hoe dit het bedrijf binnen komt, hoe het is opgeslagen (en misschien zelfs weer van het bedrijf wordt afgevoerd) zijn mogelijk risicovolle besmettingsbronnen op te sporen.

Bij de checklist zijn de zaken aangetekent in de kolom “Slecht” aanleiding om het betreffende punt te gaan verbeteren.

PLAATJE INVOEGEN

Met de voorkant van de stal wordt gedoeld op die kant waar de voerruimte zich bevindt (= waar de eieren worden afgevoerd). Aan de achterkant wordt in de regel ontmest.

Geef op de tekening aan:

Geef op de tekening aan:

Geef op de tekening aan:

Een salmonellabacterie kan in het eiwit, eigeel of aan de binnenkant van de schaal voorkomen. De bacterie kan daar van buiten af komen, bijvoorbeeld bij het afkoelen van het ei of het ei kan besmet worden vanuit het dier. In opgedroogde eieren blijft de salmonella aanwezig. Hierdoor kunnen ook de stofdeeltjes van een opgedroogd ei salmonella bevatten. Hoe groot het risico is dat hierdoor andere eieren of dieren worden besmet is onbekend.

Indien de hen besmet is, worden er door de hen besmette en onbesmette eieren gelegd. Hoe groot het deel besmette eieren is, is onder andere afhankelijk van de invasiviteit van de bacterie (de mate waarin de bacterie verspreid is in de kip). Veelal gaat het om een klein deel van de totaal aantal eieren.

De kans dat een kip met salmonella besmet raakt, is afhankelijk van:

weerstand van de hen, neemt af bij bijvoorbeeld een verstoorde darmflora, slecht klimaat leeftijd van de kip, hoe ouder hoe meer immuniteit er is opgebouwd

Bron: Gezondheidsdienst voor Dieren (GD)

Geef op de tekening aan:

Onder monitoring wordt het onderzoek verstaan wat is uitgevoerd bij het betreffende koppel. Dit is niet alleen als ze op het bedrijf komen, maar ook daarvoor en erna.

De actiepunten kunnen bestaan uit maatregelen zoals ze al volgens de de “Verordening Hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999” als bekend verondersteld mochten zijn, en uit aanvullende maatregelen c.q. aanbevelingen. Dit zijn aandachtspunten en maatregelen met het oog op de “uiterste zorgvuldigheid”. Te beschouwen als “aanbevelingen’.

Daarbij kan men o.a. denken aan:

De volgende zaken gelden ten allen tijde:

In onderstaande tabellen wordt als samenvatting een overzicht van de diverse (belangrijkste) actiepunten en aanbevelingen weergegeven. Daarbij is een onderscheid gemaakt tussen handelingen op (zeer) korte termijn en (iets) langere termijn.

Van iedere partij graan die op het pluimveebedrijf wordt opgeslagen, afkomstig van eigen teelt of van een andere boer, dient een monster te worden achtergehouden wanneer de partij wordt opgeslagen.

Vervallen