Ministeriële regeling · BWBR0010981
Regeling declaratie uitgaven Wet Werkloosheidsvoorziening
Gelet op artikel 41, eerste lid, van de Wet Werkloosheidsvoorziening,
Besluit:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
’s-Gravenhage16 december 1999De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,J.F. HoogervorstIn deze regeling wordt verstaan onder de minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Het declareren van de uitgaven, bedoeld in artikel 40 van de Wet Werkloosheids-voorziening, alsmede het verstrekken van de nadere gegevens terzake door het gemeente-bestuur over een kalenderjaar gebeurt volgens de jaaropgave, waarvan het model ter inzage ligt in de bibliotheek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
De indiening van de jaaropgave over een kalenderjaar bij de minister vindt vóór 20 september van het daarop volgende kalenderjaar plaats.
De jaaropgave wordt in enkelvoud ingediend.
Een accountant als bedoeld in artikel 213, tweede lid, van de Gemeentewet, waarmerkt de jaaropgave, bedoeld in het eerste lid, en voorziet deze van een verklaring, waarvan het model ter inzage ligt in de bibliotheek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Op verzoek van het gemeentebestuur wordt omstreeks de vijftiende van elke maand aan de gemeente een maandelijks voorschot verleend.
Het verzoek bevat informatie inzake de hoogte en de duur van de gevraagde voorschotten.
De eerste maand waarin het voorschot wordt verleend is de maand volgend op de maand waarin het verzoek om een voorschot is gedaan.
De over een kalenderjaar uitstaande voorschotten worden met de desbetreffende jaaropgave verrekend.
Indien de jaaropgave niet tijdig is ontvangen, dan wel niet is voorzien van de verklaring, bedoeld in artikel 3, derde lid, kan de betaling van het voorschot worden opgeschort tot het moment dat de opgave is ontvangen.
Hervatting van de betalingen vindt zo spoedig mogelijk plaats doch uiterlijk op of omstreeks de vijftiende van de maand volgend op de maand waarin de opgave is ingediend.
De rijksvergoeding wordt vastgesteld binnen twaalf maanden na ontvangst van de jaaropgave, bedoeld in artikel 3.
Indien de jaaropgave niet tijdig is ontvangen, dan wel niet is voorzien van de verklaring, bedoeld in artikel 3, derde lid, kan de rijksvergoeding ambtshalve worden vastgesteld.
Met het toezicht op de naleving van deze regeling zijn belast de ambtenaren van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Indien de minister besluit een reeds uitbetaalde rijksvergoeding geheel of gedeeltelijk terug te vorderen, dan wel aanvullend op hetgeen reeds door de gemeente werd gedeclareerd een rijksvergoeding toe te kennen, vindt de desbetreffende financiële afwikkeling door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid plaats.
De indiening van de jaaropgave en van de verklaring, bedoeld in artikel 3, derde lid, over het kalenderjaar 1998 kan plaatsvinden volgens de modellen die aan de gemeente besturen zijn toegezonden.
Het Besluit verantwoording en vergoeding uitkeringskosten WWV wordt ingetrokken.
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1998.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling declaratie uitgaven Wet Werkloosheidsvoorziening.