Ministeriële regeling · BWBR0011113
Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers
Gelet op de artikelen 3, eerste lid, en 9 van de Kaderwet SZW-subsidies, de artikelen 25, eerste lid, onderdeel f, 28, vijfde lid, 70, 86 en 87, derde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997, en artikel 43, vierde lid, onderdeel b, van de Algemene bijstandswet,
Besluit:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
’s-Gravenhage21 januari 2000 DeStaatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F.HoogervorstIn deze regeling wordt verstaan onder:
a.minister:Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b.Wet SUWI:Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
c.SVB:Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet SUWI;
d.instituut asbestslachtoffers:Stichting Instituut Asbestslachtoffers te ‘s-Gravenhage;
e.werknemer:degene die voor een natuurlijke of rechtspersoon arbeid in Nederland verricht of heeft verricht krachtens een Nederlandse publiekrechtelijke aanstelling of krachtens een arbeidsovereenkomst waarop Nederlands recht van toepassing is of was;
f.werkgever:de natuurlijke of rechtspersoon, bedoeld in onderdeel e;
g.asbest:stoffen die een of meer van de volgende vezelachtige silicaten bevatten:
- 1º.
actinoliet (Cas-nummer 77536-66-4);
- 2º.
amosiet (Cas-nummer 12172-73-5);
- 3º.
anthofylliet (Cas-nummer 77536-67-5);
- 4º.
chrysotiel (Cas-nummer 12001-29-5);
- 5º.
tremoliet (Cas-nummer 77536-68-6);
- 6º.
crocidoliet (Cas-nummer 12001-28-4);
door blootstelling aan asbest veroorzaakte tumor van het longvlies, het buikvlies of het hartvlies als bedoeld in het protocol diagnostiek;
i.protocol diagnostiek:protocol diagnostiek maligne mesothelioom, opgenomen in de bijlage bij deze regeling;
j.nabestaanden:- 1º.
de langstlevende van de echtgenoten;
- 2º.
bij ontstentenis van de onder 1°. bedoelde persoon, de minderjarige kinderen, tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond;
- 3º.
bij ontstentenis van de onder 1°. en 2°. bedoelde personen, degenen ten aanzien van wie de overledene grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met wie hij in gezins-verband leefde;
een uitkering als voorschot op de eventuele vordering op de werkgever op wie de immateriële schade kan worden verhaald;
l.de lasten:- 1º.
de eenmalige uitkeringen, bedoeld in artikel 6;
- 2°.
het voorschot;
- 3º.
de vergoedingen die door de SVB aan het instituut asbestslachtoffers worden verstrekt voor de advisering ten behoeve van deze regeling.
de persoon met wie de werknemer een duurzaam hoofdverblijf heeft gehad in dezelfde woning ten tijde van de blootstelling aan asbest.
In deze regeling wordt met de echtgenoot gelijkgesteld de geregistreerde partner en de persoon die op grond van artikel 1, derde lid, onderdeel a, en vierde tot en met zevende lid, van de Algemene Ouderdomswet en de daarop berustende bepalingen mede als zodanig wordt aangemerkt.
In deze regeling wordt niet als echtgenoot aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
Indien de nabestaanden een eenmalige uitkering hebben aangevraagd op grond van artikel 7, derde lid, is voor de beoordeling welke persoon of personen met toepassing van het eerste lid, onderdeel j, als nabestaande wordt aangemerkt, bepalend de situatie ten tijde van de indiening van de aanvraag. In andere gevallen geschiedt deze beoordeling op basis van de omstandigheden op het tijdstip van overlijden van de werknemer.
Arbeid die wordt verricht aan boord van schepen en luchtvaartuigen die in Nederland hun thuishaven hebben, wordt ten opzichte van de bemanning aangemerkt als in Nederland verrichte arbeid.
De werknemer die op het moment van de aanvraag in leven is en bij wie met toepassing van het protocol diagnostiek de ziekte maligne mesothelioom is vastgesteld heeft recht op een eenmalige uitkering indien:
- a.
is vastgesteld dat het maligne mesothelioom is veroorzaakt door blootstelling aan asbest tijdens het verrichten van arbeid als werknemer;
- b.
hij geen betaling in verband met de blootstelling aan asbest tijdens het verrichten van die arbeid en het daardoor veroorzaakte maligne mesothelioom van de werkgever heeft ontvangen, dan wel in verband daarmee een bedrag heeft ontvangen dat lager is dan € 18.392,- ongeacht de vorm waarin de betaling is gedaan en de aard van de kosten waarin de betaling voorziet; en
- c.
de schade niet langs burgerrechtelijke weg kan of kon worden verhaald.
Indien de werknemer is overleden:
- a.
nadat hij de aanvraag heeft ingediend, doch voordat op de aanvraag is beslist, of
- b.
voordat hij de aanvraag heeft ingediend, doch nadat hij bij het instituut asbestslachtoffers een verzoek tot bemiddeling heeft ingediend, hebben in zijn plaats de nabestaanden recht op de eenmalige uitkering indien de overledene recht op de uitkering zou hebben gehad.
Indien de werknemer ten behoeve van meer dan één werkgever arbeid heeft verricht gedurende welke hij is blootgesteld aan asbest en die het maligne mesothelioom kan hebben veroorzaakt, bestaat het recht op een eenmalige uitkering uitsluitend als de omstandigheden, bedoeld in artikel 3, zich ten aanzien van elk van de betreffende werkgevers voordoen.
Indien de werknemer in verband met de blootstelling aan asbest tijdens het verrichten van arbeid buiten Nederland en het daardoor veroorzaakte maligne mesothelioom een betaling van de werkgever heeft ontvangen, bestaat het recht op eenmalige uitkering in afwijking van artikel 3 uitsluitend voor zover die betaling lager is dan € 18.392,- ongeacht de vorm waarin de betaling is gedaan en de aard van de kosten waarin de betaling voorziet.
Geen recht op een eenmalige uitkering bestaat indien aan de werknemer of diens nabestaanden reeds een voorschot als bedoeld in artikel 6a of artikel 10b dan wel een eenmalige uitkering als bedoeld in artikel 10a is betaald.
De eenmalige uitkering strekt tot tegemoetkoming in immateriële schade en bedraagt € 18.392,- .
Indien de werkgever in verband met de blootstelling aan asbest van de werknemer tijdens het verrichten van arbeid en het daardoor veroorzaakte maligne mesothelioom een bedrag heeft betaald dat lager is dan € 18.392,- of indien de werknemer een betaling heeft ontvangen als bedoeld in artikel 5, tweede lid, wordt de hoogte van de eenmalige uitkering vastgesteld op het verschil tussen het ontvangen bedrag en € 18.392,-.
Voor de toepassing van het tweede lid van dit artikel en van artikel 3, onderdeel b, wordt als maatstaf genomen de hoogte van de betaling nadat daarop de verschuldigde belasting ingevolge de Wet inkomstenbelasting 2001 en premie voor de volksverzekeringen ingevolge de Wet financiering sociale verzekeringen in mindering zijn gebracht.
De werknemer die op het moment van de aanvraag in leven is en bij wie met toepassing van het protocol diagnostiek de ziekte maligne mesothelioom is vastgesteld heeft recht op een voorschot, indien:
- a.
hij aannemelijk heeft gemaakt dat het maligne mesothelioom is veroorzaakt door blootstelling aan asbest tijdens het verrichten van arbeid als werknemer;
- b.
hij geen betaling in verband met de blootstelling aan asbest tijdens het verrichten van die arbeid en het daardoor veroorzaakte maligne mesothelioom van de werkgever heeft ontvangen, dan wel in verband daarmee een bedrag heeft ontvangen dat lager is dan € 18.392,- ongeacht de vorm waarin de betaling is gedaan en de aard van de kosten waarin de betaling voorziet;
- c.
hij zich verplicht tot medewerking aan bemiddeling door het instituut asbestslachtoffers tussen hem en de werkgever om de schade vergoed te krijgen en, met inachtneming van onderdeel d, tot medewerking om de schade zo nodig langs gerechtelijke weg vergoed te krijgen;
- d.
hij de SVB een onherroepelijke volmacht als bedoeld in artikel 74 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek heeft verleend om zo nodig de immateriële schade langs gerechtelijke weg te verhalen tot een bedrag zoals is overeengekomen in het convenant tot oprichting van het instituut asbestslachtoffers;
- e.
hij de SVB een onherroepelijke volmacht als bedoeld in artikel 74 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek heeft verleend om de immateriële schadevergoeding namens hem van de werkgever te innen, teneinde dit te verrekenen met het verleende voorschot;
- f.
hij, na ontvangst van de schadevergoeding van de werkgever, het voorschot voor het geheel of, wanneer de schadevergoeding lager is dan het verleende voorschot, het voorschot voor dat deel aan de SVB terugbetaalt, indien geen gebruik wordt gemaakt van de volmacht, bedoeld in onderdeel d, en
- g.
hij aan de SVB onverwijld mededeling doet van ontvangst van de schadevergoeding, bedoeld in onderdeel f.
Indien de werknemer is overleden nadat hij de aanvraag heeft ingediend, doch voordat op de aanvraag is beslist, hebben in zijn plaats de nabestaanden recht op het voorschot indien de overledene recht op dat voorschot zou hebben gehad.
Indien de werknemer in verband met de blootstelling aan asbest tijdens het verrichten van arbeid buiten Nederland en het daardoor veroorzaakte maligne mesothelioom een betaling van de werkgever heeft ontvangen, bestaat het recht op een voorschot in afwijking van artikel 6a uitsluitend voorzover die betaling lager is dan € 18.392,- ongeacht de vorm waarin de betaling is gedaan en de aard van de kosten waarin de betaling voorziet.
Geen recht op een voorschot bestaat indien aan de werknemer of diens nabestaanden reeds een eenmalige uitkering als bedoeld in artikel 3 of artikel 10a dan wel een voorschot als bedoeld in artikel 10b is betaald.
Het voorschot bedraagt € 18.392,-.
Indien de werkgever in verband met de blootstelling aan asbest van de werknemer tijdens het verrichten van arbeid en het daardoor veroorzaakte maligne mesothelioom een bedrag heeft betaald dat lager is dan € 18.392,- of indien de werknemer een betaling heeft ontvangen als bedoeld in artikel 6c, eerste lid, wordt de hoogte van het voorschot vastgesteld op het verschil tussen het ontvangen bedrag en € 18.392,-.
Voor de toepassing van het tweede lid en van artikel 6a, onderdeel b, wordt als maatstaf genomen de hoogte van de betaling nadat daarop de verschuldigde belasting op grond van de Wet inkomstenbelasting 2001 en premies voor de volksverzekeringen op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen in mindering zijn gebracht.
De SVB stelt op aanvraag van de werknemer vast of recht op de eenmalige uitkering bestaat en of er recht op het voorschot bestaat.
Een aanvraag om de eenmalige uitkering en een aanvraag om het voorschot wordt bij de SVB ingediend door middel van door de SVB beschikbaar gestelde aanvraagformulieren.
Indien de werknemer, na het indienen van een verzoek om bemiddeling bij het instituut asbestslachtoffers, is overleden kan de aanvraag om de eenmalige uitkering worden gedaan door de nabestaanden binnen twaalf maanden nadat tijdens het bemiddelingstraject toepassing van deze regeling is gebleken.
Indien er meer dan één nabestaande is, dragen de nabestaanden er zorg voor dat aan één van hen een volmacht wordt verleend tot vertegenwoordiging ten behoeve van de uitvoering van deze regeling, het in ontvangst nemen van de eenmalige uitkering of het voorschot daarbij inbegrepen.
Indien de werknemer is overleden nadat hij de aanvraag heeft ingediend, doch voorafgaand aan het tijdstip waarop op de aanvraag om de eenmalige uitkering of de aanvraag om het voorschot is beslist, wordt de behandeling van de aanvraag ten behoeve van de nabestaanden voortgezet, tenzij deze schriftelijk te kennen geven daarop geen prijs te stellen.
Artikel 7, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
De werknemer verstrekt de SVB of de door haar aangewezen personen of instellingen bij de indiening van de aanvraag om de eenmalige uitkering in ieder geval de inlichtingen en bewijsstukken die noodzakelijk zijn ter vaststelling van:
- a.
maligne mesothelioom;
- b.
de blootstelling aan asbest gedurende het verrichten van arbeid als werknemer;
- c.
de periode gedurende welke die blootstelling aan asbest heeft plaatsgevonden;
- d.
degenen die in verband met de arbeid waarbij de blootstelling aan asbest heeft plaatsgevonden als werkgever worden aangemerkt; en
- e.
de mogelijkheden of reeds gedane inspanningen om de schade langs burgerrechtelijke weg te verhalen.
De werknemer verstrekt de SVB of de door haar aangewezen personen of instellingen op verzoek of uit eigen beweging de overige inlichtingen en bewijsstukken die nodig zijn voor de uitvoering van deze regeling en verleent ook overigens de medewerking die redelijkerwijs nodig is.
Indien de aanvraag is ingediend door de nabestaanden of de behandeling van de aanvraag van een werknemer na diens overlijden wordt voortgezet ten behoeve van de nabestaanden, is het eerste en het tweede lid op hen van overeenkomstige toepassing.
De werknemer verstrekt de SVB of de door haar aangewezen personen of instellingen bij de indiening van de aanvraag om een voorschot in ieder geval de inlichtingen en bewijsstukken die noodzakelijk zijn ter vaststelling van maligne mesothelioom.
In verband met de voorwaarde dat aannemelijk dient te worden gemaakt dat het maligne mesothelioom is veroorzaakt door blootstelling aan asbest tijdens het verrichten van arbeid als werknemer verstrekt de werknemer de SVB of de door haar aangewezen personen of instellingen bij de indiening van de aanvraag om een voorschot voorts in ieder geval de inlichtingen en zo mogelijk bewijsstukken omtrent: a. de blootstelling aan asbest gedurende het verrichten van arbeid als werknemer; b. de periode gedurende welke die blootstelling aan asbest heeft plaatsgevonden; c. degenen die in verband met de arbeid waarbij de blootstelling aan asbest heeft plaatsgevonden als werkgever worden aangemerkt.
De werknemer verstrekt de SVB of de door haar aangewezen personen of instellingen op verzoek of uit eigen beweging de overige inlichtingen en bewijsstukken die nodig zijn voor de uitvoering van deze regeling en verleent ook overigens de medewerking die redelijkerwijs nodig is.
Indien de aanvraag om het voorschot van een werknemer na diens overlijden wordt voortgezet ten behoeve van de nabestaanden, is dit artikel op hen van overeenkomstige toepassing.
Vervallen
Deze regeling is, met inachtneming van de artikelen 10a tot en met 10c, van overeenkomstige toepassing op huisgenoten.
In afwijking van artikel 3, onderdeel a, heeft de huisgenoot die op het moment van aanvraag in leven is en bij wie met toepassing van het protocol diagnostiek de ziekte maligne mesothelioom is vastgesteld, recht op een eenmalige uitkering als bedoeld in artikel 3 indien:
- a.
hij het duurzaam hoofdverblijf, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel m, aannemelijk heeft gemaakt;
- b.
is vastgesteld dat:
- 1°.
de werknemer, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel m, is blootgesteld aan asbest tijdens het verrichten van arbeid als werknemer, en
- 2°.
de huisgenoot als gevolg hiervan de ziekte maligne mesothelioom heeft opgelopen.
- 1°.
In afwijking van artikel 6a, onderdeel a, heeft de huisgenoot die op het moment van aanvraag in leven is en bij wie met toepassing van het protocol diagnostiek de ziekte maligne mesothelioom is vastgesteld, recht op een voorschot als bedoeld in artikel 6a indien hij aannemelijk heeft gemaakt dat:
- a.
er sprake is van een duurzaam hoofdverblijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel m;
- b.
de werknemer, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel m, is blootgesteld aan asbest tijdens het verrichten van arbeid als werknemer, en
- c.
hij als gevolg hiervan de ziekte maligne mesothelioom heeft opgelopen.
Geen recht op een eenmalige uitkering of een voorschot met toepassing van dit hoofdstuk bestaat indien aan een huisgenoot of diens nabestaanden reeds een eenmalige uitkering als bedoeld in artikel 3 of een voorschot als bedoeld in artikel 6a is betaald.
De eenmalige uitkering en het voorschot worden door de SVB zo spoedig mogelijk uitbetaald aan de werknemer of de nabestaande, bedoeld in artikel 7, vierde lid.
De SVB herziet een besluit tot toekenning van de eenmalige uitkering of het voorschot of trekt dat in indien degene aan wie de eenmalige uitkering of het voorschot is toegekend:
- a.
nadien alsnog een betaling heeft ontvangen waarmee rekening zou zijn gehouden bij de vaststelling van het recht op de eenmalige uitkering of het voorschot, of
- b.
de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 6a, onderdelen c, f en g, 9 en 9a niet of niet behoorlijk zijn nagekomen en dit heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van de eenmalige uitkering of het voorschot.
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan de SVB besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
De eenmalige uitkering of het voorschot die als gevolg van een besluit als bedoeld in het eerste lid ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt van degene aan wie de eenmalige uitkering of het voorschot is toegekend teruggevorderd.
Wanneer de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon daartoe aanleiding geeft, maakt de minister een wijziging van de bedragen, vermeld in deze regeling tijdig vóór de aanvang van een kalenderjaar, met ingang van 2004, bekend in de Staatscourant.
Deze regeling wordt uitgevoerd door de SVB.
De SVB kan over het recht op de eenmalige uitkering of het voorschot advies vragen aan het instituut asbestslachtoffers.
De SVB stelt de eisen vast waaraan het advies voldoet en stelt een termijn binnen welke het advies wordt verwacht.
De SVB en het instituut asbestslachtoffers stellen een overeenkomst op betreffende de samenwerking en werkwijze in het kader van de uitvoering van deze regeling.
In de in het eerste lid bedoelde overeenkomst wordt ten minste vastgelegd:
- a.
op welke wijze de behandeling van aanvragen van een eenmalige uitkering of een voorschot plaatsvindt;
- b.
op welke wijze de juistheid en de volledigheid van de verkregen inlichtingen wordt onderzocht;
- c.
op welke wijze de informatievoorziening aan belanghebbenden wordt ingericht;
- d.
welke vergoeding door de SVB aan het instituut asbestslachtoffers zal worden verstrekt per uitgebracht advies;
- e.
op welke wijze de verstrekking van de vergoedingen, bedoeld in onderdeel d, zal worden ingericht;
- f.
dat periodiek overleg zal worden gevoerd betreffende de uitvoering van deze regeling, alsmede de frequentie daarvan;
- g.
welke informatie door het instituut asbestslachtoffers aan de SVB wordt verstrekt ten behoeve van de informatieverplichting van de SVB aan de minister;
- h.
hoe uit de overeenkomst voortvloeiende geschillen zullen worden beslecht.
Uiterlijk op 1 oktober van elk jaar verstrekt de SVB aan de Minister een opgave van het totaalbedrag aan geraamde uitgaven voor de uitkeringen in het kader van deze regeling in het komende jaar, waarbij rekening wordt gehouden met de uitkeringslasten, bedoeld in artikel 17, derde lid, met een uitsplitsing naar maand.
In het jaarplan met begroting verstrekt de SVB elk jaar aan de Minister een opgave van het totaalbedrag aan geraamde uitvoeringskosten van deze regeling.
Vervallen
De uitkeringslasten en uitvoeringskosten van deze regeling worden gefinancierd uit een rijksbijdrage ten laste van de begroting van de minister.
Met als valutadag de eerste dag van elke maand draagt het Rijk een periodiek voorschot op het bedrag, bedoeld in artikel 16, eerste lid en éénvierde van de geraamde uitvoeringskosten per jaar af aan de SVB. Het Rijk kan, na overleg met de SVB, van deze bedragen afwijken.
Op de uitkeringslasten van deze regeling komen in mindering:
- a.
de bedragen die op grond van artikel 6a, onderdelen e en f, zijn terugbetaald;
- b.
de eenmalige uitkeringen en voorschotten die op grond van artikel 12 zijn teruggevorderd en zijn terugbetaald.
In afwijking van artikel 17 kan in bijzondere gevallen een hogere of een lagere afdracht als bedoeld in artikel 17, tweede lid, worden verstrekt.
De SVB dient jaarlijks vóór 1 juli de afrekening van de lasten en de uitvoeringskosten in bij de minister met betrekking tot de kasuitgaven in het kader van deze regeling over het afgelopen kalenderjaar. Op grond van deze afrekening vindt een betaling ten gunste of ten laste van de SVB plaats.
De minister stelt jaarlijks vóór 31 oktober, na ontvangst van de jaarrekening met een verklaring over de rechtmatigheid, de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 17, eerste lid, definitief vast op de lasten en uitvoeringskosten van de SVB in het kader van deze regeling over het afgelopen kalenderjaar.
Wijzigt de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid inzake de vrijlating in de Algemene bijstandswet van tegemoetkomingen.
Deze regeling berust mede op artikel 121, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 26 januari 2000 en werkt terug tot en met 6 juni 1997.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers.