Wijzigingen Officiële bron
Streefwaarden en interventiewaarden bodemsaneringStreefwaarden en interventiewaarden bodemsaneringCirculaire aan:– de colleges van burgemeester en wethouders– de besturen van de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden– de Colleges van Gedeputeerde Staten– de DG en de HID’s van de regionale directies van RWS – de besturen van de waterkwaliteit beherende waterschappen (door tussenkomst van de Unie van Waterschappen)

Geachte heer, mevrouw,

Met deze circulaire wil ik u, mede namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en mijn ambtgenoot van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, een overzicht geven van alle thans beschikbare interventiewaarden bodemsanering en indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging, inclusief de hierbij behorende streefwaarden, meetvoorschriften en parameters voor het bepalen van de saneringsurgentie en het saneringstijdstip.

In de voorliggende circulaire is de lijst met interventiewaarden bodemsanering en indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging uitgebreid ten opzichte van de voorgaande circulaires op dit gebied met de vierde tranche stoffen. De vierde tranche van stoffen is de vierde groep stoffen waarvoor een risico-evaluatie is uitgevoerd, ten behoeve van het vaststellen van interventiewaarden. Indien niet kon worden besloten tot het vaststellen van een interventiewaarde is een indicatief niveau voor ernstige verontreiniging vastgesteld. Voor het omgaan met stoffen waarvoor in deze circulaire geen interventiewaarden of indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging zijn gegeven, geeft voorliggende circulaire aanwijzingen in de vorm van een richtlijn voor niet-genormeerde stoffen. In deze richtlijn wordt onder andere ingegaan op asbest.

Hoogachtend, De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,J.P.Pronk

De circulaire heeft betrekking op gevallen van verontreiniging van bodem, grondwater en sediment die men in het kader van de saneringsregeling van de Wet Bodembescherming (Wbb) beoordeelt. In dit kader vindt besluitvorming plaats over ernst, urgentie en tijdstip voor de aanpak van gevallen van verontreiniging die dateren van voor 1987.

De interventiewaarden, indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging en streefwaarden gelden ook voor waterbodems en zijn ook opgenomen in de 4e Nota Waterhuishouding met uitzondering van de destijds nog niet gepubliceerde vierde tranche van stoffen.

Het toepassingsgebied van de circulaire wordt als volgt afgebakend:

Het bevoegd gezag (College van Gedeputeerde Staten; College van Burgemeester en Wethouders van de vier grote gemeenten; Minister van Verkeer en Waterstaat) stelt in een beschikking vast of er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging (Wbb, artikel 29, 1e lid). Vaststelling vindt plaats naar aanleiding van een nader bodemonderzoek of een melding als bedoeld in artikel 28, lid 1 van de Wbb. De interventiewaarden bodemsanering vormen de getalsmatige invulling van het concentratieniveau waarboven sprake is van een geval van ernstige verontreiniging.

Bij overschrijding van de interventiewaarden geldt dat de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, plant of dier ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd. Om van overschrijding van de interventiewaarden te spreken, dient voor tenminste één stof de gemiddelde gemeten concentratie van minimaal 25 m3 bodemvolume in het geval van bodem- of sedimentverontreiniging, of 100 m3 poriënverzadigd bodemvolume in het geval van grondwaterverontreiniging, hoger te zijn dan de interventiewaarde.

De interventiewaarden zijn vastgesteld voor bodem/sediment en grondwater en gelden voor land- en waterbodems. In bijlage A van deze circulaire wordt een overzicht gegeven van alle thans vastgestelde interventiewaarden bodemsanering en is de procedure beschreven die is gevolgd voor het afleiden van deze waarden.

Er bestaat in specifieke gevallen een kans dat bij gehalten in de bodem onder de interventiewaarden toch geldt dat de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, plant of dier ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd en gesproken moet worden van een geval van ernstige verontreiniging. Dit wordt in bijlage A van deze circulaire nader toegelicht.

In bijlage A van deze circulaire wordt ook een overzicht gegeven van alle thans vastgestelde indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging en is de procedure beschreven die is gevolgd voor het afleiden van deze indicatieve niveaus. Indicatieve niveaus zijn vastgesteld voor stoffen behorende tot de tweede, derde en vierde tranche waarvoor geen meet- en analysevoorschriften beschikbaar zijn of binnenkort te verwachten zijn ofwel stoffen behorende tot de tweede, derde en vierde tranche waarvoor onvoldoende ecotoxicologische toxiciteitsgegevens beschikbaar zijn om een betrouwbare interventiewaarde te kunnen vaststellen.

De indicatieve niveaus worden gekenmerkt door een grotere mate van onzekerheid dan de interventiewaarden. De status van de indicatieve niveaus is daarom niet gelijk aan die van de interventiewaarden. Over- of onderschrijding van de indicatieve niveaus heeft derhalve niet direct consequenties voor het nemen van een beslissing over de ernst van een geval van verontreiniging door het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag dient naast de indicatieve niveaus ook andere overwegingen te betrekken bij de beslissing of er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. In de motivering van zijn beslissing kan het bevoegd gezag dit aangeven. Ter ondersteuning wil ik aanbevelen dat indien mogelijk:

In deze circulaire zijn in bijlage A tevens de streefwaarden voor bodem/sediment en grondwater opgenomen. Deze zijn afgeleid binnen het project Integrale Normstelling Stoffen (INS). De binnen INS afgeleide streefwaarden bodem/sediment zijn getoetst op praktische bruikbaarheid binnen het project ‘Evaluatie Hantering Streefwaarden (HANS)’. Binnen het project HANS zijn tevens afspraken gemaakt over de wijze van toetsing aan de streefwaarden om te kunnen spreken van relatief onbelaste bodem/sediment. Hiervoor zijn toetsingsregels geïntroduceerd en vastgesteld in de Stuurgroep Bodem1. Deze toetsingsregels zijn opgenomen in bijlage A.

Voor sommige aromatische verbindingen en gechloreerde koolwaterstoffen zijn voor grondwater in plaats van de INS-streefwaarden de ‘oude’ MILBOWA2 streefwaarden overgenomen. Wat de metalen betreft wordt er onderscheid gemaakt tussen de streefwaarden voor diep en ondiep grondwater. Deze keuzes worden nader toegelicht in bijlage A.

In ‘Kwaliteit van milieumetingen’ (Kamerstukken II 1992/93, 23 061, nr.1) is vastgelegd, dat bij het vaststellen van normen zoveel mogelijk moet worden aangegeven hoe de betreffende stof moet worden gemeten. In deze circulaire is hieraan invulling gegeven door in bijlage B meet- en analysevoorschriften voor grond/sediment en grondwater voor de betreffende stoffen op te nemen. De voorschriften zijn grotendeels ontleend aan DOMINO3. Indien geen definitieve voorschriften beschikbaar zijn, worden ontwerpvoorschriften gegeven.

Indien sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging dient het bevoegd gezag in dezelfde beschikking vast te stellen of er sprake is van saneringsurgentie (Wet bodembescherming artikel 36 en artikel 37, lid 1). Hierbij zijn de actuele, op de plaats van het geval van verontreiniging voorkomende, risico’s voor mensen en ecosystemen, alsmede de verspreidingsrisico’s bepalend. Deze hangen sterk samen met het gebruik van de verontreinigde locatie. In de ‘Circulaire Saneringsregeling Wet Bodembescherming: beoordeling en afstemming’ (Stcrt. 1998, nr. 4), is in bijlage 5 de systematiek voor het bepalen van de saneringsurgentie beschreven. Deze systematiek dient toegepast te worden, indien is vastgesteld dat sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. Voor waterbodems is vanuit het Ministerie van V&W een nieuwe richtlijn voor nader onderzoek in voorbereiding.

Ter ondersteuning van het gebruik van de urgentiesystematiek is in opdracht van het Ministerie van VROM een gebruikershandleiding opgesteld (uitgegeven door de SDU Den Haag) en is de PC-programmatuur ‘Sanerings Urgentie Systematiek’ (SUS) ontwikkeld (uitgebracht door het Van Hall Instituut Groningen/Leeuwarden). De interventiewaarden en de indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging uit deze circulaire zijn in SUS opgenomen, of zullen binnenkort worden opgenomen. In bijlage C is voor de stoffen in deze circulaire een overzicht gegeven van de parameters die noodzakelijk zijn voor het bepalen van de saneringsurgentie.

Indien er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging waarvoor sanering urgent is, dient het bevoegd gezag (althans indien het hierbij het College van Gedeputeerde Staten en het College van Burgemeester en Wethouders van de vier grote gemeenten betreft) te bepalen op welk tijdstip met de sanering moet worden begonnen (Wet bodembescherming artikel 36 en artikel 37, lid 2). In de ‘Circulaire bepaling saneringstijdstip voor gevallen van ernstige verontreiniging waarvoor sanering urgent is’ (Stcrt. 1997, nr. 47), is hiervoor een systematiek beschreven die toegepast dient te worden.

De systematiek voor het bepalen van het saneringstijdstip is opgenomen in de eerder genoemde PC-programmatuur SUS. Voor het bepalen van het saneringstijdstip volstaan in de meeste gevallen dezelfde gegevens als voor het bepalen van de saneringsurgentie (bijlage C). In enkele gevallen kan het nodig zijn extra gegevens te verzamelen. Dit geldt met name voor het bepalen van de verspreidingsrisico’s. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe hiermee wordt omgegaan.

Bij onderzoek naar een geval van verontreiniging worden regelmatig stoffen aangetroffen, waarvoor in deze circulaire geen streefwaarden en/of interventiewaarden zijn opgenomen. Een bekend voorbeeld hiervan is asbest. Dergelijke stoffen worden in dit kader aangeduid als ‘niet-genormeerde stoffen’. Indien dergelijke stoffen worden aangetroffen en men wil beoordelen of er sprake is van verontreiniging, of indien men voor deze stoffen een beschikking over de ernst en urgentie van het geval van verontreiniging wil afgeven, dan kan deze niet worden onderbouwd met een verwijzing naar de streefwaarden, interventiewaarden of indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging.

Bijlage D van deze circulaire beschrijft de procedure die bij het aantreffen van niet-genormeerde stoffen kan worden gevolgd. Net als geldt voor de genormeerde stoffen moet echter eerst worden vastgesteld of er sprake is van de beoordeling van een geval van verontreiniging binnen het kader van de saneringsregeling van de Wbb. Voor meer informatie over het toepassingsgebied van voorliggende circulaire verwijs ik naar de paragraaf ‘Toepassingsgebied circulaire, zorgplicht’.

In bijlage A van deze circulaire wordt een overzicht gegeven van alle thans vastgestelde interventiewaarden bodemsanering en indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging. Dit betreft de al eerder gepubliceerde eerste, tweede en derde tranche van stoffen (Stcrt. 1994, nr. 95 en Stcrt. 1997, nr 169) aangevuld met de vierde tranche van stoffen. In bijlage A zijn ook de aanpassingen verwerkt, die zijn aangegeven in de Circulaire interventiewaarde bodemsanering voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen (Stcrt. 1996, nr. 120) en de Circulaire aanpassing interventiewaarden bodemsanering (Stcrt 1998, nr. 127). De genoemde circulaires komen met de voorliggende circulaire te vervallen.

Ik ga ervan uit dat u met ingang van drie dagen na publicatie van deze Circulaire in de Staatscourant, de streefwaarden, de interventiewaarden bodemsanering en de indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging hanteert bij het beoordelen van gevallen van bodemverontreiniging overeenkomstig het toepassingsgebied van deze circulaire.

Bij deze circulaire horen vier bijlagen:

Binnen het bodemsaneringsbeleid wordt gewerkt met interventiewaarden bodemsanering, indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging en streefwaarden. Hieronder wordt ingegaan op deze drie typen normen. Als uitgangspunt voor het stellen van normen in het gehele milieubeleid, geldt dat een risicobenadering wordt toegepast. Dit is vastgelegd in ‘Omgaan met risico’s. De risicobenadering in het milieubeleid’ (Ministerie van VROM, Tweede Kamer, vergaderjaar 1988-1989, 21 137, nummer 5).

De interventiewaarden en bijbehorende streefwaarden bodem/sediment en grondwater zijn opgenomen in tabel 1. De indicatieve niveaus voor ernstige bodemverontreiniging en bijbehorende streefwaarden bodem/sediment en grondwater zijn opgenomen in tabel 2. De interventiewaarden, indicatieve niveaus en streefwaarden voor bodem/sediment voor metalen zijn afhankelijk van het organisch stofgehalte en het lutumgehalte. De waarden voor organische stoffen zijn afhankelijk van het organisch stofgehalte. De waarden opgenomen in tabel 1 en 2 zijn gegeven voor een standaardbodem met 10% organische stof en 25% lutum. Bij de aanvullende opmerkingen bij tabel 1 en 2 is beschreven hoe de waarden kunnen worden omgerekend voor de te beoordelen bodem. De bodemtypecorrectie voor de interventiewaarde voor PAK (som 10) voor bodems met een organisch stofgehalte tot 10% en voor bodems met een organisch stofgehalte vanaf 30% wordt niet toegepast.

De interventiewaarden bodemsanering geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd. Ze zijn representatief voor het verontreinigingsniveau waarboven sprake is van een geval van ernstige (bodem)verontreiniging.

De interventiewaarden bodemsanering zijn gebaseerd op uitgebreide RIVM-studies (rapportnummers 725201001 tot en met 725201008, rapportnummers 715810004, 715810008 tot en met 715810010, rappportnummers 711701003 tot en met 711701005) naar zowel humaan- als ecotoxicologische effecten van bodemverontreinigende stoffen.

Humaantoxicologische effecten zijn gekwantificeerd in de vorm van die gehalten in de bodem waarbij overschrijding van het zogenaamde humane Maximaal Toelaatbare Risiconiveau (MTR) kan plaatsvinden. Voor niet-carcinogene stoffen komt dit overeen met de ‘Tolerable Daily Intake (TDI)’. Voor carcinogene stoffen is dit gebaseerd op een extra kans voor een tumorincidentie van 10-4 bij levenslange blootstelling. Hierbij is aangenomen dat alle blootstellingsroutes operationeel zijn.

Ecotoxicologische effecten zijn gekwantificeerd in de vorm van die gehalten in de bodem waarbij 50% van de (potentieel) aanwezige soorten en processen negatieve effecten kan ondervinden. De uiteindelijke interventiewaarden bodem/sediment zijn gebaseerd op een integratie van de humaan- en ecotoxicologische effecten. Hierbij geven in principe de meest kritische effecten de doorslag.

De interventiewaarden voor grondwater zijn niet gebaseerd op een separate risico-evaluatie ten aanzien van de aanwezigheid van verontreinigende stoffen in het grondwater, maar zijn afgeleid van de waarden voor bodem/sediment.

De in deze circulaire vastgestelde interventiewaarden wijken voor sommige stoffen af van de door het RIVM voorgestelde waarden. Hiervoor kunnen meerdere redenen zijn. Het TCB advies kan geleid hebben tot aanpassing van de RIVM-voorstellen, maar ook kunnen tijdens de beleidsmatige discussie nieuwe gegevens beschikbaar gekomen zijn of aanvullende overwegingen een rol hebben gespeeld.

Interventiewaarden zijn gerelateerd aan een ruimtelijke schaal. Om van een overschrijding van de waarden, en dus van een geval van ernstige verontreiniging te spreken, dient voor ten minste één stof de gemiddelde concentratie van minimaal 25 m3 bodemvolume in het geval van grond-of sedimentverontreiniging, of 100 m3 poriënverzadigd bodemvolume in het geval van een grondwaterverontreiniging hoger te zijn dan de interventiewaarde. In de protocollen voor het oriënterend en nader onderzoek is aangegeven op welke wijze getoetst moet worden. Indien een van de protocollen afwijkende bemonstering is of wordt uitgevoerd, dient de uitvoerder zelf te bepalen en adequaat te motiveren hoe aan het 25m3 of 100 m3 criterium is getoetst.

Er bestaat in specifieke gevallen een kans dat bij gehalten in de bodem onder de interventiewaarden toch geldt dat de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, plant of dier ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd en gesproken moet worden van een geval van ernstige verontreiniging. Hieronder zijn een paar voorbeelden gegeven:

Indien het vermoeden bestaat dat van een dergelijke situatie sprake is, is het aan te bevelen aanvullend onderzoek naar de daadwerkelijk optredende blootstelling te doen. Aanvullend onderzoek is noodzakelijk omdat nagegaan moet worden hoe groot de afwijking ten opzichte van de standaardblootstelling is en wat de gevolgen hiervan zijn. Hierbij dient gebruik gemaakt te worden van de ontwikkelde C-SOIL/SEDISOIL/VOLASOIL-modellen waarin de daadwerkelijk optredende consumptie/inhalatie ingevuld kan worden in plaats van de ‘standaard’. Vervolgens dient de daadwerkelijk optredende blootstelling vergeleken te worden met de humane MTR. Bij overschrijding is er sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging.

Voor een aantal stoffen hebben de voorstellen voor interventiewaarden van het RIVM niet geleid tot vastgestelde interventiewaarden. Voor deze stoffen zijn zogenaamde indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging aangegeven. Indicatieve niveaus zijn vastgesteld voor stoffen van de tweede, derde en vierde tranche van stoffen. Voor de eerste tranche van stoffen zijn geen indicatieve niveaus vastgesteld.

Er zijn twee redenen op basis waarvan besloten is indicatieve niveaus voor de tweede, derde en vierde tranche van stoffen aan te geven in plaats van interventiewaarden:

In 1994 is een eerste circulaire met interventiewaarden vastgesteld (Circulaire interventiewaarden bodemsanering; Stcrt. 1994, nr. 95). De hierin opgenomen stoffen worden aangeduid als de eerste tranche stoffen. Door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) is voor de betreffende stoffen een ecotoxicologische en een humaantoxicologische risico-evaluatie uitgevoerd. Op basis hiervan zijn interventiewaarden voor grond/sediment en voor grondwater per circulaire vastgesteld. Bij de eerste tranche is nog geen onderscheid gemaakt tussen interventiewaarden en indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging.

Sinds 1991 zijn door provincies, gemeenten, milieuinspecties en adviesbureaus stoffen aangemeld, die in de bodem zijn aangetroffen, maar geen onderdeel uitmaken van de interventiewaardenlijst uit 1994. Voor een aantal van deze stoffen heeft het RIVM per tranche van stoffen risico-evaluaties uitgevoerd en voorstellen gedaan voor interventiewaarden. De risico-evaluaties zijn op vergelijkbare wijze uitgevoerd als voor de eerste tranche stoffen uit 1994. De Technische Commissie Bodembescherming (TCB) heeft advies uitgebracht over de voorstellen van het RIVM. Op basis van de voorstellen van het RIVM en het advies hierover van de TCB heeft de werkgroep Urgentie en Interventiewaarden (UI) van de Stuurgroep Bodem (StuBo) een voorstel voor interventiewaarden en indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging gedaan. Voor de tweede en derde tranche stoffen is een circulaire gepubliceerd in 1997 (Stcrt. 1997, nr. 169). Voor de vierde tranche stoffen zijn de waarden vastgelegd in voorliggende circulaire.

In de toekomst zullen nieuwe tranches van stoffen deze procedure doorlopen. In bijlage deel D wordt nader ingegaan op de keuze van stoffen voor toekomstige interventiewaarden.

De streefwaarden geven het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. Vertaald naar het curatieve beleid betekent dit, dat streefwaarden het niveau aangeven dat bereikt moet worden, om de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, dier of plant heeft, volledig te herstellen. Hiernaast geven de streefwaarden aan wat het ijkpunt is voor de milieukwaliteit op de lange termijn, uitgaande van Verwaarloosbare Risico’s voor het ecosysteem.

De streefwaarden zijn afgeleid binnen het project Integrale Normstelling Stoffen (INS) en zijn in december 1997 gepubliceerd (Ministerie van VROM, Integrale Normstelling Stoffen, Milieukwaliteitsnormen bodem, water, lucht, 1997). Met enkele uitzonderingen zijn de INS-streefwaarden in deze circulaire overgenomen. De INS-streefwaarden zijn zoveel mogelijk risico-onderbouwd en gelden voor individuele stoffen. In de 4e Nota Waterhuishouding zijn dezelfde streefwaarden bodem/sediment opgenomen als in voorliggende circulaire, die van toepassing zijn voor het bodemsaneringsbeleid.

Voor bodem/sediment zijn de streefwaarden uit INS getoetst op praktische bruikbaarheid binnen het project Evaluatie Hantering Streefwaarden (HANS), dat is uitgevoerd in de periode 1996-1998. Het gehanteerde uitgangspunt is dat bodems in relatief onbelaste gebieden in Nederland in overgrote meerderheid aan de streefwaarden moeten voldoen. Er is binnen HANS een streefwaardenlijst en een wijze van toetsing aan de waarden vastgesteld, waarbij de kans dat de bodems in relatief onbelaste gebieden aan de streefwaarden voldoen minimaal 95% is. Waar nodig zijn de streefwaarden uit INS aangepast op basis van de resultaten van HANS.

De lijst van streefwaarden bodem/sediment is in overeenstemming gebracht met de toenmalige lijst van interventiewaarden. Als voor de interventiewaarde een somnorm beschikbaar was (dit is een norm voor een gespecificeerde groep van verwante stoffen), is ook voor de streefwaarde een somnorm vastgesteld. Ook in dat geval is dus afgeweken van de binnen INS afgeleide streefwaarden voor individuele stoffen.

De waarde voor EOX heeft het karakter van een triggerwaarde. Overschrijding leidt niet tot de conclusie dat sprake is van verontreinigde grond of sediment, maar tot de noodzaak voor aanvullend onderzoek. Hierin moet worden nagegaan of de overschrijding het gevolg is van de aanwezigheid van verontreinigende stoffen of dat sprake is van een natuurlijke oorzaak.

Met betrekking tot de toetsing van de kwaliteit van een partij grond aan de streefwaarden bodem/sediment geldt het volgende:

Voor meer informatie over het uitvoeren van bodemonderzoek of het bemonsteren van een hoeveelheid grond voor toetsing aan de streefwaarden wordt verwezen naar de NEN 5740. Deze Nederlandse Norm is gepubliceerd door het Nederlands Normalisatie Instituut (NNI).

In HANS is geconstateerd dat het bestand met gegevens over gehalten van stoffen in relatief onbelaste gebieden incompleet is. Derhalve is besloten een compleet bestand op te bouwen dat voor alle stoffen waarvoor streefwaarden zijn vastgesteld informatie over gehalten in relatief onbelaste gebieden bevat. Op basis hiervan zullen over enkele jaren de toetsingsregels worden geëvalueerd en indien nodig worden bijgesteld. Dit vervolgproject van HANS, achtergrondwaarden 2000 (AW2000) genaamd, bevindt zich thans in de definitiefase.

In tabel 1 en 2 zijn ook de streefwaarden grondwater opgenomen. Voor metalen wordt er onderscheid gemaakt tussen diep en ondiep grondwater. Reden hiervoor is het verschil in achtergrondconcentraties tussen het diep en ondiep grondwater. Als grens tussen het diep en ondiep grondwater wordt een arbitraire grens van 10 m gebruikt. Hierbij dient te worden opgemerkt dat deze grens indicatief is. Indien er informatie voorhanden is dat een andere grens aannemelijk is voor de te beoordelen locatie, dan kan een andere grens genomen worden. Hierbij valt te denken aan informatie over de grens tussen het freatische grondwater en het eerste watervoerend pakket.

In beide gevallen geldt dat de gegeven achtergrondconcentratie als een handreiking moet worden gezien. Indien informatie voorhanden is over de locale achtergrondconcentratie dan kan deze in combinatie met de Verwaarloosbare Toevoeging als streefwaarde worden gebruikt. Meer informatie over achtergrondconcentraties van metalen in verschillende gebieden in Nederland is te vinden in RIVM-rapport nummer 711701 017.

Voor sommige metalen is de achtergrondconcentratie in het ondiepe grondwater aanzienlijk hoger dan de achtergrondconcentratie in oppervlaktewater. De achtergrondconcentraties voor oppervlaktewater en grondwater en de hierop gebaseerde streefwaarden zijn niet op elkaar afgestemd. Bij de vergunningverlening voor het oppompen en lozen van grondwater op het oppervlaktewater in het kader van de Wet Verontreiniging Oppervlaktewater (WVO), kan dit leiden tot een overschrijding van de streefwaarden voor oppervlaktewater. Of daarom de streefwaarden locaal moeten worden bijgesteld, is ter beoordeling van het bevoegd gezag.

Voor sommige aromatische verbindingen en gechloreerde koolwaterstoffen zijn de in INS-kader afgeleide streefwaarden ongeveer gelijk aan de interventiewaarde voor grondwater. Aangezien dit een voor de praktijk onwerkbare situatie oplevert is voor deze stoffen de INS-streefwaarde niet overgenomen en zijn de oude MILBOWA-streefwaarden gehandhaafd.

In deze bijlage zijn gegeven:

De analyse- en meetvoorschriften zijn gegeven voor alle stoffen waarvoor interventiewaarden zijn vastgesteld. Voor de stoffen waarvoor indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging zijn opgenomen zijn de voorschriften vermeld indien aanwezig. De voorschriften zijn opgenomen in de tabellen 3 en 4 voor bodem/sediment respectievelijk grondwater.

De gegevens zijn grotendeels ontleend aan DOMINO, een door NNI gemaakt overzicht van genormaliseerde meetvoorschriften dat elk kwartaal geactualiseerd wordt. DOMINO vermeldt alleen een meetvoorschrift voor een stof indien het meetvoorschrift voor de betreffende stof volgens de daarvoor geldende procedures getest is. De consequentie hiervan is dat voor sommige stoffen geen meetvoorschriften gegeven worden, terwijl er naar verwachting wel bruikbare voorschriften bestaan. Deze verwachting is gebaseerd op kennis van de gangbare praktijk of op het feit dat voor verwante, geteste stoffen wel meetvoorschriften aangegeven worden. In sommige gevallen is dit al bevestigd in aanvullend onderzoek maar is dit (nog) niet verwerkt in de voorschriften. Derhalve worden voor een aantal stoffen meetvoorschriften gegeven die ontleend zijn aan verwante stoffen. Deze voorschriften zijn cursief gedrukt. Er zijn geen meetvoorschriften voor stoffen waarvoor ook geen gangbare praktijk kan worden aangegeven.

Voor sommige stoffen zijn in tabel 3 en 4 meerdere gestandaardiseerde meet- en analysevoorschriften opgenomen. Het is aan de gebruiker te bepalen van welk van deze voorschriften uitgegaan wordt. Bij lage gehalten kan het van belang zijn uit te gaan van de methode met de laagste bepalingsgrens.

De bepaling van de saneringsurgentie voor de in deze circulaire opgenomen stoffen dient plaats te vinden volgens de systematiek zoals beschreven in de ‘Circulaire Saneringsregeling Wet Bodembescherming: beoordeling en afstemming’ (Stcrt. 1998, nr. 4). Ter ondersteuning van toepassing van deze systematiek zijn in tabel 5 voor de stoffen waarvoor een interventiewaarde is opgenomen en in tabel 6 voor de stoffen waarvoor een indicatief niveau voor ernstige bodemverontreiniging is gegeven:

Asbest is een bekend voorbeeld van een stof die bij onderzoek naar bodemverontreiniging of bij bodemsanering regelmatig wordt aangetroffen, maar waarvoor in voorliggende circulaire geen normen zijn opgenomen. Ook zijn er veel stoffen die slechts incidenteel in bodems worden aangetroffen en waarvoor ook geen normen in deze circulaire staan vermeld. Dergelijke stoffen worden aangeduid als ‘niet-genormeerde stoffen’. Benadrukt wordt dat ook bij het aantreffen van niet-genormeerde stoffen, er sprake kan zijn van een geval van verontreiniging dat ernstig en/of urgent is.

Indien niet-genormeerde stoffen worden aangetroffen en men wil beoordelen of er sprake is van een geval van verontreiniging of men wil een beschikking over de ernst en urgentie van het geval van verontreiniging afgeven, dan kan dit niet worden onderbouwd met een verwijzing naar de streefwaarden, interventiewaarden of indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging in deze circulaire. Voorliggende bijlage geeft een richtlijn die bij het aantreffen van niet-genormeerde stoffen kan worden gevolgd.

Voorliggende richtlijn heeft betrekking op (water)bodem en (water)bodemverontreiniging. Het omgaan met niet-genormeerde stoffen is echter niet alleen aan de orde als het gaat om bodemverontreiniging, maar ook als het gaat om eventueel hergebruik van een partij grond. Bij de beoordeling in het kader van het Bouwstoffenbesluit, van een partij grond die mogelijk is verontreinigd met een niet-genormeerde stof, kan de beschreven werkwijze als handvat worden gebruikt.

Voordat de richtlijn wordt toegepast moet, net als bij de genormeerde stoffen, eerst worden vastgesteld of de beoordeling van het geval van verontreiniging valt binnen het toepassingsgebied van voorliggende circulaire. Dit toepassingsgebied is in de hoofdtekst van de circulaire afgebakend in de paragraaf ‘Toepassingsgebied circulaire, zorgplicht’.

Het ontbreken van een streefwaarde betekent dat er geen duidelijke grens is, waarboven wordt gesproken van de aanwezigheid van een geval van verontreiniging.

Bij het ontbreken van een streefwaarde voor bodem/sediment zijn er de volgende mogelijkheden:

Voor ontbrekende streefwaarden in grondwater kan de volgende aanpak worden gevolgd:

Het hanteren van de bepalingsgrens als streefwaarde heeft niet de voorkeur, omdat als uitgangspunt voor het stellen van normen in het milieubeleid een risicobenadering wordt toegepast. Voor niet-genormeerde stoffen ontbreekt echter een volledige risico-evaluatie en kunnen de humane risico’s ook niet op basis van een interventiewaarde/indicatief niveau voor ernstige verontreiniging worden ingeschat. De bepalingsgrens wordt derhalve gehanteerd omdat er geen beter alternatief beschikbaar is.

Indien de saneringsregeling Wbb dan wel de ongewone voorvallenregeling van toepassing is, kan een geval van verontreiniging met een stof waarvoor geen interventiewaarde of indicatief niveau voor ernstige verontreiniging beschikbaar is, primair worden beoordeeld door onderstaande stappen te doorlopen:

Beoordeling uitsluitend op basis van fysisch-chemische verwantschap door gebruik te maken van een interventiewaarde voor een chemisch verwante stof is niet voldoende, omdat fysisch-chemische verwantschap van stoffen niet altijd gerelateerd is aan toxicologische verwantschap.

Op basis van gegevens uit de bovenstaande procedure kan het bevoegd gezag mogelijk een besluit nemen over de ernst en urgentie van een geval van verontreiniging of een eventueel saneringsplan. Indien het bevoegd gezag van mening is dat zij haar besluit op basis van de beschikbare gegevens onvoldoende kan onderbouwen, kan het RIVM in opdracht van het bevoegd gezag en in overleg met de inspecteur milieuhygiëne een Ad hoc interventiewaarde, een Ad hoc ECOTOX EBVC en/of een Ad hoc HUMTOX EBVC afleiden. De hier gebruikte termen worden in de volgende paragraaf toegelicht.

Het RIVM kan, in opdracht van het bevoegd gezag of de probleembezitter en door tussenkomst van de inspecteur milieuhygiëne, afhankelijk van de situatie, een voorstel doen voor:

Voor het grondwater wordt een Ad hoc interventiewaarde afgeleid van de Ad hoc interventiewaarde voor bodem/sediment. Indien de laatstgenoemde waarde niet beschikbaar is, wordt door het RIVM aangegeven welke concentratie in grondwater kan worden afgeleid van de Ad hoc HUMTOX EBVC of van de Ad hoc ECOTOX EBVC.

Mocht het bevoegd gezag van mening zijn, dat voor een te beoordelen specifieke geval van verontreiniging het wettelijk instrumentarium moet worden toegepast, dan kan zij de inspecteur milieuhygiëne verzoeken namens de Minister van VROM, op basis van de RIVM-voorstellen een Ad hoc ECOTOX EBVC en/of een Ad hoc HUMTOX EBVC vast te stellen en eventueel tevens een Ad hoc interventiewaarde voor bodem/sediment en voor grondwater. Een Ad hoc interventiewaarde kan niet zomaar als ‘wettelijke’ interventiewaarde worden gehanteerd, omdat de Ad hoc interventiewaarde vaak is gebaseerd op veel minder volledige informatie en/of op onbetrouwbare informatie. Bovendien is voor het vaststellen van Ad hoc interventiewaarden niet een breed adviestraject doorlopen, hetgeen voor ‘echte’ interventiewaarden wel gebeurt. Bij de via reguliere tranches afgeleide voorstellen voor interventiewaarden wordt meer moeite gedaan om statistisch onderbouwde input-parameters te verkrijgen en wordt op basis van een meer intensieve gevoeligheidsanalyse meer accent gelegd op verbetering van de meest relevante parameters. Dit heeft als consequentie dat een voorstel voor een interventiewaarde een andere concentratie van een stof in de bodem kan aangeven, dan de eerder voor de betreffende stof afgeleide Ad hoc interventiewaarde.

Het RIVM heeft in de afgelopen jaren reeds een aantal Ad hoc ECOTOX EBVC, Ad hoc HUMTOX EBVC en Ad hoc interventiewaarden afgeleid. Deze staan vermeld in tabel 7. De Ad hoc interventiewaarden kunnen worden gebruikt als een eerste indicatie voor de risico’s van de aanwezigheid van een stof in de (water)bodem, maar ze hebben geen wettelijke status voor andere gevallen van verontreiniging dan het specifieke geval waarvoor ze zijn afgeleid en vastgesteld. Opgemerkt wordt dat de Ad hoc interventiewaarden in de tabel in de toekomst kunnen worden vervangen door een “echte” interventiewaarde of een indicatief niveau voor ernstige verontreiniging. Als dat gebeurt, vervalt de betreffende Ad hoc interventiewaarde en geldt de door de Minister van VROM vastgestelde interventiewaarde of indicatief niveau voor ernstige verontreiniging. Gezien het bovenstaande is het mogelijk dat de uiteindelijke interventiewaarde/ indicatief niveau voor ernstige verontreiniging afwijkt van een eerder vastgestelde Ad hoc interventiewaarde.

Als bovenstaande aanpak onvoldoende inzicht biedt in de actuele risico’s, kan worden besloten bepaalde relevante actuele risico’s specifiek in beschouwing te nemen. Voor het beoordelen van de actuele risico’s voor de mens kan gebruik worden gemaakt van onderdelen van het formularium van het model CSOIL (bij voorbeeld het uitvoeren van een ingestieberekening). Het model CSOIL is beschreven in RIVM-rapport 725201006, Blootstelling van de mens aan bodemverontreiniging; Een kwalitatieve en kwantitatieve analyse, leidend tot voorstellen voor humaan toxicologische C-toetsingswaarden, Van den Berg, 1995. Voor het berekenen van de humane blootstelling ten gevolge van verontreinigde waterbodems kan gebruik gemaakt worden van het model SEDISOIL (1999). Het SEDISOIL-formularium is beschreven in RIVM/RIZA-rapport 99.162x. Ook kan gebruik worden gemaakt van het model VOLASOIL voor berekening van uitdamping van vluchtige verbindingen naar de binnenlucht. Het model VOLASOIL is beschreven in RIVM-rapport 715810014, The VOLASOIL risk assessment model based on CSOIL for soils contaminated with volatile compounds, Waitz en anderen, 1996. Actuele risico’s voor het ecosysteem kunnen mogelijk worden beoordeeld door het uitvoeren van bioassays.

Voor de selectie van stoffen, voor nieuwe reguliere tranches voor het afleiden van ‘voorstellen voor interventiewaarden’ door het RIVM, is zo goed mogelijk geprobeerd objectieve criteria te hanteren. Criteria waaraan een stof wordt getoetst om te beslissen of het wel of niet zinvol is een ‘voorstel voor een interventiewaarde’ af te leiden zijn:

Een stof wordt geselecteerd voor afleiding van een ‘voorstel voor een interventiewaarde’ als de combinatie van criteria daar aanleiding toe geeft. Er is bijvoorbeeld alleen reden voor afleiding van een ‘voorstel voor een interventiewaarde’ indien de stof én toxisch is én frequent voorkomt in de bodem én niet in korte tijd uit de bodem verdwenen is. De weging van de mate waarin aan de criteria onderling is voldaan betreft een subjectieve beslissing. De Technische Commissie Bodembescherming (TCB) onderstreept in haar advies over de selectie van stoffen het belang van de samenhang van de criteria. Ook speelt de beschikbaarheid van de benodigde input-data een rol. Bovendien moet de stof geschikt zijn om een ‘voorstel voor een interventiewaarde’ volgens de standaardprocedure af te kunnen leiden. Met het doel het toepassingsbereik van afgeleide interventiewaarden te verhogen bestaat vanuit het beleid behoefte, indien mogelijk, groepswaarden af te leiden.

Voor de volgende stoffen is besloten voorlopig geen ‘voorstel voor een interventiewaarde’ af te leiden:

*1 Komt van nature in hoge gehaltes voor in de bodem. Hoge concentraties in het grondwater zijn eerder een gevolg van verzuring dan van verhoogde emissies. Voorkeur voor aanpak in andere kaders;

*2 Wordt niet frequent aangetroffen;

*3 Te weinig gegevens beschikbaar om een Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau voor inname door de mens (een van de bouwstenen van de interventiewaarden) te kunnen afleiden;

*4 Heeft in principe een geringe verblijfstijd in de bodem; er vindt echter herhaalde toevoer op de bodem plaats en, via de bodem, naar het grondwater. Om deze reden is eliminatie van dergelijke verbindingen vooral een kwestie van regulering van de toevoer. Voorkeur voor aanpak via andere wettelijke kaders (onder andere mestregelgeving).

Fosfaathoudende waterbodems leveren echter wel traag na aan oppervlaktewater. Voor fosfaat wordt aanpak via het bodemsaneringskader daarom niet uitgesloten;

*5 Te geringe verblijftijd in de bodem. Voorkeur voor aanpak in andere kaders. Voor chloride kan vanwege de toxiciteit voor planten en dieren eventueel wel een interventiewaarde voor grondwater worden overwogen, maar hierbij dient dan goed rekening te worden gehouden met marien beïnvloede gebieden;

*6 Zie volgende paragraaf.

Asbest wordt binnen verschillende beleidskaders als een ‘probleemstof’ beschouwd. Dit betekent dat aanpak tevens plaatsvindt in andere kaders dan in het kader van de bodemsanering. Onlangs is een restconcentratienorm van 10 mg/kg hechtgebonden asbest per kg droge stof vastgesteld voor asbest in puingranulaat en in grond/bodem. Voor losgebonden asbest wordt de ‘0-norm’ (in de vorm van de detectielimiet) aangehouden. De restconcentratienorm van 10 mg/kg zal in 2000 in de Arbo-regelgeving worden opgenomen. Met deze Circulaire worden de genoemde restconcentratienorm van 10 mg/kg voor hechtgebonden asbest en 0 mg/kg voor losgebonden asbest ook van toepassing verklaard op de toepassing en het hergebruik van grond.

Ondanks het feit dat zich in de praktijk veel problemen voordoen met asbest in de bodem, is besloten vooralsnog geen interventiewaarde bodemsanering voor asbest af te leiden1. Asbest voldoet wel aan de voorwaarde dat de stof én toxisch is én frequent voorkomt in de bodem én niet in korte tijd uit de bodem is verdwenen. De belangrijkste reden voor het besluit toch geen interventiewaarde voor asbest af te leiden is dat de onzekerheden, bij de beoordeling van de potentiële risico’s van asbest in de bodem gebaseerd op de standaardprocedure, te groot worden geacht. Een afgeleide interventiewaarde voor asbest zou meerdere ordegroottes kunnen afwijken van een daadwerkelijk relevante waarde. Het wordt niet verantwoord geacht op een dergelijke onbetrouwbare waarde een beleid te baseren, dat belangrijke financiële en juridische gevolgen kan hebben.

In het verleden is op verzoek van de inspecteur milieuhygiëne wel besloten een Ad hoc HUMTOX EBVC af te leiden voor asbest. Deze EBVC is niet opgenomen in de tabel met Ad hoc waarden, omdat de betrouwbaarheid toch te beperkt is bevonden. Deze in het verleden afgeleide norm is derhalve vervallen en dient niet meer te worden gehanteerd.

Wel is het van belang bij vooronderzoek (met name bij historisch onderzoek) en bodemonderzoek ook de stof asbest mee te nemen. Dit geldt in het bijzonder wanneer op het betreffende perceel een asbestbevattend bouwwerk staat of heeft gestaan. De belangrijkste redenen om dergelijk onderzoek uit te laten voeren zijn:

Voor een meetmethode voor asbest in bodem wordt verwezen naar het rapport ‘Asbest in de bodem. Ontwikkeling van een meetmethode voor het bepalen van asbest in de bodem (Fase 2 en 3)’ van TNO-MEP, rapportnummer R96/181 (te bestellen bij TNO-MEP, telefoon 055-5493812). De beschreven methode wordt in 2000 genormaliseerd.

Ook voor asbest geldt dat de richtlijn uitdrukkelijk niet van toepassing is voor de beoordeling van de kwaliteit van andersoortig materiaal dan bodem, zoals stortmateriaal, verhardingsmateriaal of (wegen)bouwmateriaal.

Voordat de richtlijn voor asbest wordt toegepast moet uiteraard eerst worden vastgesteld of de beoordeling van het geval van verontreiniging valt binnen het toepassingsgebied van voorliggende circulaire. Dit toepassingsgebied is in de paragraaf ‘Toepassingsgebied circulaire, zorgplicht’ in de hoofdtekst van de circulaire afgebakend. Voor asbest zijn met name de zorgplicht uit de Wbb, eventuele vergunningvoorschriften en het Arbeidsomstandighedenbesluit van belang.

Tot slot is onderstaande richtlijn niet van toepassing als asbest uitsluitend op de bodem aanwezig is.2In dat geval is er geen sprake van bodemverontreiniging. In overleg kan worden bepaald of het noodzakelijk is de waarschijnlijke afwezigheid van asbest in de onderliggende bodem aan te tonen door middel van de analyse van grondmonsters op asbest. Indien er geen sprake is van bodemverontreiniging met asbest, wordt ook geen besluit genomen over ernst en urgentie of over een saneringsplan in het kader van de Wet Bodembescherming.

Indien asbest uitsluitend op de bodem aanwezig is, is het met het oog op de bestemming van de bodem, raadzaam zijn asbest te verwijderen, om redenen van volksgezondheid en/of arbeidsbescherming. Dit dient te gebeuren met inachtneming van de arbeidsbeschermingsvoorschriften m.b.t. asbest op grond van het Arbobesluit en conform beleidsregel 4.9-4 van dit besluit. Indien er wordt besloten tot verwijdering, verdient het de voorkeur dit te laten uitvoeren door een bodemsaneringsbedrijf of een asbestverwijderingsbedrijf dat beschikt over een KOMO-proces-certificaat voor het verwijderen van asbest. Er is echter (nog) geen verplichting het verwijderen van asbest dat zich op de bodem bevindt, op te dragen aan een bedrijf dat beschikt over een KOMO-procescertificaat voor het verwijderen van asbest. De betrokken overheidsinstantie is primair de gemeente en, afhankelijk van de situatie, de Arbeidsinspectie indien het de arbeidsbescherming betreft en in sommige gevallen de provincie en de Inspectie Milieuhygiëne.

Indien asbest in (en eventueel tevens op) de bodem aanwezig is, worden de actuele risico’s van het geval van verontreiniging beoordeeld. De (vermoedelijke) aanwezigheid van asbest kan zowel worden gebaseerd op historische gegevens, als op bodemonderzoeksgegevens (veldwaarnemingen en/of analyses). Er moet wel reden zijn om te veronderstellen dat er kleine stukjes asbestbevattend materiaal en/of asbestvezels in de bodem aanwezig zijn en dus niet bijvoorbeeld alleen afval in de vorm van een grof stuk asbestcement rioolbuis. Bij het beoordelen van de actuele risico’s is vooral van belang dat wordt nagegaan of inhalatie van asbest door de mens mogelijk op kan treden. Hiernaast is van belang of er sprake is van hechtgebonden asbest of van losgebonden asbest. Uit hechtgebonden asbest komen alleen de gevaarlijke asbestvezels in de lucht indien het wordt bewerkt of verwijderd. Uit losgebonden asbest komen ook onder normale omstandigheden asbestvezels in de lucht door mechanische oorzaken. Voorts is het gestelde onder het kopje ‘Algemeen’ van belang.

Op basis van de beoordeling van de actuele risico’s kan het bevoegd gezag (de provincie, de vier grote gemeenten of Rijkswaterstaat) een besluit nemen over de urgentie van het geval van verontreiniging. Indien het bevoegd gezag besluit het geval urgent te verklaren is hiermee, vanwege de actuele humane risico’s, tevens vastgesteld dat er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. Indien het bevoegd gezag besluit het geval niet-urgent te verklaren, dient in de beschikking te worden aangegeven dat er mogelijk wel sprake is van een geval van ernstige verontreiniging (er zijn mogelijk wel potentiële risico’s), maar dat de ernst thans niet kan worden vastgesteld. Bij een eventuele wijziging van het gebruik van de bodem dienen (conform de gebruikelijke procedure) de actuele risico’s en de urgentie opnieuw te worden beoordeeld. Ook kan de beoordeling van de actuele risico’s de basis vormen voor de beoordeling van een eventueel saneringsplan.

Sanering van asbestbevattende bodem dient met inachtneming van de voorschriften m.b.t. asbest van het Arbeidsomstandighedenbesluit en beleidsregel 4.9-4 van dit besluit te worden uitgevoerd. Het verwijderen en eventueel reinigen dient bij voorkeur plaats te vinden door een bodemsaneringsbedrijf of een bedrijf dat beschikt over een KOMO-proces-certificaat voor het verwijderen van asbest (zie ook onder het kopje ‘Gebieden waarop de richtlijn voor asbest niet van toepassing is’).