Regeling · BWBR0011323
Tijdelijk besluit loonsuppletie WW
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, van 25 februari 2000, Nr. SV/WV/00/10225b;
Gelet op artikel 130b van de Werkloosheidswet;
De Raad van State gehoord (advies van 10 maart 2000, no.W12.00.0083/IV);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, van 20 april 2000, Directie Sociale Verzekeringen, Nr. SV/WV/2000/17305;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage26 april 2000Beatrix De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,J. F. Hoogervorstelfde mei 2000De Minister van Justitie,A. H. KorthalsIn dit besluit wordt verstaan onder:
- a.
UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
- b.
WW: Werkloosheidswet;
- c.
uitkeringsgerechtigde: werknemer op wie dit besluit op grond van artikel 3 van toepassing is;
- d.
WW-uitkering: uitkering op grond van de Werkloosheidswet.
Het met dit besluit beoogde resultaat is het verschaffen van inzicht in het effect van de inzet van het middel van de loonsuppletie op de werkhervattingskans van uitkeringsgerechtigden.
Dit besluit is van toepassing op de werknemer:
- a.
die recht heeft op loongerelateerde uitkering op grond van hoofdstuk IIa van de WW; en
- b.
voor wie geen arbeidsmarktinstrumenten beschikbaar zijn gericht op directe bemiddeling of terugkeer naar de arbeidsmarkt.
In afwijking van het eerste lid is dit besluit niet van toepassing op:
- a.
de werknemer die recht heeft op uitkering op grond van artikel 18 van de WW;
- b.
de arbeidsgehandicapte, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten;
- c.
de werknemer wiens werkloosheid uitsluitend een gevolg is van verkorting van de werktijd, waarvoor op grond van artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 ontheffing is verleend.
Het UWV kan aan uitkeringsgerechtigden die arbeid in dienstbetrekking aanvaarden voor ten minste twaalf uur per kalenderweek, op aanvraag, loonsuppletie toekennen indien het loon uit die dienstbetrekking lager is dan de WW-uitkering die, als gevolg van de eindiging van het recht daarop wegens vermindering van het verlies aan arbeidsuren, niet langer wordt betaald.
De loonsuppletie wordt verstrekt over kalenderweken waarover loon uit de in het eerste lid bedoelde dienstbetrekking wordt ontvangen.
Als kalenderweken waarover loon uit de in het eerste lid bedoelde dienstbetrekking wordt ontvangen worden eveneens aangemerkt kalenderweken waarover een uitkering op grond van de Ziektewet wordt ontvangen in verband met ongeschiktheid tot het verrichten van de arbeid in die dienstbetrekking of een uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg.
Het UWV heeft de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, niet meer na afloop van het kwartaal, volgend op het kwartaal waarin het aantal uitkeringsgerechtigden, waaraan loonsuppletie is toegekend, de duizend heeft bereikt.
De hoogte van de loonsuppletie over een kalenderweek bedraagt het verschil tussen het bedrag van de WW-uitkering waarop de uitkeringsgerechtigde over die kalenderweek recht zou hebben indien hij de dienstbetrekking, bedoeld in artikel 4, eerste lid, niet zou hebben aanvaard, en de som van het bedrag van de WW-uitkering waarop hij feitelijk recht heeft en het loon uit die dienstbetrekking of de uitkering, bedoeld in artikel 4, derde lid, over die kalenderweek.
De duur van de loonsuppletie is de resterende uitkeringsduur van de loongerelateerde WW-uitkering op het moment van de gehele of gedeeltelijke eindiging van het recht op die uitkering in verband met de aanvaarding van de dienstbetrekking ter zake waarvan de loonsuppletie wordt toegekend.
De loonsuppletie eindigt:
- a.
zodra de dienstbetrekking, bedoeld in artikel 4, eerste lid, eindigt;
- b.
zodra de duur ervan is verstreken;
- c.
zodra de hoogte over een aaneengesloten periode van dertien kalenderweken nihil heeft bedragen;
- d.
zodra de uitkeringsgerechtigde schriftelijk de wens te kennen geeft geen loonsuppletie meer te willen ontvangen.
Het UWV is bevoegd om nadere regels te stellen met betrekking tot de aanvraag van de loonsuppletie.
De aanvragen worden behandeld in volgorde van binnenkomst.
Dit besluit blijft van toepassing ten aanzien van aanvragen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, die zijn ingediend voor de vervaldatum van dit besluit en ten aanzien van loonsuppletie die voor de vervaldatum van dit besluit is toegekend.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag gelegen drie maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en vervalt, met uitzondering van artikel 8a, vier jaar na die dag.
Dit besluit wordt aangehaald als: Tijdelijk besluit loonsuppletie WW.