U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-06-2007.
Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 15 juni 2000, houdende regels voor inrichtingen ten behoeve van de opslag van goederen (Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer)Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheerWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 18 augustus 1999, nr. MJZ99202475, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Gelet op richtlijn nr. 91/689/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PbEG L 377), richtlijn nr. 91/271/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1991 betreffende stedelijk afvalwater (PbEG L 135) en de artikelen 8.40, 8.41 en 8.42 van de Wet milieubeheer;

De Raad van State gehoord (advies van 24 januari 2000, nr. W08.99.0446/V);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 7 juni 2000, nr. MJZ 2000064166, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage15 juni 2000BeatrixDe Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,J. P. Pronkzesde juli 2000De Minister van Justitie,A. H. Korthals

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 oktober 2000.

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer.

1.1.1 Voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT) en het piekniveau (LAmax), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, geldt dat:

1.1.2 Trillingen, veroorzaakt door de tot de inrichting behorende installaties of toestellen, alsmede de aan de inrichting toe te rekenen werkzaamheden of andere activiteiten, bedragen in woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen niet meer dan de trillingsterkte zoals te bepalen volgens tabel 3 van de Richtlijn 2 «Hinder voor personen in gebouwen door trillingen», uitgave 1993 van de Stichting Bouwresearch Rotterdam, voor de gebouwfunctie wonen. De waarden gelden niet voorzover de gebruiker van een woning of andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van trillingmetingen.

1.1.3 In gevallen waarin op de inrichting voorschrift 10.2 van bijlage I van het Besluit opslag goederen milieubeheer van toepassing was, worden de waarden van het geluidniveau op de gevel van woningen in de tabel van voorschrift 1.1.1 met 5 dB(A) verhoogd. De eerste volzin is niet van toepassing indien lagere waarden waren vastgelegd in de vergunning die op 1 april 1990 in werking en onherroepelijk was. In dat geval gelden die lagere waarden.

1.1.4 Indien binnen een afstand van 50 meter van een inrichting die is gelegen op een industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder geen woningen van derden of andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn gelegen, geldt voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en het piekniveau (LAmax) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door die inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, dat het niveau op de in tabel II genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedraagt dan de in die tabel aangegeven waarden.

Tabel II

1.2.1 Indien het energieverbruik binnen de inrichting in enig kalenderjaar meer bedraagt dan 50 000 kWh elektriciteit of 25 000 m3 aardgas geeft degene die de inrichting drijft, op verzoek van het bevoegd gezag aan welke maatregelen of voorzieningen hij heeft getroffen of zal treffen, die ertoe bijdragen dat binnen de inrichting een zodanig zuinig gebruik van energie wordt gemaakt als redelijkerwijs mogelijk is.

1.2.2 Binnen een inrichting als bedoeld in voorschrift 1.2.1 worden die energiebesparingsmaatregelen of -voorzieningen uitgevoerd, die rendabel zijn.

1.3.1 Het ontstaan van afvalstoffen wordt zoveel mogelijk voorkomen of beperkt. Degene die de inrichting drijft:

1.3.2 Afvalstoffen worden van elkaar gescheiden, gescheiden gehouden en gescheiden afgegeven, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Dat geldt in ieder geval voor:

1.3.3 Gevaarlijke afvalstoffen die behoren tot verschillende categorieën van gevaarlijke afvalstoffen, worden van elkaar en van andere afvalstoffen gescheiden, gescheiden gehouden en gescheiden afgegeven.

1.3.4 De binnen de inrichting aanwezige afvalstoffen worden zodanig opgeslagen dat nadelige gevolgen voor het milieu worden voorkomen. Voorzover voorkomen niet mogelijk is, worden zij zodanig opgeslagen dat nadelige gevolgen voor het milieu zoveel mogelijk worden beperkt en gescheiden afgifte mogelijk blijft.

1.3.5 Bedrijfsafvalwater wordt niet in een riolering gebracht, indien dat water:

1.3.6 Bedrijfsafvalwater, afkomstig van een wasplaats, wordt niet in een openbaar riool gebracht, indien dat water:

1.3.7 Bedrijfsafvalwater dat afkomstig is van een wasplaats, een opslagplaats van zand, grond, of akkerbouwproducten of van een parkeergarage en dat zand bevat met een korreldiameter van meer dan 0,75 mm, bepaald met behulp van een testzeef volgens ISO 3310–1, uitgave juli 1990, wordt niet in een openbaar riool gebracht.

1.3.8 Bedrijfsafvalwater dat overigens in een openbaar riool wordt gebracht:

1.3.9 Voorschrift 1.3.8 is van overeenkomstige toepassing op bedrijfsafvalwater dat wordt gebracht in een andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

1.3.10 Aan voorschrift 1.3.8 wordt ten aanzien van het in een openbaar riool brengen van plantaardige of dierlijke oliën of vetten in elk geval voldaan, indien:

1.3.11 Het wassen van motorvoertuigen en machines of apparatuur vindt plaats op een daartoe bestemde wasplaats. De vloer van een wasplaats is vloeistofdicht. In afwijking van voorschrift 1.3.6 wordt bedrijfsafvalwater afkomstig van de wasplaats na behandeling in een slibvangput en een olie-afscheider in een openbaar riool gebracht, indien de concentratie aan minerale olie, bepaald volgens NEN 6675 met het daarop uitgegeven correctieblad, in enig monster van het bedrijfsafvalwater niet hoger is dan 200 mg/l.

1.3.12

1.3.13 Bedrijfsafvalwater afkomstig uit:

wordt, alvorens vermenging met bedrijfsafvalwater afkomstig uit andere ruimten plaatsvindt, door een doelmatige, goed toegankelijke controlevoorziening geleid.

1.3.14 In afwijking van voorschrift 1.3.13 kan worden volstaan met een doelmatige controlevoorziening op een andere plaats dan bedoeld in dat voorschrift. Voordat een controlevoorziening op een andere plaats wordt geplaatst, worden aan het bevoegd gezag gegevens verstrekt waaruit blijkt dat plaatsing van de controlevoorziening overeenkomstig voorschrift 1.3.13 niet mogelijk is.

1.3.15 In de vloer van een ruimte waar minerale olie wordt gebruikt, is geen schrobput aanwezig die in verbinding staat met een riolering, tenzij er tussen schrobput en riolering een olie-afscheider aanwezig is, die voldoet aan voorschrift 1.3.12.

1.4.1 Verwarmings- en stookinstallaties zijn zo afgesteld dat een optimale verbranding plaatsvindt. Binnen een inrichting worden geen andere brandstoffen dan aardgas, propaangas, butaangas of gasolie bedrijfsmatig verstookt of verbrand.

1.4.2 De uit een silo met fijnkorrelige stoffen of een houtmotopslagruimte ontwijkende of de bij het machinaal bewerken van hout, houten of houtachtige producten mechanisch afgezogen lucht passeert een stofafscheidingsinstallatie. De stofconcentratie in de naar buiten afgevoerde gereinigde lucht bedraagt niet meer dan 10 mg/m3.

1.4.3 Bij een mechanische ventilatie in een parkeergarage met ten minste 20 parkeerplaatsen, die deel uitmaakt van de inrichting:

1.5.1 De verlichting van gebouwen en open terrein van de inrichting dan wel ten behoeve van reclamedoeleinden wordt zodanig uitgevoerd dat directe lichtinstraling op lichtdoorlatende openingen van woon- of slaapvertrekken, in gevels of daken van woningen wordt voorkomen. Lichtverschijnselen als gevolg van werkzaamheden zoals lassen en snijden veroorzaken buiten de inrichting geen hinder.

1.6.1 In ruimten waar stofontploffingsgevaar bestaat, dan wel zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare of ontvlambare stoffen worden opgeslagen of gebruikt, is roken en open vuur verboden. Het verbod is duidelijk zichtbaar aangegeven door middel van tekst of een symbool.

1.6.2 Gasflessen zijn:

1.6.3 Indien in totaal meer dan 1000 liter brandbare gassen en zuurstof in gasflessen wordt opgeslagen, bedraagt de afstand tussen een opslaggebouw of buitenopslag als bedoeld in voorschrift 1.6.2, onder e, en de dichtstbijzijnde woning ten minste 15 m. Indien een brandmuur van voldoende grootte en met een WBDBO van ten minste 60 minuten tussen de opslagplaats en de woning is geplaatst, bedraagt de afstand ten minste 7,5 m.

1.6.4 Afsluiters in vaste gasleidingen zijn goed bereikbaar en aangebracht:

1.6.5 Acculaders, accumulatorbatterijen en noodstroomaggregaten zijn tijdens het laden en tijdens het in werking zijn opgesteld in een goed geventileerde ruimte. Ook andere installaties waar explosieve gassen kunnen ontstaan, zijn opgesteld in een goed geventileerde ruimte.

1.6.6 Een ruimte waarin explosieve dampen kunnen ontstaan dan wel brandbare of brandbevorderende gassen worden opgeslagen of gebruikt, is voldoende geventileerd. De verwarming in deze ruimten is indirect.

1.6.7 Buiten een stookruimte waarin verwarmings- of stooktoestellen zijn opgesteld met een gezamenlijke nominale belasting van 130 kW op bovenwaarde of hoger, is een goed bereikbare brandschakelaar aanwezig en een afsluiter waarmee de brandstoftoevoer kan worden afgesloten. Nabij de stookruimte is de plaats van de brandschakelaar en de afsluiter duidelijk aangegeven. Bij de afsluiter is duidelijk het doel en de wijze van sluiten aangegeven.

1.6.8 Het verwisselen van een LPG-tank van een motorvoertuig of van een LPG-wisselreservoir van een intern transportmiddel of transporthulpmiddel geschiedt alleen in de buitenlucht.

1.6.9 Silo's en installaties die fijnkorrelige stoffen bevatten, alsmede ruimten of apparatuur die met de silo of installatie in directe verbinding staan, zijn tijdens las-, slijp- en soldeerwerkzaamheden voldoende vrij van stof om stofontploffing te voorkomen. Bij de verwijdering van stof wordt het ontstaan van explosiegevaarlijke stofluchtmengels voorkomen en worden geen ontstekingsbronnen toegepast.

1.6.10 Teneinde een begin van brand doeltreffend te kunnen bestrijden, zijn binnen de inrichting voldoende mobiele brandblusapparaten aanwezig. In het deel van de inrichting dat is bestemd voor de op- en overslag van gevaarlijke stoffen, is voor elke 200 m2 vloeroppervlakte een mobiel brandblusapparaat aanwezig met een blusequivalent van 6 kg poeder. De loopafstand tot het dichtstbijzijnde brandblusapparaat is niet meer dan 20 m. Een brandblusapparaat is duidelijk zichtbaar geplaatst of opgehangen en is te allen tijde bereikbaar voor gebruik.

1.6.11 Een brand in een inrichting veroorzaakt op de erfgrens geen grotere stralingsbelasting dan 15 kW per m2. Op verzoek van het bevoegd gezag toont degene die de inrichting drijft aan, dat zodanige brandpreventieve voorzieningen zijn getroffen dat aan de eerste volzin wordt voldaan. Bij opslag op een open terrein bedraagt de vrije ruimte tussen opslag en erfgrens ten minste 7,5 m.

1.7.1 Een bodembeschermende voorziening of maatregel voldoet aan bodemrisicocategorie A zoals gedefinieerd in de NRB.

1.7.2 Degene die voornemens is de inrichting of een gedeelte daarvan buiten werking te stellen, meldt dit voornemen vóór het beëindigen aan het bevoegd gezag. In geval van het buiten werking stellen van de inrichting of een gedeelte daarvan, wordt een onderzoek naar de eindsituatie van de bodem uitgevoerd. Het onderzoek richt zich uitsluitend op die plaatsen waar bodembedreigende handelingen hebben plaatsgevonden en op de stoffen die door de werkzaamheden ter plaatse een bedreiging voor de bodemkwaliteit vormen. Uiterlijk binnen vier weken na het tijdstip van het buiten gebruik stellen wordt het bevoegd gezag in kennis gesteld van de resultaten van het onderzoek. Het bevoegd gezag kan besluiten dat het overleggen van een rapport van een onderzoek naar de eindsituatie van de bodem niet is vereist, indien het aannemelijk is dat de kans op bodemverontreiniging afwezig is.

1.8.1 Voorzover de voorschriften van dit besluit niet of in onvoldoende mate voorzien in een toereikende bescherming van het milieu tegen de nadelige gevolgen die de inrichting kan veroorzaken, worden die gevolgen voorkomen of, voorzover voorkomen niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperkt.

2.1.1 De opslag van en werkzaamheden met gevaarlijke stoffen geschieden overeenkomstig de aanwijzingen, waarschuwingen of gegevens op de verpakking of het bij de desbetreffende stoffen behorende veiligheidsinformatieblad.

2.1.2 Opslag van en werkzaamheden met vloeibare of visceuze gevaarlijke stoffen en brandbare vloeistoffen vinden plaats boven een bodembeschermende voorziening of maatregel. De bodembeschermende voorziening is vervaardigd van onbrandbaar en hittebestendig materiaal en is bestand tegen de inwerking van de in gebruik zijnde gevaarlijke stoffen en brandbare vloeistoffen. Indienboven de bodembeschermende voorziening zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare of ontvlambare vloeistoffen worden opgeslagen, moet deze voorziening 100% van deze vloeistoffen kunnen opvangen. Indien boven de bodembeschermende voorziening andere gevaarlijke vloeistoffen worden opgeslagen, is de inhoud van deze voorziening ten minste gelijk aan de inhoud van het grootste opgeslagen vat, vermeerderd met 10% van de inhoud van de overige opgeslagen gevaarlijke vloeistoffen. De bodembeschermende voorziening is permanent tegen inregenen beschermd.

2.1.3 Gevaarlijke stoffen worden opgeslagen in verpakkingsmaterialen, houders of insluitsystemen die naar hun aard en functie geschikt zijn voor de opslag van de desbetreffende stoffen.

2.1.4 Indien buiten de werkvoorraden in een ruimte of op een open terrein van de inrichting meer dan 25 kg of liter gevaarlijke stoffen of gevaarlijke afvalstoffen worden opgeslagen, anders dan het nederleggen tijdens transport in niet geopende emballage die aan derden is geadresseerd en voorzover genoemd in voorschrift 2.2.6, vindt de opslag plaats in een of meer speciaal daarvoor bestemde ruimten. De constructie van de opslagruimte en de wijze van opslag in die ruimte voldoen aan CPR 15–1. In de opslagruimte wordt ten hoogste 10 000 kg gevaarlijke stoffen in emballage en ten hoogste 1 000 kg aan stoffen met een groot aquatoxisch karakter, opgeslagen. Indien in een opslagruimte meer dan 2 500 kg gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, bedraagt de afstand tussen de opslagruimte en de dichtstbijzijnde woning ten minste 20 meter.

2.1.5 De constructie van en de wijze van opslag in de opslagruimte voor bestrijdingsmiddelen anders dan het nederleggen tijdens transport in niet geopende emballage die aan derden is geadresseerd en voorzover genoemd in voorschrift 2.2.6, voldoen aan CPR 15–3. In de opslagruimte wordt ten hoogste 2 500 kg bestrijdingsmiddelen opgeslagen.

2.1.6 De opslag van accu's vindt plaats in een bodembeschermende voorziening die bestand is tegen het aanwezige electrolyt. Accu's worden rechtop opgeslagen. Van een in de buitenlucht opgestelde opslag is de bodembeschermende voorziening permanent tegen inregenen beschermd.

2.1.7 De opslag in bovengrondse tanks van brandbare vloeistoffen met een vlampunt tussen 55 en 100 °C, voldoet aan CPR 9–6, van welke richtlijn de artikelen 4.1.2, 4.1.5, 4.2.6, 4.2.10 en 4.3.1 niet van toepassing zijn op een bovengrondse tank die reeds was opgericht voor 1 januari 2000.

2.1.8 Natronloog en zoutzuur wordt opgeslagen overeenkomstig CPR 15–1. Binnen de inrichting is niet meer dan 500 liter natronloog en niet meer dan 500 liter zoutzuur aanwezig.

2.1.9 Binnen de inrichting:

2.2.1 Het openen van verpakkingen, het overtappen, afvullen en ompakken van gevaarlijke stoffen in emballage is niet toegestaan.

2.2.2 Gevaarlijke stoffen en brandbare vloeistoffen in emballage en aan derden geadresseerd, die langer dan 48 uur binnen de inrichting verblijven, worden opgeslagen in een of meer speciaal hiervoor bestemde opslagruimten.

2.2.3 De constructie van een opslagruimte als bedoeld in voorschrift 2.2.2 is zodanig dat:

2.2.4 In de opslagruimte worden goederen:

2.2.5 De afstand tussen de opslagruimte als bedoeld in voorschrift 2.2.2, gemeten van de rand van de opslagruimte, en de dichtstbijzijnde woning of andere gevoelige bestemming bedraagt ten minste 20 m. De afstand tussen de open zijde van de opslagruimte en andere goederen of onroerende zaken, bedraagt ten minste 5 m. De afstand tussen de wanden van de opslagruimte en andere goederen of roerende zaken bedraagt ten minste 1 m.

2.2.6 In de in voorschrift 2.2.2 bedoelde opslagruimte worden uitsluitend de onderstaande stoffen opgeslagen:

2.2.7 Binnen de inrichting worden niet meer dan drie vervoerseenheden tegelijkertijd geparkeerd voor de duur van ten hoogste 24 uur per vervoerseenheid, indien deze gevaarlijke stoffen bevatten. De zondag enerkende feestdagen blijven bij de bepaling van de in de eerste volzin opgenomen tijdspanne buiten beschouwing. De zaterdag blijft bij de bepaling van de in de eerste volzin opgenomen tijdspanne slechts buiten beschouwing voorzover deze voor de inrichting niet als reguliere werkdag kan worden beschouwd. De afstand tussen een vervoerseenheid en de dichtstbijzijnde woning bedraagt ten minste 20 meter. In een vervoerseenheid zijn uitsluitend de in voorschrift 2.2.6 bedoelde gevaarlijke stoffen aanwezig.

2.2.8 Indien gevaarlijke stoffen en brandbare vloeistoffen in emballage korter dan 48 uur binnen de inrichting verblijven, worden deze overgeslagen in een speciaal daarvoor ingericht overslag- of laad- en losgedeelte. Het overslag- of laad- en losgedeelte is:

2.2.9 De inrichting van een opslagruimte als bedoeld in voorschrift 2.2.2 en het laad- en losgedeelte als bedoeld in voorschrift 2.2.8 binnen de inrichting, geschiedt overeenkomstig de aanwijzingen van het bevoegd gezag.

2.3.1 Een silo voor de opslag van fijnkorrelige stoffen of een houtmotopslagruimte is voorzien van een overvulsignalering en een explosieluik. Het vullen van een silo vanuit een transportmiddel geschiedt alleen pneumatisch. Verbindingen tussen de silo en het transportmiddel zijn stofdicht.

2.3.2 De metalen onderdelen van een installatie of silo voor de opslag van fijnkorrelige stoffen, alsmede van het met de installatie of silo in verbinding staande leidingwerk, zijn geaard. Een buitensilo is tegen blikseminslag beschermd.

2.3.3 Onverpakt zand en ander fijnkorrelig materiaal, dat in een niet afgesloten ruimte is opgeslagen, wordt vochtig gehouden en afgedekt of op een zodanige andere wijze opgeslagen, dat zand- of stofverspreiding wordt voorkomen. Bij het tegengaan van zand- of stofverspreiding wordt gehandeld dan wel worden maatregelen getroffen in overeenstemming met paragraaf 3.3 van de Nederlandse Emissie Richtlijnen Lucht.

2.3.4 Kunstmeststoffen worden opgeslagen in emballage of in een silo en gescheiden gehouden van de opslag van gevaarlijke stoffen en brandbare vloeistoffen. In de inrichting zijn geen andere kunstmeststoffen aanwezig dan die van type C als bedoeld in CPR 1. De constructie van de opslagruimte en de wijze van opslag in die ruimte voldoen aan CPR 1.

2.4.1 Verduurzaamd hout, bestemd voor opslag, overslag, bewerking of verwerking, dat niet is voorzien van een kwaliteitsverklaring, afgegeven door een door de Raad voor Accreditatie erkende instelling of een ten minste gelijkwaardige instelling, is zodanig opgeslagen dat het permanent tegen regen of andere vormen van neerslag is beschermd.

2.5.1 Beenderen en andere dierlijke afvalstoffen worden opgeslagen in een afgesloten ruimte. Indien de temperatuur in deze ruimte meer bedraagt dan 0°C en minder is dan of gelijk is aan 10°C, worden beenderen en andere dierlijke afvalstoffen ten minste wekelijks afgevoerd. Indien de temperatuur in deze ruimte meer bedraagt dan 10°C, worden beenderen en andere dierlijke afvalstoffen ten minste dagelijks afgevoerd.

2.5.2 Voorschrift 2.5.1 is niet van toepassing indien de hoeveelheid aan beenderen en andere dierlijke afvalstoffen niet meer bedraagt dan 5 kg.

2.6.1 Een elektrische pomp voor het afleveren van motorbrandstoffen is:

2.6.2 De elektrische installatie van de pomp moet zowel aan de pomp als bij een hoofdschakelaar kunnen worden uitgeschakeld. De schakelstanden moeten duidelijk zichtbaar zijn.

2.6.3 De pompkast van een elektrische pomp moet voldoende zijn geventileerd. De uitsparing in de pompkast waarin de vulafsluiter van de afleverslang in ruststand wordt geborgen, moet gasdicht van het inwendige van de pompkast zijn afgesloten.

2.6.4 Aflevering van motorbrandstof vindt niet plaats indien:

2.6.5 Het afleveren van motorbrandstoffen met een pomp vindt plaats boven een daartoe bestemde tankplaats. Deze tankplaats is voorzien van een vloeistofdichte vloer of voorziening die zich vanaf het aflevertoestel uitstrekt over een afstand van ten minste de lengte van de afleverslang plus 1 meter, met een minimum van 5 meter. Tot dit vloeistofdichte gedeelte wordt tevens gerekend dat deel waarop het aflevertoestel is geplaatst tot op een afstand van 1 meter vanaf het aflevertoestel aan de zijde waar zich geen tankende motorvoertuigen kunnen opstellen.

2.7.1 Een vloeistofdichte vloer of voorziening is aanwezig in een ruimte waar herstel- of onderhoudswerkzaamheden aan motorvoertuigen of onderdelen van motorvoertuigen worden verricht. De vloeistofdichte vloer of voorziening is zodanig gedimensioneerd dat alle bovengenoemde werkzaamheden boven de vloer kunnen plaatsvinden.

2.7.2 Een werkkuil is mechanisch geventileerd, tenzij binnen de ruimte waarin de werkkuil is gesitueerd, geen zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare of ontvlambare stoffen aanwezig zijn. Indien in de werkkuil zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare of ontvlambare stoffen worden gebruikt, zijn verlichting en apparatuur in de werkkuil zodanig uitgevoerd dat:

2.7.3 Bij het proefdraaien, testen en keuren van verbrandingsmotoren anders dan in een open ruimte, worden de uitlaatgassen op zodanige wijze via een afvoerleiding bovendaks afgevoerd dat voldoende verspreiding in de omgeving plaatsvindt.

2.7.4 Tijdens het schoonmaken van remvoeringen worden maatregelen getroffen om verspreiding van stof en asbestvezels buiten de inrichting te voorkomen.

2.7.5 Werkzaamheden waarbij vuur wordt gebruikt, worden niet verricht aan of in de onmiddellijke nabijheid van een brandstofreservoir of andere delen van een motorvoertuig, die brandstof bevatten. In de werkplaats alsmede in enig ander gebouw van de inrichting worden geen brandstofreservoirs van motorvoertuigen bijgevuld. De brandstofreservoirs zijn behoudens tijdens de aan de reservoirs te verrichten werkzaamheden goed gesloten.

2.7.6 Een brander van een hogedrukreiniger is voorzien van een vlambeveiliging. Een brandstoftank van een hogedrukreiniger krijgt geen hogere temperatuur dan 40 °C.

2.7.7 Aan een tankwagen worden geen werkzaamheden verricht indien gevaarlijke stoffen of brandbare vloeistoffen in de opslagtank aanwezig zijn.

2.7.8 Voorschrift 2.7.7 is niet van toepassing voor de uitvoering van noodreparaties, mits:

2.7.9 Plafonds en wanden van een inpandig of aanpandig gelegen werkplaats zijn zodanig dampdicht uitgevoerd, dat geen geurhinder in inpandig of aanpandig gelegen percelen ten gevolge van uitlaatgassen of olie-, benzine, verf- of oplosmiddeldampen kan ontstaan.

2.7.10 In de inrichting zijn niet meer dan vier autowrakken aanwezig.

2.7.11

2.8.1 Verfspuitwerkzaamheden of antiroestbehandelingen waarbij verf of antiroestmiddel met een nevelspuit worden opgebracht, vinden plaats in een speciaal daarvoor bestemde ruimte of deel van een ruimte, nabij een spuitwand, in een spuitkast, boven een spuitvloer of in een open of gesloten spuitcabine. Het aflakken vindt plaats in een gesloten spuitcabine. Spuitnevel en dampen die vrijkomen bij verfspuitwerkzaamheden of antiroestbehandelingen, worden afgezogen.

2.8.2 De tijdens het verfspuiten of uitvoeren van antiroestbehandelingen afgezogen overtollige spuitnevel en dampen passeren, alvorens in de buitenlucht te worden afgevoerd, een doelmatig en verwisselbaar filter, zodat zich geen verfdeeltjes of antiroestmiddeldeeltjes in de omgeving kunnen verspreiden.

2.8.3 Filterinstallaties worden zodanig onderhouden dat aan voorschrift 2.8.2 wordt voldaan.

2.8.4 De verwarmingsapparatuur ten behoeve van gecombineerde spuitdroogcabines is voorzien van een maximum temperatuurbeveiliging die bij een temperatuur hoger dan 85 °C automatisch de energietoevoer van de warmteopwekker afsluit.

2.8.5 Indien een motorvoertuig na verfspuitwerkzaamheden wordt gedroogd bij een temperatuur van meer dan 60 °C, worden de zich in het voertuig bevindende spuitbussen, brandblussers, LPG-tank en andere drukhouders verwijderd.

2.8.6 Voor het uitvoeren van verfspuitwerkzaamheden en antiroestbehandelingen met een spuitpistool worden geen brandbare gassen of zuiver zuurstof als verstuivingsmiddel gebruikt.

2.8.7 De uitmonding van een afvoerleiding van spuitnevel en dampen die vrijkomen bij verfspuitwerkzaamheden of antiroestbehandelingen bevindt zich ten minste 1 meter boven de hoogste daklijn van de bebouwing van de inrichting. Indien met het voorschrift in de vorige volzin ter voorkoming van geurhinder onvoldoende verspreiding van de in deze volzin bedoelde emissies wordt gewaarborgd, wordt een zodanige schoorsteenhoogte of situering gerealiseerd dat dit wel wordt gewaarborgd of wordt een ontgeuringsinstallatie geplaatst. De ontgeuringsinstallatie is zodanig uitgevoerd en onderhouden, dat geen geurhinder nabij woningen optreedt.

3.4.3.

Voorzover zij voor de inrichting zijn afgegeven, worden de PBV-Verklaring vloeistofdichte voorziening, het daarbij behorende inspectierapport en de documenten waaruit blijkt dat de controles, bedoeld in voorschrift 3.2.5, onderdeel f, zijn uitgevoerd, gedurende zes jaar na dagtekening bewaard.

3.1.1 De inrichting wordt regelmatig schoongemaakt en verkeert in een goede staat van onderhoud. Insecten, knaagdieren en ander ongedierte worden zo vaak als nodig is verwijderd en bestreden. Meelstof wordt regelmatig zodanig verwijderd dat voetstappen niet zichtbaar zijn. Alle binnen de inrichting vrijkomende afvalstoffen worden regelmatig afgevoerd.

3.1.2 Gemorste gevaarlijke stoffen, gevaarlijke afvalstoffen of afgewerkte olie worden direct opgeruimd en worden zo snel mogelijk geneutraliseerd of geabsorbeerd. De aard en de hoeveelheid van de absorptie- of neutralisatiemiddelen is afgestemd op de aard van de gevaarlijke stoffen, gevaarlijke afvalstoffen, afgewerkte olie en de werkzaamheden. Gebruikte absorptiemiddelen en niet meer voor gebruik geschikte gemorste gevaarlijke stoffen worden als gevaarlijk afval behandeld en opgeslagen overeenkomstig voorschrift 2.2.2. Beschadigde emballage en retourzendingen worden zo snel mogelijk afgevoerd en in afwachting daarvan opgeslagen overeenkomstig voorschrift 2.2.2.

3.1.3 Indien aan emballage lekkage ontstaat, wordt deze lekkage onmiddellijk verholpen. Bij lekkage wordt voorkomen dat:

3.2.1 Aan een verwarmings- of stooktoestel en een verbrandingsgasafvoersysteem wordt ten minste eenmaal per jaar onderhoud verricht. Op een verwarmings- of stooktoestel met een nominale belasting van 130 kW op bovenwaarde of hoger wordt bij ingebruikname en vervolgens ten minste eenmaal per twee jaar een beoordeling uitgevoerd op noodzakelijke afstelling en onderhoud teneinde aan voorschrift 1.4.1 te voldoen. Beoordeling, afstelling, onderhoud en reparaties geschieden door:

3.2.2 Brandblusmiddelen worden jaarlijks gecontroleerd door een instantie die is erkend op basis van de Regeling voor de erkenning van onderhoudsbedrijven kleine blusmiddelen, of een ten minste gelijkwaardige instelling.

3.2.3 Een vet- of olie-afscheider en slibvangput waardoor bedrijfsafvalwater wordt geleid:

3.2.4 Van het ledigen en reinigen van een vet- of olie-afscheider en een slibvangput waardoor bedrijfsafvalwater wordt geleid, wordt een logboek bijgehouden.

3.2.5.

3.2.6 Indien in de inrichting gevaarlijke stoffen, afgewerkte olie of gevaarlijke afvalstoffen worden opgeslagen, stelt degene die de inrichting drijft, gedragsvoorschriften op waarin ten minste wordt aangegeven wanneer en op welke wijze de opslagplaats, de emballage, de vloeistofdichte vloer of voorziening en de bodembeschermende voorziening of maatregel, worden gecontroleerd op lekkages, bodembeschermende aspecten en vloeistofdichtheid.

3.2.7 Indien bij de werkzaamheden binnen een op- of overslagbedrijf bedrijfsafvalwater vrij kan komen, stelt degene die de inrichting drijft, gedragsvoorschriften op die zijn gericht op het voorkomen van nadelige gevolgen voor het milieu en een doelmatige afvoer van het bedrijfsafvalwater en draagt hij ervoor zorg dat de gedragsregels worden nageleefd. Daarbij wordt ten minste aangegeven wanneer en op welke wijze controle van de desbetreffende installaties en onderdelen van de inrichting plaatsvindt.

3.2.8 De gedragsvoorschriften, bedoeld in de voorschriften 3.2.6 en 3.2.7, zijn binnen de inrichting zodanig zichtbaar aanwezig dat een ieder daarvan op een eenvoudige wijze kennis kan nemen. Degene die de inrichting drijft draagt er zorg voor dat de gedragsregels worden nageleefd.

3.3.1 Personeelsleden die ingevolge hun functie direct of indirect betrokken zijn bij de op- en overslag van gevaarlijke stoffen, zijn schriftelijk geïnstrueerd over:

3.3.2 Op daarvoor geschikte plaatsen in de op- en overslagruimten voor gevaarlijke stoffen is een duidelijk leesbare instructie aangebracht over veiligheidshandelingen, te gebruiken middelen, eerste hulp bij ongevallen en een alarmregeling.

3.3.3 Tijdens de werkzaamheden met betrekking tot de op- en overslag van gevaarlijke stoffen zijn minimaal een leidinggevende en een medewerker binnen de inrichting aanwezig met voldoende vakbekwaamheid op het gebied van het omgaan met gevaarlijke stoffen en het bestrijden van calamiteiten met gevaarlijke stoffen.

3.4.1 Van de opgeslagen gevaarlijke stoffen, die aan het einde van de werkdag binnen de inrichting aanwezig zijn en voor zover de opslag in totaal meer bedraagt dan 2500 kg, bedoeld in voorschrift 2.1.4, 2.2.6 en 2.2.8, wordt een registratie bijgehouden met ten minste de volgende gegevens:

3.4.2 Voorzover zij voor de inrichting zijn afgegeven dan wel zijn voorgeschreven, worden de onderstaande registraties, documenten of een kopie daarvan, gedurende vijf jaar na dagtekening bewaard:

4.1.1 In gevallen waarin de opgenomen waarden voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LAr, LT) en piekniveaus (LAmax), bedoeld in de voorschriften 1.1.1, 1.1.3 en 1.1.4, naar het oordeel van het bevoegd gezag te hoog of te laag zijn, kan het bevoegd gezag voor een inrichting bij nadere eis waarden vaststellen die lager of hoger zijn dan de opgenomen waarden, bedoeld in de voorschriften 1.1.1, 1.1.3 en 1.1.4. Voor inrichtingen die voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit zijn opgericht, mag de etmaalwaarde niet lager zijn dan 40 dB(A).

4.1.2 Het bevoegd gezag kan slechts hogere waarden vaststellen als bedoeld in voorschrift 4.1.1, indien binnen woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen die zijn gelegen binnen de akoestische invloedssfeer van de inrichting, een etmaalwaarde van 35 dB(A) wordt gewaarborgd. De in de eerste volzin bedoelde etmaalwaarde geldt niet indien de gebruiker van deze woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidmetingen.

4.1.3 Indien binnen een afstand van 50 m van de inrichting geen woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen zijn gelegen, kan het bevoegd gezag bij nadere eis vaststellen op welke plaats de in voorschrift 1.1.1, 1.1.3, 1.1.4 of 4.1.1 opgenomen waarden voor een inrichting gelden.

4.1.4 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de voorzieningen die binnen de inrichting moeten worden aangebracht en gedragsregels die in acht moeten worden genomen, teneinde te bereiken dat aan paragraaf 1.1 en de voorschriften 4.1.1 of 4.1.3 wordt voldaan.

4.1.5 Het bevoegd gezag kan bij nadere eis voor trillingen als bedoeld in voorschrift 1.1.2 een andere trillingsterkte toelaten. Deze trillingsterkte mag niet lager zijn dan de streefwaarden die zijn gedefinieerd voor de gebouwfunctie wonen in Richtlijn 2 «Hinder voor personen in gebouwen door trillingen» van de Stichting Bouwresearch, Rotterdam, uitgave 1993.

4.2.1 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot te treffen rendabele maatregelen of voorzieningen als bedoeld in voorschrift 1.2.2.

4.2.2 Een nadere eis als bedoeld in voorschrift 4.2.1 kan niet de verplichting inhouden tot het treffen van maatregelen of voorzieningen tot beperking van het energiegebruik die een terugverdientijd hebben van meer dan vijf jaar voor gebouwen, faciliteiten en processen.

4.2.3 Een nadere eis als bedoeld in voorschrift 4.2.1 kan geen betrekking hebben op de eigenschappen van toestellen of installaties waarop de Wet energiebesparing toestellen van toepassing is.

4.3.1 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot:

4.3.2 Een nadere eis als bedoeld in voorschrift 4.3.1, onder b, kan niet betreffen de verplichting tot het treffen van maatregelen of voorzieningen tot het voorkomen of het beperken van het ontstaan van afvalstoffen die een terugverdientijd hebben van meer dan vijf jaar.

4.3.3 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot het treffen van maatregelen of voorzieningen ten behoeve van het scheiden, gescheiden houden, gescheiden afgeven en het gescheiden opslaan van afvalstoffen als bedoeld in voorschrift 1.3.2, 1.3.3 en 1.3.4.

4.3.4 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid van bedrijfsafvalwater dat in een openbaar riool als bedoeld in voorschrift 1.3.8 of in een andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater als bedoeld in voorschrift 1.3.9, wordt gebracht.

4.3.5 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de plaats van een controlevoorziening als bedoeld in de voorschriften 1.3.13 en 1.3.14.

4.4.1 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de situering van de aanzuigopening en uitmonding van een mechanische ventilatie van een parkeergarage, indien aan voorschrift 1.4.3 niet kan worden voldaan.

4.4.2 Het bevoegd gezag kan bij nadere eis maatregelen voorschrijven ter beperking van de emissie van benzeen uit een parkeergarage die deel uitmaakt van de inrichting.

4.4.3 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de afzuiging van dampen en verbrandingsgassen, bedoeld in voorschrift 1.4.3.

4.4.4 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de wijze van afzuiging van dampen en de situering van de uitmonding van de dampafvoer, bedoeld in voorschrift 2.8.7, en kan voorzieningen voorschrijven ter beperking van emissies van vluchtige organische koolwaterstoffen.

4.5.1 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de maatregelen of voorzieningen, te treffen ten behoeve van het voorkomen of het beperken van hinder door de in voorschrift 1.5.1 bedoelde verlichting of door werkzaamheden zoals lassen en snijden.

4.6.1 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de plaats en de wijze van opslag van gassen als bedoeld in de voorschriften 1.6.2, onder b, c en e, en 1.6.3.

4.7.1 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de opslag en overslag van gevaarlijke stoffen en brandbare vloeistoffen met betrekking tot:

4.8.1 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de binnen de inrichting te treffen voorzieningen en maatregelen, bedoeld in de voorschriften 1.3.11, 2.1.2, 2.2.3, 2.2.8, 2.6.5 en 2.7.1, en het in acht nemen van gedragsregels in overeenstemming met het gestelde in de NRB.