U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 12-08-2000.

Ministeriële regeling · BWBR0011475

Regeling grenswaarden afvalwater s-PVC-productie

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 7 juli 2000, houdende grenswaarden voor bepaalde stoffen die voorkomen in afvalwater dat vrijkomt bij de productie van s-PVCRegeling grenswaarden afvalwater s-PVC-productieDe Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Gelet op OSPAR-Besluit 98/5 inzake de grenswaarden voor emissie en lozing voor de vinylchloridesector bij de productie van suspensie-PVC (s-PVC) uit vinylchloride-monomeer (VCM) (OSPAR 98/14/1 para B-8.2 en annex 40) en artikel 1a, derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in het Staatsblad worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

's-Gravenhage 7 juli 2000De Ministervan Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,J. P. Pronkde tiende augustus 2000De Ministervan Justitie,A. H. Korthals

In deze regeling wordt verstaan onder:

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling grenswaarden afvalwater s-PVC-productie.

Bijlage I: Grenswaarden voor afvalwater s-PVC produktie

A: meetpunt na effluent stripper en voor secundaire zuivering 1.

B: meetpunt in afvalwater na het doorlopen van gehele waterzuiveringsinstallatie

1.

De concentraties en vrachten voor de stoffen waarvoor in bijlage l grenswaarden zijn vastgesteld worden door het bedrijf dat s-PVC produceert bemonsterd, gemeten en geanalyseerd.

2.

Het bemonsteren van het afvalwater wordt zodanig uitgevoerd dat een monster wordt verkregen dat representatief is voor het geloosde afvalwater gedurende een etmaal.

3.

Het bemonsteren en meten van gechloreerde koolwaterstoffen of adsorbeerbare organische halogeenverbindingen (AOX) of extraheerbare organische halogeenverbindingen (EOX) wordt uitgevoerd via steekmonsters over een periode van een etmaal.

4.

De frequentie van meting en bemonstering wordt in de vergunning vastgesteld door het bevoegd gezag.

5.

De monsters worden, daar waar dit niet strijdig is met de voorgeschreven analysemethodiek, gehomogeniseerd in behandeling genomen zonder dat daaruit bezinkbare of opdrijvende bestanddelen zijn verwijderd.

6.

Ten aanzien van het monstername punt wordt aan de in bijlage I gestelde vereisten voldaan.

Het is toegestaan een methode met een gelijke of hogere nauwkeurigheid te gebruiken.