Wijzigingen Officiële bron
Verordening van de Sociaal-Economische Raad van 15 september 2000 houdende criteria ter bepaling van de representativiteit van organisaties van ondernemers en van werknemers ten behoeve van de samenstelling van publiekrechtelijke colleges op centraal, bedrijfstak- en regionaal niveau, alsmede criteria voor de toewijzing van zetels in deze colleges aan representatieve organisaties van ondernemers en van werknemers (Verordening representativiteit organisaties)Verordening representativiteit organisaties De Sociaal-Economische Raad;

Gehoord de Bestuurskamer;

Gelet op artikel 74, eerste lid, van de Wet op de bedrijfsorganisatie;

Besluit:

Den Haag 15 september 2000H.H.F.WijffelsvoorzitterN.C.M. vanNiekerkalgemeen secretaris

Goedgekeurd door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede namens de ministers van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en van Economische Zaken, d.d. 9 januari 2001, nr. AV/A&M/2000/95335.

Het in deze verordening bepaalde vindt toepassing bij het voorbereiden en nemen van besluiten door de Sociaal-Economische Raad en zijn commissies, houdende aanwijzing van organisaties van ondernemers en van werknemers die gerechtigd zijn tot het benoemen van de leden, onder bepaling van het aantal leden dat per organisatie benoemd kan worden, in:

Voor aanwijzing als gerechtigd tot het benoemen van leden van de in artikel 1 bedoelde publiekrechtelijke colleges komen slechts in aanmerking organisaties die:

De organisatie dient de rechtsvorm te hebben van een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid. De besturende, beleidsbepalende en controlerende organen van de vereniging dienen hetzij bij directe, hetzij bij getrapte verkiezing door de leden te worden gekozen en aan dezen periodiek verantwoording af te leggen.

De organisatie dient gedurende ten minste twee jaren over de in artikel 3 genoemde rechtsbevoegdheid te beschikken. De periode gedurende welke een rechtsvoorganger in het bezit was van deze rechtsbevoegdheid, wordt meegeteld. Indien een organisatie de relevante werkzaamheden van een of meer andere organisaties voortzet, kan de periode gedurende welke die organisatie of organisaties volledige rechtsbevoegdheid had respectievelijk hadden, mede in aanmerking worden genomen.

De statutaire doelstelling van de organisatie moet behelzen de behartiging van sociale en economische belangen van de bij haar, of de bij haar aangesloten verenigingen, aangesloten ondernemers onderscheidenlijk werknemers.

De organisatie dient in haar beleidsbepaling onafhankelijk te zijn van enige andere organisatie, niet zijnde een vereniging van organisaties van ondernemers onderscheidenlijk werknemers.

De inrichting en de financiële draagkracht van de organisatie dienen zodanig te zijn dat een geregelde voortzetting van de werkzaamheden gewaarborgd is.

Een organisatie van werknemers kan slechts representatief zijn voor een bepaalde groep van werknemers die zij beoogt te organiseren, indien zij een niet onbetekenend aantal leden heeft die tot die groep behoren.

Een organisatie van ondernemers kan slechts representatief zijn voor een bepaalde groep van ondernemers die zij beoogt te organiseren, indien haar leden tezamen een niet onbetekenend sociaal- economisch gewicht binnen die groep hebben en derhalve de organisatie qua sociaal-economische grootte niet onbetekenend is. Voor de bepaling van de sociaal-economische grootte van een organisatie van ondernemers komen als maatstaf in aanmerking: het aantal ondernemers dat lid is van de organisatie, de omzet van ondernemingen van de leden en het totale aantal personen werkzaam in deze ondernemingen. Zo nodig kunnen voorts als maatstaf in aanmerking worden genomen: het aantal zelfstandige ondernemingen of vestigingspunten van de leden, de betaalde lonen of de door de leden verwerkte hoeveelheid grondstof.

Voor het benoemen van leden van een college waarvan de taak betrekking heeft op sociaal- economische vraagstukken op centraal-nationaal niveau, komen representatieve centrale organisaties van ondernemers onderscheidenlijk van werknemers in aanmerking.

Indien door de aanwijzing van representatieve centrale organisaties van ondernemers onderscheidenlijk van werknemers niet een voldoende, alsmede een voldoende gespreide, vertegenwoordiging kan worden verkregen over de ondernemers en over de werknemers in het gehele bedrijfsleven, kunnen in afwijking van artikel 11 en voorzover de wet zich daartegen niet verzet, ook representatieve bedrijfstakorganisaties worden aangewezen die niet bij een centrale organisatie zijn aangesloten. Als voorwaarde daarbij geldt dat deze bedrijfstakorganisaties mede zijn toegerust om zich een oordeel te vormen over sociaal-economische vraagstukken op nationaal niveau.

Voor het benoemen van leden van een college waarvan de taak betrekking heeft op sociaal- economische vraagstukken op het niveau van een bedrijfstak, komen representatieve bedrijfstakorganisaties van ondernemers onderscheidenlijk van werknemers in aanmerking, alsmede representatieve centrale organisaties die blijkens hun statuten een of meer afdelingen of aangesloten organisaties voor die bedrijfstak hebben.

Laatstgenoemde afdelingen of aangesloten organisaties dienen in dat geval te voldoen aan de kwantitatieve representativiteitsvereisten, bedoeld in de artikelen 8 en 9, alsmede aan de in artikel 10, tweede lid, tweede volzin, bedoelde eis. Bedoelde afdelingen of aangesloten organisaties moeten bovendien voldoen aan de voorwaarde dat zij mede zijn toegerust voor het beoordelen van vraagstukken waarvoor het college is ingesteld.

Indien door de aanwijzing van organisaties als bedoeld in artikel 13, niet een voldoende, alsmede een voldoende gespreide, vertegenwoordiging kan worden verkregen over de ondernemers en over de werknemers in de gehele bedrijfstak, kunnen ook organisaties worden aangewezen die zich beperken tot bepaalde onderdelen van de bedrijfstak en daarvoor representatief moeten worden geacht. Deze organisaties moeten voldoen aan de voorwaarde dat zij mede zijn toegerust voor het beoordelen van vraagstukken waarvoor het college is ingesteld.

Voor het benoemen van leden van een college waarvan de taak betrekking heeft op sociaal- economische vraagstukken op regionaal niveau, komen in aanmerking representatieve organisaties van ondernemers onderscheidenlijk van werknemers voor de desbetreffende regio, alsmede representatieve centrale organisaties die blijkens hun statuten een of meer afdelingen of aangesloten organisaties voor die regio hebben. Laatstgenoemde afdelingen of aangesloten organisaties dienen in dat geval te voldoen aan de kwantitatieve representativiteitsvereisten bedoeld in de artikelen 8 en 9, alsmede aan de in artikel 10, lid 3, tweede volzin, bedoelde eis. Deze afdelingen of organisaties moeten bovendien

voldoen aan de voorwaarde dat zij mede zijn toegerust voor het beoordelen van vraagstukken waarvoor het college is ingesteld.

Indien voor de bestuurssamenstelling van het regionale college onvoldoende regionale organisaties en centrale organisaties als bedoeld in artikel 15 kunnen worden aangewezen, kunnen ook representatieve bedrijfstakorganisaties of andere representatieve centrale organisaties dan de in artikel 15 bedoelde worden aangewezen, mits zij mede toegerust zijn voor het beoordelen van vraagstukken waarvoor het college is ingesteld.

Voorafgaand aan de toewijzing van zetels aan individuele representatieve organisaties, kan een verdeling van de beschikbare zetels plaatsvinden over groepen van ondernemers onderscheidenlijk van werknemers, in welk geval de toewijzing van zetels aan representatieve organisaties per groep geschiedt.

Voorwaarden voor verdeling van zetels over groepen zijn:

Ingeval alle representatieve organisaties van ondernemers onderscheidenlijk van werknemers die zich voor aanwijzing van bestuursleden hebben aangemeld, ingevolge hoofdstuk 3 in aanmerking komen voor de benoeming van een of meer leden in een college in onderling overleg volledige overeenstemming bereiken over de zetelverdeling, geschiedt de toewijzing van zetels dienovereen- komstig.

Indien blijkt dat de zetelverdeling van een college niet overeenkomstig artikel 19 kan plaatsvinden, worden de voor ondernemers onderscheidenlijk werknemers beschikbare zetels in het betrokken college tussen de aanwezige representatieve organisaties verdeeld overeenkomstig de verhouding tussen deze organisaties wat hun sociaal-economische grootte betreft; bij de organisaties van werknemers wordt daarbij hun ledental of dat van de aangesloten organisaties in het ressort van het desbetreffende college als maatstaf genomen; ten aanzien van de organisaties van ondernemers wordt het bepaalde in de tweede en derde zin van artikel 9 overeenkomstig toegepast.

De toewijzing van zetels aan organisaties van ondernemers onderscheidenlijk werknemers geschiedt met inachtneming van de volgende regels:

De toewijzing van eventuele restzetels geschiedt met inachtneming van de volgende regels:

Representatieve organisaties van ondernemers onderscheidenlijk van werknemers kunnen verzoeken gezamenlijk te worden aangewezen voor het benoemen van een of meer leden. Daarbij worden zij voor de toepassing van de in de artikelen 20 tot en met 22 opgenomen regels voor de zetelverdeling over organisaties behandeld als waren zij één organisatie, met dien verstande dat, indien en voorzover dit mogelijk is, bij de bepaling van de sociaal-economische grootte dubbeltellingen als gevolg van het feit dat bepaalde ondernemers of werknemers bij meer dan een van de organisaties zijn aangesloten, worden voorkomen.

Het SER-besluit Richtlijnen representativiteit organisaties wordt ingetrokken.

Deze verordening treedt in werking met ingang van de tweede dag na publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie.

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening representativiteit organisaties.