Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 12 oktober 2000, houdende vaststelling van voorschriften ter uitvoering van de Interimwet zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs (Uitvoeringsbesluit Interimwet zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs)Uitvoeringsbesluit Interimwet zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijsWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 6 juli 2000, nr. WJZ/2000/24863 (3735), directie Wetgeving en Juridische Zaken, mede namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, K.Y.I.J. Adelmund, en Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

Gelet op de artikelen 4, derde lid, onder b, 7, tweede lid, en 8, eerste en tweede lid, van de Interimwet zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs;

De Raad van State gehoord (advies van 27 juli 2000, nr. WO5.00 0267/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, van 6 oktober 2000, nr. WJZ/2000/33431 (3735), directie Wetgeving en Juridische Zaken, mede namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, K.Y.I.J. Adelmund, en Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage12 oktober 2000BeatrixDe Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,L. M. L. H. A. HermansDe Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,K. Y. I. J. AdelmundDe Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,L. J. Brinkhorsteenendertigste oktober 2000De Minister van Justitie,A. H. Korthals

In dit besluit wordt verstaan onder:

De beroepsgerichte vakken, bedoeld in artikel 4, derde lid, onder b, van de wet zijn de volgende in artikel 26h van het Inrichtingsbesluit W.V.O. genoemde vakken:

De bijdrage die het instellingsbestuur ingevolge artikel 7, tweede lid, van de wet kan verlangen, bedraagt ten hoogste:

Het assessment berust mede op bevindingen uit praktijkopdrachten, waaronder opdrachten waaruit het gedrag blijkt in authentieke situaties. Tevens omvat het assessment één of meer gestructureerde gesprekken met betrokkene, waaronder ten minste een gesprek over de in de eerste volzin bedoelde bevindingen.

Ter waarborging van de kwaliteit van het geschiktheidsonderzoek draagt het instellingsbestuur er in elk geval zorg voor dat de in artikel 4, vijfde lid, van de wet bedoelde personen die dit onderzoek afnemen, daarvoor voldoende geschikt zijn en onafhankelijk van hun eventuele overige werkzaamheden in dienst van of ten behoeve van die instelling, tot een professioneel oordeel kunnen komen. Het instellingsbestuur stelt de inrichting van het geschiktheidsonderzoek vast, draagt in dat verband zorg voor een duidelijke positie van de aanvrager in het geschiktheidsonderzoek en ziet toe op een zodanige verslaglegging over dat onderzoek dat daaruit in elk geval een deugdelijke motivering van het oordeel over de onderzoekresultaten blijkt.

Ter waarborging van de kwaliteit van het bekwaamheidsonderzoek draagt het instellingsbestuur er in elk geval zorg voor dat de personen die dit onderzoek afnemen, daarvoor voldoende geschikt zijn. Artikel 7.12, derde lid, tweede volzin, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek is van overeenkomstige toepassing. Het instellingsbestuur stelt de inrichting van het bekwaamheidsonderzoek vast, draagt in dat verband zorg voor een duidelijke positie van de aanvrager in het bekwaamheidsonderzoek en ziet toe op een zodanige verslaglegging over dat onderzoek dat daaruit in elk geval een deugdelijke motivering van het oordeel over de onderzoekresultaten blijkt.

Degene die zich wil onderwerpen aan een bekwaamheidsonderzoek, dient daartoe een aanvraag in bij het instellingsbestuur.

De periode van scholing en begeleiding wordt zodanig ingericht dat daarin voor betrokkene in elk geval tweemaal de gelegenheid bestaat het bekwaamheidsonderzoek te ondergaan.

Aan degene die met gunstig gevolg heeft deelgenomen aan het bekwaamheidsonderzoek, verstrekt de daarvoor in aanmerking komende examencommissie van de instelling voor hoger onderwijs binnen twee weken nadat het onderzoek is afgesloten het getuigschrift, bedoeld in artikel 6, derde lid, van de wet.

Voor zover betrokkene de werkzaamheden ten aanzien waarvan hem een geschiktheidsverklaring is verstrekt, gelijktijdig verricht bij twee of meer bevoegde gezagsorganen, dragen deze bevoegde gezagsorganen er zorg voor dat de overeenkomsten, bedoeld in artikel 5 van de wet, waarbij zij ten aanzien van betrokkene partij zijn, op elkaar worden afgestemd. Zonodig wordt een al gesloten overeenkomst daartoe gewijzigd.

Dit besluit treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Laatstbedoeld besluit wordt niet genomen voordat vier weken zijn verstreken nadat het onderhavige besluit is overgelegd aan beide kamers der Staten-Generaal en gedurende die termijn niet door of namens een van beide kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die artikelen geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld.

Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit Interimwet zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs.