Wijzigingen Officiële bron
Belasting zware motorrijtuigen, teruggaaf voor gecombineerd vervoerBelasting zware motorrijtuigen, teruggaaf voor gecombineerd vervoer De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

Met ingang van 1 augustus 2000 is artikel 14a van de Wet belasting zware motorrijtuigen (hierna te noemen de Wet) in werking getreden. Ingevolge dit artikel kan teruggaaf worden verleend van de belasting of een gedeelte ervan, indien de vrachtwagen waarvoor de belasting is betaald, is betrokken in het zogenoemde gecombineerd vervoer. Bij ministeriële regeling (artikel 3a van de Uitvoeringsregeling belasting zware motorrijtuigen, hierna uitvoeringsregeling) zijn nadere voorwaarden en beperkingen ten aanzien van deze teruggaaf gesteld.

In artikel 14a van de Wet is een definitie opgenomen van hetgeen dient te worden verstaan onder gecombineerd vervoer.

Dit is het goederenvervoer tussen lidstaten van de Europese Unie waarbij het motorrijtuig (de vrachtwagen, de aanhangwagen, de oplegger met of zonder de trekker, de wissellaadbak of de container van 20 voet of meer) gebruik maakt van de weg voor het eerste of laatste gedeelte in het traject, en voor het andere gedeelte van het spoor of de binnenwateren of van een zee-traject wanneer dat meer bedraagt dan 100 km hemelsbreed gemeten.

Het vervoer over de weg zal betrekking hebben op het zogenoemde voor- of natraject, te weten het vervoer van de plaats van lading naar de plaats (een zogenoemde terminal) waar de goederen worden overgeslagen naar het spoor, naar een binnenschip of naar een zeeschip, of het omgekeerde vervoer van die terminal naar de plaats van lossing. De term ‘goederen’ is feitelijk niet correct. Er is pas sprake van gecombineerd vervoer in de gevallen waarin het vervoermiddel (de vrachtwagen, de aanhangwagen, de oplegger met of zonder trekker, de wissellaadbak of de container van tenminste 20 voet) wordt overgeslagen.

Van gecombineerd vervoer kan geen sprake zijn wanneer de goederen uit het vervoermiddel worden gelost om vervolgens te worden geladen in bijvoorbeeld een spoorwagon.

Voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om te voldoen aan de definitie van gecombineerd vervoer, zijn:

Zoals gezegd dient er sprake te zijn van vervoer tussen Lidstaten van de Europese Unie. Er is dus geen sprake van gecombineerd vervoer indien het vervoer per spoor (of over zee of binnenwateren) begint en eindigt binnen Nederland; alsdan is geen sprake van vervoer tussen Lidstaten. Er is evenmin sprake van gecombineerd vervoer, indien het vervoermiddel in Nederland op de trein wordt gezet met een bestemming in bijvoorbeeld Polen. Vervoer per spoor, over zee of over binnenwateren dat eindigt of is begonnen buiten de Europese Unie, kan dus nooit aanleiding geven tot teruggaaf van belasting in het kader van de regeling voor gecombineerd vervoer.

Er is daarentegen wel sprake van gecombineerd vervoer in de gevallen waarin de in Nederland aangevangen treinreis (of het vervoer over zee of over binnenwateren) wordt beëindigd in de Europese Unie. Het feit dat de goederen daarna over de weg worden vervoerd naar een bestemming in een derde land behoeft geen belemmering te zijn. In dat geval kan dus teruggaaf van belasting worden verleend voor de vrachtwagen die het vervoermiddel hier te lande bij de terminal heeft aangeboden.

De teruggaaf van de belasting wordt verleend voor de dag waarop de vrachtwagen waarvoor de belasting is betaald, is betrokken bij het gecombineerd vervoer. Er hoeft slechts één keer een dergelijke vervoerbeweging met dat motorrijtuig op een in Nederland gelegen terminal op die dag te zijn verricht om recht te hebben op een volledige teruggaaf voor die dag. Daarbij is de duur van die beweging niet van belang, evenmin de vraag of er gedurende die dag ook andere vervoerbewegingen zijn verricht die niet als gecombineerd vervoer worden aangemerkt.

De hoogte van de teruggaaf is mede afhankelijk van het tijdvak waarvoor belasting is betaald. Indien belasting is betaald voor een dag, dan wordt het gehele bedrag teruggegeven. Is de belasting betaald voor een week, dan wordt een zevende deel van de belasting teruggegeven. Bij een tijdvak van een maand wordt een dertigste deel van de belasting teruggegeven en bij een jaar een driehonderdvijfenzestigste deel.

Het tijdvak waarover teruggaaf kan worden gevraagd is drie maanden. Dat houdt in dat men de belasting die men betaald heeft voor een tijdvak van een dag, voor een week of voor een maand en waarvoor aanspraak op teruggaaf bestaat, zal moeten ‘opsparen’ totdat een periode van drie maanden is verstreken. Indien de belasting is betaald voor een tijdvak van een jaar, kan pas teruggaaf worden gevraagd nadat dat jaar is verstreken. De teruggaaf dient telkens binnen een termijn van drie maanden na afloop van een periode van drie maanden of een jaar te worden aangevraagd.

De teruggaaf van belasting zoals bedoeld in artikel 14a van de Wet is eveneens van toepassing op de belasting (het gebruiksrecht) dat buiten Nederland is geheven. Ingevolge het tweede lid van artikel 20 van de Wet wordt de teruggaaf dan berekend op basis van de Nederlandse tarieven als ware de belasting in Nederland betaald. Door deze systematiek behoeft geen rekening te worden gehouden met omrekeningskoersen en dergelijke voor de in het buitenland betaalde belasting.

Om in aanmerking te komen voor teruggaaf dient een verzoek te worden ingediend bij de bevoegde inspecteur: het Centraal bureau motorrijtuigenbelasting. Voor dit verzoek is een speciaal formulier ontworpen.

De gegevens die voor het verzoek om teruggaaf van belang zijn, zijn:

Bij het verzoek om teruggaaf dient ter zake van elke rit die in het kader van het gecombineerd vervoer is verricht, een verklaring van de terminalhouder te worden overgelegd. Ingevolge artikel 3a, derde lid, van de uitvoeringsregeling dient deze verklaring de volgende gegevens te bevatten:

Voorbeelden

Voor nadere inlichtingen over de toepassing van deze regeling, kan telefonisch contact opgenomen worden met de Belastingdienst/Centraal bureau motorrijtuigenbelasting, telefoon (055) 528 12 00.

Formulieren kunnen ook aangevraagd worden via het postadres van het Cbm: postbus 9051, 7300 GN Apeldoorn of via het faxnummer (055) 528 71 42.