U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-07-2010.
Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 23 november 2000, houdende vaststelling van de regeling inzake de bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren (Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren)Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenarenWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op voordracht van Onze Minister van Justitie van 18 augustus 2000, nr. 5045031/00/06, directoraat-generaal Wetgeving, Rechtspleging en Rechtsbijstand, directie Wetgeving;

Gelet op artikel 54, tweede lid, onderdeel b, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren;

De Raad van State gehoord (advies van 21 september, no. W03.00 0384/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 14 november 2000, nr. 5061726/00/6, directoraat-generaal Wetgeving, Rechtspleging en Rechtsbijstand, directie Wetgeving;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage23 november 2000BeatrixDe Minister van Justitie,A. H. Korthalsde zevende december 2000De Minister van Justitie,A. H. Korthals

Indien ten aanzien van de uitkering die betrokkene krachtens de Werkloosheidswet of krachtens de Ziektewet geniet een verplichting of een sanctie wordt opgelegd, wordt die verplichting eveneens opgelegd dan wel die sanctie op overeenkomstige wijze toegepast op de aanvullende uitkering.

De duur van de aansluitende uitkering is de op het moment van ontslag berekende uitkeringsduur op basis van artikel 2, verminderd met de ter zake van dat ontslag berekende uitkeringsduur krachtens de Werkloosheidswet.

Aan de betrokkene, die buiten de rijksdienst arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, kan op zijn aanvraag ter zake van de kosten, die voor hem aan een daartoe nodige verhuizing zijn verbonden, een eenmalige tegemoetkoming worden toegekend van € 1 361 onder verrekening van een tegemoetkoming in verhuiskosten uit anderen hoofde.

Op aanvraag van de betrokkene kan het recht op de bovenwettelijke uitkering voor 30% van de nominale waarde daarvan worden afgekocht indien de bestemming van het afkoopbedrag kansen biedt op een blijvende opheffing van de bestaande werkloosheid.

In afwijking van de artikelen 4 en 10 bedraagt het percentage 77% in plaats van 80%, 72% in plaats van 75%, 67% in plaats van 70% van het dagloon, zolang de Wet van 20 december 1984, houdende aanpassing van uitkeringspercentages van ontslaguitkerings- en arbeidsongeschiktheidsregelingen voor overheidspersoneel, onderwijspersoneel en daarmee gelijk te stellen personeel (Stb. 657) op de betrokkene van toepassing is.

Het dagloon wordt steeds aangepast overeenkomstig een algemene wijziging van het salaris en van de vakantie-uitkering van rechterlijke ambtenaren, met ingang van de dag waarop de salariswijziging respectievelijk de wijziging van de vakantie-uitkering van kracht wordt.

Wijzigt het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren.

Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2001.

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren.