Regeling · BWBR0011920

Vestigingsbesluit bedrijven

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 11 december 2000, houdende beperking van de eisen van handelskennis en vakbekwaamheid, bedoeld in de Vestigingswet Bedrijven 1954, tot die eisen die strikt noodzakelijk zijn vanwege hun beschermend effect op de veiligheid, de gezondheid of het milieu (Vestigingsbesluit bedrijven)Vestigingsbesluit bedrijvenWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 12 september 2000, nr. WJZ 00055438;

Gelet op artikelen 4, 4a, 6, 7, 8, 11 en 19 van de Vestigingswet Bedrijven 1954;

De Raad van State gehoord (advies van 17 november 2000, nr. W10.00.0425/II);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 5 december 2000, nr. WJZ 00074290;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage11 december 2000BeatrixDe Minister van Economische Zaken,A. Jorritsma-Lebbinkzevenentwintigste december 2000De Minister van Justitie,A. H. Korthals

In dit besluit wordt verstaan onder:

In dit besluit wordt verstaan onder:

Als bouwbedrijf wordt aangewezen:

Als installatiebedrijf wordt aangewezen:

Als levensmiddelenbedrijf wordt aangewezen:

Een vergunning tot uitoefening van een van de bedrijven, bedoeld in artikel 5, onderdeel f, en artikel 7, onderdelen a en b, houdt tevens de bevoegdheid in tot uitoefening van de overigens in artikel 5 onderscheidenlijk 7 aangewezen bedrijven waarvoor overeenkomstige eisen gelden.

Artikel 3, eerste lid, is niet van toepassing op:

Een vergunning tot uitoefening van het bouwbedrijf, bedoeld in artikel 4, wordt verleend indien door de bedrijfsleider wordt voldaan aan de volgende in artikel 6 van de wet bedoelde eis: kennis van wettelijke voorschriften inzake veiligheids-, gezondheids- en milieubescherming, die van belang zijn voor een onderneming in het bouwbedrijf.

Een vergunning tot uitoefening van het installatiebedrijf, bedoeld in artikel 5, wordt verleend indien, onverminderd artikel 14, door de bedrijfsleider wordt voldaan aan de volgende in artikel 6 van de wetbedoelde eis: kennis van wettelijke voorschriften inzake veiligheids-, gezondheids- en milieubescherming, die van belang zijn voor een onderneming in het installatiebedrijf.

Een vergunning tot uitoefening van het vervoermiddelenbedrijf, bedoeld in artikel 6, wordt verleend indien door de bedrijfsleider wordt voldaan aan de volgende in artikel 6 van de wet bedoelde eisen:

Een vergunning tot uitoefening van het levensmiddelenbedrijf, bedoeld in artikel 7, wordt verleend indien, onverminderd deartikelen 15 en 16, door de bedrijfsleider wordt voldaan aan de volgende in artikel 6 van de wet bedoelde eis: kennis van wettelijke voorschriften inzake veiligheids-, gezondheids- en milieubescherming, die van belang zijn voor een onderneming in het levensmiddelenbedrijf.

Een vergunning tot uitoefening van het elektrotechnisch installatiebedrijf, bedoeld in artikel 5, onderdeel f, wordt slechts verleend indien, in aanvulling op het bepaalde in artikel 11, tevens door de beheerder wordt voldaan aan de volgende in artikel 6 van de wet bedoelde eisen:

Een vergunning tot uitoefening van het slagersbedrijf, bedoeld in artikel 7, onderdeel a, wordt slechts verleend indien, in aanvulling op het bepaalde in artikel 13, tevens door de beheerder wordt voldaan aan de volgende in artikel 6 van de wet bedoelde eisen:

Een vergunning tot uitoefening van het bakkersbedrijf, bedoeld in artikel 7, onderdeel b, wordt slechts verleend indien, in aanvulling op het bepaalde in artikel 13, tevens door de beheerder wordt voldaan aan de volgende in artikel 6 van de wet bedoelde eisen:

Onze Minister wijst bewijsstukken aan, waaruit het voldoen aan de in dit besluit gestelde eisen moet blijken. Daarbij kan bepaald worden dat de aanwijzing slechts geldt, indien het bewijsstuk is mede ondertekend door een gecommitteerde van Onze Minister.

Als bewijsstukken, waaruit het voldoen aan de eisen, gesteld in deartikelen 10 tot en met 13, onderscheidenlijk 14 tot en met 16, moet blijken, wordt aangewezen een verklaring voor de bedrijfsleider, onderscheidenlijk de beheerder, voor het betrokken bedrijf, die wordt afgegeven door de Sociaal-Economische Raad.

De termijnen, bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, onderdeel b, en 27, vierde lid, van de wet, worden voor de toepassing op de bij dit besluit aangewezen bedrijven gesteld op een jaar.

Een vergunning die op het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt, is verleend op grond van het Vestigingsbesluit bedrijven (Stb. 1995, 609) of op grond van artikel 23 van dat besluit met een dergelijke vergunning was gelijkgesteld, en betrekking heeft op overeenkomstige handelingen als genoemd in de artikelen 4 tot en met 7, wordt geacht te zijn verleend op grond van artikel 3, derde lid.

Een ontheffing die op het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt, is verleend van het verbod, gegeven bij artikel 3, eerste lid, van het Vestigingsbesluit bedrijven (Stb. 1995, 609), of op grond van artikel 24 van dat besluit is gelijkgesteld met een ontheffing van het verbod, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van dat besluit, en betrekking heeft op overeenkomstige handelingen als genoemd in deartikelen 4 tot en met 7, wordt, voorzover deze ontheffing strekt, beschouwd als een ontheffing van het verbod van artikel 3, eerste lid.

Wijzigt het Algemeen uitvoeringsbesluit Vestigingswet Bedrijven 1954.

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.

Dit besluit wordt aangehaald als: Vestigingsbesluit bedrijven.