Ministeriële regeling · BWBR0012031
Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001
Handelende na overleg met de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
Gelet op de artikelen 1.5, 2.2, 2.5, 2.14, 3.10, 3.13, 3.16, 3.17, 3.20, 3.27, 3.48, 3.49, 3.63, 3.83, 3.86, 3.87, 3.104, 3.138, 3.140, 3.141, 3.143, 3.145, 3.152, 3.154, 4.7, 4.14, 4.51, 5.14,5.15, 5.17, 5.18, 6.8, 6.14, 6.15, 6.17, 6.23, 6.26, 6.37 en 7.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001,
Besluit:
Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst
De staatssecretaris van Financiën,W. Bos.Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 1.5, 1.7, 2.2, 2.5, 2.14, 3.10, 3.13, 3.16, 3.17, 3.20, 3.22, 3.27, 3.63, 3.83, 3.87, 3.104, 3.119a, 3.138, 3.152, 3.154, 4.7, 4.14, 4.51, 5.14, 5.15, 5.17, 5.18, 5.18a, 6.8, 6.14, 6.15, 6.17, 6.23, 6.26, 6.31, 6.33, 7.2, 8.14, 8.14b, 9.2 en 9.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Deze regeling verstaat onder:
- a.
- b.
inhoudingsplichtige: de inhoudingsplichtige als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964;
- c.
openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling met een auto, bus, trein, tram, metro, veerpont of een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig.
Een kind wordt in belangrijke mate op kosten van de ouder onderhouden indien de op de ouder drukkende bijdrage in de kosten van het onderhoud van het kind ten minste € 408 per kwartaal beloopt. De ouder wordt geacht een kind in belangrijke mate op zijn kosten te onderhouden indien hij voor het kind recht heeft op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet of op een tegemoetkoming volgens een naar aard en strekking met de Algemene Kinderbijslagwet overeenkomende buitenlandse regeling.
Een aanspraak op periodieke uitkeringen waarvan de uitkeringen zijn ingegaan en waarvan de hoogte van de uitkeringen niet voor de gehele uitkeringsperiode in geldeenheden is vastgesteld, wordt op grond van artikel 1.7, derde lid, van de wet gelijkgesteld met een aanspraak op vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen indien wordt voldaan aan de hierna opgenomen regels.
Met betrekking tot de uitkeringen en de administratieve vormgeving daarvan gelden de volgende regels:
- a.
de termijnen van een oudedagslijfrente of een tijdelijke oudedagslijfrente als bedoeld in artikel 3.125, eerste lid, onderdeel a, respectievelijk onderdeel c, van de wet worden op de ingangsdatum uitgedrukt in een vast aantal beleggingseenheden (units) per jaar;
- b.
indien bij een of meer van de onder a genoemde lijfrenten een nabestaandenlijfrente als bedoeld in artikel 3.125, onderdeel b, van de wet is meeverzekerd, dient deze op de ingangsdatum van de lijfrente waarbij deze is meeverzekerd te worden uitgedrukt in een vast aantal beleggingseenheden per jaar; in plaats daarvan kan op die ingangsdatum voor de nabestaandenlijfrente een kapitaal worden bepaald dat dient als rekengrootheid voor de vaststelling van de hoogte van de termijnen van de nabestaandenlijfrente in beleggingseenheden of euro’s; indien de nabestaandenlijfrente niet een lijfrente in beleggingseenheden of een gerichte lijfrente is, maar is verzekerd als een recht op uitkeringen in euro’s, wordt de nabestaandenlijfrente geadministreerd als een zelfstandig recht ten opzichte van de in onderdeel a genoemde lijfrenten;
- c.
de hoogte van de uiteindelijk in euro’s uit te keren termijnen van lijfrente dient uitsluitend te worden beïnvloed door het verschil tussen het feitelijk behaalde beleggingsrendement en de rekenrente die ten tijde van het ingaan van de lijfrente als rekenrendement is gehanteerd. Daartoe wordt de contante waarde van de termijnen in beleggingseenheden actuarieel bijgehouden overeenkomstig de wijze waarop dat geschiedt voor termijnen van lijfrenten in euro’s.
Met betrekking tot de tariefgrondslagen voor het berekenen van de uitkeringen gelden de volgende regels:
- a.
de verzekeraar van de lijfrente gaat op de ingangsdatum van de lijfrente uit van sterftegrondslagen die passen bij de sterfterisico’s van de verzekerde rechten;
- b.
de verzekeraar van de lijfrente gaat ter berekening van het op jaarbasis uit te keren vaste aantal beleggingseenheden uit van ten hoogste het netto rekenrendement dat hij op de ingangsdatum hanteert voor soortgelijke lijfrenten in euro’s of van het op de ingangsdatum van de lijfrente geldende u-rendement zoals dat periodiek wordt gepubliceerd door het Centrum voor Verzekeringstatistiek van het Verbond van Verzekeraars; gedurende de looptijd vindt geen herberekening plaats van het aantal jaarlijks uit te keren beleggingseenheden;
- c.
in de hoogte van de termijnen van lijfrente in beleggingseenheden wordt geen inflatie-element verdisconteerd.
Jaarlijks verwerkt de verzekeraar, overeenkomstig de bij lijfrenteverzekeringen met uitkeringen in euro’s te hanteren handelwijze, de actuariële gevolgen van de op de ingangsdatum veronderstelde tariefgrondslagen in de administratie van de contante waarde van de uitkeringen in beleggingseenheden en in de administratie van de beleggingswaarde zelf.
Met betrekking tot de peildatum en de periode van vaststellen van de uitkeringen in euro’s gelden de volgende regels:
- a.
bij de berekening van de per vervallen termijn verschuldigde uitkering in euro’s kan worden uitgegaan van de waarde van de beleggingseenheid op een vaste peildatum in de kalendermaand van betaling of in de daaraan voorafgaande kalendermaand;
- b.
gedurende een periode van ten hoogste 12 maanden (herrekenperiode) kunnen de in de herrekenperiode uit te keren termijnen bij aanvang daarvan in euro’s worden vastgesteld; de hoogte van de uitkeringen in euro’s dient daarbij te worden bepaald op basis van de werkelijke waarde van de beleggingseenheid per een vaste peildatum gelegen in de kalendermaand waarin de herrekenperiode ingaat of in een van de twee daaraan voorafgaande kalendermaanden; slechts eenmalig kan worden gekozen voor een datum van ingang van de herrekenperiode.
Met betrekking tot meeverzekerde nabestaandenlijfrenten en tot de wijze van rekening houden met het overlijden van verzekerden gelden de volgende regels:
- a.
in de in het tweede lid, onderdeel b, genoemde gevallen waarin een of meer nabestaandenlijfrenten zijn meeverzekerd, dient bij de vaststelling van de hoogte van de termijnen van de lijfrenten als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, voor iedere meeverzekerde nabestaandenlijfrente op actuarieel verantwoorde wijze rekening te worden gehouden met het feit dat die nabestaandenlijfrente is meeverzekerd;
- b.
indien een meeverzekerde nabestaandenlijfrente op de ingangsdatum van een van de in het tweede lid, onderdeel a, genoemde lijfrenten is uitgedrukt in een jaarlijks vast aantal beleggingseenheden, wordt bij overlijden van een verzekerde zowel de contante waarde van de beleggingseenheden als de totale beleggingswaarde herrekend. Het overlijden dient daarbij geen invloed te hebben op de waarde per beleggingseenheid. Een vrijval van de beleggingswaarde bij overlijden komt, overeenkomstig de bij uitkeringen in euro’s te hanteren handelwijze, ten goede aan de verzekeraar in verband met het door deze gelopen langlevenrisico.
Een aanspraak op termijnen als bedoeld in artikel 3.126a, vierde en zesde lid, van de wet waarvan de termijnen zijn ingegaan en waarvan de hoogte van de termijnen niet voor de gehele uitkeringsperiode in geldeenheden is vastgesteld, wordt op grond van artikel 3.126a, zevende lid, in verbinding met artikel 1.7, derde lid, van de wet gelijkgesteld met een aanspraak op vaste en gelijkmatige termijnen indien wordt voldaan aan de hierna opgenomen regels.
Met betrekking tot de termijnen en de administratieve vormgeving daarvan gelden de volgende regels:
- a.
de termijnen worden op de ingangsdatum uitgedrukt in een vast aantal beleggingseenheden (units) per jaar;
- b.
de hoogte van de uiteindelijk in euro’s uit te keren termijnen dient uitsluitend te worden beïnvloed door het verschil tussen het feitelijk behaalde beleggingsrendement en de rekenrente die ten tijde van het ingaan van de termijnen als rekenrendement is gehanteerd.
Met betrekking tot de grondslagen voor het berekenen van de termijnen gelden de volgende regels:
- a.
de kredietinstelling of beheerder, bedoeld in artikel 3.126a, eerste lid, van de wet, gaat ter berekening van het op jaarbasis uit te keren vaste aantal beleggingseenheden uit van ten hoogste het netto rekenrendement dat hij op de ingangsdatum hanteert voor soortgelijke termijnen in euro’s of van het op de ingangsdatum van de termijnen geldende u-rendement zoals dat periodiek wordt gepubliceerd door het Centrum voor Verzekeringstatistiek van het Verbond van Verzekeraars; gedurende de looptijd vindt geen herberekening plaats van het aantal jaarlijks uit te keren beleggingseenheden;
- b.
in de hoogte van de termijnen in beleggingseenheden wordt geen inflatie-element verdisconteerd.
Met betrekking tot de peildatum en de periode van vaststellen van de termijnen in euro’s gelden de volgende regels:
- a.
bij de berekening van de verschuldigde termijn in euro’s kan worden uitgegaan van de waarde van de beleggingseenheid op een vaste peildatum in de kalendermaand van betaling of in de daaraan voorafgaande kalendermaand;
- b.
gedurende een periode van ten hoogste 12 maanden (herrekenperiode) kunnen de in de herrekenperiode uit te keren termijnen bij aanvang daarvan in euro’s worden vastgesteld; de hoogte van de termijnen in euro’s dient daarbij te worden bepaald op basis van de werkelijke waarde van de beleggingseenheid per een vaste peildatum gelegen in de kalendermaand waarin de herrekenperiode ingaat of in een van de twee daaraan voorafgaande kalendermaanden; slechts eenmalig kan worden gekozen voor een datum van ingang van de herrekenperiode.
Voor de toepassing van artikelen 2.2, eerste lid, en 2.5, eerste lid van de wet, worden, voorzover het niet gaat om lidstaten van de Europese Unie, als de in die bepalingen bedoelde mogendheden aangewezen alle mogendheden waarmee Nederland een regeling ter voorkoming van dubbele belasting is overeengekomen, waarvan de bepalingen van toepassing zijn, met uitzondering van Zwitserland.
Voor gevallen waarin een premie voor een lijfrente of een andere periodieke uitkering of verstrekking uit een inkomensvoorziening niet geheel als uitgave voor een inkomensvoorziening in aanmerking is genomen, worden voor de vaststelling van het gedeelte van het recht dat in aanmerking wordt genomen bij het belastbare inkomen uit werk en woning en het gedeelte dat in aanmerking wordt genomen bij het belastbare inkomen uit sparen en beleggen de eerste kosten, de toekomstige kosten en het rendement evenredig aan die gedeelten toegerekend naar de mate waarin de premie bij het belastbare inkomen uit werk en woning en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen in aanmerking is genomen.
Voorzover een premie voor aanspraken op periodieke uitkeringen of verstrekkingen ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval als bedoeld in artikel 3.124, onderdeel c, van de wet en een premie voor lijfrenten als bedoeld in artikel 3.125, eerste lid, onderdeel b, van de wet in enig jaar niet als uitgave voor een inkomensvoorziening in aanmerking is genomen, wordt het desbetreffende recht in aanmerking genomen bij het belastbare inkomen uit sparen en beleggen naar de mate waarin die premie in verhouding staat tot de overige voor dit recht betaalde premies die wel als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking zijn genomen.
Bij het bepalen van de winst van het eerste kalenderjaar als ondernemer komt mede in aftrek het totale bedrag van de kosten en lasten die zijn gemaakt in de vijf daaraan voorafgaande kalenderjaren en die verband houden met het starten van de onderneming, voorzover:
- a.
er in die periode geen opbrengsten tegenover hebben gestaan en
- b.
zij niet ten laste van het belastbaar inkomen uit werk en woning kunnen of konden worden gebracht.
Als regelingen ten behoeve van de ontwikkeling en instandhouding van bos en natuur en als overeenkomsten die op die regelingen vooruitlopen, als bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, onderdeel g, van de wet worden aangewezen: de Tijdelijke regeling particulier natuurbeheer alsmede de Subsidieregeling natuurbeheer 2000, zoals die luidde tot 1 januari 2007, voor zover betrekking hebbend op de subsidie functieverandering, bedoeld in artikel 2, aanhef en onderdeel b, van die regeling, de Subsidieregeling natuurbeheer van de onderscheiden provincies voor zover betrekking hebbend op de subsidie functieverandering, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van die regeling, respectievelijk de in het tweede lid genoemde overeenkomsten.
De in het eerste lid bedoelde overeenkomsten betreffen:
- a.
de overeenkomsten met het Bureau Beheer Landbouwgronden
- 1°.
met het door de Dienst Landelijk Gebied toegekende nummer: 005/9001 van 29 mei 1996;
- 2°.
met het door de Dienst Landelijk Gebied toegekende nummer: 008/9001 van 30 mei 1996;
- 3°.
met het door de Dienst Landelijk Gebied toegekende nummer: 004/9001 van 27 oktober 1997;
- 4°.
met het door de Dienst Landelijk Gebied toegekende nummer: 003/9001 van 15 december 1997;
- 1°.
- b.
de beschikkingen van de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 18 april 1998 met de beschikkingnummers kaderwet/pnb/01, kaderwet/pnb/02 en kaderwet/pnb/03.
Van de voordelen die worden genoten op grond van de in het eerste lid bedoelde regelingen en overeenkomsten behoort 90% niet tot de winst. In afwijking van de eerste volzin behoort van de voordelen die worden genoten op grond van de Subsidieregeling natuurbeheer 2000, zoals die luidde tot 1 januari 2007, voor zover betrekking hebbend op de subsidie functieverandering, bedoeld in artikel 2, aanhef en onderdeel b, van die regeling, respectievelijk de Subsidieregeling natuurbeheer van de onderscheiden provincies voor zover betrekking hebbend op de subsidie functieverandering, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van die regeling, 100% niet tot de winst.
Voor de toepassing van artikel 3.16, tweede lid, onderdeel c, van de wet wordt kleding die niet uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is om bij het behalen van de winst te dragen, slechts als werkkleding aangemerkt indien zij is voorzien van een of meer duidelijk zichtbare, aan de onderneming gebonden beeldmerken met een oppervlakte van tezamen ten minste 70 cm2.
Voor de toepassing van artikel 3.17, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de wet verhuist de ondernemer in ieder geval in het kader van de onderneming ingeval hij binnen twee jaar na de verplaatsing van de onderneming verhuist naar een woning binnen een afstand van 10 kilometer van de nieuwe vestigingsplaats van de onderneming terwijl hij op een afstand groter dan 25 kilometer van deze vestigingsplaats woonde.
Onder afstand als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan de afstand gemeten langs de meest gebruikelijke weg.
De rittenregistratie als bedoeld in artikel 3.20 van de wet bevat ten minste de volgende gegevens:
- a.
merk, type en kenteken van de auto;
- b.
periode van terbeschikkingstelling van de auto;
- c.
per rit:
10. datum;
20. beginstand en eindstand van de kilometerteller;
30. beginadres en eindadres;
40. de gereden route indien deze afwijkt van de meest gebruikelijke;
50. het karakter van de rit.
Vervallen
In afwijking van artikel 3.27, tweede lid, van de wet is het eerste lid van dat artikel mede van toepassing op de betaling van premies voor risicoverzekeringen voor weduwen- en wezenpensioenen, voorzover het in de premies begrepen bestanddeel voor toekomstige wijzigingen in de hoogte van lonen of prijzen niet meer bedraagt dan nodig is voor een aanpassing aan een zodanige wijziging van 4% per jaar.
In afwijking van artikel 3.27, derde lid, van de wet is het eerste lid van dat artikel mede van toepassing op de betaling van premies of koopsommen aan een pensioenlichaam waarvan het doel en de feitelijke werkzaamheden overeenkomen met die van een pensioenfonds als bedoeld in de Pensioenwet en waarvan de winst uitsluitend kan worden aangewend ten bate van de verzekerden, een ander pensioenfonds met overeenkomstige doelstelling, of een algemeen maatschappelijk belang.
Het eerste en tweede lid zijn slechts van toepassing voorzover de betalingen het vermogen van de onderneming onherroepelijk hebben verlaten.
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Aan de in artikel 3.63, vierde lid en vijfde lid, van de wet bedoelde termijn van 36 maanden wordt geacht te zijn voldaan indien zich na het aangaan van het samenwerkingsverband respectievelijk de dienstbetrekking een omstandigheid voordoet als bedoeld in het tweede lid.
Het eerste lid is van toepassing indien de belastingplichtige:
- a.
door ziekte of gebreken gedurende ten minste één jaar niet in staat is, of vermoedelijk niet in staat zal zijn, om ten minste 55% te verdienen van wat lichamelijk en geestelijk gezonde personen die overigens in gelijke omstandigheden verkeren, kunnen verdienen;
- b.
in staat van faillissement wordt verklaard;
- c.
surséance van betaling heeft aangevraagd;
- d.
onder curatele wordt gesteld;
- e.
vóór het aangaan van het samenwerkingsverband respectievelijk de dienstbetrekking met degene die de onderneming gaat voortzetten nog wel, maar vanaf enig moment daarna niet meer kan kiezen voor kwalificatie als partner van de voortzetter, of
- f.
overlijdt en de onderneming spoedig daarna aan de in artikel 3.63, vierde lid respectievelijk vijfde lid, van de wet, bedoelde voortzetter wordt overgedragen.
(GERESERVEERD)
Vervallen
De openbaar-vervoerverklaring, bedoeld in artikel 3.87, negende lid van de wet, is gedagtekend en bevat ten minste de volgende gegevens:
- a.
naam en adres van de belastingplichtige;
- b.
de route waarvoor de plaatsbewijzen geldig zijn;
- c.
het tijdvak van geldigheid van de plaatsbewijzen.
De verklaring, bedoeld in artikel 3.87, elfde lid, van de wet (de reisverklaring) bevat ten minste de volgende gegevens:
- a.
naam en adres van de inhoudingsplichtige;
- b.
naam en adres van de belastingplichtige;
- c.
een door de inhoudingsplichtige ondertekende verklaring, die vermeldt het aantal dagen per week dat de belastingplichtige met het openbaar vervoer naar de plaats of plaatsen van werkzaamheden heeft gereisd.
Op verzoek van de inspecteur doet de belastingplichtige de reisverklaring, alsmede de plaatsbewijzen, aan hem toekomen.
Als uitkeringen welke niet tot de inkomsten in de vorm van bepaalde periodieke uitkeringen en verstrekkingen behoren, bedoeld in artikel 3.104, onderdeel h, van de wet worden aangewezen:
- a.
uitkeringen ingevolge de Wet op de huurtoeslag;
- b.
uitkeringen ingevolge de Wet bevordering eigenwoningbezit;
- c.
uitkeringen ingevolge de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;
- d.
uitkeringen en verstrekkingen ingevolge de Regeling opvang asielzoekers;
- e.
uitkeringen en verstrekkingen ingevolge de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005;
- f.
uitkeringen en verstrekkingen ingevolge de Wet gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf;
- g.
uitkeringen als bedoeld in artikel 5 van het Besluit taakverlichting alleenstaande werkenden/AAW;
- h.
inkomensondersteunende uitkeringen ingevolge artikel 108, eerste lid, van de Gemeentewet, die overeenkomen met bijstand ter bestrijding van bepaalde noodzakelijke kosten;
- i.
uitkeringen en verstrekkingen ingevolge de Tijdelijke regeling verstrekkingen gerepatrieerden Libanon;
- j.
uitkeringen en verstrekkingen ingevolge de Tijdelijke regeling voortzetting verstrekkingen gerepatrieerden Libanon.
Als uitkeringen tot bestrijding van onderhoudskosten van thuiswonende gehandicapte kinderen, bedoeld in artikel 3.104, onderdeel i, van de wet, worden aangewezen: uitkeringen ingevolge de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000.
Ingeval een spaarrekening eigen woning meer dan één rekeninghouder heeft, wordt het tegoed van de rekening in gelijke delen toegerekend aan die rekeninghouders.
Ingeval een beleggingsrecht eigen woning meer dan één eigenaar heeft, wordt de waarde van het recht in gelijke delen toegerekend aan die eigenaren.
Voor de toepassing van artikel 3.119a van de wet:
- a.
wordt de eigenwoningreserve die is gevormd voor het ontstaan van een algehele huwelijksgemeenschap bij ontbinding van die gemeenschap op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot verdeeld in de onderlinge verhouding waarin zij tot de gemeenschap gerechtigd zijn. Het verzoek wordt uiterlijk gedaan bij de aangifte over het jaar waarin de algehele huwelijksgemeenschap wordt ontbonden. Op dit verzoek kan niet worden teruggekomen;
- b.
wordt een woning zolang deze ten aanzien van de echtgenoot van de belastingplichtige als eigen woning wordt aangemerkt ten aanzien van de belastingplichtige mede als eigen woning aangemerkt indien de woning tot een huwelijksgemeenschap behoort of gaat behoren.
Indien in de overeenkomst ter zake van de verwerving van een eigen woning, ten behoeve van de uitvoering van het woonbeleid van het Rijk of een gemeente, een clausule is opgenomen op grond waarvan bij niet nakoming van die clausule een bedrag verschuldigd is, kan bij de vervreemding van die woning het bedrag dat terzake van het niet nakomen van de clausule is betaald in mindering worden gebracht op het vervreemdingssaldo eigen woning.
(GERESERVEERD)
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Een voorlopige verliesverrekening als bedoeld in artikel 3.152, vijfde lid, van de wet kan worden verleend indien het verlies over een kalenderjaar wordt aangegeven door de in de uitnodiging tot het doen van aangifte gevraagde gegevens en bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan duidelijk, stellig en zonder voorbehoud in te vullen en te ondertekenen en de gevraagde bescheiden of andere gegevensdragers in te leveren of toe te zenden.
Bij de berekening van de voorlopige verliesverrekening wordt het vermoedelijke verlies voor 80 percent in aanmerking genomen.
Bij het in artikel 3.154, eerste lid, van de wet bedoelde verzoek om middeling wordt een berekening gevoegd van de middelingsteruggaaf.
Vervallen
Vervallen
Ten aanzien van de belastingplichtige die geen andere aandelen in een vennootschap houdt dan die welke hij heeft verkregen in het kader van een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32 van de Wet op de loonbelasting 1964, worden die aandelen voor de toepassing van artikel 4.7 van de wet aangemerkt als aandelen van dezelfde soort als die waarin het grootste gedeelte van het geplaatste kapitaal van de vennootschap is uitgedrukt.
De ingevolge artikel 4.14, achtste lid, onderdeel a, van de wet aan te wijzen effectenbeurzen zijn de effectenbeurzen in de lidstaten van de Europese Gemeenschappen, alsmede de effectenbeurzen te Zürich, New York en Tokio.
Een voorlopige verliesverrekening als bedoeld in artikel 4.51, vijfde lid, van de wet kan worden verleend indien het verlies over een kalenderjaar wordt aangegeven door de in de uitnodiging tot het doen van aangifte gevraagde gegevens en bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan duidelijk, stellig en zonder voorbehoud in te vullen en te ondertekenen en de gevraagde bescheiden of andere gegevensdragers in te leveren of toe te zenden.
Bij de berekening van de voorlopige verliesverrekening wordt het vermoedelijke verlies voor 80 percent in aanmerking genomen.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- a.
inspecteur: de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Amsterdam;
- b.
groenproject: een project waarvoor ingevolge de Regeling groenprojecten 2005, de Regeling groenprojecten buitenland 2002 dan wel de Regeling groenprojecten Nederlandse Antillen en Aruba 2002 een verklaring als bedoeld in artikel 5.14, derde lid, van de wet is afgegeven;
- c.
sociaal-ethisch project: een project waarvoor ingevolge de Regeling sociaal-ethische projecten 2005 een verklaring als bedoeld in artikel 5.15, derde lid, van de wet is afgegeven;
- d.
cultureel project: een project waarvoor ingevolge de Regeling cultuurprojecten 2004 een verklaring als bedoeld in artikel 5.18a, derde lid, van de wet is afgegeven;
- e.
project: groenproject, sociaal-ethisch project of cultureel project;
- f.
groenfonds: bank of beleggingsinstelling die voldoet aan de voorwaarden van artikel 5.14, tweede lid, van de wet en die door de inspecteur ingevolge artikel 5.14, eerste lid, van de wet is aangewezen;
- g.
sociaal-ethisch fonds: bank of beleggingsinstelling die voldoet aan de voorwaarden van artikel 5.15, tweede lid, van de wet en die door de inspecteur ingevolge artikel 5.15, eerste lid, van de wet is aangewezen;
- h.
cultuurfonds: bank of beleggingsinstelling die voldoet aan de voorwaarden van artikel 5.18a, tweede lid, van de wet en die door de inspecteur ingevolge artikel 5.18a, eerste lid, van de wet is aangewezen;
- i.
fonds: een groenfonds, een sociaal-ethisch fonds of een cultuurfonds;
- j.
participatiemaatschappij: een rechtspersoon die voldoet aan de voorwaarden van artikel 5.18, tweede lid, van de wet en die door de inspecteur ingevolge artikel 5.18, eerste lid, van de wet is aangewezen;
- k.
hoofdzakelijkheidscriterium: de voorwaarde inzake hoofdzakelijk als bedoeld in artikel 5.14, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 5.15, tweede lid, artikel 5.18, tweede lid, of artikel 5.18a, tweede lid, van de wet;
- l.
aanloopperiode: de periode, bedoeld in artikel 5.14, vierde lid, onderscheidenlijk artikel 5.15, vierde lid, artikel 5.18, vierde lid, of artikel 5.18a, vierde lid, van de wet;
- m.
ingroeiperiode: de periode, bedoeld in artikel 5.14, vijfde lid, onderscheidenlijk artikel 5.15, vijfde lid, artikel 5,18, vierde lid, of artikel 5.18a, vijfde lid, van de wet.
Een verzoek om aanwijzing als fonds wordt schriftelijk gedaan bij de inspecteur onder overlegging van:
- a.
de statuten van het fonds;
- b.
een afschrift van de inschrijving in het register, bedoeld in artikel 1:107 van de Wet op het financieel toezicht; en
- c.
een opgave van de feitelijke werkzaamheden en voorgenomen werkzaamheden van het fonds.
Bij een verzoek om aanwijzing als fonds met een ingroeiperiode worden tevens overgelegd:
- a.
een ingroeiplan op grond waarvan het aannemelijk is dat binnen drie maanden na de aanwijzing ten minste 30 percent van het vermogen van het fonds is belegd in projecten dan wel bestaat uit kredieten ten behoeve van projecten;
- b.
een ingroeischema op grond waarvan het aannemelijk is dat uiterlijk twee jaren na de aanwijzing ten minste 70 percent van het vermogen van het fonds is belegd in projecten dan wel bestaat uit kredieten ten behoeve van projecten.
De inspecteur beslist op het verzoek tot aanwijzing bij voor bezwaar vatbare beschikking.
De aanwijzing vindt plaats met ingang van de datum waarop het verzoek is ingediend, dan wel met ingang van een latere datum indien daarom is verzocht.
De inspecteur maakt het aanwijzen als een fonds als bedoeld in artikel 28, onderdeel i, op een daartoe geschikte wijze publiek bekend. Indien de inspecteur een aanwijzing intrekt, maakt hij die intrekking ook op een daartoe geschikte wijze publiek bekend.
Een aangewezen fonds overlegt binnen vier maanden na afloop van ieder boekjaar aan de inspecteur een overzicht van zijn bezittingen en schulden naar de waarde in het economische verkeer aan het einde van het boekjaar.
Ingeval het fonds is aangewezen met een aanloopperiode, verstrekt het fonds onmiddellijk na afloop van die periode aan de inspecteur een overzicht van zijn bezittingen en schulden naar de actuele waarde in het economische verkeer.
Ingeval het fonds is aangewezen met een ingroeiperiode, verstrekt het fonds in die periode elk half jaar aan de inspecteur een overzicht van zijn bezittingen en schulden naar de actuele waarde in het economische verkeer.
Indien een aangewezen fonds niet meer voldoet aan de voorwaarden voor aanwijzing, doet het fonds daarvan onverwijld schriftelijk mededeling aan de inspecteur.
De inspecteur trekt de aanwijzing in:
- a.
op verzoek van het fonds;
- b.
indien het fonds niet meer voldoet aan de voorwaarden voor aanwijzing; dan wel
- c.
indien het fonds de in dit hoofdstuk opgenomen informatieverplichtingen jegens de inspecteur niet nakomt.
De intrekking van de aanwijzing geschiedt bij voor bezwaar vatbare beschikking.
De inspecteur bepaalt in de beschikking het tijdstip waarop de intrekking van de aanwijzing in werking treedt, met dien verstande dat de intrekking terugwerkende kracht heeft tot en met de dag waarop het eerste lid, onderdeel b of c, van toepassing is.
Ingeval het fonds is aangewezen met een aanloopperiode en na afloop van die periode niet wordt voldaan aan het hoofdzakelijkheidscriterium, heeft de intrekking terugwerkende kracht tot en met de eerste dag na het aflopen van die periode.
Ingeval het fonds is aangewezen met een ingroeiperiode en na afloop van die periode niet wordt voldaan aan het hoofdzakelijkheidscriterium, heeft de intrekking terugwerkende kracht tot en met de eerste dag na het aflopen van die periode.
Indien het fonds de in artikel 29a, vierde lid, bedoelde mededeling onverwijld heeft gedaan, heeft de intrekking geen terugwerkende kracht.
Indien het fonds de in artikel 29a, vierde lid, bedoelde mededeling onverwijld heeft gedaan en voorts aannemelijk maakt dat het niet meer voldoen aan de voorwaarden niet langer dan drie maanden zal voortduren, een incidenteel karakter heeft en niet in strijd is met doel en strekking van de regeling, trekt de inspecteur de aanwijzing niet in. Het besluit de aanwijzing niet in te trekken, neemt de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking; daarbij kan hij nadere voorwaarden stellen.
Indien de inspecteur een aanwijzing intrekt, maakt hij die intrekking op een daartoe geschikte wijze publiek bekend.
Met betrekking tot een kalenderjaar wordt als beginnende ondernemer als bedoeld in artikel 5.17, derde lid, onderdeel a, van de wet aangemerkt de natuurlijke persoon die naar verwachting met betrekking tot dat jaar of het daaropvolgende jaar in aanmerking komt voor zelfstandigenaftrek en ten aanzien van wie deze aftrek over nog niet meer dan zeven jaren is toegepast, dan wel, ingeval hij in het kalenderjaar een onderneming of een gedeelte van een onderneming overneemt, over nog niet meer dan veertien jaren is toegepast.
De beginnende ondernemer als bedoeld in artikel 5.17, derde lid, onderdeel b, van de wet, is een rechtspersoon die ten tijde van het verstrekken van de achtergestelde lening aan hem, onderscheidenlijk het nemen van een deelneming in hem moet voldoen aan de volgende voorwaarden:
- a.
de rechtspersoon is een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of naamloze vennootschap, die niet langer dan acht jaren geleden tot stand is gekomen, dan wel een rechtspersoon met een in aandelen verdeeld kapitaal die:
- 1°.
is opgericht naar het recht van de Nederlandse Antillen, Aruba, een lidstaat van de Europese Unie of een staat in de relatie waarmee een met Nederland gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is waarin een bepaling is opgenomen die discriminatie naar nationaliteit verbiedt voor rechtspersonen die overigens in dezelfde omstandigheden verkeren als een naar Nederlands recht opgerichte besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of naamloze vennootschap;
- 2°.
naar aard en inrichting vergelijkbaar is met de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of naamloze vennootschap; en
- 3°.
niet langer dan acht jaren geleden tot stand is gekomen;
- 1°.
- b.
voor rekening van de rechtspersoon wordt in Nederland een onderneming gedreven van een zodanige omvang dat de bij hem in dienst zijnde personen te zamen naar verwachting daaraan jaarlijks ten minste 1225 uren besteden;
- c.
de voor rekening van de rechtspersoon gedreven onderneming is geen voortzetting van een onderneming die, of een gedeelte van een onderneming, dat meer dan acht jaren geleden direct of indirect is gedreven voor rekening van een persoon die thans onmiddellijk of middellijk aandeelhouder is in de rechtspersoon;
- d.
de rechtspersoon voldoet aan ten minste twee van de in artikel 396, eerste lid, onderdelen a, b, en c, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek vermelde vereisten;
- e.
de feitelijke werkzaamheid van de rechtspersoon bestaat niet in het, onmiddellijk of middellijk, beleggen van vermogen of daarmee overeenkomende werkzaamheid.
Onder een geregistreerde, achtergestelde geldlening als bedoeld in artikel 5.17, eerste lid juncto artikel 5.17 vierde lid, van de wet wordt verstaan een geldlening:
- a.
met een hoofdsom van ten minste € 2269 ter zake waarvan een rente wordt vergoed welke niet uitgaat boven de wettelijke rente, bedoeld in artikel 120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek;
- b.
ter zake waarvan in de overeenkomst is vermeld:
- 1°.
indien de beginnende ondernemer een natuurlijk persoon is: het sociaal-fiscaal nummer van de beginnende ondernemer en het sociaal-fiscaal nummer van degene die de geldlening verstrekt;
- 2°.
indien de beginnende ondernemer een rechtspersoon is als bedoeld in artikel 5.17, derde lid, onderdeel b, van de wet: het omzetbelastingnummer van de beginnende ondernemer en het sociaal-fiscaal nummer van degene die de geldlening verstrekt;
- 1°.
- c.
ter zake waarvan in de overeenkomst is opgenomen dat:
- 1°.
de lening jegens andere schuldeisers, gedurende ten minste de eerste acht jaren na het overeenkomen van de geldlening, een lagere rang inneemt dan is bepaald in artikel 277, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek;
- 2°.
indien de beginnende ondernemer een natuurlijk persoon is, de lening dient ter financiering van bestanddelen die behoren tot het verplichte ondernemingsvermogen van de beginnende ondernemer, dan wel, indien de beginnende ondernemer een rechtspersoon is, de lening dient ter financiering van bestanddelen die tot het verplichte ondernemingsvermogen zouden behoren zo de onderneming van de rechtspersoon voor rekening van een natuurlijk persoon zou worden gedreven;
- 3°.
de lening door degene die de geldlening verstrekt niet is gefinancierd met geleend geld, en
- 4°.
de lening is verstrekt met het oog op het bepaalde in de artikelen 6.8 en 5.17, van de wet, waarvan melding wordt gemaakt in het opschrift van de overeenkomst;
- 1°.
- d.
waarvan de overeenkomst daartoe is ondertekend door de beginnende ondernemer en degene die de geldlening verstrekt, en
- e.
welke binnen vier weken na het overeenkomen daarvan is geregistreerd op de voet van de Registratiewet 1970.
Het in een participatiemaatschappij gestorte kapitaal en het door die maatschappij aangetrokken vreemd vermogen dienen te zamen ten minste € 4 537 802 te bedragen.
De door een participatiemaatschappij verstrekte, achtergestelde geldlening, bedoeld in artikel 5.18, tweede lid, onderdeel a, van de wet en de door haar gehouden deelneming, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, van dat artikel, bedragen te zamen ten hoogste € 226 890 per beginnende ondernemer. De in de eerste volzin bedoelde leningen en deelnemingen kunnen voor geen langere periode dan voor de duur van acht jaren, te rekenen vanaf het tijdstip van verstrekking van de lening, onderscheidenlijk de verwerving van de deelneming, worden aangemerkt als achtergestelde geldlening als bedoeld in artikel 5.18, tweede lid, onderdeel a, van de wet, onderscheidenlijk als deelneming als bedoeld in artikel 5.18, tweede lid, onderdeel a, van de wet.
Als een achtergestelde geldlening als bedoeld in artikel 5.18, tweede lid, onderdeel a, van de wet wordt aangemerkt de geldlening ter zake waarvan in de overeenkomst is opgenomen dat de lening jegens andere schuldeisers, gedurende ten minste de eerste acht jaren na het overeenkomen van de geldlening, een lagere rang inneemt dan is bepaald in artikel 277, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en die, in geval de beginnende ondernemer een natuurlijk persoon is, dient ter financiering van bestanddelen die bij de beginnende ondernemer behoren tot het verplichte ondernemingsvermogen van die onderneming en, in geval de beginnende ondernemer een rechtspersoon is, bij de rechtspersoon dient ter financiering van bestanddelen die tot het verplichte ondernemingsvermogen zouden behoren indien de onderneming van de rechtspersoon voor rekening van een natuurlijk persoon zou worden gedreven.
Als een deelneming als bedoeld in artikel 5.18, tweede lid, onderdeel a, van de wet wordt aangemerkt de deelneming waarbij het in de rechtspersoon te storten kapitaal dient ter financiering van bestanddelen die tot het verplichte ondernemingsvermogen zouden behoren indien de onderneming van de rechtspersoon voor rekening van een natuurlijk persoon zou worden gedreven.
Met betrekking tot het verzoek om aanwijzing als participatiemaatschappij, de afhandeling van dat verzoek, de informatieverstrekking , de intrekking, alsmede het publiek bekend maken van de aanwijzing en intrekking van de aanwijzing zijn de artikelen 29 tot en met 29b van overeenkomstige toepassing.
Vervallen
Als prijscourant als bedoeld in artikel 5.21 van de wet wordt aangewezen de Officiële Prijscourant uitgegeven door Euronext Amsterdam N.V.
Ingeval een beginnende ondernemer binnen de eerste acht jaren na het verstrekken van een geregistreerde, achtergestelde geldlening in staat van faillissement is verklaard of ingeval aan hem binnen die periode surséance van betaling is verleend, kan op verzoek van degene die de lening heeft verstrekt door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking met betrekking tot die lening de periode van acht jaren, bedoeld in artikel 6.8, tweede lid, van de wet, worden verlengd tot twaalf weken na beëindiging van bedoeld faillissement, onderscheidenlijk tot twaalf weken na beëindiging van de surséance van betaling dan wel, indien de beginnende ondernemer na beëindiging van de surséance van betaling in staat van faillissement is verklaard, tot twaalf weken na beëindiging van dat faillissement.
Artikel 6.14, eerste lid, onderdeel a, van de wet geldt niet voor:
- a.
de belastingplichtige aan wie wegens gemoedsbezwaren tegen één of meer volksverzekeringen door de Sociale verzekeringsbank een ontheffing is verleend als bedoeld in artikel 64 van de Wet financiering sociale verzekeringen, ingeval noch hij, noch zijn echtgenoot het recht op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet geldend maakt;
- b.
de belastingplichtige die op grond van de regelen ter voorkoming van samenloop van kinderbijslag ingevolge de Kinderbijslagwet zijn recht op kinderbijslag voor dat kind niet geldend kan maken en geen huishouden vormt met degene die het recht op kinderbijslag voor dat kind wel geldend kan maken.
Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, geldt dat:
- a.
de in artikel 5a van het Samenloopbesluit kinderbijslag bedoelde persoon wiens recht op kinderbijslag niet wordt uitbetaald, zijn recht op kinderbijslag niet geldend maakt, en
- b.
de in artikel 5a van het Samenloopbesluit kinderbijslag bedoelde persoon wiens recht op kinderbijslag aan hem geheel of gedeeltelijk wordt uitbetaald, zijn recht op kinderbijslag geheel geldend maakt.
Het eerste lid, onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing indien de belastingplichtige recht heeft op een tegemoetkoming volgens een naar aard en strekking met de Algemene Kinderbijslagwet overeenkomende buitenlandse regeling.
De in artikel 6.15 van de wet bedoelde uitgaven voor levensonderhoud van een kind worden, indien de kosten van dat onderhoud in belangrijke mate op de belastingplichtige drukken, in aanmerking genomen tot een bedrag van:
- a.
€ 290 per kalenderkwartaal indien het kind jonger dan 6 jaar is;
- b.
€ 350 per kalenderkwartaal indien het kind 6 jaar of ouder doch jonger dan 12 jaar is;
- c.
€ 410 per kalenderkwartaal indien het kind 12 jaar of ouder doch jonger dan 18 jaar is;
- d.
€ 350 per kalenderkwartaal indien het kind 18 jaar of ouder is.
Het in het eerste lid, onderdeel d, vermelde bedrag wordt verhoogd tot:
- a.
€ 700, indien de op de ouder drukkende bijdrage in de kosten van het onderhoud van het kind ten minste € 700 per kwartaal belopen en de kosten van het onderhoud van het kind tevens grotendeels op de belastingplichtige drukken;
- b.
€ 1050, indien het kind niet tot het huishouden van de belastingplichtige behoort, de op de ouder drukkende bijdrage in de kosten van het onderhoud van het kind ten minste € 1050 per kwartaal belopen en de kosten van het onderhoud van het kind tevens geheel of nagenoeg geheel op de belastingplichtige drukken.
Indien zowel de belastingplichtige als zijn partner uitgaven voor levensonderhoud van kinderen in aanmerking nemen, worden de in aanmerking te nemen bedragen gesteld op de helft van de bedragen vermeld in het eerste en tweede lid, zonodig naar boven af te ronden op een geheel getal.
Voor de toepassing van de vorige leden is beslissend de toestand bij het begin van het kalenderkwartaal.
De extra kosten van een op medisch voorschrift gehouden dieet, bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel f, van de wet, worden bepaald aan de hand van de navolgende tabel:
Voor het dieet bij het ziektebeeld en de aandoening | Op welk dieet de typering van toepassing is | Bedragen de extra uitgaven | |
Algemene symptomen | groei-achterstand bij kinderen | energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt | € 1.092 |
energieverrijkt | € 1.092 | ||
vloeibaar energieverrijkt | € 629 | ||
ondervoeding | energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt | € 1.092 | |
energieverrijkt | € 1.092 | ||
vloeibaar energieverrijkt | € 813 | ||
decubitus | energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt | € 1.092 | |
Hypertensie en hartziekten | hypertensie | natriumbeperkt | € 304 |
decompensatio cordis, hartfalen | natriumbeperkt | € 304 | |
sterk natriumbeperkt | € 387 | ||
Luchtwegen | chronische obstructieve longziekten (COPD) | energieverrijkt | € 1.092 |
Maag-, darm- en leverziekten | dumping syndroom | lactosebeperkt | € 487 |
chronische pancreatitis | energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt | € 1.092 | |
cystic fibrosis | energieverrijkt | € 1.092 | |
energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt | € 1.092 | ||
coeliakie en ziekte van Dühring | glutenvrij | € 1.090 | |
glutenvrij in combinatie met lactosebeperkt | € 1.343 | ||
short bowel | energieverrijkt | € 1.092 | |
energieverrijkt in combinatie met MCT verrijkt | € 1.741 | ||
leverziekte | energieverrijkt in combinatie met MCT verrijkt, tevens alcoholvrij | € 1.656 | |
energieverrijkt in combinatie met MCT verrijkt, tevens natriumbeperkt en alcoholvrij | € 1.871 | ||
overige | energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt | € 1.092 | |
energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt en lactosebeperkt | € 1.470 | ||
matig vetbeperkt in combinatie met MCT of ander preparaat, tevens energieverrijkt | € 1.124 | ||
Metabole ziekten | diabetes | diabetes dieet | € 282 |
diabetes dieet natriumbeperkt | € 387 | ||
hypercholesterolemie | verzadigd vetzurenbeperkt en cholesterolbeperkt in combinatie met visverrijkt, groentenverrijkt en fruitverrijkt | € 282 | |
verzadigd-vetbeperkt en cholesterolbeperkt in combinatie met visverrijkt, groentenverrijkt en fruitverrijkt met plantensterolen | € 300 | ||
cholesterolverlagend en natriumbeperkt | € 387 | ||
vetstofwisselingsstoornis | sterk vetbeperkt in combinatie met MCT of ander preparaat | € 1.124 | |
fructose intolerantie | sterk fructosebeperkt | € 653 | |
galactosemie | galactosevrij | € 820 | |
sacharase isomaltase deficiëntie | polysacharidenverrijkt meervoudig-onverzadigde vetzurenverrijkt in combinatie met sacharosebeperkt, fructosebeperkt, matig vetbeperkt, matig natriumbeperkt en calciumbeperkt | € 1.567 | |
eiwitstofwisselingsstoornis (b.v. PKU en hyperlysinemie) | natuurlijk eiwitbeperkt | € 2.091 | |
Infectieziekten | aids | energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt | € 1.092 |
Nierziekten | nierziekten | natriumbeperkt | € 294 |
chronische nierinsufficiëntie met hemodialyse | eiwitaangewezen in combinatie met matig natriumbeperkt | € 387 | |
nefrotisch syndroom | natriumbeperkt | € 294 | |
Oncologie | oncologie | energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt | € 1.092 |
Overige | voedselovergevoeligheid | koemelkeiwitvrij | € 635 |
soja-eiwitvrij | € 358 | ||
kippenei-eiwitvrij | € 336 | ||
lactosebeperkt | € 487 | ||
tarwevrij | € 856 | ||
koemelkeiwitvrij in combinatie met kippenei-eiwitvrij | € 633 | ||
koemelkeiwitvrij in combinatie met soja-eiwitvrij | € 829 | ||
koemelkeiwitvrij in combinatie met kippenei-eiwitvrij en soja-eiwitvrij | € 1.617 | ||
koemelkeiwitvrij in combinatie met kippenei-eiwitvrij, soja-eiwit en tarwe-vrij | € 1.821 | ||
koemelkeiwitvrij in combinatie met glutenvrij | € 1.370 | ||
brandwonden | energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt | € 1.092 |
Voor overige diëten worden de extra kosten gesteld op nihil.
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
- a.
referentievoeding: de voeding conform het voedingspatroon van de Nederlandse bevolking;
- b.
eiwitverrijkt: een voorgeschreven hoeveelheid eiwit van ten minste 120% ten opzichte van de referentievoeding;
- c.
energieverrijkt: een voorgeschreven energiebehoefte van ten minste 125% ten opzichte van de referentievoeding;
- d.
lactosebeperkt: een voorgeschreven lactosebeperking tot 5 gram per etmaal;
- e.
matig vetbeperkt: een voorgeschreven hoeveelheid vet die voorziet in niet meer dan 30% van de hoeveelheid energie;
- f.
MCT of ander preparaat: een voorgeschreven hoeveelheid MCT of vergelijkbaar preparaat van 50 gram per etmaal;
- g.
vloeibaar: voeding in de vorm van vloeistoffen die door een sonde kunnen worden toegediend;
- h.
polysacharidenverrijkt: een voorgeschreven hoeveelheid polysachariden die voorziet in ten minste 60 procent van de hoeveelheid energie;
- i.
fructosebeperkt: een voorgeschreven fructosebeperking tot 10 gram per etmaal;
- j.
sterk fructosebeperkt: een voorgeschreven fructosebeperking tot 5 gram per etmaal;
- k.
meervoudig onverzadigde-vetzurenverrijkt: een voorgeschreven verhouding tussen de hoeveelheid verzadigde vetzuren en de hoeveelheid meervoudig onverzadigde vetzuren van een staat tot twee;
- l.
natriumbeperkt: een voorgeschreven beperking tot 1500 milligram natrium per etmaal;
- m.
sterk vetbeperkt: een voorgeschreven hoeveelheid vet die voorziet in niet meer dan 15 procent van de hoeveelheid energie;
- n.
sterk natriumbeperkt: een voorgeschreven beperking tot 1000 milligram natrium per etmaal;
- o.
verzadigd-vetbeperkt: een voorgeschreven hoeveelheid verzadigd vet die voorziet in niet meer dan 10% van de hoeveelheid energie;
- p.
cholesterolbeperkt: een voorschreven beperking tot 300 milligram cholesterol per etmaal;
- q.
natuurlijk-eiwitbeperkt: een voorgeschreven beperking tot 11 gram natuurlijk eiwit per etmaal;
- r.
eiwitaangewezen: een voorgeschreven hoeveelheid eiwit van 1,2 gram per kilogram ideaal lichaamsgewicht per etmaal;
- s.
visverrijkt: een voorgeschreven gebruik van vis van ten minste twee maal per week;
- t.
groentenverrijkt: een voorgeschreven hoeveelheid groenten van ten minste 200 gram per etmaal;
- u.
fruitverrijkt: een voorgeschreven hoeveelheid fruit van ten minste 200 gram per etmaal;
- v.
fyto/plantensterolen: een voorgeschreven hoeveelheid plantaardige stanolen van ten minste 36 gram per etmaal of van plantaardige sterolen van ten minste 25 gram per etmaal.
Voor de toepassing van het eerste lid geldt voor een dieet waarvoor meer dan één bedrag in aanmerking zou komen, alleen het hoogste van de voor het van toepassing zijnde ziektebeeld geldende bedragen.
Ingeval extra uitgaven voor een op medisch voorschrift gehouden dieet niet gedurende het gehele kalenderjaar worden gedaan, worden de in het eerste lid genoemde bedragen naar tijdsgelang in aanmerking genomen.
Uitgaven voor extra kleding en beddengoed alsmede daarmee samenhangende extra uitgaven als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel g, van de wet worden in aanmerking genomen voor een bedrag van € 300 dan wel, indien blijkt dat die uitgaven € 600 te boven gaan, voor een bedrag van € 750, indien:
- a.
de genoemde uitgaven voortvloeien uit ziekte of invaliditeit van een persoon als bedoeld in artikel 6.16 van de wet die tot het huishouden van de belastingplichtige behoort; en
- b.
de ziekte of invaliditeit ten minste een jaar heeft geduurd of vermoedelijk zal duren.
Ingeval aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden niet gedurende het gehele kalenderjaar is voldaan, wordt dat lid naar tijdsgelang toegepast.
Vervallen
De ingevolge artikel 6.26 van de wet bedoelde weekenduitgaven voor gehandicapten worden gesteld op:
- a.
€ 9 per dag van verzorging van de gehandicapte door de belastingplichtige, alsmede
- b.
€ 0,19 per kilometer voor het vervoer per auto van de gehandicapte door de belastingplichtige over de reisafstand tussen de plaats waar de gehandicapte doorgaans verblijft en de plaats waar de belastingplichtige doorgaans verblijft.
Dagen van verzorging van de gehandicapte door de belastingplichtige zijn de dagen waarop de gehandicapte bij de belastingplichtige verblijft, met inbegrip van de dagen waarop de gehandicapte wordt gehaald of gebracht.
Indien zowel de belastingplichtige als zijn partner weekenduitgaven voor een gehandicapte in aanmerking nemen, wordt het voor die gehandicapte in aanmerking te nemen bedrag gesteld op de helft van het volgens het eerste lid, onderdelen a en b, berekende bedrag, zonodig naar boven af te ronden op een geheel getal.
Als instantie als bedoeld in artikel 6.27, tweede lid, van de wet worden aangewezen:
- a.
de Inspectie van het onderwijs, bedoeld in artikel 2 van de Wet op het onderwijstoezicht;
- b.
een beoordelende instantie als bedoeld in artikel 5a.8a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
- c.
een door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap nader te bepalen accrediterende partij.
De afschrijving op een eigen monumentenwoning wordt gesteld op 15 percent van het bruto eigenwoningforfait.
Het bruto eigenwoningforfait wordt berekend door de som van het voor de monumentenwoning geldende forfaitpercentage, bedoeld in artikel 3.112, eerste lid, van de wet en het in artikel 6.31, eerste lid, onderdeel a, van de wet vermelde percentage, te vermenigvuldigen met de eigenwoningwaarde van de monumentenwoning, met dien verstande dat hierbij als eigenwoningwaarde van de monumentenwoning ten hoogste € 1 000 000 in aanmerking wordt genomen.
In afwijking van het eerste lid wordt voor monumentenwoningen waarvan het bruto eigenwoningforfait in aanmerkelijke mate de invloed ondergaat van ongebouwde en gebouwde aanhorigheden de afschrijving beperkt tot 15 percent van het aan het monumentale gedeelte van de monumentenwoning toe te rekenen deel van het bruto eigenwoningforfait.
Een kerkelijke, levensbeschouwelijke, charitatieve, culturele, wetenschappelijke of algemeen nut beogende instelling wordt door de inspecteur aangemerkt als een instelling als bedoeld in artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van de wet, indien en zolang:
- a.
uit de regelgeving van de instelling en de feitelijke werkzaamheid blijkt dat de instelling geen winstoogmerk heeft;
- b.
uit de regelgeving van de instelling en de feitelijke werkzaamheid blijkt dat de instelling het algemeen belang dient;
- c.
uit de regelgeving van de instelling en de feiten blijkt dat een natuurlijk persoon noch een rechtspersoon over het vermogen van de instelling kan beschikken als ware het zijn eigen vermogen; de inspecteur kan, zonodig onder door hem te stellen voorwaarden, toestaan dat een steunstichting en de instelling of instellingen welke door deze stichting worden ondersteund, over en weer kunnen beschikken over elkaars vermogen als ware het eigen vermogen;
- d.
de instelling niet meer vermogen aanhoudt dan is aangegeven in artikel 41b;
- e.
de leden van het orgaan van de instelling dat het beleid bepaalt, ter zake van de door hen voor de instelling verrichte werkzaamheden geen andere beloning ontvangen dan een vergoeding voor gemaakte onkosten en een niet bovenmatig vacatiegeld;
- f.
de instelling beschikt over een actueel beleidsplan dat inzicht geeft in de door de instelling te verrichten werkzaamheden, de wijze van werving van gelden, het beheer van het vermogen van de instelling en de besteding daarvan;
- g.
de kosten van werving van gelden en de beheerkosten van de instelling in redelijke verhouding staan tot de bestedingen ten behoeve van het doel van de instelling;
- h.
uit de regelgeving van de instelling blijkt dat bij opheffing van de instelling een batig liquidatiesaldo moet worden besteed ten behoeve van een instelling als bedoeld in artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van de wet, dan wel op enigerlei andere wijze waarmee het algemeen belang wordt gediend, en
- i.
de administratie van de instelling zodanig is ingericht dat daaruit duidelijk blijkt:
- 1°.
de aard en omvang van de aan de afzonderlijke leden van het orgaan van de instelling dat het beleid bepaalt, toekomende onkostenvergoedingen en vacatiegelden;
- 2°.
de aard en omvang van de kosten die door de instelling zijn gemaakt ten behoeve van de werving van gelden en het beheer van de instelling, alsmede de aard en omvang van de andere uitgaven van de instelling;
- 3°.
de aard en omvang van de inkomsten van de instelling;
- 4°.
de aard en omvang van het vermogen van de instelling.
- 1°.
Het tijdstip van aanmerken van een instelling als een instelling als bedoeld in artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van de wet kan zijn gelegen voor de dagtekening van de beschikking van dat aanmerken.
De inspecteur maakt het aanmerken van een instelling als een instelling als bedoeld in artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van de wet op een daartoe geschikte wijze publiek bekend. Het niet meer als zodanig aanmerken wordt ook op een daartoe geschikte wijze publiek bekend gemaakt.
Een instelling als bedoeld in artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van de wet houdt niet meer vermogen aan dan redelijkerwijs nodig is voor de continuïteit van de voorziene werkzaamheden ten behoeve van de doelstelling van de instelling.
Onder vermogen dat nodig is voor de continuïteit van de voorziene werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid wordt begrepen:
- 1°.
vermogen of bestanddelen daarvan welke krachtens uiterste wilsbeschikking of schenking door de instelling zijn verkregen, al dan niet in reële termen in stand te houden, voor zover die instandhouding voortvloeit uit de aan die uiterste wilsbeschikking of schenking verbonden voorwaarden;
- 2°.
vermogensbestanddelen aan te houden voor zover de instandhouding daarvan voortvloeit uit de doelstelling van de instelling;
- 3°.
activa aan te houden en vermogen voor de voorziene aanschaf van die activa op te bouwen, voor zover een instelling die activa ten behoeve van de doelstelling van de instelling redelijkerwijs nodig heeft.
Een instelling als bedoeld in artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van de wet vermeldt in haar financiële administratie het doel waarvoor het vermogen wordt aangehouden, alsmede een motivering voor de omvang van dat vermogen.
Bij een verzoek een categorie instellingen dan wel een groep van met elkaar verbonden instellingen bij één voor bezwaar vatbare beschikking aan te merken als instellingen als bedoeld in artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van de wet (gemeenschappelijke aanwijzing), wordt in het verzoek aangegeven op welke instellingen het verzoek betrekking heeft.
Een instelling waarop een verzoek voor een gemeenschappelijke aanwijzing betrekking heeft doch die niet voldoet aan de voorwaarden voor aanmerking als een instelling als bedoeld in artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van de wet, wordt niet in de gemeenschappelijke aanwijzing opgenomen.
Een beschikking inzake een gemeenschappelijk aanwijzing kan ten aanzien van ieder van de aldus aangemerkte instellingen afzonderlijk worden ingetrokken, met ingang van het tijdstip waarop die instelling niet meer voldoet aan de voorwaarden voor aanmerking als een instelling als bedoeld in artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van de wet.
Als mogendheid als bedoeld in artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b en onderdeel c, van de wet wordt aangewezen elke mogendheid waarmee in de relatie met Nederland voor de heffing van inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, successie- en schenkingsrecht zonder beperkingen of voorbehouden de uitwisseling is geregeld van gegevens, inlichtingen en gegevensdragers.
(GERESERVEERD)
(GERESERVEERD)
(GERESERVEERD)
Voor de toepassing van artikel 8.9a van de wet worden, voorzover het niet gaat om lidstaten van de Europese Unie, als de in die bepalingen bedoelde mogendheden aangewezen alle mogendheden waarmee Nederland een regeling ter voorkoming van dubbele belasting is overeengekomen, waarvan de bepalingen van toepassing zijn, met uitzondering van Zwitserland.
Aan het in artikel 8.14, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van de wet opgenomen vereiste behoeft niet te worden voldaan gedurende de periode van het kalenderjaar dat het kind, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, van dat artikel, tegelijkertijd tot het huishouden van beide ouders heeft behoord en het kind op hetzelfde woonadres als een van die ouders staat ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens.
Voor de toepassing van de eerste volzin behoort het kind tegelijkertijd tot het huishouden van beide ouders indien het kind doorgaans tenminste drie gehele dagen per week tot het huishouden van de belastingplichtige en voor de overige tijd doorgaans tot het huishouden van de andere ouder behoort.
De ouderschapsverlofkorting bedraagt per uur ouderschapsverlof 1/8 van 50% van het wettelijke minimumloon per werkdag, zoals bepaald bij of krachtens artikel 8 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Eerst nadat voor het totaal aantal uren ouderschapsverlof in het kalenderjaar aldus het bedrag aan korting is bepaald, wordt de regel toegepast dat de korting niet meer kan bedragen dan het in het voorafgaande kalenderjaar genoten belastbare loon verminderd met het in het kalenderjaar genoten belastbare loon.
Voor de toepassing van de wet en het eerste lid wordt uitgegaan van het wettelijke minimumloon zoals dat per 1 januari van het kalenderjaar waarin de ouderschapsverlofkorting geldt, is vastgesteld.
Indien de belastingplichtige in het voorafgaande kalenderjaar eveneens gebruik heeft gemaakt van zijn recht op ouderschapsverlof als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg, kan voor de toepassing van artikel 8.14b, tweede lid, van de wet in plaats van het in het voorafgaande kalenderjaar genoten belastbare loon worden uitgegaan van het in het kalenderjaar voorafgaand aan het ouderschapsverlof genoten belastbare loon.
Voor de toepassing van de ouderschapsverlofkorting beschikt de werknemer over een door de werkgever ondertekende verklaring dat ouderschapsverlof als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg is opgenomen.
Deze verklaring bevat ten minste:
- a.
naam, adres en woonplaats van de werkgever;
- b.
het loonheffingennummer van de werkgever;
- c.
naam en sociaal-fiscaalnummer van de belastingplichtige;
- d.
de periode in het kalenderjaar waarin de belastingplichtige gebruik heeft gemaakt van zijn recht op ouderschapsverlof;
- e.
het totaal aantal uren in het kalenderjaar waarin de belastingplichtige gebruik heeft gemaakt van zijn recht op ouderschapsverlof.
De aangifte, bedoeld in artikel 9.4, eerste lid, onderdeel b, van de wet, wordt gedaan binnen vijf jaren na afloop van het kalenderjaar.
Indien binnen de in het eerste lid bedoelde termijn een uitnodiging tot het doen van aangifte is uitgereikt of toegezonden, hetzij de inspecteur is verzocht om een uitnodiging tot het doen van aangifte, wordt die termijn verlengd tot het einde van de door de inspecteur ingevolge artikel 9, eerste tot en met derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen gestelde of verleende termijn.
Indien de belastingplichtige een partner heeft ten aanzien van wie in het kalenderjaar de in artikel 8.8 van de wet bedoelde maximering van de gecombineerde heffingskorting toepassing vindt, wordt bij de berekening van hetgeen ingevolge artikel 27, paragraaf 1, van het in artikel 9.2 van de wet genoemde verdrag wordt aangemerkt als ingehouden Nederlandse loonbelasting, het bedrag aan Nederlandse inkomstenbelasting en premie voor de volksverzekeringen als bedoeld in de Wet financiering sociale verzekeringen dat de belastingplichtige verschuldigd zou zijn geweest indien hij de in artikel 27, paragraaf 1, van dat verdrag bedoelde beloningen uit Nederland zou hebben verkregen, verminderd met de verhoging, bedoeld in artikel 8.9 van de wet, van de gecombineerde heffingskorting waarop zijn partner recht zou hebben gehad, indien hij bedoelde beloningen daadwerkelijk uit Nederland zou hebben verkregen en Nederland daarover belasting en premie zou hebben geheven.
Indien de belastingplichtige een partner heeft ten aanzien van wie in het kalenderjaar de in artikel 8.8 van de wet bedoelde maximering van de gecombineerde heffingskorting toepassing vindt, wordt bij de berekening van hetgeen ingevolge artikel 27, paragraaf 2, van het in het eerste lid bedoelde verdrag wordt aangemerkt als ingehouden Nederlandse loonbelasting, het bedrag aan Nederlandse inkomstenbelasting dat de belastingplichtige verschuldigd zou zijn geweest indien de in artikel 27, paragraaf 2, van dat verdrag bedoelde beloningen uitsluitend in Nederland zouden zijn belast, verminderd met de verhoging, bedoeld in artikel 8.9 van de wet, van de gecombineerde heffingskorting, waarop zijn partner recht zou hebben gehad indien uitsluitend in Nederland over de bedoelde beloningen belasting zou zijn geheven.
De in het eerste en het tweede lid bedoelde verminderingen zijn niet van toepassing voorzover de partner van de belastingplichtige:
- a.
uit hoofde van hoofdstuk 8 van de wet recht heeft op verhoging van de gecombineerde heffingskorting; of
- b.
recht zou hebben gehad op de gecombineerde heffingskorting als bedoeld in hoofdstuk 8 van de wet indien beloningen die hij heeft genoten krachtens regelen als bedoeld in hoofdstuk VII van de Algemene wet inzake rijksbelastingen niet zouden zijn vrijgesteld van de heffing van inkomstenbelasting of premie voor de volksverzekeringen als bedoeld in de Wet financiering sociale verzekeringen.
Vóór 1 januari 2005 vastgestelde lijfrenten die niet in geldeenheden luiden:
- 1.
Op een lijfrente waarvan vóór 1 januari 2005 de hoogte van de termijnen in beleggingseenheden (units) met de verzekeraar is overeengekomen, blijft artikel 2a buiten toepassing en kan de lijfrente-overeenkomst worden tenuitvoergelegd zoals is overeengekomen.
- 2.
Indien ter zake van een lijfrente als bedoeld in het eerste lid op of na 1 januari 2005 met de verzekeraar een wijziging van methode van berekening van de termijnen in units of in euro’s wordt overeengekomen, is met ingang van de datum van die wijziging art. 2a wel van toepassing.
- 3.
Indien een lijfrente als bedoeld in het eerste lid op of na 1 januari 2005 wordt omgezet in een andere lijfrente, is artikel 2a van toepassing op de laatstgenoemde lijfrente.
Een fonds dat voor 1 januari 2008 is aangewezen als fonds als bedoeld in artikel 5.14, onderscheidenlijk artikel 5.15 of artikel 5.18a van de wet, zoals de wet toen luidde, wordt geacht met ingang van 1 januari 2008 door de inspecteur bij beschikking te zijn aangewezen op de voet van de wet zoals die thans luidt.
Een participatiemaatschappij die voor 1 januari 2008 is aangewezen als participatiemaatschappij als bedoeld in artikel 5.18 van de wet, zoals de wet toen luidde, wordt geacht met ingang van 1 januari 2008 door de inspecteur bij beschikking te zijn aangewezen op de voet van de wet zoals die thans luidt.
Wijzigt deze regeling.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.
Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001.