U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 03-07-2013.

Ministeriële regeling · BWBR0012035

Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001

Wijzigingen Officiële bron
Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001De Staatssecretaris van Financiën;

Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

Gelet op de artikelen 3.31, 3.34, 3.36, 3.38 en 3.52 van de Wet inkomstenbelasting 2001;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag20 december 2000De Staatssecretaris van Financiën,W. J. Bos.

De termijn bedoeld in artikel 3.31, vierde lid, van de wet waarbinnen het verzoek ter zake van een bedrijfsmiddel dat bestemd is om te worden gebruikt buiten Nederland, moet zijn ingediend, wordt gesteld op de in artikel 2 gestelde termijn. Bij dit verzoek worden tevens de aangegane verplichtingen of de gemaakte voortbrengingskosten ter zake van het bedrijfsmiddel aangemeld.

De aanmelding van de aangegane verplichtingen en de gemaakte voortbrengingskosten vindt uitsluitend plaats langs de daartoe door de Minister van Economische Zaken geopende elektronische weg.

Met betrekking tot milieubedrijfsmiddelen die op grond van artikel 3.42a, zevende lid, van de wet worden aangemeld voor de milieu-investeringsaftrek en waarop de belastingplichtige tevens willekeurig wil afschrijven, kan de aanmelding voor willekeurige afschrijving, bedoeld in artikel 3.36, eerste lid, van de wet, worden opgenomen in de aanmelding voor de milieu-investeringsaftrek.

Vervallen

Op de aanschaffings- of voortbrengingskosten, bedoeld in artikel 7, kan willekeurig worden afgeschreven voor zover het gezamenlijke bedrag van die kosten in het kalenderjaar niet uitgaat boven het in de tabel van artikel 3.41, tweede lid, van de wet opgenomen maximum bedrag waarover kleinschaligheidsinvesteringsaftrek kan worden verkregen. De eerste volzin vindt geen toepassing op de aanschaffings- of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen waarop uit andere hoofde willekeurig wordt afgeschreven.

De periode bedoeld in artikel 3.38 van de wet wordt gesteld op vijf jaar, aanvangende met het begin van het kalenderjaar waarin de verplichtingen zijn aangegaan of de voortbrengingskosten zijn gemaakt.

Als andere aangewezen bedrijfsmiddelen als bedoeld in artikel 3.34, tweede lid, van de wet worden voorts aangewezen: schepen die door de belastingplichtige worden geëxploiteerd op een wijze als bedoeld in artikel 3.22, vierde lid en vijfde lid, van de wet.

De willekeurige afschrijving op bedrijfsmiddelen als bedoeld in artikel 10 bedraagt per kalenderjaar ten hoogste 20% van de af te schrijven aanschaffings- of voortbrengingskosten. De willekeurige afschrijving kan slechts worden toegepast voor zover de berekening van de winst uit zeescheepvaart bedoeld in 3.22, vierde lid en vijfde lid, van de wet zonder die afschrijving tot een positief bedrag leidt. Indien de afschrijving - willekeurig of op grond van artikel 3.30, eerste lid, van de wet - in een jaar minder bedraagt dan het bedrag dat op grond van de eerste volzin ten hoogste willekeurig kan worden afgeschreven, wordt het verschil toegevoegd aan het bedrag dat in het volgende jaar ten hoogste willekeurig kan worden afgeschreven.

Met betrekking tot bedrijfsmiddelen als bedoeld in artikel 10 wordt de periode, bedoeld in artikel 3.38 van de wet, gesteld op tien jaar, aanvangende met het begin van het kalenderjaar waarin de verplichtingen zijn aangegaan of de voortbrengingingskosten zijn gemaakt.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.

Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001.