U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-01-2008.

Ministeriële regeling · BWBR0012054

Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001

Wijzigingen Officiële bron
Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001De Staatssecretaris van Financiën,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken en na overleg met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

Gelet op artikel 3.42, tweede, vijfde en zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001,

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag20 december 2000De Staatssecretaris van Financiën, W.Bos

Deze regeling verstaat onder wet: Wet inkomstenbelasting 2001.

De aanmelding van de aangegane verplichtingen en de gemaakte voortbrengingskosten vindt plaats door middel van het door de inspecteur uitgereikte of toegezonden formulier. Ter zake wordt een ontvangstbevestiging afgegeven.

Indien in bijlage I sprake is van meetvoorschriften of tests, of van verklaringen of certificaten, worden bedrijfsmiddelen die getoetst zijn met gelijkwaardige meetvoorschriften of tests, respectievelijk voorzien zijn van gelijkwaardige verklaringen of certificaten, gelijkgesteld met de aangewezen bedrijfsmiddelen. Deze meetvoorschriften, tests, verklaringen of certificaten moeten zijn opgesteld, respectievelijk verstrekt worden door geaccrediteerde instellingen of instituten.

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.

Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001.

Als energie-investeringen als bedoeld in artikel 3.42, tweede lid, van de wet worden aangemerkt:

Technische voorzieningen ten behoeve van energiebesparing in of bij bouwwerken, door:

1. De verbetering van de energie-efficiëntie door:

1.1.A. Toepassing van automatische meet- en regelapparatuur.

1.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.

1.2.B. Warmtepomp voor het verwarmen van ruimten in woningen of bedrijfsgebouwen, en bestaande uit: elektrisch gedreven warmtepomp met een COP ≥ 3,6 gemeten conform NEN EN14511 of absorptiewarmtepomp. Bij een gasgestookte (absorptie)warmtepomp dient de gas utilization efficiency ≥ 1,4 te zijn, gemeten conform NEN-EN 12309-2, (eventueel) bodemwarmtewisselaar of grondwaterbron, (eventueel) restwarmteopslagvat.

1.2.C. Warmtepompboiler waarbij de warmte nuttig wordt aangewend voor de verwarming van tapwater in woningen of bedrijfsgebouwen, en bestaande uit: elektrisch gedreven warmtepompboiler met een COP ≥ 2,5 gemeten conform NEN-EN 255-3, (eventueel) bodemwarmtewisselaar of grondwaterbron, (eventueel) restwarmteopslagvat.

1.2.D. Vermindering van de inzet van energie voor het conditioneren van lucht met behulp van:

1.2.E. Luchtdichte componenten in luchtverdeelsysteem voor het transporteren van toe- of afvoerlucht in een bedrijfsgebouw, en bestaande uit: luchtklep of geluiddemper of luchtkanaalnaverwarmer of -nakoeler of luchtvolumeregelaar of aansluitkast van een ventilatierooster, gemonteerd in het luchtkanaal van een ventilatiesysteem, waarbij deze componenten zijn uitgevoerd in luchtdichtheidsklasse C gemeten conform NEN-EN 1751. Het maximum bedrag, dat voor Energie-investeringsaftrek in aanmerking komt, bedraagt per component EUR 2.500. Een ventilatorconvector of fancoilunit wordt niet gerekend tot de hiervoor genoemde luchtdichte componenten.

1.2.F. Hoogrendement luchtverwarmer voor het verwarmen van ruimten in bedrijfsgebouwen, en bestaande uit: een direct gasgestookte luchtverwarmer met een deellastrendement groter of gelijk aan 101% gemeten conform NEN-EN 1196, verbrandingsgasafvoersysteem, (eventueel) luchttoevoersysteem, (eventueel) voor ruimten met een gemiddelde hoogte groter dan 5 meter een inducerend uitblaassysteem op de luchtverwarmer met nozzles of verstelbare inducerende schoepen of een individueel thermostatisch geregelde steunventilator in een omkasting aan het plafond gemonteerd die verticaal naar beneden blaast met nozzles of verstelbare inducerende schoepen;

1.2.G. Direct gasgestookt stralingspaneel voor het verwarmen van gesloten binnenruimten in bedrijfsgebouwen met een gemiddelde hoogte groter dan 5 meter, niet zijnde tuinbouwkassen, en bestaande uit:

1.2.H. HR-pomp bestemd voor centrale verwarming, airconditioning of tapwater in bedrijfsgebouwen en bestaande uit: stand-alone natloper centrifugaalpomp tot 2.500 Watt met een EEI < 0,4 gemeten conform EN 1151 en geclassificeerd door Europump.

1.2.I. Warmtekrachtinstallatie met behulp van een zuigermotor voor het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht, onder de voorwaarde dat het totaal energetisch rendement gemiddeld op jaarbasis ten minste 70% bedraagt, en bestaande uit: warmtekrachtinstallatie, (eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet. Het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt EUR 350 per kW elektrisch vermogen. Het elektrisch vermogen is bepaald bij het nominaal motorvermogen.

Onder een warmtekrachtinstallatie wordt verstaan de gecombineerde opwekking van warmte en elektriciteit of mechanische energie door verstoking van een brandstof, waarvan de warmte nuttig gebruikt wordt, anders dan voor de productie van elektriciteit.

Onder het totaal energetisch rendement wordt verstaan de som van het energetisch rendement van de opwekking van kracht en tweederde deel van het energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof.

Onder een zuigermotor wordt verstaan een inwendige explosiemotor met elektrische ontsteking of compressieontsteking.

1.2.J. Warmtekrachtinstallatie anders dan met behulp van een zuigermotor voor het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht met een nominaal elektrisch vermogen tot 150 MWe, onder de voorwaarde dat het totaal energetisch rendement gemiddeld op jaarbasis ten minste 65% bedraagt, en bestaande uit: warmtekrachtinstallatie, (eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet. Het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt EUR 600 per kW elektrisch vermogen. Het elektrisch vermogen is bepaald bij het nominaal motorvermogen. Een warmtekrachtinstallatie anders dan met behulp van een zuigermotor met een nominaal elektrisch vermogen groter dan 150 MWe komt niet in aanmerking voor energie-investeringsaftrek.

Onder een warmtekrachtinstallatie wordt verstaan de gecombineerde opwekking van warmte en elektriciteit of mechanische energie door verstoking van een brandstof, waarvan de warmte nuttig gebruikt wordt, anders dan voor de productie van elektriciteit.

Onder het totaal energetisch rendement wordt verstaan de som van het energetisch rendement van de opwekking van kracht en tweederde deel van het energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof.

Onder een zuigermotor wordt verstaan een inwendige explosiemotor met elektrische ontsteking of compressieontsteking.

1.2.K. Brandstofcel voor het gelijktijding opwekken van elektriciteit en warmte, en bestaande uit brandstofcel, (eventueel) brandstofreformer.

1.3.A. Additionele efficiency-verhogende voorzieningen.

2. Vermindering van de warmte- of koellast door:

2.1.A. Thermische isolering.

2.1.B. HR-glas voor beglazing in buitengevel-, of dakconstructies van bestaande bedrijfsgebouwen, en bestaande uit: meervoudig glas dat gemeten is conform NEN-EN 673 voor warmtereflecterend isolerend glas met een warmtewerende coating of gasgevulde spouw, met een warmtedoorlatingscoëfficiënt U van maximaal 1,2 W/m2 K en met:

2.1.C. Energieschermen voor

2.1.D. Isolatie voor bestaande constructies in bedrijfsgebouwen door verbetering van de isolatie van bestaande vloeren, daken, plafonds of wanden van ruimten, en bestaande uit:

isolatiemateriaal waarbij de som van de warmteweerstand van de lagen R = Σ (Rm) = Σ(d/λ) toeneemt met ten minste 1,5 m2 K/W t.o.v. de oude situatie.

Het maximum bedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt EUR 20/m2 te isoleren oppervlak. De warmteweerstand dient bepaald te zijn conform NEN 1068 (mei 1997).

2.1.E Isolatie van koel- of vriesruimten door isolatiemateriaal waarbij de som van de warmteweerstand van de lagen R=Σ(Rm) = Σ(d/λ);

Bij een scheiding tussen twee gekoelde ruimten is de zwaarste warmteweerstandseis van toepassing.

De warmteweerstand dient bepaald te zijn conform NEN 1068 (mei 1997).

2.2.A. Beperking van ventilatie- of tochtverliezen.

3. Warmtehergebruik door:

3.1.A. Warmteterugwinning.

3.1.B. Warmtewisselaar voor warmteterugwinning in tuinbouwkassen, voor het afwisselend onttrekken en toevoeren van warmte, waarbij de overtollige warmte tijdelijk wordt opgeslagen om op momenten van warmtebehoefte weer ingezet te worden, en bestaande uit: warmtewisselaar met geïntegreerde toerengeregelde ventilator, pomp, (eventueel) dagbuffer.

3.2.A. Systeem voor het uitkoppelen bij de bron en primair transport van afvalwarmte. Indien afvalwarmte wordt geleverd door een investerende onderneming, dan wordt de besparing op de locatie waar de afvalwarmte wordt aangewend meegenomen bij het bepalen van het besparingskental. De berekening dient te worden betrokken over het totale investeringsbedrag van alle betrokken ondernemingen in het uitkoppelen en primair transport van afvalwarmte.

Secundair transport (distributie) van afvalwarmte in stadswijken en verwarmingsnetten zijn uitgesloten voor Energie-investeringsaftrek.

Afvalwarmte is warmte die in de bestaande situatie niet nuttig wordt aangewend. Warmte afkomstig van nieuw te bouwen elektrisch vermogen is geen afvalwarmte.

3.2.B. Warmtebuffersysteem bestemd voor het opslaan van restwarmte vrijkomend bij warmteopwekking in tuinbouwkassen voor lichte stookteelt en bestaande uit: opslagtank of opslagzak. Bij lichte stookteelt is de gemiddelde minimum etmaaltemperatuur van de stooklijn in de maand januari lager dan 17 °C.

4. Efficiënte verlichting door:

4.1.A. Toepassing van automatische meet- en regelapparatuur.

4.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.

4.2.B. Daglichtsysteem met spiegel- of prismastuurelementen of spiegelende kokers voor het optimaal benutten van daglicht in bedrijfsgebouwen door een daglichtsysteem (niet zijnde (kunststof) daglichtkoepels), waarbij het daglicht dieper in de ruimte wordt gebracht, en bestaande uit: buitenlichtkoepel, spiegel- of prismastuurelementen of spiegelende kokers, (eventueel) actief zonvolgsysteem met roterende spiegel, (eventueel) lichtdiffusor, (eventueel) plafondspiegels.

4.2.C. Vluchtwegsignalering voor verlichte vluchtrouteaanduiding in bedrijfsgebouwen, en bestaande uit: armaturen welke voorzien zijn van met tritiumgas gevulde buisjes.

4.2.D. Energie-efficiënt verlichtingssysteem voor:

4.3.A. Additionele efficiency-verhogende voorzieningen.

Technische voorzieningen ten behoeve van energiebesparing bij apparatuur of processen door:

1. De verbetering van de energie-efficiëntie door:

1.1.A. Toepassing van meet- en regelapparatuur.

1.1.B. Energie of aardgas tussenmeter voor het onderbemeteren van het energieverbruik van productieprocessen of bedrijfsgebouwen, en bestaande uit: tussenmeter voor het onderbemeteren van het verbruik op aardgas of elektriciteit of warmte of stoom of perslucht, (eventueel) puls- of busuitgang op de meter. Het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt per meter EUR 3.000.

1.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.

1.2.B. Gasgestookt HR-frituurtoestel voor het bereiden van maaltijden, dat gemeten is conform NEN-EN 437, NEN-EN 203 en CR 1404, waarbij het thermisch rendement ten minste 83% op onderwaarde bedraagt, de jaar-emissiewaarde van CO niet meer bedraagt dan 100 ppm en de jaar-emissiewaarde van NOx niet meer bedraagt dan:

De jaar-emissiewaarden van NOX en CO zijn gebaseerd op droge verbrandingsgassen en stoïchiometrische verbranding, en bestaande uit: hoogrendement gastoestel, gastoevoer- en verbrandingsgasafvoersysteem, exclusief accessoires.

1.2.C. Hoogrendementmotoren voor het aandrijven van proceswerktuigen, en bestaande uit:

asynchrone elektromotoren:

1.2.D. Warmtepomp waarbij de warmte nuttig wordt aangewend voor processen, en bestaande uit: elektrisch gedreven warmtepomp met een COP ≥ 3,6 gemeten onder normale bedrijfsomstandigheden of een absorptiewarmtepomp. Bij een direct gasgestookte (absorptie)warmtepomp dient de gas utilization efficiency ≥ 1,4 te zijn, gemeten onder normale bedrijfsomstandigheden, (eventueel) bodemwarmtewisselaar of grondwaterbron, (eventueel) restwarmteopslagvat.

1.2.E. Gasgestookte hogedrukreiniger voor het reinigen van oppervlakken met warm water onder hoge druk eventueel met gelijktijdige dosering van reinigingsmiddelen, die gemeten is conform NEN-EN 1196, waarbij het indirect rendement ten minste 100% op onderwaarde bedraagt, de jaar-emissiewaarde van de NOx niet meer bedraagt dan 60 ppm en de jaar-emissiewaarde van CO niet meer bedraagt dan 160 ppm. De jaaremissiewaarden van NOx en CO zijn gebaseerd op droge verbrandingsgassen en stoïchiometrische verbranding, en bestaande uit: gasgestookte hogedrukreiniger, (eventueel) standaard spuitlans, (eventueel) standaard hoge-drukslang.

1.2.F. Direct gasgestookte condenserende boiler voor de productie van warm tapwater, en bestaande uit: een condenserende warm tapwaterboiler, die gemeten is conform NEN-EN 89 en waarbij het rendement ten minste 100% op onderwaarde bedraagt.

1.2.G. Gasverwarmde wasdroger voor het drogen van wasgoed, en bestaande uit:

1.2.H. Gasgestookte lagedruk stoomvormer voor het verwarmen van kookketels voor maaltijden, en bestaande uit: gasgestookte lagedruk stoomvormer met een nominale belasting op onderwaarde van maximaal 130 kW.

1.2.I. Gasgestookte (stoom)convectieoven voor het bereiden van maaltijden, die gemeten is conform NEN-EN 437 en NEN-EN 203 en CR 1404, waarbij het indirect rendement ten minste 80% op onderwaarde bedraagt, de jaaremissiewaarde van NOx niet meer bedraagt dan 83,6 ppm en de jaar-emissiewaarde van CO niet meer bedraagt dan 100 ppm. De jaar-emissiewaarde van NOx en CO zijn gebaseerd op droge verbrandingsgassen en stoïchiometrische verbranding, en bestaande uit: gasgestookte (stoom)convectieoven, gastoevoer- en verbrandingsgasafvoersysteem, exclusief accessoires.

1.2.J. Energiezuinige koel- of vriesinstallatie voor het koelen of vriezen van ruimten of processen tot maximaal + 12 °C, en bestaande uit: tenminste één frequentiegeregelde compressor of één digitaal geregelde scrollcompressor, (natte)condensor ontworpen op maximaal 10 K temperatuurverschil tussen condensatie- en buitenluchttemperatuur met een specifiek ventilatorvermogen van de condensor van maximaal 25 W per kW condensorvermogen, bepaald conform NEN-EN 327 (luchtgekoelde condensor) of NEN-EN 15218 (verdampingscondensor), weersafhankelijke regeling van de condensatiedruk tot + 13 °C buitentemperatuur, elektronische expansieregeling bij een direct expansiesysteem, verdamper exclusief koelmeubel of koeltunnel.

Voor Energie-investeringsaftrek komt in aanmerking:

1.2.K. Energiezuinige professionele koel- of vrieskast met een maximale netto inhoud van 1000 liter voor:

1.2.L. Warmtekrachtinstallatie met behulp van een zuigermotor voor het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht, onder de voorwaarde dat het totaal energetisch rendement gemiddeld op jaarbasis ten minste 70% bedraagt, en bestaande uit: warmtekrachtinstallatie, (eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet. Het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt EUR 350 per kW elektrisch vermogen. Het elektrisch vermogen is bepaald bij het nominaal motorvermogen.

Onder een warmtekrachtinstallatie wordt verstaan de gecombineerde opwekking van warmte en elektriciteit of mechanische energie door verstoking van een brandstof, waarvan de warmte nuttig gebruikt wordt, anders dan voor de productie van elektriciteit.

Onder het totaal energetisch rendement wordt verstaan de som van het energetisch rendement van de opwekking van kracht en tweederde deel van het energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof.

Onder een zuigermotor wordt verstaan een inwendige explosiemotor met elektrische ontsteking of compressieontsteking.

1.2.M. Warmtekrachtinstallatie anders dan met behulp van een zuigermotor voor het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht met een nominaal elektrisch vermogen tot 150 MWe, onder de voorwaarde dat het totaal energetisch rendement gemiddeld op jaarbasis ten minste 65% bedraagt, en bestaande uit: warmtekrachtinstallatie, (eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet. Het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt EUR 600 per kW elektrisch vermogen. Het elektrisch vermogen is bepaald bij het nominaal motorvermogen. Een warmtekrachtinstallatie anders dan met behulp van een zuigermotor met een nominaal elektrisch vermogen groter dan 150 MWe komt niet in aanmerking voor energie-investeringsaftrek.

Onder een warmtekrachtinstallatie wordt verstaan de gecombineerde opwekking van warmte en elektriciteit of mechanische energie door verstoking van een brandstof, waarvan de warmte nuttig gebruikt wordt, anders dan voor de productie van elektriciteit.

Onder het totaal energetisch rendement wordt verstaan de som van het energetisch rendement van de opwekking van kracht en tweederde deel van het energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof.

Onder een zuigermotor wordt verstaan een inwendige explosiemotor met elektrische ontsteking of compressieontsteking.

1.2.N. Brandstofcel voor het gelijktijding opwekken van elektriciteit en warmte, en bestaande uit brandstofcel, (eventueel) brandstofreformer.

1.3.A. Additionele efficiency-verhogende voorzieningen.

2. Vermindering van de warmte- of koellast door:

2.1.A. Thermische isolering.

3. Warmtehergebruik door:

3.1.A. Warmteterugwinning.

3.2.A. Systeem voor het uitkoppelen bij de bron en primair transport van afvalwarmte. Indien afvalwarmte wordt geleverd door een investerende onderneming, dan wordt de besparing op de locatie waar de afvalwarmte wordt aangewend meegenomen bij het bepalen van het besparingskental. De berekening dient te worden betrokken over het totale investeringsbedrag van alle betrokken ondernemingen in het uitkoppelen en primair transport van afvalwarmte.

Secundair transport (distributie) van afvalwarmte in stadswijken en verwarmingsnetten zijn uitgesloten voor Energie-investeringsaftrek.

Afvalwarmte is warmte die in de bestaande situatie niet nuttig wordt aangewend. Warmte afkomstig van nieuw te bouwen elektrisch vermogen is geen afvalwarmte.

4. Efficiënte verlichting door:

4.1.A. Toepassing van automatische meet- en regelapparatuur.

4.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.

4.3.A. Additionele efficiency-verhogende voorzieningen.

Technische voorzieningen in of aan voertuigen voor het vervoer over de weg, vaartuigen bij de binnenvaart of bij railgebonden voertuigen ten behoeve van energiebesparing:

1. Verbetering van de energie-efficiëntie door:

1.1.A. Toepassing van automatische meet- en regelapparatuur.

1.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.

1.2.B. Wielnaafmotoren voor het aandrijven van de wielen van een voertuig, en bestaande uit:

elektromotoren met permanente magneten en motorcontroller die in de wielnaaf zijn geïntegreerd, oplaadbare accu’s ten behoeve van de voeding van de motoren.

1.2.C. Energiezuinige scheepsmotor voor het voortstuwen van een bestaand binnenvaartschip, en bestaande uit een dieselmotor met een nominaal vermogen van ten minste 250 kW, waarvan het brandstofverbruik minder bedraagt dan 198 g/kWh, gemeten volgens norm NEN-ISO 3046 -1:2002. Het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt EUR 125 per kW nominaal vermogen.

1.3.A. Additionele efficiency-verhogende voorzieningen.

1.3.B. Kopschot windscherm of spoiler intermodaal chassis voor het beter geleiden van de rijwind, ter vermindering van de aërodynamische weerstand van voertuigen ten behoeve van goederenwegtransport met een maximum massa beladen voertuig van meer dan 3.500 kg, en bestaande uit: vast aan de oplegger of het chassis gemonteerde kunststof of metalen 3-D spoiler.

1.3.C. Zij-afscherming voor het verminderen van de aërodynamische weerstand van voertuigen ten behoeve van goederenwegtransport door middel van panelen ter afsluiting van de open ruimte aan de zijkant van motorwagens, aanhangers, trekkers en opleggers die tevens voldoen aan de eisen voor de verkeersveiligheid conform EEG-richtlijn 89/297, en bestaande uit: zijafscherming.

2. Vermindering van de warmte- of koellast door:

2.1.A. Thermische isolering.

2.1.B. Lichtgewicht aramide koelcontainer voor het wegvervoer, railvervoer, watervervoer of intermodaal vervoer, en bestaande uit: koelcontainer of opbouw van koelwagens of -opleggers, exclusief het aanwezige koelaggregaat, met aramide zijwanden met een lengte van ten minste 6 meter en met een dikte van het isolatiemateriaal van ten minste 42 mm. Hierbij dienen alle zijwanden ten minste 220 g/m2 aramideweefsel of -legsel te bevatten.

2.2.A. Beperking van ventilatie- of tochtverlies.

3. Warmtehergebruik door:

3.1.A. Warmteterugwinning.

4. Efficiënte verlichting door:

4.1.A. Toepassing van automatische meet en regelapparatuur.

4.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.

4.3.A. Additionele efficiency-verhogende voorzieningen.

Technische voorzieningen die er toe strekken de inzet van fossiele brandstoffen te beperken door gebruik te maken van duurzame energie door:

1. Zonne-energie door:

1.1.A. Conversie naar elektriciteit of warmte (met uitzondering van het gebruik van passieve zonne-energie).

1.1.B. Fotovoltaïsch zonne-energiesysteem voor het opwekken van elektrische energie uit zonlicht met behulp van zonnecellen, en bestaande uit: panelen met fotovoltaïsche zonnecellen met een gezamenlijk piekvermogen van ten minste 90 Watt, (eventueel) stroom/spanningsomvormer, (eventueel) accumulator. Het investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt maximaal EUR 3000/kW piekvermogen.

1.1.C. Zonnecollectorsysteem voor het verwarmen van water of lucht, en bestaande uit: zonnecollector, (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) warmtewisselaar, (eventueel) in het vat geïntegreerde naverwarmer, (eventueel) in luchtverwarmer geïntegreerde fotovoltaïsche zonnecellen.

2. Windenergie door:

2.1.A. Windturbine met een nominaal vermogen > 25 kW voor het opwekken van elektrische energie, en bestaande uit: windturbine, mast, (eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet, (eventueel) uitsluitend voor plaatsing en onderhoud van de windmolen bestemde ontsluitingsweg.

Het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt voor windturbines die:

Het vermogen (kW) is gedefinieerd als het nominale elektrische vermogen van de windturbine.

2.1.B. Windturbine met een nominaal vermogen ≤ 25 kW voor het opwekken van elektrische energie, en bestaande uit: windturbine, (eventueel) mast, (eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet.

Het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt EUR 3000/kW;

Het vermogen (kW) is gedefinieerd als het nominale elektrische vermogen van de windturbine.

3. Waterkracht door:

3.1.A. Conversie naar elektrische of mechanische energie,

3.1 B. Waterkrachtinstallatie voor het benutten van waterstroming of het verval van waterstromen voor de opwekking van elektrische of mechanische energie, en bestaande uit: waterrad of waterturbine, (eventueel) transmissie, (eventueel) generator, (eventueel) transformator, (eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet.

4. Benutten of opslaan van omgevingswarmte door:

4.1.A. Aardwarmtewinningssysteem voor het winnen van warmte uit diepe aardlagen ten behoeve van de verwarming van processen of van gebouwen, en bestaande uit:

aardwarmtewinningsinstallatie, aansluiting op verwarmingsnet.

4.1.B. Grondwarmtewisselaar voor:

4.1.C. Warmte- of koude-opslag in de bodem (aquifer) voor het opslaan van warmte of koude in de bodem met behulp van grondwater als opslagmedium, ten behoeve van het koelen of verwarmen van gebouwen of processen, en bestaande uit: een gesloten systeem met grondwaterbronnen/putten, die voor onttrekking en injectie worden gebruikt en waarbij de jaarlijkse netto thermische balans van de bodem nagenoeg neutraal is, grondwaterpompen, transportleiding van putten naar applicatievestiging, (eventueel) warmtewisselaar tussen grondwater en gebouwnet.

5. Benutten van warmte of kracht uit biomassa door:

5.1.A. Warmtekrachtinstallatie gestookt met biomassa of uit biomassa verkregen gasvormige of vloeibare energiedragers voor het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht, onder de voorwaarde dat het totaal energetisch rendement gemiddeld op jaarbasis ten minste 60% bedraagt, en bestaande uit: warmtekrachtinstallatie, (eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet, (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) primair warmtetransportsysteem exclusief verwarmingsnetten in bouwwerken en warmtedistributienetten in woonwijken.

Onder een warmtekrachtinstallatie wordt verstaan de gecombineerde opwekking van warmte en elektriciteit of mechanische energie door verstoking van een brandstof, waarvan de warmte nuttig gebruikt wordt, anders dan voor de productie van elektriciteit.

Onder het totaal energetisch rendement wordt verstaan de som van het energetisch rendement van de opwekking van kracht en tweederde deel van het energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof.

Onder biomassa wordt hier verstaan: materiaal dat voor wat betreft de massa van de brandbare componenten geheel of nagenoeg geheel bestaat uit koolstofverbindingen afkomstig uit een korte CO2-cyclus, waarbij geldt dat de eventueel in het materiaal aanwezige koolstofverbindingen afkomstig uit een lange CO2-cyclus onvermijdelijk in het materiaal aanwezig zijn. Hierbij mag geen sprake zijn van bijstook van kunststoffen of bijmenging van kunststoffen.

Bijvoorbeeld de volgende materiaalstromen:

5.1.B. Ketel gestookt met biomassa of uit biomassa verkregen gasvormige of vloeibare energiedragers voor het verwarmen van gebouwen of processen onder de voorwaarde dat het warmterendement gemiddeld op jaarbasis ten minste 80% bedraagt, en bestaande uit: ketel, (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) primair warmtetransportsysteem exclusief verwarmingsnetten in bouwwerken en warmtedistributienetten in woonwijken.

Onder het warmterendement wordt verstaan het energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof.

Wat hierbij onder biomassa is te verstaan is aangegeven onder D.5.1.A.

5.1.C. Opwaarderen van uit biomassa verkregen gasvormige energiedragers naar aardgaskwaliteit, en bestaande uit: biogasopwaardeerapparatuur, aansluiting op het aardgasnet, (eventueel) compressor.

Wat hierbij onder biomassa is te verstaan is aangegeven onder D.5.1.A.

5.1.D. Conversie naar vloeibare of gasvormige of vaste energiedragers uit houtachtige of cellulose-achtige verbindingen in biomassa, waarbij de energiedrager wordt gebruikt voor het opwekken van warmte of kracht of als transportbrandstof door: pyrolyse of vergassing of torrefactie of thermische ontleding of chemische ontleding of enzymatische ontleding, en bestaande uit: reactor waarin één van de hiervoor genoemde processen plaatsvindt. Nabehandelingsapparatuur voor het verder verwerken van de reactorproducten en op- en overslagvoorzieningen komt niet in aanmerking voor energie-investeringsaftrek.

Wat hierbij onder biomassa is te verstaan is aangegeven onder D.5.1.A.

Een energie-advies ter verbetering van de energie-efficiency van objecten door middel van een verkenning van de mogelijkheden om maatregelen te treffen, en bestaande uit:

Het maatwerkadvies zoals dat neergelegd is in ISSO 75.2 is afgestemd op de BRL9500 deel 4 EPA-maatwerkadvies voor bestaande utiliteitsgebouwen.

Dit EPA-maatwerkadviesrapport bevat ten minste de volgende gegevens:

2. Als referentie voor de berekening van de energiebesparing dient bij bestaande bouwwerken, bestaande processen en bestaande transportmiddelen het historisch energiegebruik. Bij nieuwe processen, nieuwe bouwwerken en nieuwe transportmiddelen dient het in de betreffende branche gemiddeld gangbare energiegebruik bij (soortgelijke) nieuwe investeringen bij vergelijkbare toepassingen als referentie.

3. De bovenstaande systematiek is ook van toepassing indien een besparing plaatsvindt op de fossiele brandstoffen, aardgas, aardolie of steenkool die als grondstof worden ingezet en wordt voldaan aan de gestelde besparingsnormen in lid 1.

Ook geldt dit indien wordt bespaard op waterstof die als grondstof, secundaire hulpstof of brandstof wordt ingezet en wordt voldaan aan de gestelde besparingsnormen in lid 1.

De systematiek is daarnaast ook van toepassing indien een besparing op fossiele brandstoffen plaatsvindt door vloeibare- of gasvormige zuurstof of vloeibare- of gasvormige stikstof of vloeibare CO2 die als hulpstof worden ingezet en wordt voldaan aan de gestelde besparingsnormen in lid 1.

4. Bij de berekening van de energiebesparing wordt de besparing door verlaging van het primaire energiegebruik per eenheid product door toepassing van groeibevorderende stoffen of groeibevorderende voorzieningen voor levende organismen buiten beschouwing gelaten.

5. Ten aanzien van de investeringen omschreven onder D moeten deze voorzieningen er toe strekken de inzet van fossiele brandstoffen te beperken door voor ten minste 70% van de energie-inhoud gebruik te maken van duurzame energie. Onder duurzame energie valt: zonne-energie, windenergie, waterkracht, het benutten of opslaan van omgevingswarmte en biomassa.

6. Voor investeringen, die naar aard, toepassing en gebruik overeenkomen met een nader omschreven investering, zijn de eisen die worden gesteld aan zo’n nader omschreven investering eveneens van toepassing.

Dit geldt voor:

A.1.2.B tot en met A.1.2.K; A.2.1.B tot en met A.2.1.E; A.3.1.B; A.3.2.B.; A.4.2.B tot en met A.4.2.D;

B.1.1.B.;B.1.2.B tot en met B.1.2.N;

C.1.2.B; C.1.2.C; C.1.3.B; C.1.3.C; C.2.1.B;

D.1.1.B; D.1.1.C; D.2.1.A; D.2.1.B; D.3.1.B; D.4.1.A tot en met D.4.1.C; D.5.1.A tot en met D.5.1.D.

Indien bij deze nader omschreven investeringen de omschrijving zich beperkt tot de bestaande situatie, zijn deze investeringen die geen betrekking hebben op de bestaande situatie, uitgesloten van energie-investeringsaftrek.

7. Met betrekking tot investeringen nader omschreven onder A.2.1.C en A.3.2 .B zijn voorzieningen die (mede) worden toegepast in tuinbouwkassen voor zware stookteelt uitgesloten van deze regeling. De uitsluiting geldt niet voor investeringen nader omschreven onder A.1.2.B., A.2.1.C.b., A.2.1.C.c., A.3.1.B., D.5.1.A en D.5.1.B.

Bij de berekening van de besparing gelden de volgende omrekenfactoren:

Hierbij wordt X berekend door de onderste verbrandingswaarde in MJ/Nm3 van het ingezette aardgas te delen door 31,65 MJ/Nm3 .

1. De voorwaarden als bedoeld in artikel 3.42, vijfde lid, van de wet waaronder de kosten van een daar bedoeld advies inzake energiebesparende maatregelen kunnen worden begrepen onder de aanschaffings- of voortbrengingskosten van een energie-investering, zijn:

2. Bij een gecombineerd energie-milieuadvies wordt 50% van de totale advieskosten toegerekend aan het energie-advies.

3. Bij de berekening van de energiebesparing per geïnvesteerde euro voor investeringen als bedoeld in artikel 2, blijven bij het geïnvesteerde bedrag de kosten van het energie-advies buiten beschouwing.

4. Een object is een bestaand totaal bedrijfsgebouw of een bestaand totaal proces dat apart bemeterd is voor energiedragers.