U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-01-2018.

Ministeriële regeling · BWBR0012054

Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001

Wijzigingen Officiële bron
Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001De Staatssecretaris van Financiën,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken en na overleg met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

Gelet op artikel 3.42, tweede, vijfde en zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001,

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag20 december 2000De Staatssecretaris van Financiën, W.Bos

Deze regeling verstaat onder wet: Wet inkomstenbelasting 2001.

Indien in bijlage I sprake is van meetvoorschriften of tests, of van verklaringen of certificaten, worden bedrijfsmiddelen die getoetst zijn met gelijkwaardige meetvoorschriften of tests, respectievelijk voorzien zijn van gelijkwaardige verklaringen of certificaten, gelijkgesteld met de aangewezen bedrijfsmiddelen. Deze meetvoorschriften, tests, verklaringen of certificaten moeten zijn opgesteld, respectievelijk verstrekt worden door daartoe geaccrediteerde instellingen of instituten.

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.

Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001.

Als energie-investeringen als bedoeld in artikel 3.42, tweede lid, van de wet worden aangemerkt:

Technische voorzieningen ten behoeve van energiebesparing in of bij bedrijfsgebouwen, door:

Technische voorzieningen ten behoeve van energiebesparing bij processen door:

Technische voorzieningen ten behoeve van energiebesparing in of aan transportmiddelen. Onder transportmiddelen wordt verstaan: voertuigen voor het vervoer over de weg, voertuigen voor intern transport, vaartuigen en railgebonden voertuigen. Deze voorzieningen moeten er toe leiden dat het transportmiddel zelf energie-efficiënter wordt. Technische voorzieningen die het transportmiddel zelf niet energie-efficiënter maken, maar indirect energie besparen zijn uitgesloten voor Energie-investeringsaftrek.

De energiebesparing moet gebaseerd zijn op dezelfde rij- of vaarroute, waarbij wordt uitgegaan van dezelfde goederen en van een maximale belading.

Technische voorzieningen die er toe strekken de inzet van fossiele brandstoffen te beperken door gebruik te maken van:

Technische voorzieningen die er toe strekken energie te besparen door balanceren van energie in de energieinfrastructuur, door:

Een energie-advies ter verbetering van de energie-efficiency van objecten door middel van een verkenning van de mogelijkheden om maatregelen te treffen, en bestaande uit:

Bij de berekening van de besparing gelden de volgende omrekenfactoren:

Hierbij wordt X berekend door de onderste verbrandingswaarde in MJ/Nm3 van het ingezetteaardgas te delen door 31,65 MJ/Nm3.

Indien een brandstof wordt gebruikt die niet is genoemd in de voorgaande opsomming, dient de omrekenfactor bepaald te worden door de onderste verbrandingswaarde van deze stof in MJ per eenheid gewicht of volume te delen door 31,65 MJ/Nm3.

Voor investeringen onder A.5 Energieprestatieverbetering van bestaande bedrijfsgebouwen geldt dat op het moment van melden alle noodzakelijke investeringsverplichtingen, waarmee wordt voldaan aan de gestelde eisen genoemd onder A.5 moeten zijn aangegaan.