U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-07-2013.
Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 20 december 2000, houdende vaststelling van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 17 november 2000, nr. WDB2000/872M, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Directe Belastingen;

Gelet op de artikelen 2.5, 2.6, 3.11, 3.83, 3.126, 3.127, 4.25, 5.7, 5.22, 5.23, 6.25, 7.6, 10.8 en 10.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001;

De Raad van State gehoord (advies van 13 december 2000, nr. W06.00.0535/IV);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 18 december 2000, nr. WDB2000/963U, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Directe Belastingen;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage20 december 2000BeatrixDe Staatssecretaris van Financiën,W. J. Bosde achtentwintigste december 2000De Minister van Justitie,A. H. Korthals

De dividendbelasting geheven over tot het inkomen uit werk en woning behorende dividenden die niet tot het in afdeling 7.2 van de wet omschreven inkomen uit werk en woning in Nederland behoren, wordt niet verrekend met de door de kiezende belastingplichtige verschuldigde inkomstenbelasting. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot bronbelasting, bedoeld in artikel 9.2, eerste lid, onderdeel d, van de wet en bronbelasting, bedoeld in het tiende lid van dat artikel.

De dividendbelasting geheven over tot het inkomen uit aanmerkelijk belang behorende dividenden die niet tot het in afdeling 7.3 van de wet omschreven inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap behoren, wordt niet verrekend met de door de kiezende belastingplichtige verschuldigde inkomstenbelasting. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot bronbelasting, bedoeld in artikel 9.2, eerste lid, onderdeel d, van de wet en bronbelasting, bedoeld in het tiende lid van dat artikel.

De dividendbelasting geheven over dividenden uit rechten die tot de bezittingen, bedoeld in artikel 5.3 van de wet, behoren, wordt niet verrekend met de door de kiezende belastingplichtige verschuldigde inkomstenbelasting. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot bronbelasting, bedoeld in artikel 9.2, eerste lid, onderdeel d, van de wet en bronbelasting, bedoeld in het tiende lid van dat artikel.

Als nationale regelgeving die leidt tot herstructurering van een bedrijfstak als bedoeld in artikel 3.54, twaalfde lid, onderdeel c, van de wet wordt aangewezen:

De waarde in het economische verkeer van opgebouwde aanspraken uit een pensioenregeling als bedoeld in artikel 3.83 van de wet wordt gesteld op de bedragen die bij een derde zouden moeten worden gestort ten einde de aanspraken te dekken.

Onder natuurterreinen als bedoeld in artikel 5.7 van de wet worden verstaan heidevelden, hoogveenterreinen, zandverstuivingen, duinterreinen, kwelders, schorren, gorzen, slikken, riet- en ruigtlanden, laagveenmoerassen, voorzover deze terreinen geen landbouwgronden zijn.

De waarde van een erfpachtcanon als bedoeld in artikel 5.20, vierde lid, van de wet wordt gesteld op het zeventienvoud van het jaarlijkse bedrag. In afwijking van de eerste volzin wordt het deel van een erfpachtcanon dat kan worden toegerekend aan een verhuurde woning als bedoeld in artikel 17a, vierde lid, gesteld op het twintigvoud van het jaarlijkse bedrag. De toerekening van de erfpachtcanon, bedoeld in de vorige volzin, geschiedt naar rato van de, met inachtneming van artikel 17a, vierde lid, berekende, WOZ-waarden van de te onderscheiden zelfstandige onderdelen van het gebouwd eigendom waarop de erfpachtcanon betrekking heeft.

Bij de bepaling van de omvang van hetgeen op de belastingplichtige aan uitgaven voor specifieke zorgkosten drukt blijven buiten beschouwing:

Vervallen

Als voorheffing worden aangewezen door Andorra, British Virgin Islands, Curaçao, Guernsey, Isle of Man, Jersey, Liechtenstein, Monaco, San Marino, Turks and Caicos Islands, Sint Maarten en Zwitserland geheven bronbelasting over een uit die mogendheid als uiteindelijk gerechtigde als bedoeld in artikel 2 van de Richtlijn 2003/48/EG van de Raad van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling (PbEU 2003, L 157), genoten rentebetaling, mits de bronbelasting vergelijkbaar is met die in artikel 11 van die richtlijn en de rentebetaling valt onder de begripsomschrijving van artikel 6 van die richtlijn.

Artikel 12, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op een overdracht in het kalenderjaar 2001 waarop hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel Db, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 van toepassing is mits zowel door de ondernemer als degene die de onderneming voortzet, bij de aangifte van de ondernemer is verzocht om toepassing van dat onderdeel.

Vervallen

Vervallen

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.

Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001.