Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 19 maart 2001, houdende regels inzake het beperken van de emissie van vluchtige organische stoffen bij het gebruik van organische oplosmiddelen (Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer)Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheerWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van 3 juli 2000, nr. MJZ2000075276, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Gelet op Richtlijn nr. 1999/13/EG van de Raad van de Europese Unie van 11 maart 1999 inzake de beperking van de emissie van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen bij bepaalde werkzaamheden en in installaties (PbEG L 85) en op artikel 8.44 van de Wet milieubeheer;

De Raad van State gehoord (advies van 28 september 2000, nr. W08.00.0268/V);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 13 maart 2001, nr. MJZ2001027745, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage19 maart 2001BeatrixDe Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,J. P. Pronkde dertigste maart 2001De Minister van Justitie,A. H. Korthals

Dit besluit is van toepassing op vergunningplichtige inrichtingen die behoren tot een of meer van de categorieën van inrichtingen, die zijn genoemd in bijlage I, onder C, bij het Besluit omgevingsrecht, voor zover zich in de inrichting een installatie, een bestaande installatie of een kleine installatie bevindt.

Degene die een inrichting drijft waarin zich een bestaande installatie bevindt, draagt zorg voor:

Een bestaande installatie die werkt met nabehandelingsapparatuur en voldoet aan de emissiegrenswaarden van:

In afwijking van de artikelen 3 tot en met 9 stelt het bevoegd gezag, indien tot de inrichting een gpbv-installatie behoort, voor een tot die gpbv-installatie behorende installatie strengere emissiegrenswaarden vast dan de in dit besluit voor die installatie gestelde emissiegrenswaarden, indien met laatstbedoelde emissiegrenswaarden niet wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.14 en 2.22 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Degene die een inrichting drijft, is verplicht na een belangrijke wijziging ten genoegen van het bevoegd gezag aan te tonen dat aan de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt voldaan.

Het bevoegd gezag verstrekt de gegevens, bedoeld in de artikelen 13 en 14, op diens verzoek aan Onze Minister.

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 2001.

Dit besluit wordt aangehaald als: Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-Richtlijn milieubeheer.

Deze bijlage bevat de categorieën industriële activiteiten, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van het besluit. Bij overschrijding van de in bijlage IIA genoemde productiedrempels vallen deze categorieën van industriële activiteiten binnen het toepassingsgebied van dit besluit. In elk geval omvatten de activiteiten de reiniging van de procesapparatuur, maar niet de reiniging van de werkstukken, tenzij andersluidende vermeldingen zijn opgenomen.

Aanbrengen van lijmlagen

Coatingwerkzaamheden

Hieronder valt niet de coating van substraten met metalen met behulp van elektroforese en chemische spuittechnieken. Als de coatingactiviteit ook een stap omvat waarbij hetzelfde artikel wordt bedrukt, ongeacht de daarbij gebruikte techniek, wordt deze stap als onderdeel van de coatingactiviteit beschouwd.

Drukactiviteiten die als afzonderlijke activiteiten plaatsvinden, vallen echter niet binnen deze categorie, maar kunnen onder dit besluit vallen indien de drukactiviteit binnen het toepassingsgebied daarvan valt. 1

Bandlakken

Chemisch reinigen

Fabricage van schoeisel

Vervaardiging van coatingpreparaten, lak, inkt en kleefstoffen

Vervaardiging van geneesmiddelen

Drukken

Bewerking van natuurlijk of synthetisch rubber

Oppervlaktereiniging

Een uit meer dan één stap bestaande reinigingsactiviteit die niet wordt onderbroken door een andere stap, wordt als één oppervlaktereinigingsactiviteit beschouwd. Deze activiteit betreft niet het reinigen van apparatuur maar het reinigen van het oppervlak van producten.

Extractie van plantaardige oliën en dierlijke vetten en raffinage van plantaardige oliën

Overspuiten van voertuigen

Coating van wikkeldraad

Impregneren van houten oppervlakken

Lamineren van hout en kunststof

De totale emissiegrenswaarden zijn uitgedrukt in gram uitgestoten oplosmiddel per m2 vervaardigd product en in kilogram uitgestoten oplosmiddel per carrosserie.

Het oppervlak van de in de onderstaande tabel vermelde producten wordt als volgt gedefinieerd:

– het berekende oppervlak van het totale elektroforetisch coatingvlak en het oppervlak van delen die eventueel in latere fasen van het coatingproces worden toegevoegd en met dezelfde coating worden bekleed als voor het desbetreffende product wordt gebruikt, of het totale oppervlak van het in de installatie gecoate product.

Het oppervlak van het elektroforetisch coatingvlak wordt berekend met de volgende formule:

(2 maal gewicht product zonder coating) / (gemiddelde dikte metaalplaat x dichtheid metaalplaat)

Deze methode wordt ook gebruikt voor andere gecoate onderdelen van metaalplaat.

Voor de berekening van het oppervlak van de andere toegevoegde delen of het totale in de installatie gecoate oppervlak wordt gebruik gemaakt van CAD (computergesteund ontwerp) of andere gelijkwaardige methoden.

De totale emissiegrenswaarde in onderstaande tabel heeft betrekking op alle procesfasen die in dezelfde installatie worden uitgevoerd vanaf elektroforetische coating of een ander soort coatingproces tot en met het uiteindelijke in de was zetten en polijsten van de toplaag, alsmede de oplosmiddelen die bij het reinigen van procesapparatuur worden gebruikt, met inbegrip van spuitcabines en andere vaste apparatuur, zowel tijdens als buiten de productiefase. De grenswaarde wordt uitgedrukt als de totale massa organische verbindingen per m2 oppervlak van het gecoate product en als de totale massa organische verbindingen per autocarrosserie.

Installaties voor de coating van voertuigen beneden de in bovenstaande tabel vermelde drempelwaarden voor het oplosmiddelenverbruik voldoen aan de in bijlage IIA vermelde eisen voor de sector overspuiten van voertuigen.

Het reductieprogramma is bedoeld om de exploitant de mogelijkheid te bieden de emissie op een andere manier in dezelfde mate te beperken als door de toepassing van emissiegrenswaarden zou gebeuren. Daartoe mag de exploitant ieder speciaal voor zijn installatie ontworpen reductieprogramma gebruiken, mits uiteindelijk dezelfde emissiebeperking wordt bereikt.

Bij het aanbrengen van coating, lak, kleefstof of inkt kan het volgende programma worden gebruikt. Wanneer deze methode niet bruikbaar is, kan het bevoegd gezag een exploitant toestaan een andere ontheffingsregeling toe te passen die naar zijn overtuiging aan de hier geschetste beginselen voldoet. Bij de opzet van het programma wordt rekening gehouden met de volgende gegevens:

i. wanneer de vervangingsproducten met weinig of geen oplosmiddelen nog in ontwikkeling zijn, wordt de exploitant extra tijd gegeven om zijn reductieprogramma uit te voeren;

ii. het referentiepunt voor de emissiebeperking komt zo goed mogelijk overeen met de emissie die het resultaat zou zijn als er geen beperkende maatregelen zouden worden genomen.

De volgende regeling geldt voor installaties waar voor het product een constant gehalte aan vaste stof kan worden aangenomen en voor de bepaling van het referentiepunt voor de emissiebeperking kan worden gebruikt.

i. De exploitant dient een reductieprogramma in waarin met name de daling van het gemiddelde gehalte aan oplosmiddelen van de totale input of de verhoging van het rendement bij het gebruik van vaste stoffen wordt vermeld die leidt tot een beperking van de totale emissie van de installatie tot een bepaald percentage van de jaarlijkse referentie-emissie, de zogenoemde beoogde emissie. Dit gebeurt volgens het volgende tijdschema:

ii. De jaarlijkse referentie-emissie wordt als volgt berekend:

a. Eerst wordt de totale massa bepaald aan vaste stof in de hoeveelheid coating of inkt of lak of kleefstof die per jaar wordt gebruikt. Vaste stof is elk materiaal in coating, inkt, lak en kleefstof dat vast wordt wanneer het water of de vluchtige organische stoffen zijn verdampt.

b. De jaarlijkse referentie-emissie wordt berekend door de volgens punt a. bepaalde massa te vermenigvuldigen met de in onderstaande tabel vermelde factor. Het bevoegd gezag kan deze factoren voor individuele inrichtingen aanpassen om rekening te houden met een aangetoonde stijging van het rendement bij het gebruik van vaste stoffen.

c. De beoogde emissie wordt berekend door de jaarlijkse referentie-emissie te vermenigvuldigen met een percentage dat gelijk is aan:

– (de diffuse-emissiegrenswaarde plus 15) voor installaties die onder punt 6 en binnen het laagste drempelwaarde-interval van de punten 8 en 10 van bijlage IIA vallen;

– (de diffuse-emissiegrenswaarde plus 5) voor alle andere installaties.

d. Aan de eisen wordt voldaan als de feitelijke emissie van oplosmiddelen, bepaald aan de hand van de oplosmiddelenboekhouding, kleiner is dan of gelijk is aan de beoogde emissie.