U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 13-12-2006.
Wijzigingen Officiële bron
Wet van 28 maart 2001, houdende regels inzake het aanhouden van voorraden aardolieproducten (Wet voorraadvorming aardolieproducten 2001)Wet voorraadvorming aardolieproducten 2001Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om regels te stellen met het oog op het zo doelmatig mogelijk voldoen aan internationale verplichtingen tot het aanhouden van minimumvoorraden aardolieproducten, voortvloeiend uit de Overeenkomst inzake een Internationaal Energieprogramma (Trb. 1975, 47) en uit richtlijn nr. 68/414/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1968 houdende verplichting voor de Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap om minimumvoorraden aardolie en/of aardolieprodukten in opslag te houden (PbEG L 208), en daartoe de Wet voorraadvorming aardolieprodukten integraal te herzien;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage28 maart 2001BeatrixDe Minister van Economische Zaken,A. Jorritsma-Lebbinkde negenentwintigste maart 2001De Minister van Justitie,A. H. Korthals

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

De staat is aansprakelijk voor schulden van COVA, die mochten overblijven na haar liquidatie als rechtspersoon.

Een belanghebbende kan beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven:

Dit hoofdstuk heeft uitsluitend betrekking op het, op grond van een bilateraal akkoord, in Nederland aanhouden van een voorraad aardolieproducten ten behoeve van een andere staat dan Nederland, dan wel ten behoeve van een onderdaan van die staat.

Artikel 13 is van overeenkomstige toepassing op degene die de voorraad aanhoudt.

Wijzigt de Wet op de economische delicten.

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet en vervolgens telkens na vier jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het functioneren van COVA, alsmede over de effecten van deze wet op de Nederlandse economie.

Wijzigt deze wet.

Indien richtlijn 68/414/EEG wordt ingetrokken en wordt vervangen door een codificatie van die richtlijn, worden voor zover nodig bij besluit van Onze Minister de verwijzingen in de artikel 1, onderdelen a en c, en artikel 9, eerste en tweede lid, naar de artikelen van richtlijn 68/414/EEG alsmede de aanduiding van de richtlijn in artikel 1, onderdeel f, in overeenstemming gebracht met de corresponderende artikelen en aanduiding van de gecodificeerde richtlijn. Van dit besluit wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

De artikelen van deze wet treden in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.

Deze wet wordt aangehaald als: Wet voorraadvorming aardolieproducten 2001.