U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-01-2011.

Regeling · BWBR0012647

Reglement justitiële jeugdinrichtingen

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 5 juli 2001, houdende vaststelling van het Reglement justitiële jeugdinrichtingen en daarmee verband houdende wijziging van enkele besluiten (Reglement justitiële jeugdinrichtingen)Reglement justitiële jeugdinrichtingenWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 26 februari 2001, 5082413/01/6, gedaan in overeenstemming met de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst;

Gelet op de artikelen 3, tweede lid, 7, vijfde lid, 8, derde lid, 20, tweede lid, 21, tweede lid, 30, vijfde lid, 31, vijfde lid, 37, tweede lid, 46, vierde lid, 47, vijfde lid, 52, vijfde lid, 63, tweede lid , 66, vierde lid, 70, tweede lid, en 72, vierde lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, de artikelen 66, tweede lid, 67, eerste lid en 68 van de Wet op de jeugdhulpverlening, artikel 77ff, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, artikel 15 van de Gratiewet, artikel 19b, vierde lid, van de Ziektewet, de artikelen 19a, vijfde lid, en 47b, vierde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de artikelen 7b, vijfde lid, en 21b, vierde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de artikelen 6b, vijfde lid, en 20a, vierde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, artikel 19, achtste lid, van de Werkloosheidswet, artikel 32c, derde lid, van de Algemene nabestaandenwet, artikel 9, vierde lid, van de Algemene bijstandswet, artikel 6, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artikel 6, zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, en artikel 5, derde lid, van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars en artikel 16, zesde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998;

De Raad van State gehoord (advies van 7 mei 2001, No. W03.01.0116/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie en de Staatssecretaris van Justitie van 3 juli 2001, 5102134/01/6, uitgebracht in overeenstemming met de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage5 juli 2001BeatrixDe Minister van Justitie,A. H. KorthalsDe Staatssecretaris van Justitie,N. A. Kalsbeekde zesentwintigste juli 2001De Minister van Justitie,A. H. Korthals

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Een voorlopig gehechte jeugdige komt, onverminderd de artikelen 8 en 9, slechts voor deelname aan een scholings- en trainingsprogramma in aanmerking indien er ten aanzien van hem geen onherroepelijke rechterlijke beslissingen waarbij een vrijheidsstraf, niet zijnde vervangende jeugddetentie, of een vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd, openstaan.

Voor deelname aan een scholings- en trainingsprogramma komen niet in aanmerking jeugdigen die na de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel Nederland zullen dienen te verlaten of uitgezet of uitgeleverd zullen worden.

De noodzakelijke kosten van bestaan tijdens deelname aan een scholings- en trainingsprogramma komen niet ten laste van Onze Minister, tenzij het gaat om de kosten van een pleegkind in het kader van een uithuisplaatsing en de Regeling vergoeding pleeggezinnen van toepassing is.

Voor benoeming als lid, secretaris of plaatsvervangend secretaris komen niet in aanmerking:

Kort voor het einde van het verblijf van de jeugdige in de inrichting wordt ter afsluiting van het verblijfsplan en het behandelplan met de jeugdige nagegaan in hoeverre de doelstellingen van het plan zijn gerealiseerd. Hiervan wordt een verslag gemaakt.

De directeur kan de jeugdige een bijdrage in de reis- en verblijfkosten verstrekken.

Op grond van gewijzigde omstandigheden kan de directeur een reeds verleend verlof of het daarvan nog resterende gedeelte intrekken, naar een andere tijdstip verplaatsen of er nadere voorwaarden aan verbinden.

Onze Minister kan nadere regels stellen over de procedure voor het aanvragen en het verlenen van verlof.

Indien Onze Minister de machtiging tot het verlenen van proefverlof intrekt, geeft hij daarvan terstond kennis aan de directeur, die daarop het proefverlof intrekt. De kennisgeving wordt, onder vermelding van de datum van ingang van de beslissing, schriftelijk bevestigd. De artikelen 44, vijfde lid, en 46, zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Aan een inrichting zijn geestelijk verzorgers van verschillende godsdiensten of levensovertuigingen verbonden, doch in elk geval een geestelijk verzorger van protestantse of rooms-katholieke gezindte of een geestelijk verzorger behorend tot het humanistisch verbond.

Het dossier van de jeugdige wordt op zorgvuldige wijze, volgens een vaste indeling, opgebouwd. In ieder geval worden hierin onderscheiden:

Naast de in artikel 63, eerste lid, van de wet genoemde gegevens worden in het dossier opgenomen de jeugdige betreffende:

De particuliere inrichting beschikt over een calamiteitenplan, waarin is geregeld welke acties dienen te worden ondernomen, en door wie, in het geval van een calamiteit.

De rijksinrichting beschikt over een calamiteitenplan, waarin is geregeld welke acties dienen te worden ondernomen, en door wie, in het geval van een calamiteit.

De inrichting biedt passende opvang of behandeling aan. Onder passende opvang of behandeling wordt verstaan zorg van goed niveau, die in ieder geval doeltreffend, doelmatig en gericht op de jeugdige wordt verleend en die afgestemd is op de reële behoefte van de jeugdige.

De inrichting organiseert de opvang of behandeling op zodanige wijze, voorziet de instelling zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel en draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidsverdeling, dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot een verantwoorde opvang of behandeling.

Buiten geval van opzet of bewuste roekeloosheid is de aansprakelijkheid van de directeur voor voorwerpen die een jeugdige ingevolge artikel 50, tweede lid, van de wet onder zich heeft, beperkt tot vijfhonderd euro per voorwerp, inclusief eventuele gevolgschade.

Wijzigt het Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994.

Wijzigt het Subsidiebesluit justitiële jeugdinrichtingen.

Wijzigt de Gratieregeling 1976.

Wijzigt het Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid.

Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van de wet en dit reglement en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift terzake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van dit reglement de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.

Wijzigt deze wet.

Het Besluit regels inrichtingen voor justitiële kinderbescherming wordt ingetrokken.

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Dit besluit wordt aangehaald als: Reglement justitiële jeugdinrichtingen.