Wet · BWBR0012701

Tijdelijke referendumwet

Wijzigingen Officiële bron
Wet van 16 juli 2001, houdende tijdelijke regels inzake het raadgevend correctief referendum (Tijdelijke referendumwet)Tijdelijke referendumwetWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in functie en perspectief van wijziging van de Grondwet tot invoering van het correctief referendum tijdelijke bepalingen vast te stellen inzake het raadgevend correctief referendum,

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te Tavarnelle16 juli 2001BeatrixDe Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,K. G. de Vriesvierde september 2001De Minister van Justitie,A. H. Korthals

In deze wet wordt verstaan onder:

In de in deze wet omschreven gevallen wordt een nationaal referendum gehouden, indien na een inleidend verzoek van ten minste veertigduizend kiesgerechtigden ten minste zeshonderdduizend kiesgerechtigden daartoe bij een definitief verzoek de wens kenbaar hebben gemaakt.

In de in deze wet omschreven gevallen wordt een provinciaal referendum gehouden, indien na een inleidend verzoek van ten minste 1/3 procent van de kiesgerechtigden in de betrokken provincie ten minste vijf procent van de kiesgerechtigden in die provincie daartoe bij een definitief verzoek de wens kenbaar heeft gemaakt.

De uitslag van een referendum geldt als een raadgevende uitspraak tot afwijzing, indien een meerderheid zich in afwijzende zin uitspreekt en deze meerderheid ten minste dertig procent omvat van hen die gerechtigd waren aan het referendum deel te nemen.

Een nationaal referendum kan worden gehouden over:

Geen referendum kan worden gehouden over:

Indien een inleidend verzoek tot het houden van een referendum over een wet onherroepelijk is toegelaten, vervalt hetgeen in die wet omtrent de inwerkingtreding is geregeld van rechtswege.

Indien onherroepelijk is vastgesteld dat geen referendum zal worden gehouden of dat een referendum niet heeft geleid tot een raadgevende uitspraak tot afwijzing, wordt de inwerkingtreding bij koninklijk besluit opnieuw geregeld.

Indien onherroepelijk is vastgesteld dat een referendum heeft geleid tot een raadgevende uitspraak tot afwijzing, wordt zo spoedig mogelijk een voorstel van wet ingediend dat uitsluitend strekt tot intrekking van de wet of tot regeling van de inwerkingtreding van de wet.

Bepalingen in de volgende hoofdstukken van deze wet die betrekking hebben op een referendum over een wet, zijn tevens van toepassing op een referendum over de stilzwijgende goedkeuring van een verdrag.

Op een besluit als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, en tweede lid, is artikel 24 van overeenkomstige toepassing.

Artikel B 6 van de Kieswet is van toepassing.

De registratie van de kiesgerechtigdheid van de ingezetenen van de gemeente in de gemeentelijke administratie voor de verkiezingen van de Tweede Kamer, provinciale staten en de gemeenteraad geldt tevens als registratie van de kiesgerechtigdheid voor onderscheidenlijk nationale, provinciale en gemeentelijke referenda.

De artikelen D 9 en D 10 van de Kieswet zijn van toepassing.

Voor het houden van nationale referenda wordt Nederland verdeeld in kieskringen, die samenvallen met de provincies.

De gemeente kan door burgemeester en wethouders in stemdistricten worden verdeeld. Heeft deze verdeling niet plaats, dan vormt de gemeente één stemdistrict.

Voor het houden van nationale en provinciale referenda is er in elke gemeente een plaatselijk stembureau. Het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van de gemeenteraad treedt als zodanig op.

De hoofdstembureaus voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer in de gemeenten waar het provinciaal bestuur is gevestigd, treden op als hoofdstembureaus voor het houden van nationale referenda.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels gesteld worden omtrent inrichting, samenstelling en werkwijze van het centraal stembureau, het hoofdstembureau en het plaatselijk stembureau.

Het inleidend verzoek tot het houden van een referendum wordt gevormd door het totale aantal geldige verzoeken tot het houden van een referendum.

De door de burgemeester aangewezen ambtenaar of andere persoon tekent in tegenwoordigheid van de verzoeker op het formulier de datum aan waarop het verzoek is ingediend.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld inzake de indiening van verzoeken, de eisen waaraan een verzoek moet voldoen en de controle daarvan.

Onmiddellijk nadat de termijn van drie weken, bedoeld in artikel 44, is verstreken, worden de formulieren met de ingediende verzoeken overgebracht naar de voorzitter van het plaatselijk stembureau, of, indien het een gemeentelijk referendum betreft, van het centraal stembureau.

Indien de voorzitter besluit een verzoek ongeldig te verklaren, wordt dit met opgave van redenen op het formulier aangetekend. Een kopie van het formulier wordt aan de verzoeker gezonden.

Het proces-verbaal wordt, indien het een nationaal referendum betreft, onverwijld naar de voorzitter van het hoofdstembureau, of, indien het een provinciaal referendum betreft, de voorzitter van het centraal stembureau overgebracht.

Bij een gemeentelijk referendum worden de in deze paragraaf aan de voorzitter van het plaatselijk stembureau opgedragen werkzaamheden verricht door de voorzitter van het centraal stembureau.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld betreffende de taak van de voorzitter van het plaatselijk stembureau inzake de telling en de controle van de verzoeken tot het houden van een referendum.

Deze paragraaf is alleen van toepassing bij een nationaal referendum.

De voorzitter van het hoofdstembureau stelt uiterlijk op de dag na de ontvangst van de processen-verbaal van de plaatselijke stembureaus voor de provincie de totalen van de in artikel 53 bedoelde aantallen geldige en ongeldige verzoeken vast.

Het proces-verbaal van het hoofdstembureau wordt, vergezeld van de processen-verbaal van de plaatselijke stembureaus, onverwijld naar de voorzitter van het centraal stembureau overgebracht.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld betreffende de taak van de voorzitter van het hoofdstembureau inzake de telling en de controle van de verzoeken tot het houden van een referendum.

De voorzitter van het centraal stembureau beoordeelt het inleidend verzoek bij een nationaal referendum uiterlijk op de tweede dag na de ontvangst van de processen-verbaal van de hoofdstembureaus, bij een provinciaal referendum uiterlijk op de tweede dag na de ontvangst van de processen-verbaal van de plaatselijke stembureaus en bij een gemeentelijk referendum uiterlijk op de tweede dag na afloop van de termijn van drie weken, bedoeld in artikel 44, na beëindiging van de werkzaamheden, bedoeld in paragraaf 2 van dit hoofdstuk.

De voorzitter van het centraal stembureau stelt vast:

Bij een gemeentelijk referendum blijven de artikelen 67 en 68 buiten toepassing en beslist de voorzitter van het centraal stembureau de geschillen die ten aanzien van de vaststelling van de aantallen geldige en ongeldige verzoeken op grond van artikel 53 rijzen.

Het definitieve verzoek tot het houden van een referendum wordt gevormd door het totale aantal geldige verklaringen ter ondersteuning van het inleidend verzoek.

De door de burgemeester aangewezen ambtenaar of andere persoon tekent in tegenwoordigheid van de kiesgerechtigde op het formulier de datum aan waarop de ondersteuningsverklaring is afgelegd.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld inzake het afleggen van ondersteuningsverklaringen, de eisen waaraan een ondersteuningsverklaring moet voldoen en de controle daarvan.

Onmiddellijk nadat de termijn van zes weken, bedoeld in artikel 75, is verstreken, worden de formulieren met de afgelegde ondersteuningsverklaringen overgebracht naar het plaatselijk stembureau, of, indien het een gemeentelijk referendum betreft, naar het centraal stembureau.

Het proces-verbaal wordt, indien het een nationaal referendum betreft, onverwijld naar de voorzitter van het hoofdstembureau, of, indien het een provinciaal referendum betreft, de voorzitter van het centraal stembureau overgebracht.

Bij een gemeentelijk referendum worden de in deze paragraaf aan het plaatselijk stembureau opgedragen werkzaamheden verricht door het centraal stembureau.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld betreffende de taak van het plaatselijk stembureau inzake de telling en de controle van de ondersteuningsverklaringen.

Deze paragraaf is alleen van toepassing bij een nationaal referendum.

Het proces-verbaal van het hoofdstembureau wordt, vergezeld van de processen-verbaal van de plaatselijke stembureaus, onverwijld naar de voorzitter van het centraal stembureau overgebracht.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld betreffende de taak van het hoofdstembureau inzake de telling en de controle van de ondersteuningsverklaringen.

Bij een gemeentelijk referendum blijven de artikelen 102 en 103 buiten toepassing en beslist het centraal stembureau de geschillen die ten aanzien van de vaststelling van de aantallen geldige en ongeldige ondersteuningsverklaringen op grond van artikel 86 rijzen.

Het besluit tot toelating van een definitief verzoek houdt tevens de vaststelling in dat een referendum zal worden gehouden.

De artikelen 110 en 111 zijn ten aanzien van een provinciaal en een gemeentelijk referendum van toepassing, met dien verstande dat de aanwijzing van de dag van de stemming geschiedt bij besluit van gedeputeerde staten, onderscheidenlijk burgemeester en wethouders, en dit besluit ter openbare kennis wordt gebracht op de in de provincie, onderscheidenlijk de gemeente, gebruikelijke wijze.

Bij het gelijktijdig plaatsvinden van de stemmingen voor twee of meer referenda zijn de krachtens artikel J 6 van de Kieswet bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gegeven voorschriften voor combinatie van stemmingen van overeenkomstige toepassing.

Het stemmen anders dan door middel van stembiljetten vindt alleen plaats, indien daarbij een op grond van artikel J 33 van de Kieswet goedgekeurde techniek wordt gebezigd.

Ten aanzien van de stemming zijn de artikelen J 1, tweede lid, J 3 tot en met J 8, J 10 tot en met J 19, J 22 tot en met J 32 en J 34 tot en met J 38 van de Kieswet van toepassing, met dien verstande dat:

a. in de artikelen J 3 en J 7 in plaats van «dag van de kandidaatstelling» wordt gelezen: datum van het koninklijk besluit, bedoeld in artikel 110, onderscheidenlijk het besluit, bedoeld in artikel 112;

b. in artikel J 11, eerste lid, in plaats van «het orgaan waarvoor de verkiezing wordt gehouden» wordt gelezen: het referendum;

c. in artikel J 24, eerste lid, in plaats van «de verkiezing» wordt gelezen: het referendum;

d. in artikel J 26, eerste lid, in plaats van «de naam van de kandidaat van zijn keuze» wordt gelezen: zijn keuze inzake de wet of het besluit.

De burgemeester draagt er zorg voor dat de processen-verbaal, met daarbij gevoegd de opgaven van de door hem vastgestelde aantallen stemmen en kiesgerechtigden, onverwijld worden overgebracht naar de voorzitter van het hoofdstembureau of, indien het een provinciaal of gemeentelijk referendum betreft, naar de voorzitter van het centraal stembureau.

De artikelen N 12, tweede, derde en vierde lid, en N 13 tot en met N 21 van de Kieswet zijn van toepassing, met dien verstande dat:

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld betreffende de taak van het hoofdstembureau inzake de vaststelling van de uitslag van het referendum.

Het centraal stembureau stelt vast:

Het centraal stembureau stelt vervolgens vast of een meerderheid zich tegen de aan het referendum onderworpen wet of het aan het referendum onderworpen besluit heeft uitgesproken en, indien dit het geval is, of die meerderheid ten minste dertig procent omvat van hen die gerechtigd waren aan het referendum deel te nemen.

De voorzitter van het centraal stembureau maakt de uitslag van het referendum zo spoedig mogelijk openbaar, voor een nationaal referendum door plaatsing van een afschrift van het proces-verbaal in de Staatscourant en voor een provinciaal of gemeentelijk referendum op de in de provincie, onderscheidenlijk gemeente, gebruikelijke wijze.

De voorzitter van het centraal stembureau doet een afschrift van het proces-verbaal toekomen, bij een nationaal referendum aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal en Onze Minister, bij een provinciaal referendum aan provinciale staten en bij een gemeentelijk referendum aan de gemeenteraad.

Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit:

Tegen de hierna genoemde besluiten kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

Bij de behandeling van de in artikel 144 bedoelde beroepen gelden de volgende afwijkingen van de Algemene wet bestuursrecht:

Degene die bij een referendum door geweld of bedreiging met geweld opzettelijk iemand verhindert zijn of eens anders kiesrecht vrij en onbelemmerd uit te oefenen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

Degene die bij gelegenheid van een referendum enige bedrieglijke handeling pleegt waardoor een stem van onwaarde wordt of een andere dan bij het uitbrengen van de stem bedoelde keuze aangeeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.

Degene die opzettelijk zich voor een ander uitgevende, aan een referendum deelneemt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

Degene die bij een referendum opzettelijk een plaats gehad hebbende stemming verijdelt of enige bedrieglijke handeling pleegt waardoor aan de stemming een andere uitslag wordt gegeven dan door de wettig uitgebrachte stemmen zou zijn verkregen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden of geldboete van de vierde categorie.

Degene die stembiljetten, kiezerspassen, volmachtbewijzen of briefstembewijzen namaakt of vervalst met het oogmerk deze bij een referendum als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.

Degene die bij een referendum opzettelijk als echt en onvervalst gebruikt of door anderen doet gebruiken stembiljetten, kiezerspassen, volmachtbewijzen of briefstembewijzen, die hij zelf heeft nagemaakt of vervalst of waarvan de valsheid of vervalsing hem, toen hij ze ontving, bekend was, of deze, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, in voorraad heeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.

Degene die stembiljetten, kiezerspassen, volmachtbewijzen of briefstembewijzen voorhanden heeft met het oogmerk deze wederrechtelijk bij een referendum te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

Degene die bij een referendum als gemachtigde stemt voor een persoon, wetende dat deze overleden is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie.

Degene die bij een referendum een ander heeft gemachtigd voor hem te stemmen en niettemin in persoon aan de stemming deelneemt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie.

Degene die stelselmatig personen aanspreekt of anderszins persoonlijk benadert ten einde hen te bewegen het formulier op hun oproepingskaart, bestemd voor het stemmen bij volmacht bij een referendum, te ondertekenen en deze kaart af te geven, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de derde categorie.

De werkgever die de hem bij artikel J 10 van de Kieswet juncto artikel 117 van deze wet opgelegde verplichting niet nakomt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van de tweede categorie.

De voorzitter, de leden en de opgeroepen plaatsvervangende leden van het stembureau die gedurende de zitting buiten noodzaak afwezig zijn zonder dat in vervanging is voorzien, worden gestraft met geldboete van de eerste categorie.

De in de artikelen 147 tot en met 157 bedoelde strafbare feiten worden als misdrijven beschouwd en de in de artikelen 159 tot en met 163 bedoelde strafbare feiten als overtredingen.

Deze wet laat onverlet de bevoegdheid van besturen van provincies en gemeenten om te voorzien in de mogelijkheid van raadgevende referenda, behoudens ten aanzien van onderwerpen waarover uit hoofde van deze wet een referendum kan worden gehouden of waarover een referendum op grond van artikel 8, derde lid is uitgesloten.

Onze Minister zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

Deze wet is niet van toepassing op wetten die zijn bekrachtigd, verdragen die stilzwijgend zijn goedgekeurd en besluiten als bedoeld in artikel 8 die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze wet.

Ten aanzien van een provinciaal of gemeentelijk raadgevend referendum waarvan vóór de inwerkingtreding van deze wet onherroepelijk is komen vast te staan dat het zal worden gehouden, blijft de daarop betrekking hebbende provinciale, onderscheidenlijk gemeentelijke, autonome regeling van kracht.

Deze wet wordt aangehaald als: Tijdelijke referendumwet.