U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-01-2003.

Regeling · BWBR0012702

Besluit stralingsbescherming

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 16 juli 2001, houdende vaststelling van het Besluit stralingsbeschermingBesluit stralingsbeschermingWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst van 20 december 2000, Directie Arbeidsomstandigheden, nr. Arbo/Amil/00/84346, gedaan mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken;

Gelet op de artikelen, 28, 29, eerste lid, 30, 31, 32, eerste en vierde lid, 34, 35, 37, eerste lid, 37a, 38a, 67, 69, vierde en vijfde lid, 69a, 69b, 73 en 76 van de Kernenergiewet, artikel 16 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, artikel 37, tweede lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg alsmede op richtlijn nr. 96/29/Euratom van de Raad van de Europese Unie van 13 mei 1996 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming van de gezondheid van de bevolking en der werkers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren (PbEG L 159) en richtlijn nr. 97/43/Euratom van de Raad van de Europese Unie van 30 juni 1997 betreffende de bescherming van personen tegen de gevaren van ioniserende straling in verband met medische blootstelling en tot intrekking van richtlijn 84/466/Euratom (PbEG L 180);

De Raad van State gehoord (advies van 27 maart 2001, no. W12.01.0024/IV);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst van 2 juli 2001, Directie Arbeidsomstandigheden, nr. Arbo/Amil/01/41134, gedaan mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Tavarnelle16 juli 2001BeatrixDe Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,J. F. HoogervorstDe Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,J. P. PronkDe Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,E. Borst-Eilersde zesde september 2001De Minister van Justitie,A. H. Korthals

Dit besluit is niet van toepassing op:

De ondernemer zorgt ervoor dat vrouwen die ten gevolge van een handeling kunnen worden blootgesteld aan ioniserende straling voor aanvang van het verrichten van handelingen zijn geïnformeerd over:

De ondernemer zorgt ervoor dat de werknemers meewerken aan het voor hen georganiseerde onderricht en de instructies naleven die hen ingevolge dit besluit worden verstrekt.

Indien met een toestel geen handelingen meer worden verricht die zijn gemeld overeenkomstig artikel 21, meldt de ondernemer dit overeenkomstig de artikelen 40 en 42 binnen drie weken na het beëindigen van de handeling.

Het is verboden zonder vergunning:

In afwijking van de artikelen 24, onder b, en 25 is het verboden:

De in de artikelen 24, onder b, en 27, gestelde verboden gelden niet indien:

De ondernemer zorgt ervoor dat op een aanwijsinstrument waaraan H-3 in lichtcellen of Pm-147 in lichtgevende verf voor verlichtingsdoeleinden is toegevoegd, op een vanaf de buitenzijde van het instrument zichtbare plaats is aangebracht:

De ondernemer zorgt ervoor dat na herstel- of onderhoudswerkzaamheden aan een aanwijsinstrument waaraan radionucliden voor verlichtingsdoeleinden zijn toegevoegd:

Het is verboden buiten Nederland vervaardigde aanwijsinstrumenten, waaraan voor verlichtingsdoeleinden radionucliden zijn toegevoegd, voorhanden te hebben met het doel deze binnen Nederland in de handel te brengen, indien deze niet voldoen aan de bij en krachtens de artikelen 28, 29, 31 en 32 gestelde voorschriften.

Geen vergunning krachtens dit hoofdstuk wordt verleend indien:

De melding, bedoeld in artikel 22, bevat in ieder geval:

De paragrafen 3.5.2 tot en met 3.5.5 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer zijn van toepassing met betrekking tot de totstandkoming van een beschikking ter zake van een vergunning als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onder c, behoudens indien:

Bij een ongeval of radiologische noodsituatie binnen zijn locatie zorgt de ondernemer ervoor dat, indien een lid van de bevolking, binnen of buiten de betrokken locatie, ten gevolge daarvan is of kan zijn blootgesteld, individuele monitoring wordt uitgevoerd of dat de effectieve of equivalente doses die door de betrokken persoon zijn ontvangen op een andere wijze worden bepaald.

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

De ondernemer zorgt ervoor dat een radiologische verrichting uitsluitend geschiedt onder medische verantwoordelijkheid van een behandelend arts die is ingeschreven in een krachtens artikel 14 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg ingesteld register en die voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde deskundigheidseisen.

De ondernemer zorgt ervoor dat de behandelend arts specifiek aandacht geeft aan de rechtvaardiging van:

De ondernemer zorgt ervoor dat voor blootstelling als bedoeld in artikel 53, eerste lid, voor radiotherapeutische doeleinden de patiëntdosis op klinisch fysisch verantwoorde wijze in het doelvolume individueel wordt berekend en toegediend, in aanmerking nemende dat de patiëntdosis in het weefsel buiten het doelvolume zo laag mogelijk dient te zijn, maar zonder aan het beoogde radiotherapeutische effect van de blootstelling afbreuk te doen.

Onze Minister bevordert de vaststelling en het gebruik van diagnostische referentieniveaus voor radiodiagnostische verrichtingen als bedoeld in artikel 53, eerste lid, alsmede het opstellen van protocollen terzake.

De ondernemer zorgt ervoor dat onverminderd het bepaalde in de Wet medisch wetenschappelijk onderzoek met mensen:

De ondernemer zorgt ervoor dat, ingeval een persoon een onderzoek of behandeling met behulp van toegediende radionucliden ondergaat, aan de persoon of zijn wettelijk vertegenwoordiger in voorkomende gevallen schriftelijke instructies worden meegegeven. Tevens worden zij geïnformeerd over de risico's van de ioniserende straling voordat de betrokken persoon de locatie verlaat, teneinde de dosis voor anderen in contact met deze persoon zoveel als redelijkerwijs mogelijk is te beperken.

De ondernemer zorgt ervoor dat:

De ondernemer zorgt ervoor dat voor elke standaard radiologische verrichting voor elke apparatuuropstelling schriftelijke protocollen worden opgesteld.

De ondernemer zorgt ervoor dat:

De ondernemer zorgt ervoor dat:

De ondernemer zorgt ervoor dat:

De ondernemer zorgt ervoor dat passende radiologische apparatuur, technieken en randapparatuur worden gebruikt voor radiologische verrichtingen bij:

De verwijzende en de behandelend arts informeren bij een vrouw of er sprake is van zwangerschap en of er borstvoeding wordt gegeven, voordat een radiologische verrichting wordt uitgevoerd.

Als zwangerschap niet kan worden uitgesloten of als een vrouw borstvoeding geeft, wordt, afhankelijk van het type blootstelling, speciale aandacht besteed aan:

Onze Minister kan regels stellen om onnodige verspreiding van radiologische apparatuur te voorkomen.

Ten behoeve van de uitvoering van de artikelen 84 en 85 verricht de ondernemer, indien van toepassing, metingen binnen de bewaakte en gecontroleerde zone van:

De ondernemer zorgt ervoor dat afzonderlijk van iedere blootgestelde werknemer wordt geregistreerd:

Een werknemer wordt niet in een specifieke functie als A-werknemer tewerkgesteld indien hij blijkens de uitslag van het in artikel 97, eerste lid, bedoelde medisch onderzoek ongeschikt is voor deze functie.

Een medisch onderzoek door een stralingsarts vindt voorts plaats indien daartoe door een blootstelling waarbij dosislimieten zijn overschreden of door een blootstelling door een ongeval of een radiologische noodsituatie aanleiding bestaat.

Met betrekking tot werkzaamheden zijn de bepalingen van dit besluit die betrekking hebben op handelingen met radioactieve stoffen, met uitzondering van de artikelen 27 tot en met 34 en hoofdstuk 6, van overeenkomstige toepassing, voor zover daarvan in dit hoofdstuk niet wordt afgeweken.

Indien een werkzaamheid, die overeenkomstig artikel 103 is gemeld, niet meer wordt verricht, meldt de ondernemer dit binnen vier weken na het beëindigen van de werkzaamheid overeenkomstig artikel 40.

De artikelen 87, 89, 90, 92, 93 en 96 zijn van overeenkomstige toepassing voor de teams bedoeld in artikel 113, eerste lid, met dien verstande dat de daar bedoelde verplichtingen rusten op degene onder wiens verantwoordelijkheid de interventie wordt verricht.

De ondernemer zorgt ervoor dat voorzieningen worden getroffen ter voorbereiding op het verrichten van een interventie voor het geval dat zich binnen de locatie een radiologische noodsituatie voordoet. Hij stelt voor iedere locatie een interventieplan op, dat hij regelmatig test.

Het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet en het Besluit registratie radioactieve stoffen en kosten keuringsdiensten Kernenergiewet worden ingetrokken.

Wijzigt het Mijnreglement continentaal plat.

Op de aanvragen voor een vergunning krachtens artikel 29 van de wet, juncto de artikelen 6 en 7 van het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet, zoals dat besluit luidde tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit, en aangiften van een toestel krachtens artikel 72 van het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet, die zijn gedaan voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit wordt beslist overeenkomstig de regels krachtens het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet, zoals dat besluit luidde tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit.

Voor de behandeling van bezwaar of beroep, ingesteld voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit tegen vergunningen als bedoeld in artikel 127, die overeenkomstig de artikelen van het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet, zoals dat besluit luidde tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit, zijn verleend of geweigerd, blijven die artikelen van dit Besluit stralenbescherming Kernenergiewet en de krachtens die artikelen gestelde regels van toepassing, met dien verstande, dat in het geval na de datum van inwerkingtreding van dit besluit een bezwaar of beroep leidt tot vernietiging van het besluit tot verlening van een vergunning, een nieuw besluit wordt genomen met toepassing van dit besluit.

Na de inwerkingtreding van dit besluit berusten:

Wijzigt het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen.

Wijzigt het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen.

Wijzigt het Bijdragenbesluit Kernenergiewet 1981.

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit stralingsbescherming.

Bij het toepassen van tabel 1A is het volgende van belang:

1. Nucliden met het achtervoegsel «+» of «sec» in tabel 1 stellen moedernucliden voor, die in evenwicht zijn met hun dochternucliden zoals vermeld in aanhangsel A bij tabel 1. In dit geval hebben de in tabel 1 vermelde waarden alleen betrekking op het moedernuclide, maar zijn de dochternucliden die ingroeien daarin reeds verdisconteerd. Dat wil zeggen dat er bij evenwicht uitsluitend getoetst wordt aan de waarde voor het moedernuclide.

2. Tabel 1 geeft de waarden voor de activiteitsconcentraties en totale activiteit voor circa 800 verschillende radionucliden. Daarvan waren circa 400 radionucliden niet opgenomen in de richtlijn 96/29 of in de Mededelingen van de Commissie, maar zijn berekend door de National Radiological Protection Board (NRPB) uit het Verenigd Koninkrijk (UK) (NRPB-R306) en volledigheidshalve toegevoegd. Ook aanhangsel A bij tabel 1 is om die reden uitgebreid. De waarden voor de activiteitsconcentratie en de totale activiteit zijn evenzeer van kracht voor de toepassing van de artikelen 25, 26 en 37.

3. In bijlage 3 zijn enige natuurlijke radionucliden uit deze tabel genoemd die in Nederland bij de toetsing van natuurlijke bronnen vrijgesteld zijn van sommatie. Zij behoeven derhalve ook niet bepaald te worden.

4. Na de artikelsgewijze toelichting is een toelichting opgenomen waarin wordt ingegaan op de reden waarom de vrijstellingswaarden hetzelfde zijn als de vrijgave waarden.

5. Terwille van de leesbaarheid zijn de machten van de waarden in de tabel aangegeven met de notatie 1 E, dat wil zeggen dat bijvoorbeeld 10-4 en 104 vermeld staan als 1E-4 respectievelijk 1E+4.

6.Indien een radionuclide niet in tabel 1 is opgenomen, is dit radionuclide vrijgesteld van de meldings-of vergunningsplicht en ook van de in bijlage 3 gegeven gewogen sommatie van activiteiten, activiteitsconcentraties of enige andere grootheid als bedoeld in artikel 25, zevende lid.

1OBT = inclusief organisch gebonden tritium.

2 Voor de activiteit van Kr-85 gelden twee verschillende waarden. De waarde 1E+ 10 in deze regel geldt uitsluitend bij sommatie van gebruiksartikelen zoals lampen en starters waaraan Kr-85 in kleine hoeveelheid, maximaal 1E+4 Bq, is toegevoegd en waarbij bij normaal gebruik een huiddosis van 50 mSv in een jaar niet kan worden overschreden.

(De waarde tussenhaakjes is de fractie die naar dat nuclide vervalt.)

De in de tabel hieronder genoemde radionucliden hebben dochters met halveringstijden van 10 dagen of minder, die voor 10 % of meer bijdragen aan de dosis en die niet zijn meegenomen bij de annex 1 van richtlijn 96/29 en dus ook niet bij tabel 1A.

Deze dochters zijn ook niet meegenomen bij de evenwichten als opgenomen in tabel 1B. Zij dienen derhalve bij dosisberekeningen in de sommatie meegenomen te worden Voorts is de ratio tussen de moeder en dochter bij evenwicht gegeven.

Voor stralingsbeschermingsdoeleinden kunnen verschillende soorten grootheden worden onderscheiden:

1. Fysische grootheden die een stralingsveld of de wisselwerking van straling met materie beschrijven (deze grootheden zijn gegeven in hoofdstuk 2.2).

2. Limiterende grootheden zijn gedefinieerd om nadelige gevolgen van blootstelling aan straling te voorkomen of te beperken. Deze grootheden (zie hoofdstuk 2.3) worden in de wet- en regelgeving gebruikt om normen te stellen, maar zijn niet direct meetbaar.

3. Operationele grootheden (zie hoofdstuk 2.4) zijn gedefinieerd voor blootstelling aan externe stralingsbronnen en worden gebruikt om de limiterende grootheden te schatten. De operationele grootheden zijn wel meetbaar.

4. Operationele grootheden voor radioactieve stoffen (zie hoofdstuk 2.5) die door de Nederlandse overheid zijn gedefinieerd voor blootstelling aan radioactieve stoffen en worden gebruikt om de maximaal hoeveelheden radioactieve stoffen te bepalen die mogen worden gebruikt voor handelingen of werkzaamheden.

Het aantal door een stralingsbron uitgezonden deeltjes of de bronsterkte en het aantal uitgezonden deeltjes per tijdseenheid zijn de meest fundamentele radiometrische grootheden.

De fluentie, Φ, is het quotiënt van dN en da, waarin dN het aantal deeltjes is dat een bol met doorsnede da binnendringt:

(2.1)

De eenheid van fluentie is m– 2.

De activiteit is geen radiometrische grootheid en wordt als volgt gedefinieerd:

De activiteit, A, van een hoeveelheid radionuclide in een bepaalde energietoestand op een gegeven tijdstip, is het quotiënt van dN en dt, waarin dN de verwachtingswaarde van het aantal spontane kernovergangen van die energietoestand gedurende de tijd dt voorstelt:

(2.2)

1

De eenheid van activiteit is s–1 met als speciale naam becquerel (Bq)

De activiteitsconcentratie (de massieke activiteit), is het quotiënt van A en m, waarbij A de activiteit is van een massa-element met massa m.

De oppervlaktebesmetting is het quotiënt van A en O, warbij A de activiteit is op of in een oppervlak O.

Dosimetrische grootheden, zoals de kerma en de geabsorbeerde dosis, zijn in essentie het product van radiometrische grootheden en wisselwerkingscoëfficienten.

De grootheid kerma is alleen gedefinieerd voor indirect ioniserende straling, zoals fotonen en neutronen.

De kerma, K, is het quotiënt van dEtr en dm waarbij dEtr de som van de overgedragen kinetische energie aan alle secundaire geladen deeltjes is, welke zijn vrijgemaakt door ongeladen stralingsdeeltjes in een materiaal met massa dm:

(2.3)

De eenheid van kerma is J kg–1 met als speciale naam gray (Gy).

De geabsorbeerde dosis, D, is het quotiënt van d en dm, waarbij d de gemiddelde energie-afgifte van ioniserende straling op materie is in een volume-element met massa dm:

(2.4)

De eenheid van geabsorbeerde dosis is J kg–1 met als speciale naam gray (Gy).

Voor geladen deeltjes is de grootheid lineïeke energie-overdracht ingevoerd. Bij het onbegrensde lineïeke energieverlies, L∞, geldt geen restrictie voor de grenswaarde van het energie verlies en wordt L∞ ook aangeduid als L, waarin dE de gemiddelde energie is die een deeltje met energie E bij het doorlopen van een afstand dl in een materiaal verliest als gevolg van botsingen met elektronen:

(2.5)

De eenheid van L∞ is J m–1 maar gewoonlijk wordt L∞ uitgedrukt in keV µm–1.1

Uitgaande van de beschrijving van een stralingsveld kunnen gemiddelde effectieve doses in organen of weefsel worden berekend.2

Tabel 2.1 Stralingsweegfactoren wR

1 Met uitzondering van Auger elektronen uitgezonden door kernen gebonden aan DNA

Bij berekeningen voor neutronen met energie En (in MeV) kunnen zich bij de toepassing van trapsgewijze waarden problemen voordoen. In die gevallen kan soms beter de continue functie worden gebruikt (zie figuur 2.2), die door de volgende wiskundige betrekking wordt beschreven:

(2.9)

Figuur 2.2 Stralingsweegfactoren (wr) voor neutronen.

De vloeiende lijn moet worden beschouwd als een benadering.

De verschillende weefsels en organen in het lichaam vertonen een stralingsgevoeligheid die voor inductie van stochastische effecten onderling verschillen.

De weefselweegfactor (wT) is een factor die wordt gebruikt om de bijdrage te berekenen van de equivalente dosis in een weefsel of orgaan (HT) aan de effectieve dosis(E). De factor hangt samen met de stralingsgevoeligheid van de organen en weefsels voor stochastische effecten. De waarden zijn gegeven in tabel 2.2.

Tabel 2.2 Weefselweegfactoren wT voor de weging van de equivalente dosis HT

∗ De waarden zijn vastgesteld op basis van een referentiepopulatie met een gelijk aantal mannen en vrouwen van uiteenlopende leeftijd. Bij de bepaling van de effectieve dosis zijn zij van toepassing op de werknemers en de bevolking in haar geheel, en op beide geslachten.

∗∗ Voor de berekening worden tot de overige weefsels en organen gerekend: bijnieren, hersenen, bovenste dikke darm (colon ascendens), dunne darm, nieren, spieren, alvleesklier, milt, thymus, extrathoracale deel van de ademshalingswegen (ET) (zie ICRP publicatie nr 68) en baarmoeder. De lijst omvat organen die selectief kunnen worden bestraald. Van sommige organen op de lijst is bekend dat zij kankergevoelig zijn. Indien later blijkt dat er nog andere weefsels en organen zijn die gevoelig zijn voor nieuwvormingen, dan worden zij met een eigen wT waarde of in deze lijst van overige organen opgenomen. Deze laatste kan ook andere selectief bestraalde weefsels en organen omvatten.

∗∗∗ In de uitzonderlijke gevallen waarin slechts een van de overige weefsels of organen een equivalente dosis ontvangt die de hoogste equivalente dosis in een van de twaalf organen met een eigen weegfactor overtreft, dient voor dat weefsel of orgaan een weegfactor van 0,025 te worden gebruikt, en op de gemiddelde equivalente dosis in de rest van de overige weefsels en organen, zoals hierboven gedefinieerd, een weegfactor van 0,025.

∗∗∗∗ colon is bovenste deel dikke darm (ULI = colon ascendens + transversum) plus onderste deel dikke darm en overige delen (LLI = colon descendens + lagere delen). De ICRP geeft in publicatie 67 aanbevelingen over het gebruik van weefselweegfactoren voor verschillende delen van het colon.12

De effectieve dosis,E, is de som van de gewogen equivalente doses in alle in tabel 2.2 genoemde weefsels en organen ten gevolge van inwendige en uitwendige bestraling:

(2.10)

waarin HT de equivalente dosis in weefsel of orgaan T is en wT de weefselweegfactor zoals gegeven in tabel 2.2. De eenheid van effectieve dosis is J kg–1 met als speciale naam sievert (Sv).

De effectieve dosis is een dubbel gewogen orgaandosis die ook kan worden omschreven als:

(2.11)

waarin DT,R de gemiddelde geabsorbeerde dosis in weefsel of orgaan T is tengevolge van stralingssoort R.

De effectieve volgdosisE(τ) is de som van de te verwachten equivalente orgaan- of weefselvolgdoses ten gevolge van opname van radionucliden door het lichaam uit het omringende milieu, elk vermenigvuldigd met de desbetreffende weefselweegfactor wT.

(2.12)

In E (τ) en HT (τ) stelt τ het aantal jaren voor waarover de volgdosis wordt geïntegreerd. De eenheid van effectieve volgdosis is J kg–1 met als speciale naam sievert (Sv). Tenzij anders vermeld is τ voor volwassenen 50 jaar en voor kinderen 70 jaar.

Voor stralingsbeschermingsdoeleinden is de orgaandosis,DT, gedefinieerd als quotiënt van de totale energie, T, afgegeven in een weefsel of orgaan en de massa mT van dit orgaan of weefsel:

(2.6)

De speciale eenheid voor orgaandosis is gray (Gy).

De equivalente dosis,HT, in een weefsel of orgaan T is de som van de producten van de gemiddelde geabsorbeerde dosis DTR, in een weefsel of orgaan T ten gevolge van straling R, en de stralingsweegfactor wR:

(2.7)

De eenheid van equivalente dosis is J kg–1 met als speciale naam sievert (Sv).

De equivalente volgdosis, HT(τ), is de integraal over tijd τ van het equivalente dosistempo in weefsel of orgaan T dat door een individu tengevolge van opname van activiteit op het tijdstip t0 zal ontvangen:

(2.8)

waarin HT(τ) het betreffende equivalente dosistempo in orgaan of weefsel T op het tijdstip t voorstelt, en τ de periode in jaren waarover wordt geïntegreerd. Wanner τ niet gegeven is, wordt voor volwassenen uitgegaan van een periode van 50 jaar en voor kinderen van een periode tot een leeftijd van 70 jaar. De eenheid van equivalente volgdosis is J kg-1 met als speciale naam sievert (Sv).

De stralingsweegfactor (wR) is een dimensieloze factor die wordt gebruikt om de geabsorbeerde dosis DT,R in een weefsel of orgaan T te wegen, teneinde de biologische effectiviteit van stralingssoort R in rekening te brengen bij de bepaling van de equivalente dosis HT in dat orgaan of weefsel.

De waarde van de stralingsweegfactor wR hangt af van de soort en de energie van het uitwendige stralingsveld of van de soort en de energie van de door een radionuclide uitgezonden straling in het organisme.

Wanneer het stralingsveld samengesteld is uit soorten en energieën met verschillende wR waarden, moet de geabsorbeerde dosis worden onderverdeeld in blokken met elk zijn eigen wR waarde, die vervolgens moeten worden gesommeerd om de totale equivalente dosis te verkrijgen. In plaats daarvan kan de geabsorbeerde dosis ook worden uitgedrukt als een continue energieverdeling waarin elk element van de geabsorbeerde dosis uit het energie element tussen E en E + dE vermenigvuldigd wordt met de desbetreffende wR. De stralingsweegfactoren voor verschillende stralingssoorten zijn gegeven in tabel 2.1.

Voor stralingssoorten en energieën die niet in tabel 2.1 voorkomen, kan wr worden benaderd door berekening van de gemiddelde kwaliteitsfactor Q op een diepte d van 10 mm in de ICRU bol (zie hoofdstuk 2.4).

Het dosisequivalent, H, is het product van de kwaliteitsfactor, Q, en de geabsorbeerde dosis in een punt, D, uitgedrukt in ICRU weefsel:

(2.13)

De eenheid van dosisequivalent is de sievert (Sv).

Het dosisequivalent wordt berekend met behulp van een kwaliteitsfactor Q en niet met de stralingsweegfactor wR, die wordt gebruikt voor de berekening van de equivalente dosis.

De kwaliteitsfactor (Q) is een factor die de geabsorbeerde dosis in een punt in een weefsel of orgaan weegt voor de biologische effectiviteit van de geladen deeltjes waardoor de geabsorbeerde dosis wordt geproduceerd. De kwaliteitsfactor is gedefinieerd als een functie van het onbegrensde lineïeke energieverlies (L∞) in water op het referentiepunt (zie tabel 2.3).

Zonemonitoring (ruimtemonitoring)

Het omgevingsdosisequivalent, H∗(d), op een punt in een stralingsveld is het dosisequivalent dat zou worden teweeggebracht in het overeenkomstige, maar uitgeëxpandeerde en uitgelijnde veld in de ICRU bol op diepte d. De eenheid van omgevingsdosisequivalent is de sievert (Sv). Voor doordringende straling wordt voor d een waarde van 10 mm; voor weinig doordringende straling een waarde voor d van 0,07 mm voor de huid en voor het oog een waarde voor d van 3 mm aanbevolen. De factoren die nodig zijn voor de omzetting van omgevingdosisequivalent naar effectieve dosis zijn opgenomen in ICRP-publicatie 74.

Het omgevingsdosisequivalenttempo·H∗(d) is het omgevingsdosisequivalent per tijdseenheid. De eenheid van omgevingsdosisequivalenttempo is Sv s–1.

Het richtingsdosisequivalentH'(d, Ο) is het dosisequivalent op een punt in een stralingsveld dat zou worden teweeggebracht door het overeenkomstige geëxpandeerde veld in de ICRU bol op diepte d, op een straal in een bepaalde richting, waarbij Ο de hoek is tussen de invalsrichting van de straling en een referentierichting; en d de diepte is in mm onder het oppervlak van de ICRU-bol; Voor doordringende straling wordt voor d een waarde van 10 mm aanbevolen; voor weinig doordringende straling wordt een waarde van 0,07 mm voor de huid en 3 mm voor het oog aanbevolen. De eenheid van richtingsdosisequivalent is de sievert (Sv). De factoren die gebruikt kunnen worden voor de berekening van richtingsdosiscoëfficiënt naar effectieve dosis zijn opgenomen in ICRP-publicatie 74 en ICRU-publicatie 57.

Individuele monitoring

Het persoonsdosisequivalent, HP(d), is het dosisequivalent in zacht weefsel, op een diepte d, onder een bepaald punt op het lichaam. De eenheid van persoonsdosisequivalent is de sievert (Sv). Voor doordringende straling wordt voor d een waarde van 10 mm; voor weinig doordringende straling een waarde voor d van 0,07 mm voor de huid en voor het oog een waarde voor van 3 mm aanbevolen. De voor de berekening benodigde factoren zijn opgenomen in ICRP-publicatie 7412

De gemiddelde kwaliteitsfactor, Q,is de gemiddelde waarde van de kwaliteitsfactor, Q, op een punt in een weefsel, wanneer de geabsorbeerde dosis wordt afgegeven door deeltjes met verschillende L waarden. Deze factor wordt berekend uit de betrekking:

(2.14)

waarin Q(L∞) de kwaliteitsfactor in het referentiepunt is, L∞ het onbegrensde lineïeke energieverlies; en D(L∞)d L∞ de geabsorbeerde dosis is in het interval tussen de waarden L∞ en L∞ + d L∞. Het verband tussen L∞ en Q(L∞) wordt gegeven in tabel 2.3.

Bij de definitie van operationele grootheden voor omgevingsdosimetrie en voor kalibratie van persoonsdosismeters wordt een zeer eenvoudig fantoom , de zogenoemde ICRU-bol, gebruikt. Dit is een bol met een diameter van 30 cm en een dichtheid van 1 g cm-3. De bol is samengesteld uit de volgende materialen met tussen haakjes de massafractie: O (76,2%) H(10,1%) C(11,1%) N(2,6%). Deze samenstelling komt overeen met die van zacht weefsel. De ICRU-bol is bedoeld als een model voor de menselijke romp.

Een geëxpandeerd veld is een van het werkelijke stralingsveld afgeleid veld, waarin de fluentie (zie hiervoor bij 2.2) en haar richtings- en energiespreidingen overal in het meetvolume dezelfde waarde hebben als op het referentiepunt in het werkelijke stralingsveld.

Een geëxpandeerd en uitgelijnd veld is een stralingsveld waarin de fluentie en haar richtings- en energiespreiding hetzelfde zijn als in het geëxpandeerde veld, maar waarin de fluentie unidirectioneel is.

Het radiotoxiciteitsequivalent Re van een radionuclide is de activiteit die bij volledige directe inname (ingestie of inhalatie) daarvan een effectieve volgdosis van 1 sievert tot gevolg heeft.

Een Re voor een radionuclide is de inverse effectieve dosiscoëfficiënt voor dat nuclide:

(2.15)

Waarin e(g) de effectieve dosis coëfficiënt is voor leeftijdsgroep g, zoals gegeven in de tabellen 4.1 en 4.2 van bijlage 4. Het radiotoxiciteitsequivalent heeft de eenheid Bq.

Bij de berekening van Re wordt altijd gebruik gemaakt van de effectieve dosiscoëfficiënt voor de leeftijd > 17 jaar.

radiotoxiciteitsequivalent voor ingestie (Reing)

één radiotoxiciteitsequivalent voor ingestie (Reing) van een radionuclide is de activiteit die bij ingestie leidt tot een effectieve volgdosis van 1 sievert voor een referentiepersoon ouder dan 17 jaar, zoals bedoeld in de laatste kolom van tabel 4.1 en van tabel 6 en in tabel 5 van bijlage 4:

(2.16)

waarin eing de dosiscoëfficiënt voor ingestie is voor de leeftijdsgroep > 17 jaar voor radionuclide i, zoals opgenomen in tabel 4.1 van bijlage 4.

Het radiotoxiciteitsequivalent heeft als eenheid de becquerel (Bq).

radiotoxiciteitsequivalent voor inhalatie (Reinh)

één radiotoxiciteitsequivalent voor inhalatie (Reinh) van een radionuclide is de activiteit die bij inhalatie leidt tot een effectieve volgdosis van 1 sievert voor een referentiepersoon ouder dan 17 jaar, zoals bedoeld in de laatste kolom van tabel 4.1, 4.2 en 6 en in tabel 5:

(2.17)

waarin einh de inhalatiedosiscoefficient voor de leeftijdsgroep > 17 jaar voor radionuclide i is, zoals opgenomen in tabel 4.2 van bijlage 4.

Het radiotoxiciteitsequivalent heeft als eenheid de becquerel (Bq).

Correctiefactoren voor lozingen uitgedrukt in Re's

factoren om een radiotoxiciteitsequivalent van een bepaald radionuclide te corrigeren voor de fysische halveringstijd van het betrokken radionuclide, voor lozingen in lucht en oppervlaktewater en in het openbare riool. De geloosde hoeveelheden uitgedrukt in Re worden vóór toetsing als volgt gecorrigeerd:

(2.18)

Waarin:

Rei = de hoeveelheid geloosde radionuclide i is, uitgedrukt in Re, en

CRi = de correctiefactor voor de lozing voor radionuclide i

Tabel 2.4 Correctiefactoren voor lozing in lucht en in water

Correctiefactor (CR) voor de lozing, uitgedrukt in Re in lucht CRi en water CRw, afhankelijk van de fysische halveringstijd van het geloosde radionuclide

In deze bijlage wordt de methode gegeven waarmee activiteiten en activiteitsconcentraties gewogen moeten worden gesommeerd en getoetst conform artikel 25, derde lid en vierde lid.

Totale activiteit [Bq]

Deze sommatie met betrekking tot de totale activiteit op enig moment aanwezig binnen een locatie dient op de volgende wijze te geschieden:

waarin:

Ai is totale activiteit van radionuclide i, waarmee een handeling verricht wordt [Bq]

Av,i, is de vrijstellings- of vrijgavewaarde voor de totale activiteit voor radionuclide i [Bq]. Voor de waarden Av dienen de tabellen 1 of 2 van bijlage 1 voor handelingen respectievelijk werkzaamheden gehanteerd te worden.

Activiteitsconcentratie [Bq.g–1]

Met betrekking tot de activiteitsconcentratie, dienen de radioactieve stoffen die bij afzonderlijke handelingen betrokken zijn afzonderlijk in samenhang met hun totale activiteit bezien te worden.

Indien zowel de activiteitsconcentratie als de totale activiteit van een van die stoffen boven de vrijstellings- of vrijgave waarde uitkomt is er vergunningplicht (of bij werkzaamheden soms meldingsplicht).

De sommatie met betrekking tot de activiteitsconcentraties van verschillende radionucliden in één radioactieve stof, dient op de volgende wijze te geschieden:

waarin:

Ci is activiteitsconcentratie van radionuclide i in een radioactieve stof [Bq.g–1]

Cv,i is de vrijstellings- of vrijgavewaarde voor de activiteitsconcentratie voor radionuclide i [Bq.g–1].

Voor de waarden van Cv dienen de tabellen 1 voor handelingen respectievelijk werkzaamheden gehanteerd te worden.

Vrijstelling van sommatie van enige natuurlijke radionucliden

De activiteitsconcentratie en daarmee ook de activiteit van vele natuurlijke radionucliden komen steeds in een vaste verhouding met die van andere radionucliden voor. Indien nu de berekende vrijstellingswaarde of vrijgavewaarde van een der radionucliden veel hoger is dan volgens deze vaste verhouding voor zou kunnen komen, is het niet nuttig om de activiteitsconcentratie van dat radionuclide vast te stellen of mee te nemen bij de sommatie.

Onze Ministers hebben daarom bepaald dat de totale activiteit, de activiteitsconcentratie of enige andere grootheid, bedoeld in artikel 25, zevende lid, van de radionucliden Th-234, U-234, U-235, Ra-223, Ra-224, Th-227 en Pa-231 niet bij de sommatie, bedoeld in artikel 25, derde en vierde lid, behoeven te worden meegenomen en derhalve ook niet behoeven te worden bepaald.

Gegevens voor de bepaling van de effectieve volgdosis (E(τ)) na uitwendige bestraling of inname van een radioactieve stof met behulp van de tabellen in bijlage 3 van richtlijn 96/29 en in bijlage 2 van de Mededelingen van de Commissie betreffende de toepassing van richtlijn 96/29, van 23 februari 1998. De effectieve dosis ten gevolge van externe bestraling wordt bepaald met behulp van ICRP-publicatie 74 en ICRU-publicatie 57.

A Effectieve dosis voor leeftijdsgroep g

Tenzij anders aangegeven gelden de voorschriften ten aanzien van doses voor de som van de doses tengevolge van de uitwendige blootstelling over een bepaalde periode en van de volgdoses voor 50 jaar (voor kinderen tot de leeftijd van 70 jaar) ten gevolge van inname tijdens diezelfde periode. De betreffende periode is de periode die is aangegeven in de artikelen 9 en 13 van de richtlijn 96/29 in verband met de dosislimieten.

Over het algemeen wordt de effectieve dosis E die een individu van de leeftijdsgroep g ontvangt overeenkomstig onderstaande formule berekend:

waarin: Eextern de effectieve dosis is ten gevolge van externe blootstelling;

e(g)j,ing en e(g)j,inh zijn de effectieve volgdoses per via ingestie of inhalatie ingenomen activiteit van radionuclide j voor leeftijdsgroep g (Sv Bq– 1); Deze zijn gegeven in de tabellen onder punt D van deze bijlage.

Aj,ing en Aj,inh zijn de binnengekregen activiteit via ingestie, respectievelijk inhalatie van het radionuclide j (Bq).

In tabel 4.1 en 4.2 wordt aangegeven wat de effectieve volgdosis per via ingestie en inhalatie ingenomen activiteit (Bq) radionuclide is voor leden van de bevolking in verschillende leeftijdsklassen. Omdat in tabel 5 alleen gegevens voor volwassen werknemers worden gegeven, kan kolom 12–17a ook worden gebruikt voor het bepalen van de dosis voor leerlingen en studerenden van 16 en 17 jaar. Hierbij kan het nuttig zijn om in sommige situaties na te gaan of de voor de leden van de bevolking gehanteerde standaardparameters toepasselijk zijn voor de fysische en chemische vormen waarin de radionucliden op het werk voorkomen. De dochternucliden van radon (Rn-222) en thoron (Rn 220) blijven daarbij buiten beschouwing.

Wat betreft blootstelling van leden van de bevolking zijn in tabel 4.1 voor ingestie de waarden verwerkt die overeenkomen met de verschillende factoren f1 voor opname via de darmwand bij zuigelingen en ouderen. Wat betreft blootstelling van leden van de bevolking zijn in tabel 4.2 voor inhalatie de waarden verwerkt voor de verschillende soorten longretentie, met passende waarden f1 voor dat gedeelte van de inname dat wordt afgevoerd via het maag-darmkanaal. Indien informatie over deze waarden beschikbaar is, wordt de passende waarde gehanteerd; zo niet dan wordt de meest restrictieve waarde aangehouden. De longabsorptietypen hiervoor zijn gegeven in tabel 4.3.

In tabel 5 wordt aangegeven wat de effectieve volgdosis per via ingestie en inhalatie ingenomen Bq radionuclide is voor blootgestelde werknemers en voor leerlingen en studerenden van 18 jaar en ouder; de dochternucliden van radon en thoron blijven daarbij buiten beschouwing. In tabel 6 is die gegeven voor oplosbare of reactieve gassen en dampen en in tabel 7 voor edelgassen.

Wat beroepsblootstelling betreft zijn in tabel 5 de waarden voor ingestie verwerkt die overeenkomen met de verschillende factoren f1 voor opname via de darmwand alsmede de waarden voor inhalatie voor de verschillende soorten longretentie, met passende waarden f1 voor dat gedeelte van de inname dat wordt afgevoerd via het maag-darmkanaal.

In tabel 8 staan de factoren f1 voor opname via de darmwand per element en verbinding daarvan voor werknemers en leden van de bevolking bij opname via ingestie. In tabel 9 staan de longabsorptietypen en de factoren f1 voor opname via de darmwand per element en per verbinding daarvan voor blootgestelde werknemers, leerlingen en studerenden van 18 jaar en ouder en leden van de bevolking bij inname via inhalatie.

Voor leden van de bevolking dient bij de longabsorptietypen en de factoren f1 voor opname via de darmwand aan de hand van de beschikbare internationale richtsnoeren rekening te worden gehouden met de chemische vorm van het element. In het algemeen dient bij ontbreken van informatie over deze parameters de meest conservatieve waarde te worden gehanteerd.

C Omrekeningsfactoren voor radon- en thoron-dochters

Voor dochternucliden van radon (Rn-222) en thoron (Rn-220) gelden de volgende conventionele omrekeningsfactoren, effectieve dosis per eenheid potentiële blootstelling aan alfa-energie (Sv per Jhm– 3):

Tabel 4.0 Omrekeningsfactoren voor radon- en thoron-dochters

Omrekeningsfactoren in effectieve dosis per eenheid potentiële blootstelling aan alfa-energie in Sv per Jhm– 3:

Potentiële alfa-energie (van dochternucliden van radon en thoron) is de uiteindelijk afgegeven totale energie tijdens het verval van dochternucliden van radon en thoron in de gehele vervalcyclus tot, maar niet met inbegrip van 210Pb voor dochternucliden van 222Rn en tot stabiel 208Pb voor dochternucliden van 220Rn. De eenheid is J (joule). Voor blootstelling aan een gegeven concentratie gedurende een gegeven tijd is de eenheid Jhm–3.

D. Tabellen

Overgenomen uit bijlage III van richtlijn 96/29 en de Mededeling van de Commissie der EG, 23 februari 1998, PbEG 1998, C 133.

Tabel nummers:

4.1 Ingestiedosiscoëfficiënten voor leden van de bevolking.

4.2 Inhalatiedosiscoëfficiënten voor leden van de bevolking.

4.3 Longabsorptietypen, gebruikt voor de berekening van de inhalatiedosiscoëfficiënt voor aan deeltjesaerosols of gassen en dampen blootgestelde leden van de bevolking.

5 Inhalatie- en ingestiedosiscoëfficiënten voor werknemers.

6 Effectieve volgdosis coëfficiënten voor oplosbare of reactieve gassen en dampen.

7 Effectieve dosis ten gevolge van blootstelling van volwassenen aan edelgassen

8 Waarden voor f1 voor de berekening van ingestiedosiscoëfficiënten.

9 Longabsorptietypen en f1-waarden voor de scheikundige vormen van de elementen voor de berekening van inhalatiedosiscoëfficiënten.

Tabel 4.1 Ingestiedosiscoëfficiënten voor leden van de bevolking.

1 De waarde van f1 voor 15-jarigen is 0,4.

2 De waarden van f1 voor 1 tot 15-jarigen is 0,2.

3 De waarden van f1 voor 1 tot 15-jarigen is 0,3.

Tabel 4.2 Inhalatiedosiscoëfficiënten voor leden van de bevolking

1 Type F duidt snelle eliminatie uit de long aan (Fast)

Type M duidt matig snelle eliminatie uit de long aan (Moderate)

Type S duidt langzame eliminatie uit de long aan (Slow).

2 De waarde van f1 voor 1 tot 15-jarigen is 0,4.

3 De waarde van f1 voor 1 tot 15-jarigen is 0,2.

4 De waarde van f1 voor 1 tot 15-jarigen is 0,3.

Tabel 4.3 Longabsorptietype(n)1, gebruikt voor de berekening van de inhalatiedosiscoëfficiënt voor aan deeltjesaerosolen of gassen en dampen blootgestelde leden van de bevolking

1 Deeltjes: Snel (Fast – F), Matig snel (Moderate – M) en Langzaam (Slow – S); Gassen en dampen (G).

∗ Aanbevolen default absorptietype voor deeltjesaerosolen wanneer er geen specifieke informatie beschikbaar is (zie ICRP publikatie nr 71).

Tabel 5 Inhalatie- en ingestiedosiscoëfficiënten voor werknemers.

1 Type F duidt snelle eliminatie uit de long aan.

Type M duidt matig snelle eliminatie uit de long aan.

Type S duidt langzame eliminatie uit de long aan.

2 OGT: Organisch gebonden tritium.

Tabel 6 Effectieve volgdosis e(g) per via inhalatie opgenomen eenheid van inname (Sv Bq– 1) voor oplosbare of reactieve gassen en dampen, voor > 17 jaar zowel voor werknemers als voor leden van de bevolking

Effectieve volgdosis e(g) per via inhalatie opgenomen eenheid van inname (Sv Bq– 1) voor oplosbare of reactieve gassen en dampen

1Erg snelle resorptie.

2 Voor absorptie van nikkel carbonyl zie paragraaf 5.6 van ICRP publikation nr 71.

3 Voor kwik gas geldt: Depositie 10% : 20% : 40% (bronchiaal : bronchiolair : alveolair-interstitieel); 1,7 dag retentie halveringstijd (ICRP Publikation nr 68).

Tabel 7 Effectieve dosis per eenheid van geïntegreerde luchtconcentratie (Sv d– 1/Bq m-3) ten gevolge van blootstelling van volwassenen (werknemers of leden van de bevolking) aan edelgassen

Tabel 8 Verbindingen en f1-waarden, gebruikt voor de berekening van ingestiedosiscoëfficiënten

Verbindingen en f1-waarden, t.b.v. ingestiedosiscoëfficiënten

Tabel 9 Verbindingen, longabsorptietypen en f1-waarden, gebruikt voor de berekening van inhalatiedosiscoëfficiënten

Verbindingen, longabsorptietypen en f1-waarden t.b.v. inhalatiedosiscoëfficiënten