Wijzigingen Officiële bron
Fiscale gevolgen van de omzetting van Apothekers Coöperatie OPG in een naamloze vennootschapFiscale gevolgen van de omzetting van Apothekers Coöperatie OPG in een naamloze vennootschap

De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

Dit besluit is een herdruk van het Besluit van 17 januari 2001, nr. CPP2001/28M.

In 2000 heeft met Apothekers Coöperatie OPG UA te Utrecht vooroverleg plaatsgevonden over de fiscale gevolgen van de omzetting van de coöperatieve vereniging in een naamloze vennootschap.

De op vragen van OPG gegeven antwoorden zijn gepubliceerd in bovengenoemd besluit van 17 januari 2001 en zijn gebaseerd op de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

Omdat de omzetting in een NV pas op 10 januari 2001 van kracht is geworden zijn de antwoorden op de gestelde vragen aangepast aan de per 1 januari 2001 in werking getreden Wet IB 2001.

De belangrijkste wijzigingen hebben betrekking op de per 1 januari 2001 bestaande mogelijkheid tot de vorming van een herinvesteringsreserve.

Verder is onder 3.3 met betrekking tot de conversie van (certificaten van) participaties in aandelen een verwijzing opgenomen naar het Besluit van 23 mei 2001, RTB2001/220M waarin is goed gekeurd dat de inwerkingtreding van de Wet inkomstenbelasting 2001 een bijzondere omstandigheid vormt die keuzeherziening rechtvaardigt.

Onder 3.8 is met betrekking tot de toepassing van de deelnemingvrijstelling op de aandelen A een verwijzing opgenomen naar het arrest van de Hoge Raad van 14 maart 2001, nr. 36 145.

Door de omzetting in een NV op 10 januari 2001 verliest het besluit van 8 april 1997, DB97/410 na 10 januari 2001 zijn belang. Voor de toepassing van de Wet IB 2001 zal dit besluit daarom niet opnieuw worden uitgebracht. Voor de toepassing van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 blijft het besluit van toepassing

Apothekers Coöperatie OPG UA te Utrecht (hierna te noemen: OPG) exploiteert een toeleveringsbedrijf van farmaceutische producten voor de apotheek. In de op 21 november 2000 gehouden Buitengewone Algemene Vergadering van OPG is besloten de structuur van de coöperatieve vereniging met uitgesloten aansprakelijkheid te wijzigen in een naamloze vennootschap (NV) genaamd OPG Groep NV. De omzetting heeft op 10 januari 2001 plaatsgevonden.

In verband met de omzetting in een NV zijn mij een aantal vragen voorgelegd over de fiscale gevolgen van de omzetting voor OPG en haar leden. Dit besluit bevat de vragen en de standpunten zoals deze aan OPG zijn medegedeeld. Met de publicatie wordt tegemoetgekomen aan de gebleken behoefte aan rechtszekerheid en wordt voorts een gelijke behandeling van gelijke gevallen beoogd.

Bij de beantwoording van de vragen is aangesloten bij het besluit van 8 april 1997, DB97/410. Dat besluit bevat een aantal standpunten over de fiscale gevolgen van de beursgang van OPG in 1992.

Voorzover van belang volgt hierna eerst een beschrijving van de bestaande structuur van OPG. Daarna volgt een beschrijving van de wijzigingen als gevolg van de omzetting in een NV, de in verband daarmee gestelde vragen en de gegeven antwoorden.

Voor een meer uitgebreide beschrijving van de feiten en omstandigheden ten aanzien van de beursgang in 1992 en de daarover ingenomen standpunten wordt verwezen naar het besluit van 8 april 1997.

In verband met de omzetting in een NV zijn naast een verzoek om toepassing van artikel 28a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 de volgende vragen gesteld. De beantwoording van de vragen is mede gebaseerd op de in het derde lid van genoemd artikel gegeven bevoegdheid.

Antwoord:

De ledenapothekers hebben hierbij de volgende keuzemogelijkheden:

Antwoord:

De ledenapothekers hebben hierbij de volgende keuzemogelijkheden:

Antwoord:

Er moet onderscheid worden gemaakt tussen de situatie waarin aandelen A worden verkregen door conversie van oude inleggelden en de situatie waarin aandelen A worden verkregen door de conversie van (certificaten van) participaties.

De conversie van oude inleggelden in aandelen A is vergelijkbaar met de conversie van inleggelden in participaties. In het besluit van 8 april 1997, nr. DB97/410, is voor de conversie van inleggelden in participaties geoordeeld dat de participaties als gevolg van het vervallen van de directe band met de bedrijfsuitoefening van de apotheker tot het keuzevermogen gaan behoren. Dit geldt ook voor conversie van oude inleggelden in aandelen A. Daarbij wordt aangetekend dat in het geval de ondernemer de aandelen A tot zijn privé-vermogen rekent ook de op de oude inleggelden betrekking hebbende schulden over gaan naar het privé-vermogen.

In geval van conversie van (certificaten van) participaties in aandelen A heeft de ondernemer reeds bij de verkrijging van de (certificaten van) participaties de keuze moeten maken voor ondernemings- of privé-vermogen. In deze situatie is er geen sprake van een bijzondere omstandigheid die een keuzeherziening rechtvaardigt. De aandelen A nemen immers economisch en functioneel de plaats in van de (certificaten van) participaties. Aandelen A verkregen uit de conversie van tot het ondernemingsvermogen behorende (certificaten van) participaties blijven daarom deel uit maken van het ondernemingsvermogen.

Voor de volledigheid wijs ik er hier overigens op dat als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet inkomstenbelasting 2001, de ondernemer ten aanzien van de (certificaten van) participaties wel op 1 januari 2001, dus kort voor de omzetting in een NV, de mogelijkheid heeft zijn keuze te herzien. Ik verwijs hiervoor naar het Besluit van 23 mei 2001, RTB2001/220M.

Antwoord:

Het gaat hier om de aandelen A welke zijn verkregen uit de omzetting van oude inleggelden. Bij de omzetting mogen deze tot het privé-vermogen worden gerekend. De overgang naar het privé-vermogen vindt plaats tegen de waarde van de aandelen op dat moment (Euro 31,80).

Het verschil met de boekwaarde van de oude inleggelden wordt op het moment van de overgang naar het privévermogen tot de winst gerekend. Mits sprake is van een herinvesteringsvoornemen kan voor het verschil een herinvesteringsreserve worden gevormd. Gelet op artikel 3.54 Wet IB 2001 kan de herinvesteringsreserve binnen de geldende termijn worden afgeboekt op herinvesteringen die, hetzij in minder dan tien jaar plegen te worden afgeschreven, hetzij eenzelfde economische functie in de onderneming vervullen als de oude inleggelden.

Antwoord:

De ledenapothekers hebben hierbij de volgende keuzemogelijkheden:

Antwoord:

Het houden van aandelen B wordt niet getoetst aan de herschikkingsregeling. Er bestaat daardoor geen directe band met de bedrijfsuitoefening van de apotheker. Net als voor de aandelen A geldt voor de aandelen B dat zij behoren tot het keuzevermogen. De aandelen B mogen daarom bij de omzetting worden gerekend tot het privé-vermogen. Mits sprake is van een herinvesteringsvoornemen kan voor het verschil tussen de waarde in het economische verkeer op dat moment en de boekwaarde van de nieuwe inleggelden een herinvesteringsreserve worden gevormd. Gelet op artikel 3.54 Wet IB 2001 kan de herinvesteringsreserve binnen de geldende termijn worden afgeboekt op herinvesteringen die, hetzij in minder dan tien jaar plegen te worden afgeschreven, hetzij eenzelfde economische functie in de onderneming vervullen als de nieuwe inleggelden.

Voor de bepaling van de waarde van de aandelen B wordt verwezen naar het antwoord op vraag 3.7.

Antwoord:

Het aandeel B is beperkt overdraagbaar en niet verhandelbaar op de effectenbeurs. De waarde van het aandeel B met het daaraan gekoppelde winstbewijs is daardoor moeilijk bepaalbaar. Teneinde zowel de gevraagde zekerheid te kunnen geven als een gelijke behandeling voor alle betrokkenen te waarborgen is met OPG overeenstemming bereikt over een heldere en eenvoudig te hanteren waarderingsmethode. Gelet op het aan het aandeel B verbonden recht tot omwisseling in een aandeel A is aangenomen dat de waarde ontwikkeling van het aandeel B min of meer synchroon zal lopen met de waardeontwikkeling van het aandeel A.

Voor de waardebepaling van het aandeel B met het daaraan gekoppelde winstbewijs is de waarde van het aandeel A daarom als uitgangspunt genomen. Omdat het aandeel B in feite pas te gelde gemaakt kan worden na omwisseling in een aandeel A mag rekening worden gehouden met een discount. Mede na toetsing aan een waardering van het aandeel B op basis van het waarderingsmodel van Black-Scholes is de discount gesteld op 1% van de waarde van het aandeel A voor ieder jaar gelegen tussen het moment van waarderen en het moment van omwisseling in een aandeel A.

De discount welke bij de waardering ultimo 2001 in aanmerking mag worden genomen bedraagt 2% van de waarde van een aandeel A voor de aandelen B welke zijn uitgegeven in 1993 en omwisselbaar zijn in aandelen A in het jaar 2003, oplopend tot maximaal 8% van de waarde van een aandeel A voor de aandelen B welke zijn uitgegeven in 1999 en omwisselbaar zijn in aandelen A in het jaar 2009. Ultimo 2002 bedraagt de in aanmerking te nemen discount vervolgens 1% van de waarde van een aandeel A voor de aandelen B welke zijn uitgegeven in 1993 en omwisselbaar zijn in aandelen A in het jaar 2003, oplopend tot 7% van de waarde van een aandeel A voor de aandelen B welke zijn uitgegeven in 1999 en omwisselbaar zijn in aandelen A in het jaar 2009. De bij de waardering van het aandeel B in aanmerking te nemen discount neemt af naarmate het jaar van omwisseling in een aandeel A dichterbij komt.

De waarde van het aandeel B met het bijbehorende winstbewijs is daarmede gelijkgesteld aan de beurskoers van het aandeel A verminderd met de op het aandeel B rustende bijstortingsverplichting ter verkrijging van een aandeel A en verminderd met een discount van één procent van de waarde van het aandeel A voor ieder jaar gelegen tussen het moment van waarderen en het moment van omwisseling in een aandeel A.

Ten aanzien van de discount is overeengekomen dat deze nooit groter kan zijn dan het verschil tussen de beurskoers van het aandeel A en de uitoefenprijs (de beurswaarde op het moment van verwerving van het nieuwe inleggeld, de historische beurswaarde).

De hierboven beschreven waarderingsmethode geldt voor alle situaties waarin de waarde in het economische verkeer van het aandeel B en het daar bij behorende winstbewijs van belang is dus bijvoorbeeld ook in een mogelijk toekomstige situatie waarin de apotheker zijn onderneming staakt. In voorkomende gevallen, waarin de waarde van het aandeel B met het bijbehorende winstbewijs moet worden bepaald op een tijdstip dat gelegen is tussen twee waarderingstijdstippen, kan de waarde tijdsevenredig worden bepaald.

Antwoord:

Met betrekking tot een bezit van aandelen A en B vindt de deelnemingsvrijstelling zonder meer toepassing als wordt voldaan aan de wettelijke vereisten. Dit houdt in dat een bezit aan aandelen van tenminste 5 percent van het nominaal gestorte kapitaal kwalificeert voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling.

Op een bezit aan aandelen A en B van minder dan 5 percent zijn de arresten van de Hoge Raad van 5 november 1997, nr. 32 105 en nr. 32 137 (BNB1998/37*c en BNB1998/38*c), van 26 augustus 1998, nr. 33 688, (BNB1998/373*c) en van 14 maart 2001, nr. 36 145, (BNB2001/210) van toepassing. Uit deze jurisprudentie kan worden opgemaakt dat ten aanzien van een aandelenpakket kleiner dan 5% de deelnemingsvrijstelling toepassing vindt indien de gehouden aandelen niet uitsluitend als belegging worden aangehouden. Het drijven van een onderneming door de belastingplichtige geldt voor de toepassing van de deelnemingsvrijstelling op het aandelenbezit van minder dan 5% daarbij niet als een zelfstandig vereiste.

Van beleggen is sprake indien het bezit van de aandelen in een werkmaatschappij uitsluitend is gericht op het verkrijgen van de waardestijging en het rendement dat bij normaal vermogensbeheer kan worden verwacht.

Toegepast op de aandelen A en B leidt dit tot het volgende.

Aandelen A

Aandelen A zijn verkregen door:

Oude inleggelden zijn verbonden aan het lidmaatschap van de coöperatie en vormen op grond daarvan een eigenlijke deelneming. Bovendien staat vast dat inleggelden niet uitsluitend als waardepapier werden gehouden. Dit blijkt met name uit de toetsing aan de herschikkingsregeling. Bij omwisseling van inleggelden in participaties is deze toetsing echter vervallen. Voorzover nodig is daarom in het besluit van 8 april 1997, nr. DB97/410, goedgekeurd dat een lichaam ook voor (certificaten van) participaties de deelnemingsvrijstelling deelachtig kan worden als sprake is van een afnemersrelatie en de (certificaten van) participaties zijn verkregen door conversie van inleggelden door het lichaam zelf. De participaties moeten derhalve zijn verkregen uit hoofde van het lidmaatschap van de coöperatie. Blijkens artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 vallen voordelen uit hoofde van een lidmaatschap in een coöperatieve vereniging zonder meer onder de deelnemingsvrijstelling.

Na de omzetting in een NV is geen sprake meer van lidmaatschap maar van aandeelhouderschap. Bij de omzetting is de band met de onderneming van de ledenapothekers doorgesneden. Anders dan bij een lidmaatschap geldt voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling op voordelen uit aandelen in beginsel een kwantitatief criterium. Wordt aan dit kwantitatieve criterium niet voldaan dan kan mogelijk nog sprake zijn van een oneigenlijke deelneming waarop de deelnemingsvrijstelling toch toepassing vindt. Daarvoor geldt de voorwaarde dat de aandelen niet enkel als belegging worden aangehouden.

Kenmerkend voor de aandelen A is dat zij vrij verhandelbaar zijn, als gevolg van de beursnotering zeer liquide en niet worden getoetst aan de deelnemingsgrondslagen. De houder van aandelen A zal in het algemeen niet daadwerkelijk deelnemen aan het bestuur en de besluitvorming van de NV. Op grond hiervan ben ik van oordeel dat voor het aanhouden van de aandelen A in het algemeen enkel nog beleggingsargumenten een rol spelen. Een belang van minder dan 5% dient daarom te worden aangemerkt als een belegging waarop de deelnemingsvrijstelling geen toepassing vindt.

Volledigheidshalve merk ik op dat indien een belanghebbende van mening is dat in zijn specifieke geval de deelnemingsvrijstelling wel van toepassing is omdat de aandelen niet enkel ter belegging worden aangehouden de belanghebbende daarvoor de feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken (vergelijk punt 8.1 van de conclusie van de plv. AG bij BNB 1998/373*c).

Uiteraard geldt ook voor bijgekochte aandelen A (mits het belang < 5%) dat deze in het algemeen als belegging zullen worden aangemerkt waarop de deelnemingsvrijstelling geen toepassing vindt.

Aangezien tot het moment van conversie van oude inleggelden en (certificaten van) participaties de deelnemingsvrijstelling wel toepassing vindt, zullen belastingplichtigen de verkregen aandelen A waarop de deelnemingsvrijstelling geen toepassing vindt, op hun balans waarderen tegen de beurswaarde van deze aandelen (op basis van de openingskoers van het aandeel A op 11 januari 2001 van Euro 31,80). De deelnemingsvrijstelling is van toepassing op de tot uitdrukking komende waardeverschillen op inleggelden en op de (certificaten van) participaties voorzover deze vallen onder de goedkeuring van het besluit van 8 april 1997. Op waardemutaties en uitkeringen van dividend op de aandelen A na de conversie vindt de deelnemingsvrijstelling vervolgens geen toepassing meer.

Aandelen B

Aandelen B worden verkregen door conversie van nieuwe inleggelden. Nieuwe inleggelden zijn verbonden aan het lidmaatschap van de coöperatie en vormen op grond daarvan zonder meer een eigenlijke deelneming. Ook uit de toetsing aan de herschikkingsregeling blijkt een binding met de onderneming. Bij de conversie in aandelen B vervalt de toetsing aan de herschikkingsregeling. Wel gaat de conversietermijn van 10 jaar die aan de nieuwe inleggelden is verbonden over op de aandelen B. Aandelen B zijn verder beperkt verhandelbaar en moeten min of meer gedwongen worden aangehouden tot aan het tijdstip van conversie in aandelen A. Na 2009 houden de aandelen B op te bestaan. Gelet op deze bijzondere eigenschappen van de aandelen B keur ik, voorzover nodig, goed dat de aandelen B worden aangemerkt als een oneigenlijke deelneming waarop de deelnemingsvrijstelling toepassing vindt. Aannemelijk is dat het motief tot aanhouden van de aandelen B niet uitsluitend is gelegen in de waardeontwikkeling en het rendement dat bij normaal vermogensbeheer mag worden verwacht maar vooral een gevolg is van de handhaving van de aan de omgezette nieuwe inleggelden verbonden tienjaarstermijn.

Voorzover de verkregen aandelen A en B een deelneming in de zin van artikel 13 van de Wet vormen is in de beschikking ex artikel 28 van de Wet als voorwaarde opgenomen dat als opgeofferd bedrag geldt het bedrag dat als zodanig gold voor de omgeruilde inleggelden dan wel (certificaten van) participaties in de om te zetten rechtspersoon.

Antwoord:

De conversie van inleggelden, participaties en certificaten van participaties in aandelen A dan wel B zal geen fiscale gevolgen hebben voor de leden die in loondienst werkzaam zijn bij een derde mits bij de verkrijging van de respectieve waardepapieren sprake was van een onvoorwaardelijke verkrijging.

Dit besluit vervangt het besluit van 17 januari 2001 nr. CPP2001/28M.