U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-04-2019.
Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 23 augustus 2001, houdende bepalingen omtrent de bemanning van zeeschepen in de handelsvaart en de zeilvaart (Besluit zeevaartbemanning handelsvaart en zeilvaart)Besluit zeevarendenWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 16 augustus 2000, kenmerk DGG/J-00/004155, Directoraat-Generaal Goederenvervoer, Stafafdeling Wetgeving, Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Gelet op de artikelen 16, 18, derde, vierde, vijfde en zesde lid, 19, eerste lid, 22, eerste lid, 25, eerste lid, 34, eerste lid, 36, 44, eerste lid, 64 en 71, eerste en vierde lid, van de Zeevaartbemanningswet, op de artikelen 5, eerste lid, en 24, eerste lid, onder e, van de Loodsenwet, op artikel 10, tweede lid, van de Scheepvaartverkeerswet, op het op 7 juli 1978 te Londen tot stand gekomen Internationale Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, 1978 (Trb. 1981, 144), zoals dat is gewijzigd op 7 juli 1995 (Trb. 1996, 249), op Hoofdstuk III, voorschrift 10, en voorschrift 24–1.3, Hoofdstuk IV, voorschrift 16, Hoofdstuk V, voorschrift 13, onderdeel (c), en Hoofdstuk X, voorschrift 1, 2 en 3, van het op 1 november 1974 te Londen tot stand gekomen Internationale Verdrag tot beveiliging van mensenlevens op zee, 1974, zoals dat is gewijzigd op 23 mei 1994 (Trb.1996, 18), op Richtlijn nr. 94/58/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 november 1994 inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden (PbEG L 319), op Richtlijn nr.98/35/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 mei 1998 tot wijziging van Richtlijn 94/58/EG inzake het minimum-opleidingsniveau van zeevarenden (PbEG L 172), op artikel 10, zesde lid, van de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma's, op artikel 13 van de Algemene wet EG-beroepsopleidingen, op Richtlijn nr. 92/29/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 31 maart 1992 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid ter bevordering van een betere medische hulpverlening aan boord van schepen (Pb EGL113), op het op 27 juni 1946 te Seattle tot stand gekomen Verdrag No. 69 van de Internationale Arbeidsconferentie inzake het diploma van bekwaamheid als scheepskok, 1946 (Stb. I 328), op het op 27 juni 1946 te Seattle tot stand gekomen Verdrag No. 73 van de Internationale Arbeidsconferentie inzake het geneeskundig onderzoek van zeelieden, 1946 (Stb. I 326) en op het op 27 juni 1946 te Seattle tot stand gekomen Verdrag No. 74 van de Internationale Arbeidsconferentie inzake de diplomering van volmatrozen (Stb. I 330);

De Raad van State gehoord (advies van 3 november 2000, nr. WO9.00 0378/V);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 17 augustus 2001, kenmerk DGG/J-01/005164, Directoraat-Generaal Goederenvervoer, Stafafdeling Wetgeving en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage23 augustus 2001BeatrixDe Minister van Verkeer en Waterstaat,T. Netelenbosde vierentwintigste januari 2002De Minister van Justitie,A. H. Korthals

Bij regeling van Onze Minister kan na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en vissers aanvulling van het aantal bemanningsleden worden voorgeschreven indien de inrichting, de uitrusting, de lengte (L), het voortstuwingsvermogen, de wijze van voortstuwing of de bestemming van het vissersvaartuig daartoe aanleiding geven.

Bij regeling van Onze Minister wordt bepaald op welke wijze de in artikel 4, genoemde aanvullingen dan wel beperkingen op vaarbevoegdheidsbewijzen worden aangebracht.

Bij regeling van Onze Minister wordt bepaald:

Onze Minister erkent een vaarbevoegdheidsbewijs of een bekwaamheidsbewijs voor het dienstdoen op tankers door een kapitein of een officier dat is afgegeven door een bevoegde autoriteit van een staat, niet zijnde een Lid-Staat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of de Bondsstaat Zwitserland, indien ten aanzien van dat vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs wordt voldaan aan de criteria, bedoeld in artikel 19, tweede tot en met zesde lid, van de bemanningsrichtlijn.

Deze paragraaf is niet van toepassing op de vereisten voor de verkrijging van vaarbevoegdheidsbewijzen voor functies op vissersvaartuigen.

Bij regeling van Onze Minister worden de beroepsvereisten vastgesteld voor de verkrijging van een kennisbewijs ten behoeve van de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs en voor de in deze paragraaf bedoelde bekwaamheidsbewijzen en schriftelijke bewijzen.

Onverminderd artikel 8 geeft het bezit van het kennisbewijs officier elektrotechniek alle schepen, tezamen met:

de aanvrager die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie officier elektrotechniek alle schepen.

Voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie gezel elektrotechniek alle schepen heeft de aanvrager de leeftijd van 18 jaar bereikt en is hij in het bezit van:

Voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie gekwalificeerd gezel dek alle schepen heeft de aanvrager de leeftijd van 18 jaar bereikt en is hij in het bezit van:

Voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie gekwalificeerd gezel machinekamer alle schepen heeft de aanvrager de leeftijd van 18 jaar bereikt en is hij in het bezit van:

Voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie gekwalificeerd gezel dek en machinekamer alle schepen heeft de aanvrager de leeftijd van 18 jaar bereikt en is hij in het bezit van:

Voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie wachtlopend gezel dek alle schepen heeft de aanvrager de leeftijd van 16 jaar bereikt en is hij in het bezit van:

Voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie wachtlopend gezel machinekamer alle schepen heeft de aanvrager de leeftijd van 16 jaar bereikt en is hij in het bezit van:

Voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie wachtlopend gezel dek en machinekamer alle schepen heeft de aanvrager de leeftijd van 16 jaar bereikt en is hij in het bezit van:

Voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie wachtlopend gezel zeevisvaart heeft de aanvrager de leeftijd van 16 jaar bereikt, is hij in het bezit van:

Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de ervaring of vaartijd wordt bepaald en vastgelegd.

Bij regeling van Onze Minister wordt bepaald welke gegevens worden opgenomen in de in de artikelen 22 tot en met 28, en 28h bedoelde verklaringen.

Voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie radio-operator heeft de aanvrager de leeftijd van 18 jaar bereikt en is hij in het bezit van het algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie, afgegeven in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens het Frequentiebesluit 2013.

Voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie radio-operator met de beperking tot het gebruik van VHF/UHF radiocommunicatieapparatuur heeft de aanvrager de leeftijd van 18 jaar bereikt en is hij in het bezit van het beperkt certificaat maritieme radiocommunicatie, afgegeven in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens het Frequentiebesluit 2013.

Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld met betrekking tot de bemanning van zeilschepen van minder dan 500 GT.

Bij regeling van Onze Minister worden de beroepsvereisten vastgesteld voor de verkrijging van de in dit hoofdstuk bedoelde bekwaamheidsbewijzen en schriftelijke bewijzen.

Hoofdwerktuigkundigen, tweede werktuigkundigen en eerste maritiem officieren aan boord van schepen voorzien van een gasturbinevoortstuwingsinstallatie, zijn in het bezit van het certificaat gasturbinevoortstuwing.

Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de beroepsvereisten van zeevarenden die varen op een met gas of brandstof met een laag vlampunt aangedreven schip van minder dan 500 GT, niet zijnde een passagiersschip, bedoeld in de IGF Code.

Scheepskoks als bedoeld in artikel 120, eerste lid, zijn in het bezit van het bekwaamheidsbewijs scheepskok.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

De scheepsbeheerder bewaart een monsterrol, nadat zij is vervangen of nadat de geldigheidsduur is verstreken, gedurende drie jaar na de vervangingsdatum of geldigheidsdatum.

Vervallen

De artikelen 97, tweede lid, 98 en 99 zijn van overeenkomstige toepassing bij de afgifte van een vervangend monsterboekje.

Bij ministeriële regeling wordt het model van de geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart vastgesteld.

De keuringsarts die het onderzoek uitvoert, neemt de in artikel 106, eerste lid, bedoelde medische eisen, de in artikel 106, tweede lid, bedoelde procedures en andere voorschriften, alsook voorzover van toepassing, de artikelen 107 en 108 in acht.

Onze Minister trekt, op advies van de Medisch Adviseur Scheepvaart, een aanwijzing of erkenning in indien is gebleken dat de keuringsarts of scheidsrechter:

Vervallen

Vervallen

Vervallen

De schipper van een vissersvaartuig draagt er zorg voor dat het wachtpersoneel de beginselen van een veilige wacht in acht neemt, overeenkomstig hoofdstuk IV van het STCW F-verdrag.

Op een schip dat een internationale reis van meer dan 3 dagen maakt met 100 of meer opvarenden, is een arts aanwezig.

Aan boord van een schip waarvan de voorgeschreven bemanning uit minder dan tien personen bestaat, heeft eenieder die in de kombuis levensmiddelen verwerkt een opleiding genoten of instructie gekregen op het gebied van voeding, persoonlijke hygiëne en de behandeling en opslag van levensmiddelen aan boord van schepen.

De scheepsbeheerder, niet zijnde een scheepsbeheerder van een vissersvaartuig, draagt er zorg voor dat:

De schipper en officieren die belast zijn met de brugwacht op een vissersvaartuig van 24 meter of meer waarvoor een bemanningscertificaat is afgegeven voor onbeperkt vaargebied vissersvaartuigen, hebben toereikende kennis van de Engelse taal, waardoor zij in staat zijn kaarten en andere zeevaartkundige publicaties te gebruiken, weerkundige gegevens en berichten met betrekking tot de veiligheid en het gebruik van het vissersvaartuig te begrijpen, en te communiceren met andere schepen of en tussen het vissersvaartuig en de autoriteiten te land. Tevens zijn zij in staat de IMO Standard Marine Communication Phrases (IMO Multilingual Glossary on IMO Standard Marine Communication Phrases, Terminology & Reference Section (TRS) Conference Division International Maritime Organization (SMCP)) te begrijpen en te gebruiken. Deze aspecten zijn onderdeel eisen in de kwalificatiedossiers van de opleidingen voor visserijofficieren.

Bij regeling van Onze Minister kunnen, ter uitvoering van Verdragen of van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, nadere regels worden gesteld met betrekking tot de in dit besluit geregelde onderwerpen.

Deze paragraaf is van toepassing op houders van vaarbevoegdheidsbewijzen en verklaringen voor het dienstdoen op andere schepen dan vissersvaartuigen.

De geneeskundige verklaringen van geschiktheid voor de zeevaart die zijn afgegeven voor het tijdstip waarop artikel I voor wat betreft de onderdelen F tot en met L en P van het besluit van 5 juli 2012 houdende wijziging van algemene maatregelen van bestuur op het terrein van de scheepvaart in verband met de implementatie van het Maritiem Arbeidsverdrag, 2006 in werking treedt, behouden hun geldigheid overeenkomstig de daarop aangegeven einddatum.

Een vaarbevoegdheidsbewijs voor een functie op reizen nabij de kust of voor een functie op reizen nabij de kust zonder beperking in voortstuwingsvermogen, afgegeven aan een zeevarende voor het tijdstip waarop artikel I, onderdelen A en M, van het in artikel 125a, eerste lid, bedoelde besluit in werking treden, behoudt zijn geldigheid overeenkomstig de daarop aangegeven einddatum.

Vaarbevoegdheidsbewijzen met de beperking tot aannemersmaterieel, afgegeven voor het tijdstip waarop artikel I, onderdelen A en M, van het in artikel 125a, eerste lid, bedoelde besluit in werking treden, behouden hun geldigheid overeenkomstig de daarop aangegeven einddatum.

De artikelen 37 tot en met 47 van dit besluit, zoals die luidden voor het tijdstip waarop artikel I, onderdeel M, van het in artikel 125a, eerste lid, bedoelde besluit in werking treedt, blijven tot en met 31 december 2016 van toepassing op de behandeling van een aanvraag voor een vaarbevoegdheidsbewijs door officieren en oud-officieren van de Zeedienst der Koninklijke Marine.

Certificaten scheepsmanagement-N en scheepsmanagement-W die zijn afgegeven op grond van de artikelen 68 of 69 van dit besluit, zoals die luidden voor het tijdstip waarop artikel I, onderdeel O, van het in artikel 125a, eerste lid, bedoelde besluit in werking treedt, behouden hun geldigheid en worden voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld aan het in hoofdstuk 3, paragraaf 2, genoemde certificaat scheepsmanagement-N respectievelijk scheepsmanagement-W.

Bewijzen groepsbegeleiding in noodsituaties aan boord van passagiersschepen en bewijzen groepsbegeleiding in noodsituaties aan boord van ro-ro passagiersschepen die zijn afgegeven op grond van de artikelen 74 of 79 van dit besluit, zoals die luidden voor het tijdstip waarop artikel I, onderdeel O, van het in artikel 125a, eerste lid, bedoelde besluit in werking treedt, behouden hun geldigheid overeenkomstig de daarop aangegeven einddatum en worden voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld aan het in artikel 36, eerste lid, genoemde schriftelijk bewijs geoefend zijn in groepsbegeleiding.

Bewijzen familiarisatietraining passagiersschip/schepen en bewijzen familiarisatie-training ro-ro passagiersschip/schepen die zijn afgegeven op grond van de artikelen 75 of 80 van dit besluit, zoals die luidden voor het tijdstip waarop artikel I, onderdeel O, van het in artikel 125a, eerste lid, bedoelde besluit in werking treedt, behouden hun geldigheid en kunnen dienen als bewijs dat aan de verplichting tot het volgen van een familiarisatietraining, opgenomen in artikel 36, vijfde lid, is voldaan.

Bewijzen hotelpersoneel passagiersschepen en bewijzen hotelpersoneel ro-ro passagiersschepen die zijn afgegeven op grond van de artikelen 76 of 81 van dit besluit, zoals die luidden voor het tijdstip waarop artikel I, onderdeel O, van het in artikel 125a, eerste lid, bedoelde besluit in werking treedt, behouden hun geldigheid en worden voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld aan het in artikel 36, tweede lid, genoemde schriftelijk bewijs geoefend zijn in dienstverlening aan passagiers.

Certificaten passagiersveiligheid en certificaten passagiersveiligheid, ladingveiligheid en integriteit van de romp ro-ro passagiersschepen die zijn afgegeven op grond van de artikelen 77 of 82 van dit besluit, zoals die luidden voor het tijdstip waarop artikel I, onderdeel O, van het in artikel 125a, eerste lid, bedoelde besluit in werking treedt, behouden hun geldigheid overeenkomstig de daarop aangegeven einddatum en worden voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld aan het in artikel 36, vierde lid, genoemde certificaat passagiersveiligheid, ladingveiligheid en waterdichtheid van de scheepsromp.

Certificaten crisisbeheersing en menselijk gedrag die zijn afgegeven op grond van de artikelen 78 of 83 van dit besluit, zoals die luidden voor het tijdstip waarop artikel I, onderdeel O, van het in artikel 125a, eerste lid, bedoelde besluit in werking treedt, behouden hun geldigheid overeenkomstig de daarop aangegeven einddatum en worden voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld aan het in artikel 36, derde lid, genoemde certificaat crisisbeheersing en menselijk gedrag.

Certificaten stoomvoortstuwing die zijn afgegeven op grond van artikel 84 van dit besluit, zoals dat luidde voor het tijdstip waarop artikel I, onderdeel O, van het in artikel 125a, eerste lid, bedoelde besluit in werking treedt, behouden hun geldigheid en worden voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld aan het in artikel 38 genoemde certificaat stoomvoortstuwing.

Type rating certificaten die zijn afgegeven op grond van artikel 85 van dit besluit, zoals dat luidde voor het tijdstip waarop artikel I, onderdeel O, van het in artikel 125a, eerste lid, bedoelde besluit in werking treedt, behouden hun geldigheid overeenkomstig de daarop aangegeven einddatum en worden voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld aan het in artikel 37, eerste lid, genoemde certificaat type rating HSC.

Certificaten grote zeilvaart en kennisbewijzen stuurman grote zeilvaart die zijn afgegeven op grond van artikel 86 van dit besluit, zoals dat luidde voor het tijdstip waarop artikel I, onderdeel O, van het in artikel 125a, eerste lid, bedoelde besluit in werking treedt, behouden hun geldigheid en worden voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld aan het in artikel 32, eerste lid, genoemde bekwaamheidsbewijs stuurman grote zeilvaart.

Certificaten sloepsgast die zijn afgegeven op grond van artikel 88 van dit besluit, zoals dat luidde voor het tijdstip waarop artikel I, onderdeel O, van het in artikel 125a, eerste lid, bedoelde besluit in werking treedt, behouden hun geldigheid en worden voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld aan het in de artikelen 40, tweede lid, en 117, eerste en tweede lid, genoemde certificaat reddingmiddelen.

Certificaten van bekwaamheid in het gebruik van snelle hulpverleningsboten die zijn afgegeven op grond van artikel 89 van dit besluit, zoals dat luidde voor het tijdstip waarop artikel I, onderdeel O, van het in artikel 125a, eerste lid, bedoelde besluit in werking treedt, behouden hun geldigheid en worden voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld aan het in de artikelen 40, derde lid, en 117, derde lid, genoemde certificaat snelle hulpverleningsboten.

Certificaten brandbestrijding voor gevorderden die zijn afgegeven op grond van artikel 90 van dit besluit, zoals dat luidde voor het tijdstip waarop artikel I, onderdeel O, van het in artikel 125a, eerste lid, bedoelde besluit in werking treedt, behouden hun geldigheid en worden voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld aan het in artikel 40, vierde lid, genoemde certificaat brandbestrijding voor gevorderden.

Certificaten Wetgeving en Openbaar Gezag die zijn afgegeven op grond van artikel 92a van dit besluit, zoals dat luidde voor het tijdstip waarop artikel I, onderdeel O, van het in artikel 125a, eerste lid, bedoelde besluit in werking treedt, behouden hun geldigheid en worden voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld aan het in artikel 10, eerste lid, genoemde certificaat wetgeving en openbaar gezag.

Certificaten scheepsbeveiligingsfunctionaris die zijn afgegeven op grond van artikel 2 van de Regeling certificering scheepsbeveiligingsfunctionarissen behouden hun geldigheid en worden voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld aan het in artikel 41, eerste lid, genoemde certificaat scheepsbeveiligingsfunctionaris.

Verklaringen als bedoeld in artikel 123, eerste en tweede lid, van dit besluit, zoals dat luidde voor het tijdstip waarop artikel I, onderdeel AA, van het in artikel 125a, eerste lid, bedoelde besluit in werking treedt, behouden hun geldigheid overeenkomstig de daarop aangegeven einddatum en worden voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld aan de in artikel 123, eerste lid, genoemde verklaring.

Deze paragraaf is van toepassing voor het dienstdoen op vissersvaartuigen.

Een certificaat basis veiligheidstraining vissersvaartuigen als bedoeld in artikel 44 van het Besluit zeevisvaartbemanning dat onmiddellijk voor het in artikel 125ee bedoelde tijdstip geldig was, wordt uitsluitend ten behoeve van de zeevisvaart gelijkgesteld met een certificaat basisveiligheid voor vissers als bedoeld in artikel 40a.

Een certificaat sloepsgast als bedoeld in artikel 79 van het Besluit zeevisvaartbemanning wordt voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld aan het in de artikelen 40, tweede lid, en 117a, eerste en tweede lid, genoemde certificaat reddingmiddelen.

Een certificaat medische eerste hulp aan boord of een certificaat medische zorg aan boord als bedoeld in artikel 47 van het Besluit zeevisvaartbemanning dat onmiddellijk voor het in artikel 125ee bedoelde tijdstip geldig was, wordt voor de op grond van dat besluit op dat tijdstip resterende geldigheidsduur, gelijkgesteld met een certificaat medische eerste hulp aan boord onderscheidenlijk medische zorg aan boord als bedoeld in artikel 42, eerste lid.

Een diploma scheepskok als bedoeld in artikel 48 van het Besluit zeevisvaartbemanning dat onmiddellijk voor het in artikel 125ee bedoelde tijdstip geldig was, wordt voor de op grond van dat besluit op dat tijdstip resterende geldigheidsduur, gelijkgesteld met een bekwaamheidsbewijs scheepskok als bedoeld in artikel 120, tweede lid.

Artikel 43 van het Besluit zeevisvaartbemanning blijft van kracht tot vijf jaar na het in artikel 125ee bedoelde tijdstip.

In afwijking van artikel 28h is een wachtlopend gezel tot vijf jaar na het in artikel 125ee bedoelde tijdstip niet verplicht te beschikken over een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie wachtlopend gezel zeevisvaart.

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit zeevarenden.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen