Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 18 september 2001, houdende vaststelling van het landelijk beleidskader inzake het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (Besluit landelijk beleidskader gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid 2002–2006)Besluit landelijk beleidskader gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid 2002–2006Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, drs. K. Y. I. J. Adelmund, van 29 juni 2001, nr. WJZ/2001/11 378 (2574), directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

Gelet op de artikelen 165 van de Wet op het primair onderwijs, 152 van de Wet op de expertisecentra en 118a en 267 van de Wet op het voortgezet onderwijs;

De Raad van State gehoord (advies van 12 juli 2001, nr. WO5.01.0297/III);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, drs. K. Y. I. J. Adelmund, van 12 september 2001, nr. WJZ/2001/36325(2574) directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage18 september 2001BeatrixDe Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,K. Y. I. J. AdelmundDe Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,L. J. BrinkhorstDe Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,A. M. Vliegenthartnegende oktober 2001De Minister van Justitie,A. H. Korthals

Wijzigt het Besluit landelijk beleidskader gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid.

Met inachtneming van de artikelen 165, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, 152, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra en 118a, eerste lid, en 267, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs treedt dit besluit in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit landelijk beleidskader gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid 2002–2006.

De landelijke doelstellingen van het beleid inzake onderwijsachterstandenbestrijding voor de schooljaren 2002–2003 tot en met 2005–2006 zijn:

Lokaal wordt vastgelegd in het onderwijsachterstandenplan in welke mate de startcondities, onder meer op het gebied van de Nederlandse taal, worden verbeterd van kinderen die deel uit maken van de doelgroep bij binnenkomst in de basisschool, door:

De doelstelling is dat aan het eind van de periode waarvoor het Besluit landelijk beleidskader gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid 2002–2006 geldt, ten minste 50 procent van de doelgroepkinderen deelneemt aan effectieve voor- en vroegschoolse programma's.

Het aantal deelnemers per gemeente waar gemeentelijk onderwijsachterstanden beleid wordt gevoerd (GOA-gemeente) op 1 augustus 2002, wordt als nulmeting gebruikt (evaluatiemoment VVE-regelingen).

Als indicator voor de opbrengst van deelname aan VVE-programma's geldt dat de afstand in leerprestatie tussen de doelgroepen van het GOA en het landelijk gemiddelde kleiner wordt. Landelijk zal dit worden gemeten met behulp van de PRIMA-cohort gegevens.

Tot de doelgroepkinderen worden gerekend leerlingen voor wie op grond van artikel 15b van het Formatiebesluit WPO een gewicht wordt vastgesteld en kinderen in de voorschoolse periode die naar het oordeel van een college van burgemeester en wethouders van een GOA-gemeente aan de criteria uit deze bepaling voldoen.

Lokaal wordt in het onderwijsachterstandenplan vastgelegd hoe de doelgroepleerlingen zowel binnen als buiten de school worden ondersteund bij het doorlopen van hun schoolloopbaan. Hierbij is het doel om te zorgen dat de deelname van doelgroepleerlingen aan de verschillende vormen van voortgezet onderwijs, secundair beroepsonderwijs en hoger onderwijs meer overeenkomt met de deelname aan het onderwijs van niet-doelgroepleerlingen met overeenkomstige capaciteiten.

De doelgroepleerlingen zijn alle allochtone en autochtone risicokinderen.

Aan het eind van de GOA-periode 2002–2006 is lokaal het percentage van de doelgroepleerlingen dat voortijdig uitstroomt lager, en is het verschil in percentage van doelgroepleerlingen en niet-doelgroepleerlingen die met een diploma het onderwijs verlaten, kleiner.

De doelstelling is dat lokaal het percentage allochtone leerlingen dat deelneemt aan het havo en het vwo in deze GOA-periode toeneemt met 4 procent.

Het aantal deelnemers per GOA-gemeente op 1 augustus 2002 wordt daarbij als nulmeting gebruikt.

Lokaal wordt in het onderwijsachterstandenplan vastgelegd in welke mate voortijdig schoolverlaten, zonder dat een startkwalificatie is behaald, wordt teruggedrongen. Daartoe zijn, onder lokale coördinatie, afspraken nodig over de inzet en samenwerking tussen onderwijsinstellingen voor het voortgezet onderwijs en regionale opleidingencentra, samen met instellingen als jeugdzorg, politie en maatschappelijk werk.

De doelstelling is dat lokaal aan het eind van de GOA-periode 2002–2006 het aantal voortijdig schoolverlaters in een GOA-gemeente is teruggebracht met minimaal 30 procent ten opzichte van 1 augustus 2002.

Ter ondersteuning van het taalbeleid van de scholen, wordt lokaal beleid ontwikkeld ter bestrijding van achterstanden op het gebied van de Nederlandse taal bij allochtone en autochtone leerlingen. Het beleid, dat wordt ontwikkeld in samenwerking met andere relevante instellingen, is gericht op:

De doelstellingen voor succesvol lokaal taalbeleid zijn:

De toename van de beheersing van de Nederlandse taal dient op éénduidige wijze te worden gevolgd en vastgesteld. Het voornemen is te komen tot de invoering van leerstandaarden in het basisonderwijs. Vanaf het moment van vaststelling van leerstandaarden Nederlandse taal zijn deze richtinggevend voor GOA. Eenmaal ingevoerd vormen de leerstandaarden de verplichte referentiemaat waarmee de taaldoelstelling GOA dient te worden verantwoord.

In het lokale onderwijsachterstandenplan wordt vastgelegd hoe de middelen die voor achterstandenbestrijding zijn bestemd, door het college van burgemeester en wethouders ingezet worden op grond van een lokale analyse van de ernst van de problematiek.

De colleges van burgemeester en wethouders van de GOA-gemeenten spreken met schoolbesturen af dat zij voor de onderwijskansenscholen een schoolgebonden ontwikkelingsplan opstellen, waarin specifieke, meetbare en aan een tijdslimiet gebonden afspraken zijn opgenomen over het resultaat.

De landelijke evaluatie van het beleid inzake onderwijsachterstandenbestrijding voor de schooljaren 2002–2003 tot en met 2005–2006 is in elk geval gericht op beantwoording van de volgende vragen:

De evaluatie van het GOA-beleid 2002–2006 vindt zowel plaats tijdens de GOA-periode 2002–2006 door rapportages van de inspectie en extern aan te besteden mid-term reviews, als na afloop van deze GOA-periode.

Jaarlijks gaat het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aan de hand van de opgevraagde verantwoording van een gemeente en de bijbehorende accountantsverklaring na of de bestedingen van de specifieke uitkering GOA door een gemeente rechtmatig zijn. De accountantsdienst zal zich door reviews een oordeel vormen over de controles die de gemeenteaccountants hebben uitgevoerd op de besteding van de specifieke uitkering GOA en op de verantwoording die daarover wordt afgelegd in de gemeenterekening of in een afzonderlijke verantwoording.

Indien uit de ontvangen verantwoordingen niet blijkt dat de middelen rechtmatig zijn ingezet, kan terugvordering plaatsvinden.