U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-05-2009.
Wijzigingen Officiële bron
Regeling aanwijzing bromfietsen of motorfietsen ten behoeve van vrijstelling van de helmdraagplicht Regeling aanwijzing bromfietsen of motorfietsen ten behoeve van vrijstelling van de helmdraagplichtDe Minister van Verkeer en Waterstaat,

Gelet op de artikelen 4b, tweede lid, onderdeel b, en 36, achtste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 60, tweede lid, onderdeel c, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Verkeer en Waterstaat, T.Netelenbos

Onder de vermelding in deze regeling van een EG-richtlijn wordt verstaan hetgeen daaronder wordt begrepen in artikel 1.2 van de Regeling voertuigen, met inbegrip van de ingevolge artikel 1.3, eerste lid, van de Regeling voertuigen bekendgemaakte wijzigingen. Artikel 1.3, tweede lid, van de Regeling voertuigen is van overeenkomstige toepassing.

Op het kentekenbewijs van een motorfiets behorend tot een aangewezen type:

Een wijziging van richtlijn 97/24/EG, van bijlage III van richtlijn nr. 78/316/EEG van de Raad van 21 december 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de binneninrichting van motorvoertuigen (identificatie van bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters) (PbEG L 81) of van bijlage II van richtlijn nr. 96/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 mei 1996 betreffende de bescherming van de inzittenden van motorvoertuigen bij zijdelingse botsingen en houdende wijziging van richtlijn nr. 70/156/EEG (PbEG L 169) gaat voor de toepassing van de artikelen 1, 4 en 5 en de bijlage, gelden met ingang van de dag waarop de betrokken wijzigingsrichtlijn ingevolge artikel 1.3 van de Regeling voertuigen voor de toepassing van dat besluit in werking treedt.

Wijzigt de Regeling taken Dienst Wegverkeer

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het koninklijk besluit van 18 oktober 2001, houdende wijziging van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en het Voertuigreglement (wijzigingen helmdraagplicht) (Stb. 519) in werking treedt.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing bromfietsen of motorfietsen ten behoeve van vrijstelling van de helmdraagplicht.

Door middel van deze test wordt nagegaan of de bestuurder of passagier bij het zijdelings omvallen van een tweewielig voertuig voorzien van een veiligheidscel met het hoofd het wegdek kan raken.

2.1 Bij het zijdelings omvallen van het testvoertuig dient de snelheid van de kop van de Euro-SID dummy (volgens bijlage II van richtlijn nr. 96/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 mei 1996 betreffende de bescherming van de inzittenden van motorvoertuigen bij zijdelingse botsingen en houdende wijziging van richtlijn nr. 70/156/EEG (PbEG L 169) 20 + 2 km/h te bedragen. Daarbij wordt aan de volgende punten voldaan:

2.1.1 Afstand tussen hoofd en wegdek

De afstand tussen kop en wegdek wordt tijdens de test niet kleiner dan de in paragraaf 4.2 gedefinieerde waarde van de afstandsplaat. Aan de kop mag een kleine kleurmarkering zichtbaar zijn.

2.1.2 Beschermingsmiddelen voor de kop

Wanneer hulpmiddelen worden gebruikt om een direct contact tussen kop en wegdek te voorkomen is de kopbelasting niet groter dan HPC = 1000.

3.1 Bromfiets, niet zijn brommobiel, of motorfiets

3.2 Testdummy

3.3 Testvlak

Het vlak waarop het voertuig valt, wordt zodanig gekozen dat het als representatief kan worden beschouwd voor een horizontaal, vlak en schoon wegdek.

4.1 Bepaling van het contactvlak

Voor de uitvoering van de test wordt het contactvlak tussen het testvoertuig en het testvlak bepaald. Als contactvlak wordt het raakvlak genomen dat bij de onder 3.1. onder a bedoelde test de kleinste afstand tussen kop en wegdek oplevert.

4.2 Bepaling van de afstand tussen kop en wegdek

4.2.1 Ter bepaling van de afstand tussen kop en contactvlak als bedoeld in 2.1.1 wordt een afstandplaat met een dikte van 75 mm daar op het testvlak gelegd waar de bewegingsrichting van de kop het testvlak snijdt. De lengte en breedte van de afstandplaat worden zodanig gekozen dat vóór en tijdens het verloop van de test de afstandplaat alleen in aanraking kan komen met de kop, en niet met andere delen van de dummy of delen van de voertuigconstructie.

4.2.2 Het raakvlak op afstandsplaat wordt voorafgaand aan de test van een gekleurde markeerstof voorzien. Wanneer de kop de plaat raakt, moet zich aan de kop een kleurmerk aftekenen.

4.3 Bepaling van de waarde van de kopbelasting

Bij de test volgens 2.1.2 worden de vertragingswaarden van de kop van de Euro-SID dummy gemeten en grafisch weergegeven, bij voorkeur door middel van de HPC-waarde.

4.3 Bepaling van de maximale snelheid van de kop

De bepaling van de kopsnelheid volgt uit de analyse van een snelle-film-opname of door berekening uit de vertraging in de y-richting.

5.1.1 Werkwijze

5.1.1 Bij uitvoering van de test vanuit de testopstelling, bedoeld in paragraaf 3.1 onder a: het voertuig kantelt zodanig uit de loodrechte stand op de beoogde zijde, dat het met het contactvlak het testvlak raakt.

5.1.2 Bij uitvoering van de test vanuit de testopstelling, bedoeld in paragraaf 3.1 onder b: het voertuig maakt een vrije val van de voorgeschreven hoogte op het testvlak.

5.2 Kopsnelheid

De maximale kopsnelheid tijdens de uitvoering van de test bedraagt 20 + 2 km/u.

Highspeed filmopnamen van de kopopslag gelden als documentatie van het verloop van de beweging.

De grafische weergave van de kracht/weg verhouding (loodrecht op het vlak van de drukplaat) wordt in de documentatie van het krachtverloop opgenomen.

Met deze test wordt de stijfheid bepaald van het dakframe respectievelijk de dakstructuur van eensporige wegvoertuigen ten behoeve van een vrijstelling van de helmdraagplicht.

2.1 De maximale kracht die optreedt bij het vertikaal vervormen van de dakconstructie tot 127 mm bedraagt tenminste 22,2 kN.

2.2 De energie die bij deze vervorming wordt opgenomen bedraagt tenminste 1,4 kJ.

3.1 Voertuig

3.1.1 Het frame van het testvoertuig wordt zodanig op een vlakke, stabiele grondplaat vastgemaakt, dat het bij de test niet kan verschuiven.

3.1.2 Het frame van het voertuig wordt ten opzichte van de grondplaat opgesteld in de stand die nagenoeg overeenkomt met de stand die het inneemt wanneer het complete voertuig rechtop en met beide wielen op de grondplaat zou staan. Het frame wordt op de grondplaat zodanig ondersteund, dat de positie van vaste framedelen in de directe nabijheid van het zwaartepunt en de helling van het frame tijdens de belasting nagenoeg niet veranderen. Een verplaatsing van + 10 mm en een verdraaiing van + 3° is evenwel toegestaan.

3.1.3 Alle steunpunten bevinden zich onder een vlak parallel aan de grondplaat, gaande door het H-punt , bedoeld in paragraaf 1.1 van bijlage III van hoofdstuk 11 van richtlijn 97/24/EG. Bij verstelbare zittingen wordt het H-punt in de laagste zadelstand bepaald.

3.1.4 Boven het in paragraaf 3.1.3. bedoelde vlak worden geen aanvullende verstijvingen aangebracht buiten de structuurdelen die bij het oorspronkelijke voertuig als dragende elementen zijn uitgevoerd (bijvoorbeeld: motor, kuipzit, carrosserie).

3.2 Drukplaat

Een vlakke, voldoend stijve plaat wordt zonder voorspanning op het hoogste punt van de dakstructuur gelegd en parallel aan het grondvlak gehouden. De drukplaat is van voldoende grootte; in ieder geval groter dan het contactvlak met de dakstructuur na de test.

De drukplaat wordt met een constante, maximale snelheid van 0,013 m/sec over een afstand 127 mm in de richting van de grondplaat bewogen. De maximale testduur bedraagt 120 sec.