U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 13-11-2005.

Beleidsregel · BWBR0013042

Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, van 27 november 2001, Directie Arbeidsomstandigheden, Arbo/AIS 0174663, tot vaststelling van beleidsregels op het gebied van de arbeidsomstandighedenwetgeving (Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving)Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgevingDe Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst,

Besluit:

De Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving zullen met de toelichting en de bijlagen in een bijlage bij de Staatscourant worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

's-Gravenhage27 november 2001De Staatssecretaris van Sociale Zaken en WerkgelegenheidJ.F.Hoogervorstnamens deze, De Directeur-Generaalw.g. drs. R.IJ.M.Kuipers

Voor het juist uitvoeren van de aanwijzingsverplichting moet deze beleidsregel in samenhang met de gehele afdeling 2 van hoofdstuk 2 van het Arbobesluit beschouwd worden

Aan het gestelde in bovenvermelde artikelen wordt ten aanzien van buisrailsystemen in kassen bestemd voor gebruik in combinatie met buisrailwagens met een werkhoogte van meer dan 1,80 meter voldaan als de punten 3 t/m 6 in combinatie met punt 1 of punt 2 in acht worden genomen:

Aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 3.4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, is voldaan indien voor de verschillende elektrische installaties de navolgende nationale normen zijn toegepast:

Aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 3.5 van het Arbeidsomstandighedenbesluit is voldaan indien tijdens elektrotechnische werkzaamheden en bedieningswerkzaamheden, een van de navolgende normen is toegepast:

Deze beleidsregel is niet van toepassing aan boord van schepen. Voor schepen gelden de bepalingen met betrekking tot noodverlichting zoals opgenomen in de schepenwetgeving.

Deze beleidsregel is niet van toepassing aan boord van schepen. Voor schepen gelden de voorschriften voor de voorzieningen bij valgevaar zoals die in de schepenwetgeving zijn opgenomen.

Aan het bepaalde in artikel 3.19 wordt voor wat betreft arbeid in kantoren voldaan indien wordt gewerkt in vertrekken met oppervlakten, die overeenkomen met de eisen in de norm NEN 1824:1995 "Eisen voor de oppervlakte en hoogte van kantoorwerkplekken", gemeten volgens de methode uit NEN 2580:1997 "Oppervlakten en inhouden van gebouwen Termen definitie en bepalingsmethoden", inclusief correctieblad C1:1997.

Aan de verplichting ingevolge artikel 3.40, onder c, om kogelwerend en slagvast materiaal, dat tenminste voor een deel doorzichtig is, te gebruiken, voor de kassawerkplek in benzinestations, die geopend zijn tussen 21.00 uur en 06.00 uur, wordt ten aanzien van het doorzichtig materiaal voldaan indien een materiaal/glassoort is gebruikt die voldoet aan de eisen voor kogelwerendheid klasse BR4NS volgens NEN-EN 1063: 2000, ‘Glas voor gebouwen - Beveiligingsbeglazing - Beproeven en classificatie van de weerstand tegen een kogelaanval’, en aan de eisen voor slagvastheid klasse P6B volgens NEN-EN 356: 1999, ‘Glas in gebouwen - Beveiligingsbeglazing - Beproeven en classificatie van de weerstand tegen manuele aanval’. In het doorzichtig materiaal zijn geen openingen aanwezig. De specificaties zijn alleen voor bevoegde ogen duidelijk zichtbaar aangegeven.

Onder het machtnemen van de grootst mogelijke zorgvuldigheid ordelijkheid en zindelijkheid op plaatsen waar stoffen, die een gevaar voor de veiligheid en gezondheid kunnen opleveren aanwezig zijn, wordt verstaan:

Ten aanzien van de opslag, het gebruik en het transport van gascylinders worden de volgende voorzieningen adequaat geacht ter vermijding van het gevaar op een ongewilde gebeurtenis zoals omschreven in artikel 4.4, eerste tot en met derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, dan wel ter beperking van de gevolgen van een ongewilde gebeurtenis zoals omschreven in artikel 4.4, vierde lid.

Ten aanzien van de opslag van gevaarlijke stoffen in emballage en de werkzaamheden die daarmee verband houden worden de volgende voorzieningen adequaat geacht ter vermijding van het gevaar op een ongewilde gebeurtenis zoals omschreven in artikel 4.4, eerste tot en met derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, dan wel ter beperking van de gevolgen van een ongewilde gebeurtenis zoals omschreven in artikel 4.4, vierde lid.

Gevaarlijke stoffen in verpakkingen worden opgeslagen conform de voorschriften met betrekking tot de arbeidsomstandigheden in de volgende richtlijnen van de Commissie voor de preventie van rampen door gevaarlijke stoffen CPR 15-1 "Opslag gevaarlijke stoffen in emballage, opslag van vloeistoffen en vaste stoffen (0-10 ton) en CPR 15-2 "Opslag gevaarlijke stoffen chemtscne afvalstoffen en bestrijdingsmiddelen in emballage, opslag grote hoeveelheden vanaf 10 ton".

Ten aanzien van het verladen van natriumhypochlorietoplossingen in water worden de volgende voorzieningen voldoende adequaat geacht ter voorkoming van het gevaar op een ongewilde gebeurtenis, als bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit aansluitpunten voor laad- en losslangen zijn voorzien van een in wit polypropyleen uitgevoerde koppeling met linkse spoed (de zogenaamde KNZ-koppelmg).

Deze beleidsregel is niet van toepassing aan boord van schepen.

Ten aanzien van de aanwezigheid van of het werken met cyaanverbindingen, respectievelijk waterstoffluoride worden de volgende voorzieningen adequaat geacht ter beperking van de gevolgen van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.4, vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Ten aanzien van het gebruik en de opslag van chemicaliën in zweminrichtingen en de werkzaamheden die daarmee verband houden worden de volgende voorzieningen adequaat geacht ter voorkoming van het gevaar op een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.4, eerste tot en met derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, danwel ter beperking van de gevolgen van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.4, vierde lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit:

Ten aanzien van de blootstelling van werknemers aan chemische of inerte blusmiddelen van automatische brandblusinstallaties worden de volgende voorzieningen adequaat geacht ter vermijding van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Om passend te zijn in de zin van artikel 3.8, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit voldoen automatische brandblusinstallaties in ieder geval aan deze beleidsregel.

Ten aanzien van het in open of gesloten spuitcabines of spuitwanden verspuiten van verf die zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare en ontvlambare oplosmiddelen bevat, worden de volgende voorzieningen adequaat geacht ter vermijding van het gevaar van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, dan wel ter beperking van de gevolgen van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.4, vierde lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Ten aanzien van de opslag of toepassing van kooldioxide worden de volgende voorzieningen adequaat geacht ter vermijding van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.4, eerste tot en met derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, danwel ter beperking van de gevolgen van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.4, vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

(Deze beleidsregel is in werking getreden op 1 maart 2001 en aangepast middels het onderhavige besluit)

Ten aanzien van de opslag en toepassing van vloeibare stikstof worden de volgende voorzieningen adequaat geacht ter vermijding van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.4, eerste tot en met derde lid. van het Arbeidsomstandighedenbesluit, danwel ter beperking van de gevolgen van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.4 vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

(Deze beleidsregel is in werking getreden op 1 maart 2001 en aangepast middels het onderhavige besluit)

Maatregelen gericht op het veilig kunnen betreden en kunnen verlaten van een ruimte als bedoeld in artikel 4.6, tweede en derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit worden als doeltreffend aangemerkt indien daarbij rekening is gehouden met de uitkomsten van het onderzoek bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, en de volgende punten daarbij worden in acht genomen.

Deze beleidsregel is niet van toepassing op stoffen die in de vorm van lading vervoerd worden.

Bij schadelijke of hinderlijke blootstelling aan rook als gevolg van lassen, gutsen, plasmasnijden en solderen van metaal, wordt voldaan aan artikel 4.8b, eerste, derde en vierde lid, artikel 4.9, eerste tot en met derde lid en het vijfde tot en met negende lid, artikelen 4.16, 4.17, 4.18, juncto hoofdstuk 8, afdeling 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, indien de ‘Praktijkrichtlijn, beschrijving van doeltreffende maatregelen bij blootstelling aan rook en/of gassen afkomstig van lassen en/of verwante processen’ (13 maart 2002), in acht wordt genomen.

Bij het ter beschikking stellen van persoonlijke beschermingsmiddelen ais bedoeld in artikel 4.8b en artikel 4.9 achtste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, ter bescherming van werknemers tegen mhalatoire blootstelling aan stoffen wordt het volgende in acht genomen.

Bij blootstelling aan inhalatie anesthetica in ziekenhuizen wordt aan de in artikel 4.9 eerste lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit opgenomen verplichting tot het nemen van doeltreffende maatregelen voldaan, indien adequate arbeidsmiddelen dan wel werkmethoden worden toegepast overeenkomstig het in bijlage 11 bij deze beleidsregels gestelde.

(Deze beleidsregel is in werking getreden op 1 juni 2001)

Vervallen

Maatregelen als bedoeld in artikel 4.18, eerste tot en met derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn niet doeltreffend als

Bij de roetmeting in het kader van de APK-keuring van dieselmotoren wordt aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 4.18, eerste en tweede lid, en artikel 6.8 van het Arbeidsomstandighedenbesluit voldaan indien de aanwijzingen in de Praktijkrichtlijn roetmeting, welke als bijlage 12 bij deze beleidsregels is gevoegd, worden gevolgd.

(Deze beleidsregel is in werking getreden op 23 juli 2000)

(Deze beleidsregel is in werking getreden op 1 januari 2001)

Bij blootstelling aan cytostatica in ziekenhuizen wordt aan de in artikel 4.18, eerste tot en met vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit opgenomen verplichtingen voldaan indien adequate arbeidsmiddelen dan wel werkmethoden worden toegepast of persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt overeenkomstig het in bijlage 14 bij deze beleidsregels gestelde.

(Deze beleidsregel is in werking getreden op 1 juni 2001)

Aan de verplichting om grond, bagger, puin, puingranulaat, water of afvalstoffen of materialen, verontreinigd met asbest of crocidoliet, af te voeren in een daartoe geschikte en gesloten verpakking, bedoeld in de artikelen 4.45 tweede lid, onderdeel c, en artikel 4.56, derde lid en aan de verplichting om de concentratie asbest in de lucht zo laag mogelijk te houden, zoals bedoeld in artikel 4.45, eerste lid en in artikel 6.2, wordt voldaan, indien het volgende in acht wordt genomen.

De melding als bedoeld in artikel 4.54, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt als tijdig beschouwd, als de melding van de in dit artikel genoemde gegevens schriftelijk wordt gedaan uiterlijk 7 dagen vóór het tijdstip dat met de werkzaamheden wordt begonnen. In afwijking daarvan kan bij spoedgevallen worden volstaan met een melding met een uiterste termijn van 48 uur. Als asbest onverwachts wordt aangetroffen tijdens een sloop of bij calamiteiten kan worden volstaan met een onmiddellijke melding. Indien dit laatste betekent dat de melding buiten kantooruren zou moeten plaatsvinden, dient deze te geschieden direct bij het begin van de eerstvolgende werkdag.

Metingen als bedoeld in artikel 4.55, eerste lid, onder d, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, alsmede de daaraan voorafgaande reiniging van de ruimte of werklocatie, worden uitgevoerd overeenkomstig het TNO rapport "Eindcontrole na asbestverwijdering", TNO-MEP – R 2000/065b (mei 2001).

(Deze gewijzigde beleidsregel is in werking getreden op 1 augustus 2001)

Onder het bewerken of verwerken van zandsteen dat noodzakelijk is voor het behoud van monumenten als bedoeld in de Monumentenwet 1988 als bedoeld in artikel 4.60, tweede lid, onder a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, wordt verstaan:

Vervallen

Instellingen waarvan de werknemers kans lopen op accidenteel bloedcontact met humaan bloed hanteren een post-expositie protocol voor accidenteel bloedcontact dat voldoet aan algemeen geldende inzichten op dit gebied en waarin met name aandacht wordt besteed aan mogelijke besmetting met hepatitis B of C en het humane immunodeficientie virus (HIV).

Aan het bepaalde in artikel 5.2 en 5.6 van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voor wat betreft arbeid aan of met trekkenwanden in theaters voldaan als het volgende in acht wordt genomen en terzake doeltreffende voorlichting aan de werknemers wordt gegeven overeenkomstig het bepaalde in artikel 5.5, eerste lid.

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 januari 2004 tenzij de regionaal directeur van de Arbeidsinspectie ermee heeft ingestemd dat de voorzieningen op een later tijdstip, doch uiterlijk voor 1 januari 2007, worden gerealiseerd.

Aan het bepaalde in artikel 5.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voor wat betreft arbeid in een kinderdagverblijf voldaan als het volgende in acht wordt genomen.

Voor kinderdagverblijven welke reeds werden geëxploiteerd op 23 juli 2000 treedt deze beleidsregel in werking met ingang van 1 januari 2004.

Aan het bepaalde in artikel 5.3, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voor wat betreft tillen op bouwplaatsen als bedoeld in artikel 1.1, tweede lid onder a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit voldaan als het volgende in acht wordt genomen.

Algemeen

Specifiek

Aan het bepaalde in de artikelen 5.3 en 5.4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voor wat betreft arbeid in kappersbedrijven, als bedoeld in beleidsregel 4.3a, eerste lid, voldaan als het volgende in acht wordt genomen.

Een zitgelegenheid is doelmatig in de zin van artikel 5.4, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

Als bij staand werk een stasteun ter beschikking is gesteld is deze doelmatig in de zin van artikel 5.4, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit als de vrije been- en voetruimte resp. 24 en 42 cm is, het hoogteverstelbereik (met gasveer) tussen 65 en 90 cm ligt, het steunvlak minimaal 20x20 cm bedraagt, de hoek ten opzichte van de verticaal 20 tot 30 graden naar voren is gekanteld en bij een kruispoot met wielen de wielen geremd zijn.

Een zitgelegenheid bij kassawerk in zelfbedieningswinkels is doelmatig in de zin van artikel 5.4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit wanneer het hiernavolgende in acht genomen wordt:

Een zitgelegenheid bij baliewerk is doelmatig in de zin van artikel 5.4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit wanneer het hiernavolgende in acht genomen wordt:

Het arbeidsgezondheidskundig onderzoek aan ogen en gezichtsvermogen omvat minimaal een anamnese, een gezichtsscherpte- en een accommodatiemeting. In aan vulling daarop vindt er een beoordeling van de werkplek plaats. Een oftalmologisch onderzoek wordt uitgevoerd als oogklachten of gezichtsstoornissen niet op een eenvoudige manier met optische correctiemiddelen te verhelpen zijn.

Deze beleidsregel is niet van toepassing aan boord van zeeschepen.

Deze beleidsregel is niet van toepassing aan boord van zeeschepen en luchtvaartuigen of indien de eisen van verkeersveiligheid (Wegvervoer) zich ertegen verzetten.

Arbeidsplaatsen en de directe toegangen daartoe zijn gedurende de aanwezigheid van de werknemers voldoende en doelmatig verlicht door daglicht, door kunstlicht of door beide, indien is voldaan aan de Nederlandse norm NEN 3087:1997 "Visuele ergonomie in relatie tot verlichting – Principes en toepassingen".

artikel 6.8, eerste lid, Arbobesluit

artikel 6.8. tweede lid, Arbobesluit

artikel 6.8. derde lid, Arbobesluit

artikel 6 8. zevende tot en met tiende lid, en artikel 8.1, eerste en tweede lid, Arbobesluit

De werkgever treft zodanige technische en organisatorische maatregelen dat voor de werknemers die bijzondere taken uitvoeren het geluidsexpositieniveau, gemiddeld over een periode van een week, niet hoger is dan 85 dB(A). De werkgever controleert of hieraan wordt voldaan door het weekgemiddeide rechtstreeks te meten met daartoe geëigende apparatuur (bijv geluidsdosismeter of datalogger), of door het weekgemiddeide te berekenen overeenkomstig de aanwijzingen die daarvoor worden gegeven in de Nederlandse norm NEN 3419:1992 "Ergonomie. Meting van geluid op de arbeidsplaats. Uitgebreid onderzoek". Beperking van het geluidsexpositieniveau tot maximaal 85 dB(A) kan in redelijkheid niet worden gevergd wanneer het geluidsniveau op de plaatsen waar de bijzondere taken worden uitgevoerd overeenkomt met de stand van de techniek voor de betrokken geluidsbronnen en wanneer er bovendien sprake is van bijzondere omstandigheden die een beroep op de redelijkerwijs-clausule rechtvaardigen.

artikel 6.23, eerste lid, Arbobesluit

artikel 6.23, tweede lid, Arbobesluit

artikel 6.23, derde lid, Arbobesluit

artikel 6.23, zevende lid, Arbobesluit

Aan het gestelde in artikel 7.3 wordt met betrekking tot het gebruik van afkort(cirkel-) zagen met een radiale arm voor handmatig afkorten en in verstek zagen van aluminium voldaan indien deze, in vergelijking met dezelfde machines waarmee uitsluitend hout of kunststof wordt verwerkt, zijn uitgevoerd met de volgende bijzondere voorzieningen:

Voor machines en vergelijkbare arbeidsmiddelen wordt aan het gestelde in artikel 7.3, eerste lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit voldaan indien de risico-inventarisatie en -evaluatie is uitgevoerd volgens NEN-EN 1050:1997 "Veiligheid van machines. Principes voor de risicobeoordeling".

Deze beleidsregel is niet van toepassing op transportmiddelen die zijn uitgesloten van de werkingssfeer van het op de Warenwet gebaseerde Warenwetbesluit machines.

Aan het gestelde in artikel 7.3, vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voor freesgereedschap en ronde zaagbladen voor houtbewerking voldaan, indien deze voldoen aan de bepalingen van de norm NEN-EN 847-1:1997 "Gereedschap voor houtbewerking – Veiligheidseisen. Deel 1: Freesgereedschap, ronde zaagbladen", inclusief correctieblad C1:1997.

Aan artikel 7.4, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voor wat betreft hijs- en hefgereedschap voldaan als:

Ladders die bestemd zijn om door één persoon te worden belast, dienen tenminste te voldoen aan de Nederlandse norm NEN 2484:1989 "Draagbaar klimmaterieel Ladders en trappen. Termen, definities, eisen, beproevingsmethoden, gebruik en onderhoud", inclusief correctieblad C1:1990. Ladders die bestemd zijn om door meerdere personen gelijktijdig te worden gebruikt hebben een dienovereenkomstige veiligheid.

Deze beleidsregel bestaat uit twee delen: l de uitgangspunten en II een uitwerking voor de veel voorkomende staande stalen steigers.

l UITGANGSPUNTEN

II UITWERKING

De in deel l vermelde uitgangspunten zijn voor de veel gebruikte stalen steigers herleid tot de hierna vermelde regels, die bij naleving in de toepassing nadere berekening van dergelijke steigers overbodig maakt.

Elementen van stalen steigers

Constructie van staande steigers

Deze constructie-aanwijzingen hebben betrekking op steigers tot 30 in hoogte en die van maximaal 3 vloeren zijn voorzien, waarvan slechts één vloer wordt belast. Er wordt onderscheid gemaakt in zware en lichte steigers.

Deze beleidsregel is niet van toepassing op transportmiddelen die zijn uitgesloten van de werkingssfeer van het op de Warenwet gebaseerde Warenwetbesluit machines.

Werknemers komen in de onmiddellijke nabijheid van een arbeidsmiddel als bedoeld in artikel 7.9, wanneer de afstand van lichaamsdelen tot oppervlakken met een zeer hoge of zeer lage temperatuur kleiner is dan de minimum afstanden genoemd in NEN-EN 294:1994 "Veiligheid van machines – Veiligheidsafstanden ter voorkoming van het bereiken van gevaarlijke zones met de bovenste ledematen-", of NEN-EN 811:1996 "Veiligheid van machines – Veihgheidsafstanden ter voorkoming van het bereiken van gevaarlijke zones met de onderste ledematen".

Indien de kans op aanraking, aldus gedefinieerd, niet kan worden voorkomen mogen de oppervlakte temperaturen niet hoger zijn dan de toelaatbare grenswaarde van NEN-EN 563:1997 "Veiligheid van machines. Temperaturen van aan te raken oppervlakken Ergonomische gegevens om temperatuur-grenswaarden voor hete oppervlakken vast te stellen" en niet lager zijn dan –20°C.

Deze beleidsregel is niet van toepassing op transportmiddelen die zijn uitgesloten van de werkingssfeer van het op de Warenwet gebaseerde Warenwetbesluit machines.

Deze beleidsregel is niet van toepassing op transportmiddelen die zijn uitgesloten van de werkingssfeer van het op de Warenwet gebaseerde Warenwetbesluit machines.

Aan het gestelde in artikel 7.14, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voldaan indien het bedieningssysteem van het arbeidsmiddel zodanig is uitgevoerd dat dit voor wat betreft het in werking stellen voldoet aan de desbetreffende bepalingen in NEN-EN 954-1:1997 "Veiligheid van machines – Onderdelen van besturingssystemen met een veiligheidsfunctie – Deel 1: Algemene ontwerpbeginselen".

Deze beleidsregel is niet van toepassing op transportmiddelen die zijn uitgesloten van de werkingssfeer van het op de Warenwet gebaseerde Warenwetbesluit machines.

Aan het gestelde in artikel 7.15, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voldaan, indien het bedieningssysteem van het arbeidsmiddel zodanig is uitgevoerd dat dit voor wat betreft het stopzetten voldoet aan de desbetreffende bepalingen van NEN-EN 954-1:1997 "Veiligheid van machines – Onderdelen van besturingssystemen met een veihgheidsfunctie – Deel 1: Algemene ontwerpbeginselen".

Deze beleidsregel is niet van toepassing op transportmiddelen die zijn uitgesloten van de werkingssfeer van het op de Warenwet gebaseerde Warenwetbesluit machines.

Aan het gestelde in artikel 7.16 van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voldaan, indien een noodstopvoorziening is aangebracht in de gevallen zoals omschreven in de relevante artikelen van NEN-EN 954-1:1997 "Veiligheid van machines – Onderdelen van besturingssystemen met veiligheidsfunctie – Deel 1: Algemene ontwerpbeginselen".

Deze beleidsregel is niet van toepassing op transportmiddelen die zijn uitgesloten van de werkingssfeer van het op de Warenwet gebaseerde Warenwetbesluit machines.

Aan het gestelde in artikel 7.I7b, tweede lid onder b van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voldaan indien mobiele arbeidsmiddelen met elektrische aandrijving zijn uitgerust met een inrichting die onafhankelijk van het bedieningsorgaan automatisch het stroomcircuit van de rijmotor onderbreekt wanneer de bestuurder het arbeidsmiddel verlaat. De inrichting mag werken met een vertraging van maximaal 3 seconden.

Onder afdoende technische maatregelen als bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit worden een der volgende oplossingen verstaan:

Onder een terzake deskundig persoon in de zin van artikel 7.34, eerste en tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt verstaan een persoon die beschikt over aantoonbare specifieke deskundigheid op het terrein van:

Onverminderd het gestelde met betrekking tot de keuze en beoordeling van persoonlijke beschermingsmiddelen in andere van toepassing zijnde beleidsregels wordt aan het gestelde in artikel 8.2, onder a, b en c, van het Arbeidsomstandighedenbesluit voldaan indien de keuze en beoordeling van persoonlijke beschermingsmiddelen zijn uitgevoerd in overeenstemming met de betreffende leidraad uit de serie V/E/3, uitgebracht door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, zoals opgenomen in de 'Gids persoonlijke beschermingsmiddelen' van het Nederlands Normalisatie-instituut (NNI) Delft 1999.

Aan ergonomische eisen als bedoeld in artikel 5.1 van de Arbeidsomstandighedenregeling voor apparatuur en meubilair in gebruik bij het verrichten van beeldschermwerk wordt voldaan wanneer naast dan wel ter uitvoering van de in dat artikel genoemde eisen het navolgende in acht wordt genomen:

behorend bij beleidsregel 33 Arbowet 1998

Ten aanzien van de feiten waar een asterisk (*) achter de boetenormbedragen is geplaatst, kan ook een werknemer worden beboet, indien deze op grond van de desbetreffende bepalingen:

behorend bij beleidsregel 33 Arbowet 1998

Toelichting op inhoud en gebruik van de lijst

In de lijst van ernstige beboetbare feiten zijn werkzaamheden en situaties benoemd die ernstig gevaar (kunnen) opleveren voor personen.

Indien een dergelijke werkzaamheid of situatie wordt geconstateerd, dan zal in de meeste gevallen worden overgegaan tot stilleging van werk zoals bedoeld in artikel 28 van de Arbowet 1998. Volgens artikel 28 is de Arbeidsinspectie bevoegd te bevelen dat:

De formuleringen in de lijst zijn over het algemeen in een directe actieve vorm gesteld, zoals: "het werken op ..., het gebruiken van... en het blootstellen aan...

Indien de feiten zoals geformuleerd ook daadwerkelijk door een inspecteur worden geconstateerd, dan is er sprake van "heterdaad". Behalve het geven van een bevel tot stilleging, zegt de inspecteur direct een boete aan.

Treft de inspecteur situaties aan die naar zijn redelijk oordeel zouden kunnen leiden tot ernstige feiten zoals geformuleerd in de lijst, terwijl er op het moment van constateren met wordt gewerkt, dan is deze bevoegd om op basis van artikel 28 Arbowet 1998 te bevelen dat werkzaamheden met mogen worden aangevangen zolang het potentiële gevaar aanwezig is.

In dergelijke situaties wordt echter geen boete aangezegd.

Vooral de werkgever zal op het met naleven van de ernstige beboetbare feiten worden aangesproken. Indien ook werknemers een ernstig beboetbaar feit ten laste kan worden gelegd, dan is dit in de lijst aangegeven. De Arbeidsinspectie zal hier overigens zeer terughoudend mee omgaan en indien aan de orde veelal in combinatie met ook een ten laste legging aan de werkgever.

In de lijst worden eenduidige en van de situatie afhankelijke ernstige beboetbare feiten onderscheiden bij eenduidige feiten is altijd sprake van ernstig gevaar voor personen, indien een dergelijk feit in een werksituatie aan de orde is. Deze feiten kennen veelal een concrete normering In het geval van situatie afhankelijke feiten hoeft met altijd ernstig gevaar te bestaan voor personen bij overtreding van het feit op zich. De ernst van het gevaar hangt af van de aard van het werk, het proces of het type arbeidsmiddel dat wordt gebruikt. Een inspecteur zal dit ter plekke moeten vaststellen.

Bijvoorbeeld het volgende beboetbare feit uit de lijst. ‘Het onderhouden, repareren en reinigen van arbeidsmiddelen die ingeschakeld zijn en onder druk of elektrische spanning staan’. Als onderhoud aan een draaiende machine gebeurt op een plek waar pertinent geen knel-, plet- snij- of ander ernstig gevaar aan de orde is, dan is er geen sprake van een ernstig beboetbaar feit. Indien het onderhoud op een plek gebeurt waar de kans levensgroot aanwezig is dat handen subiet worden afgehakt is er sprake van ernstig gevaar en zal het werk direct worden stilgelegd en een boete worden aangezegd.

Ter bevordering van het uniform handelen van inspecteurs, geeft de Arbeidsinspectie in inspectie-projecten zo mogelijk de omstandigheden aan wanneer in een betreffende (sub)bedrijfstak sprake kan zijn van dergelijke situatie afhankelijke feiten.

In de lijst worden de situatie afhankelijke feitenonderscheiden van de andere door een T vooraan in de kantlijn. Dit uitroepteken staat voor de zinsnede ‘waarbij sprake is van ernstig gevaar voor personen’.

Ten aanzien van de feiten waar een asterisk (*) achter de tekst is geplaatst, kan ook een werknemer worden beboet, indien deze op grond van de desbetreffende bepalingen:

Het niet of onjuist gebruiken van ter beschikking gestelde noodzakelijke beveiligingen of persoonlijke beschermingsmiddelen door een werknemer, waardoor ernstig gevaar bestaat voor de werknemer zelf of voor andere personen dan de werknemer.*

(artikel 11, Arbowet 1998)

! Het werken op, aan of in de nabijheid van wegen waarbij ernstig gevaar bestaat voor aanrijden.1)

(artikel 3.2, lid 1, Arbobesluit)

Het werken in gebouwen, waarvan wanden, vloeren, plafonds of installaties in zodanige staat verkeren, dat ernstig gevaar bestaat voor instorten, verschuiven, omvallen of kantelen.

(artikel 3.3, lid 1, Arbobesluit)

Het werken op plaatsen, waar ernstig gevaar bestaat voor instorten verschuiven, omvallen of kantelen van opgeslagen voorwerpen en stoffen.

(artikel 3.3, lid 2, Arbobesluit)

Het aanwezig zijn van met afgeschermde, direct aanraakbare spanningvoerende delen met een spanning hoger dan 50 volt bij wisselspanning of 120 volt bij zuivere gelijkspanning.

(artikel 3.4, lid 2, Arbobesluit)

Het verrichten van werkzaamheden aan of in de nabijheid van onder spanning staande elektrische installaties toestellen of leidingen met een spanning van hoger dan 50 volt bij wisselspanning of 120 volt bij zuivere gelijkspanning zonder het treffen van de nodige veiligheidsmaatregelen.*

(artikel 3.5, lid 3, Arbobesluit)

! Het ontbreken van doeltreffende maatregelen om het ontstaan van een explosieve atmosfeer op de arbeidsplaats te voorkomen.

(artikel 3.5d, lid 1, Arbobesluit)

! Het niet nemen van de volgende maatregelen in de hieronder aangegeven volgorde, indien het voorkomen van het ontstaan van een explosieve atmosfeer, gezien de aard van het werk, niet mogelijk is:

(artikel 3.5d, lid 2, Arbobesluit)

! Het ontbreken van de volgende maatregelen in de gevarenzones, bedoeld in artikel 3.5d, vijfde lid, en met betrekking tot de installaties in gebieden zonder explosiegevaar die vereist zijn voor, of bijdragen tot het explosieveilig gebruik van installaties die zich op plaatsen bevinden waar explosiegevaar heerst:

(artikel 3.5e, onder a. en b, Arbobesluit)

! Het in de gevarenzones niet gebruiken en toepassen van apparaten en beveiligingssystemen overeenkomstig de categorieën als bedoeld in het Warenwetbesluit explosieveilig materieel volgens de navolgende principes:

(artikel 3.5e, onder e, Arbobesluit)

Het werken op arbeidsplaatsen waar een doeltreffende vluchtweg ontbreekt of is geblokkeerd en waarbij ernstig gevaar bestaat op brand, explosie of plotselinge blootstelling aan gevaarlijke stoffen.

(artikel 3.6, lid 1, en artikel 3.7, lid 1, Arbobesluit)

! Het werken op hoogten van meer dan 2.50 meter waarbij geen of onvoldoende voorzieningen zijn getroffen tegen vallen.

(artikel 3.16, lid 1, Arbobesluit)

N.B.! Indien het valgevaar gepaard gaat met risicoverhogende omstandigheden zoals het gevaar te vallen op of langs uitstekende delen de aanwezigheid van verkeer, het vallen in water e.d., dan kan er, afhankelijk van de toename van het risico ook bij geringere werkhoogte sprake zijn van een ernstig feit.

Het werken op hoogten van meer dan 2.50 meter waarbij geen of onvoldoende voorzieningen zijn getroffen tegen de gevolgen van vallen.

(artikel 3.16, lid 3, Arbobesluit)

Het zodanig ingericht zijn van een arbeidsplaats dat daardoor ernstig gevaar bestaat getroffen of geraakt te worden door voorwerpen, producten of onderdelen daarvan dan wel vloeistoffen of gassen, of bekneld te raken tussen voorwerpen, producten of onderdelen daarvan1).

(artikel 3.17, Arbobesluit)

! Het toepassen van een laadplatform dat met is afgestemd op de te vervoeren lading.

(artikel 3.18, lid 2, Arbobesluit)

Het werken op hoogten van meer dan 2.50 meter op instabiele en onvoldoende stevige werkplekken op bouwplaatsen.

(artikel 3.28, lid 1, Arbobesluit)

Het werken op een bouwplaats indien bovengrondse elektriciteitsleidingen niet omgeleid zijn of spanningsloos zijn gemaakt of, indien dit niet mogelijk is, hekken of waarschuwingsborden ontbreken.

(artikel 3.29, lid 2, Arbobesluit)

Het werken op bouwplaatsen waarbij ernstig gevaar bestaat voor personen als gevolg van beschadiging van ondergrondse elektriciteitsleidingen en -kabels.

(artikel 3.29, lid 5, Arbobesluit)

Het werken in bouwputten, tunnels, bij uitgravingen of andere ondergrondse werkzaamheden waarbij onvoldoende stut- of taludvoorzieningen zijn getroffen tegen instortings- of overstromingsgevaar.

(artikel 3.30, lid 1, Arbobesluit)

Het bij grondverzetwerkzaamheden niet op veilige afstand houden van de uitgegraven aarde, gebruikte materialen en voertuigen, waardoor werknemers ernstig gevaar lopen bedolven te worden.

(artikel 3.30, lid 2, Arbobesluit)

Onvoldoende draagkrachtige bekistingen, tijdelijke stutten of schoren op een bouwwerkplek waardoor werknemers ernstig gevaar lopen bekneld te raken of bedolven te worden.

(artikel 3.31, lid 2, Arbobesluit)

Het zonder beschermingsmaatregelen betreden van of werken in zones in de winningsindustrie in dagbouw, ondergronds, of met behulp van boringen, waar gevaar bestaat voor verstikking, bedwelming, vergiftiging, brand of explosie.

(artikel 3.34, lid 1, Arbobesluit)

Het ontbreken van twee afzonderlijke uitgangen in verbinding met de oppervlakte bij een ondergrondse ontginning.

(artikel 3.37c, lid 1, Arbobesluit)

Het niet zo spoedig mogelijk na het delven ondersteuningen aanbrengen, terwijl dit vanwege de instabiliteit van het terrein noodzakelijk is voor de veiligheid van de werknemers.

(artikel 3.37e, lid 1, Arbobesluit)

Het in een machinekamer op een mijnbouwinstallatie ontbreken van twee tegenover elkaar gelegen uitgangen met voldoende trap- of ladderverbindingen vanaf de vloer.

(artikel 3.37n, lid 2, Arbobesluit)

! Het ontbreken van maatregelen of voorzieningen bij aanwezigheid van kankerverwekkende of mutagene stoffen waarbij ernstig gevaar bestaat voor plotselinge blootstelling.

(artikel 4.4, Arbobesluit)

! Het ontbreken van maatregelen of voorzieningen bij aanwezigheid van gevaarlijke stoffen waardoor ernstig gevaar bestaat voor brand of explosie of gezondheidsbedreigende blootstelling aan gevaarlijke stoffen, dampen en gassen.

(artikel 4.4, lid 1, Arbobesluit)

! Onvoldoende of onjuiste maatregelen of voorzieningen bij het werken met gevaarlijke stoffen waardoor ernstig gevaar bestaat voor brand of explosie of gezondheidsbedreigende blootstelling aan gevaarlijke stoffen, dampen en gassen.

(artikel 4.4, lid 2 Arbobesluit)

! Onvoldoende of onjuiste maatregelen of voorzieningen bij het werken aan reservoirs, installaties, verpakkingen e.d. met gevaarlijke stoffen waardoor ernstig gevaar bestaat voor brand of explosie of gezondheidsbedreigende blootstelling aan gevaarlijke stoffen, dampen en gassen bestaat.

(artikel 4.4, lid 3, Arbobesluit)

Het schoonmaken, onderhouden, verbouwen, herstellen en slopen van K1-, K3-, KT- of T-schepen, zonder veiligheids- en gezondheidsverklaring van een gasdeskundige.

(artikel 4.7, lid 3 Arbobesluit)

! Het niet werken volgens een vooraf opgesteld werkplan, als bedoeld in Bijlage VB van de Arbeidsomstandighedenregeling, met betrekking tot opbouw, installeren, monteren, assembleren, danwel verwijderen na ontbranding, van professioneel vuurwerk.

(artikel 4.8a, lid 2, Arbobesluit)

Het blootstellen van werknemers aan concentraties van stoffen in de inademingslucht van meer dan twee maal de bestuurlijke MAC-waarde of wettelijke grenswaarde (vast te stellen over de blootstellingsperiode(n) waarop deze waarden betrekking hebben) of van meer dan de ceilingwaarde.

(artikel 4.9, lid 1, juncto artikel 4.8b, lid 3, Arbobesluit)

Het werken met stoffen als bedoeld in beleidsregel 4.9 -1 onder 2, 3 en 4, en beleidsregel 4.18 -1 onder 3, 4 en 5, waarbij direct contact met huid en ogen mogelijk is en kan leiden tot ernstige schade aan de gezondheid.

(artikel 4.9, lid 1, juncto artikel 4.18, lid 1, Arbobesluit)

Het blootstellen van werknemers aan concentraties van kankerverwekkende en mutagene stoffen in de inademingslucht boven de wettelijke grenswaarde.

(artikel 4.16, lid 2, Arbobesluit)

Het niet zo laag mogelijk houden van de concentratie van asbeststof in de lucht, door :1) :

(artikel 4.45, lid 1, Arbobesluit, juncto lid 2, juncto artikel 4.54, lid 1)

Het blootstellen van werknemers aan concentraties van asbest in de inademingslucht boven de grenswaarde van 0,3 vezel per kubieke centimeter, vastgesteld, berekend of gemeten over een referentieperiode van acht uur.

(artikel 4.46, lid 1, Arbobesluit)

N.B. Bij werkzaamheden, zoals bedoeld in artikel 4.54 Arbobesluit (slopen asbest en crocidoliet), wordt uitgegaan van overschrijding van de wettelijke grenswaarde.

Het, bij slopen en verwijderen van asbest of crocidoliet, of van producten die deze stoffen bevatten, met behulp van elektrisch of pneumatisch aangedreven verspanende werktuigen met een toerental > 100 wentelingen per minuut of een lineaire zaagsnelheid > 25 meter per minuut,

(artikel 4.54, lid 2, Arbobesluit, juncto artikel 4.55, lid 1 onder d en lid 2)

Het, bij slopen en verwijderen van asbest of crocidoliet of van producten die deze stoffen bevatten, niet treffen van maatregelen zoals die, ingevolge artikel 4.55, lid 1, onder a tot en met d, moeten zijn opgenomen in het in artikel 4.54, lid 4, bedoelde werkplan.

(artikel 4.55, lid 2, Arbobesluit, juncto artikel 4.54, lid 4)

N.B. Als een werkplan ontbreekt of onvolledig is, wordt gehandhaafd op basis van de in artikel 4.55 lid 1 onder a tot en met d genoemde artikelen. Overtreding daarvan wordt bij het slopen en verwijderen van asbest of crocidoliet of van producten die deze stoffen bevatten, altijd aangemerkt als een ernstig beboetbaar feit.

Het blootstellen van werknemers aan concentraties van crocidolietstof in de inademingslucht boven de grenswaarde van 0,1 vezel per kubieke centimeter, vastgesteld, berekend of gemeten over een referentieperiode van acht uur.1)

(artikel 4.56, lid 2. Arbobesluit)

N.B.Bij werkzaamheden, zoals bedoeld in artikel 4.54 Arbobesluit (slopen asbest en crocidoliet), wordt uitgegaan van overschrijding van de wettelijke grenswaarde.

Het niet spoedig verzamelen en verpakken van crocidoliethoudende afvalstoffen.*

(artikel 4.56, lid 3, Arbobesluit)

Het verzamelen en verpakken van crocidoliethoudende afvalstoffen in voor crocidoliet ongeschikte verpakking.1)

(artikel 4.56, lid 3, Arbobesluit)

Het ontzanden van gietstukken, door middel van stralen, buiten de voor dat doel bestemde gesloten toestellen of ruimten.*

(artikel 4.61, lid 3, Arbobesluit)

Het bij ontzanden van gietstukken, door middel van stralen, afvoeren van afgezogen lucht naar ruimtes waar personen moeten verblijven.*

(artikel 4.61, lid 5, Arbobesluit)

Het blootstellen van werknemers aan biologische agentia waarbij ernstig gevaar bestaat voor schade aan de gezondheid.

(artikel 4.87, lid 1, Arbobesluit)

Het blootstellen van thuiswerkers aan concentraties van stoffen in de inademingslucht aan meer dan twee maal de bestuurlijke MAC-waarde of wettelijke grenswaarde (vast te stellen over de bloot-stellingsperiode(n) waarop deze waarden betrekking hebben) of aan meer dan de ceilingwaarde.

(artikel 4.113, Arbobesluit)

Het door thuiswerkers werken met stoffen als bedoeld in beleidsregel 4.9-1 onder 2, 3 en 4, waarbij direct contact met huid en ogen mogelijk is en kan leiden tot ernstige schade aan de gezondheid.

(artikel 4.113, Arbobesluit)

! Onvoldoende of onjuiste maatregelen of voorzieningen bij thuiswerk met gevaarlijke stoffen waardoor ernstig gevaar bestaat voor brand of explosie of gezondheidsbedreigende blootstelling aan gevaarlijke stoffen, dampen en gassen.

(artikel 4.115, lid 2, Arbobesluit)

Het verrichten van werkzaamheden zonder gehoorbescherming in situaties waarbij een geluidsniveau optreedt van meer dan:*

(artikel 6.8, lid 9, Arbobesluit).

(artikel 6.23, lid 8, Arbobesluit: voorschrift voor zeeschepen en luchtvaartuigen).

! Het verrichten van duikarbeid, caissonarbeid of overige arbeid onder overdruk zonder dat aan de beperkende voorschriften volgend uit een arbeidsgezondheidskundig onderzoek wordt voldaan.

(artikel 6.14a, lid 5, Arbobesluit)

Het niet aan werknemers ter beschikking stellen van materiaal dat in deugdelijke staat verkeert en van voldoende ademgas van goede kwaliteit.

(artikel 6.15, lid 1, Arbobesluit)

Het verrichten van duikarbeid zonder te worden bijgestaan door een reserveduiker.

(artikel 6.16, lid 1 Arbobesluit)

Het verrichten van duikwerkzaamheden op een diepte van 15 meter (of bij een druk van 1,5 maal 105 Pascal) of meer waarbij geen geschikte compressiekamer aanwezig is.

(artikel 6.18 lid 1, Arbobesluit)

Het ontbreken van een compressiekamer bij het verrichten van duikwerkzaamheden op een locatie waarbij de reistijd naar de dichtstbijzijnde behandelfaciliteit met compressiekamer meer dan twee uur bedraagt.

(artikel 6.18, lid 2, Arbobesluit)

Het door één persoon verrichten van caissonarbeid.*

(artikel 6.19, lid 1, Arbobesluit)

Het verrichten van caissonwerkzaamheden onder een druk van meer dan 1,5 maal 105 Pascal zonder een geschikte compressiekamer.

(artikel 6.20, lid 1, Arbobesluit)

Het ontbreken van een compressiekamer bij het verrichten van caissonarbeid op een locatie waarbij de reistijd naar de dichtstbijzijnde behandelfaciliteit met compressiekamer meer dan twee uur bedraagt.

(artikel 6.20, lid 2, Arbobesluit)

! Het gebruiken van arbeidsmiddelen op een andere wijze of plaats dan waarvoor zij zijn ingericht en bestemd.

(artikel 7.3, lid 2, Arbobesluit)

! Het niet of onvoldoende treffen van beschermende maatregelen bij het gebruik van een arbeidsmiddel, waardoor ernstig gevaar bestaat voor persoonlijk letsel.

(artikel 7.3, lid 4, Arbobesluit)

Het zodanig geplaatst of ingericht zijn van een arbeidsmiddel dat daardoor ernstig gevaar bestaat voor verschuiven, omvallen, kantelen, oververhitting, brand, ontploffen, blikseminslag of directe of indirecte aanraking met elektriciteit.

(artikel 7.4, lid 3, Arbobesluit)

Het zodanig geplaatst of ingericht zijn van een arbeidsmiddel dat daardoor ernstig gevaar bestaat getroffen of geraakt worden door voorwerpen, producten of onderdelen daarvan dan wel vloeistoffen of gassen, of bekneld te raken tussen voorwerpen, producten of onderdelen daarvan.

(artikel 7.4, lid 4, Arbobesluit)

! Het onderhouden, repareren en reinigen van arbeidsmiddelen die ingeschakeld zijn en onder druk of elektrische spanning staan.*

(artikel 7.5, lid 2, Arbobesluit)

! Het afstellen van arbeidsmiddelen die ingeschakeld zijn en onder druk of elektrische spanning staan.*

(artikel 7.5, lid 3, Arbobesluit)

! Het op met veilige wijze (de)monteren van arbeidsmiddelen.

(artikel 7.5, lid 5, Arbobesluit)

! Het ontbreken of onjuist toepassen van voorgeschreven beveiligingen en afschermingen, alsmede het overbruggen dan wel buiten werking stellen van noodzakelijke beveiligingen van arbeidsmiddelen.

(artikel 7.7, lid 1, Arbobesluit)

! Het kunnen aanraken van (onderdelen van) arbeidsmiddelen met een zeer hoge of lage temperatuur.

(artikel 7.9, Arbobesluit)

! Het loskoppelen en opnieuw aansluiten van een arbeidsmiddel van en op een krachtbron.

(artikel 7.11, lid 2, Arbobesluit)

! Het ontbreken van een noodstopvoorziening op arbeidsmiddelen waarbij dit noodzakelijk is.

(artikel 7.16, Arbobesluit)

! Het vervoeren van personen met een mobiel arbeidsmiddel dat daartoe met is uitgerust.

(artikel 7.17a, lid 1 Arbobesluit)

! Het gebruik van mobiele arbeidsmiddelen (m.u.v. heftrucks) waarmee personen kunnen worden vervoerd zonder beschermingsconstructies ter voorkoming van kantelen of de gevolgen daarvan.

(artikel 7.17a, lid 2 Arbobesluit)

! Het gebruik van heftrucks waarmee personen kunnen worden vervoerd zonder beschermingsconstructies ter voorkoming van kantelen of de gevolgen daarvan.

(artikel 7.17a, lid 5, Arbobesluit)

! Het ontbreken van een rem- en stopvoorziening, alsmede een noodstop voorziening voorzover deze noodzakelijk is, op een mobiel arbeidsmiddel met eigen aandrijving.

(artikel 7.17b, lid 2, Arbobesluit)

! Het meerijden op mobiele arbeidsmiddelen met eigen aandrijving zonder speciaal daartoe ingerichte veilige plaatsen.*

(artikel 7.17c, lid 2, Arbobesluit)

! Het zwaarder belasten van een hijs- of hefwerktuig, dan de toegelaten bedrijfslast of dan een veilig gebruik toelaat.*

(artikel 7.18, lid 2, Arbobesluit)

Het zodanig opgesteld zijn van hijs- en hefwerktuigen, dat daardoor ernstig gevaar bestaat dat lasten werknemers kunnen raken.*

(artikel 7.18, lid 5, Arbobesluit)

! Het zich bevinden van werknemers onder hangende lasten.*

(artikel 7.18, lid 6, Arbobesluit)

Het zodanig gebruik van een mobiel hijs- of hefwerktuig dat daardoor ernstig gevaar bestaat voor kantelen, ongewild in beweging komen of wegglijden.*

(artikel 7.18a, lid 3, Arbobesluit)

! Het gebruik van hijs- en hefwerktuigen in slechte weersomstandigheden.*

(artikel 7.18a, lid 13, Arbobesluit)

! Het hijsen of heffen van personen op een onbeveiligd platform.

(artikel 7.18b, lid 1, Arbobesluit)

! Het overbelasten van laad- en losgerei met meer dan 10%.*

(artikel 7.20, lid 4, Arbobesluit)

Het ontbreken van technische of organisatorische maatregelen, indien zich in een schacht twee of meer liften bevinden, om te voorkomen dat personen bij werkzaamheden aan een van de liften, getroffen worden door een naastliggende lift.

(artikel 7.21, lid 1, Arbobesluit)

Het niet stilzetten van de naastgelegen lift tijdens werkzaamheden in een liftschacht waarbij gevaren veroorzaakt door deze lift niet zijn tegengegaan.*

(artikel 7.21, lid 2, Arbobesluit)

! Het vervoeren van personen met een hijs- of hefwerktuig, dat daarvoor niet is bestemd of ingericht.*

(artikel 7.22, lid 1, Arbobesluit)

Het vervoer van personen in een werkbak waarbij sprake is van:

(artikel 7.22, lid 3, Arbobesluit)

! Het hijsen of heffen van luiken van schepen zonder dat deze daartoe geschikte bevestigingen hebben voor het vastmaken van hijsgereedschap.

(artikel 7.25, lid 1, Arbobesluit)

Het plaatsen of verwijderen van luiken op schepen terwijl in het ruim onder de luikopening wordt gewerkt.*

(artikel 7.25, lid 6, Arbobesluit)

! Het laden en lossen van schepen zonder dat luiken die niet afdoende tegen verplaatsing kunnen worden geborgd, verwijderd zijn.

(artikel 7.25, lid 7, Arbobesluit)

! Het opnieuw gebruiken van voor eenmalig gebruik bestemde bind- of hijsmiddelen.

(artikel 7.27, lid 2, Arbobesluit)

Het niet aanwezig zijn van middelen zodat werknemers bij het aanbrengen of verwijderen van sjorringen van containers aan ernstig gevaar worden blootgesteld.

(artikel 7.28, Arbobesluit)

! Het gebruik van ladders of trappen die onvoldoende sterk en stijf zijn.

(artikel 7.33, lid 1, Arbobesluit)

Het werken op onstabiel opgestelde ladders of trappen.

(artikel 7.33, lid 2, Arbobesluit)

! Het werken op ladders of trappen van onvoldoende lengte, waardoor stevige steun voor handen en voeten ontbreekt.

(artikel 7.33, lid 2, Arbobesluit)

Het werken op een overbelaste steiger.

(artikel 7.34, lid 3, Arbobesluit)

Het werken op verrijdbare steigers die niet zijn beveiligd tegen ongewilde verplaatsing.

(artikel 7.34, lid 4, Arbobesluit)

Het ontbreken van een noodstopvoorziening op hijs- en hefwerktuigen die in de winningsindustrie met behulp van boringen worden gebruikt.

(artikel 7.36b, lid 5, Arbobesluit).

Het verrichten van trekkerarbeid, het werken met wilde, giftige of andere dieren die gevaar opleveren, het industrieel slachten of werken onder tempodwang door jeugdige werknemers zonder toezicht.

(artikel 7.39, Arbobesluit)

! Het ontbreken of het onjuist toepassen van voorgeschreven beveiligingen, alsmede het overbruggen dan wel buiten werking stellen van noodzakelijke beveiligingen aan arbeidsmiddelen in thuiswerksituaties.

(artikel 7.41. lid 1, Arbobesluit)

! Het niet ter beschikking stellen van doeltreffende persoonlijke beschermingsmiddelen aan werknemers bij werkzaamheden, waardoor ernstig gevaar bestaat voor veiligheid of gezondheid van betrokken werknemers.

(artikel 8.3, lid 1, Arbobesluit)

behorend bij beleidsregel 33 Arbowet 1998

Het ontbreken van een schriftelijke risico-inventarisatie en -evaluatie.

(artikel 5, lid 1, Arbowet 1998)

! Het onvoldoende toezien op de naleving van instructies en voorschriften bij werkzaamheden waaraan risico's voor werknemers zijn verbonden.

(artikel 8, lid 4, Arbowet 1998)

Het niet (onverwijld) melden van een ernstig ongeval.

(artikel 9, lid 1, Arbowet 1998)

Het ontbreken van adequaat deskundig toezicht op jeugdige werknemers 2)

(artikel 1.37, lid 1 Arbobesluit)

Het ontbreken van adequaat deskundig toezicht op jeugdige werknemers om specifieke gevaren voor jeugdige werknemers te voorkomen.2)

(artikel 1.37, lid 2 Arbobesluit)

Het aanvangen met werkzaamheden op een bouwplaats zonder schriftelijke kennisgeving aan de Arbeidsinspectie over de voorgenomen totstandbrenging van het bouwwerk.2)

(artikel 2.26, lid 1, Arbobesluit)

Het ontbreken van een veiligheids- en gezondheidsplan ten aanzien van bouwwerken zoals gedefinieerd in het Arbobesluit.

(artikel 2.27, lid 1, Arbobesluit)

Het ontbreken van een veiligheids- en gezondheidsplan ten aanzien van werkzaamheden verricht in de winningsindustrie in dagbouw.

(artikel 2.42, lid 2, Arbobesluit)

Het ontbreken van een systeem van werkvergunningen voor de uitvoering van gevaarlijke werkzaamheden en voor de uitvoering van gewoonlijk ongevaarlijke werkzaamheden die in combinatie met andere werkzaamheden ernstige risico’s met zich mee kunnen brengen bij winningsindustrieën in dagbouw.

(artikel 2.42a, lid 1, Arbobesluit)

Het niet beschikbaar en gebruiksklaar houden van vluchtmiddelen zodat werknemers de gevaarlijke gebieden snel en veilig kunnen verlaten.

(artikel 3.5f, onder f, Arbobesluit)

Het ontbreken van deskundig toezicht op het gebruik van het helikopterdek op een mijnbouwinstallatie.

(artikel 3.37l, lid 3, Arbobesluit)

Het ontbreken van communicatiesystemen op een bemande arbeidsplaats in de winningsindustrie met behulp van boringen.

(artikel 3.37r, lid 1, Arbobesluit)

Het ontbreken van verzamelpunten en het niet bijhouden van een monsterrol in de winningsindustrie met behulp van boringen.

(artikel 3.37s, lid 1, Arbobesluit)

Het bij een veilig verzamelpunt op een mijnbouwinstallatie ontbreken van een lijst met de namen van de werknemers voor wie dat verzamelpunt is bestemd.

(artikel 3.37s, lid 5, Arbobesluit)

Het in de winningsindustrie met behulp van boringen ontbreken van een lijst met de namen van de werknemers die in geval van nood speciale taken hebben.

(artikel 3.37s, lid 6, Arbobesluit)

Het ontbreken van voldoende geschikte reddingsmiddelen op een mijnbouwinstallatie.

(artikel 3.37t, lid 1, Arbobesluit)

Het ontbreken van deskundig toezicht op jeugdige werknemers die arbeid verrichten waarbij gevaar voor instorting bestaat.2)

(artikel 3.46, sub a, Arbobesluit)

Het ontbreken van deskundig toezicht op jeugdige werknemers die arbeid verrichten aan, met of in de directe nabijheid van een hoogspanningsinstallatie.2)

(artikel 3.46, sub b, Arbobesluit)

Na een onvoorziene toename van het blootstellingsniveau aan kankerverwekkende of mutagene stoffen, er niet voor gezorgd hebben dat werknemers uit de gevarenzone zijn verwijderd.

(artikel 4.6a, lid 4, Arbobesluit)

Het niet hebben voorkomen dat andere werknemers dan die welke herstelwerkzaamheden in een gevarenzone met verhoogd blootstellingsniveau aan kankerverwekkende of mutagene stoffen moeten verrichten, deze zone betreden.

(artikel 4.6a, lid 4, Arbobesluit)

Het verrichten van onderzoek naar de veiligheid aan, op of in tankschepen door een persoon die niet beschikt over het certificaat van vakbekwaamheid gasdeskundige.*

(artikel 4.7, lid 4, Arbobesluit)

Gebruik van springstoffen zonder dat hierop voortdurend toezicht plaatsvindt door een persoon die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid springmeester.*

(artikel 4.8, lid 2, Arbobesluit)

Het verrichten van werkzaamheden bestaande uit het springen van materialen ten behoeve van de opsporing of winning van delfstoffen door personen die niet in het bezit zijn van een getuigschrift van schietmeester*

(artikel 4.8, lid 3, Arbobesluit)

Het niet door een gecertificeerd persoon toezicht houden op opbouw, installeren, monteren, assembleren, dan wel verwijderen na ontbranding, van professioneel vuurwerk.

(artikel 4.8a, lid 2 Arbobesluit)

Het niet door een gecertificeerd persoon toezicht houden op het bewerken van professioneel vuurwerk in een inrichting als bedoeld in artikel 3.2.1 van het Vuurwerkbesluit

(artikel 4.8a, lid 2 Arbobesluit)

Het niet begeleiden door een gecertificeerde arbeidshygiënist of veiligheidskundige van het afgraven, opslaan, vervoeren, ter beschikking stellen of reinigen van asbesthoudende grond.

(artikel 4.45a, lid 1, Arbobesluit)

Het gebruik van asbest of asbesthoudende producten zonder dit (volledig) schriftelijk te hebben gemeld aan de Arbeidsinspectie.

(artikel 4.49, lid 1, Arbobesluit)

Wijzigingen in het gebruik van asbest niet schriftelijk hebben gemeld aan de Arbeidsinspectie.

(artikel 4.49, lid 2, Arbobesluit)

Het slopen van asbest of asbesthoudende producten danwel crocidoliet of crocidoliethoudende producten zonder (tijdige) melding aan de Arbeidsinspectie.

(artikel 4.54, lid 3, Arbobesluit)

Het niet beschikken over een, overeenkomstig artikel 4.55 Arbobesluit opgesteld, schriftelijk werkplan ten aanzien van het verwijderen van asbest of asbesthoudende producten dan wel crocidoliet of crocidoliethoudende producten uit gebouwen, constructies, apparaten, installaties en transportmiddelen.1)

(artikel 4.54, lid 4, Arbobesluit)

Het slopen van asbest of asbesthoudende producten danwel crocidoliet of crocidoliethoudende producten door of onder toezicht van een persoon die niet in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid slopen asbest of crocidoliet.*

(artikel 4.54, lid 5, Arbobesluit)

Het werken met producten die niet voldoen aan de criteria genoemd in artikel 4.32a, lid 3 tot en met 6, Arboregeling bij werkzaamheden waarvoor dit op grond van artikel 4.32a, lid 1, Arboregeling (lijmen en verven in binnensituaties), niet is toegestaan.

(artikel 4.62b Arbobesluit)

Het werken met producten die niet voldoen aan de criteria genoemd in artikel 4.32b, lid 2 tot en met 4, Arboregeling bij werkzaamheden waarvoor dit op grond van artikel 4.32b, lid 1, Arboregeling (offset drukken), niet is toegestaan.

(artikel 4.62b Arbobesluit)

Het werken met producten die niet voldoen aan de criteria genoemd in artikel 4.32c, lid 2 en 3, Arboregeling bij werkzaamheden waarvoor dit op grond van artikel 4.32c, lid 1, Arboregeling (zeefdrukken), niet is toegestaan.

(artikel 4.62b Arbobesluit)

Het werken met producten die niet voldoen aan de criteria genoemd in artikel 4.32d, lid 2, Arboregeling bij werkzaamheden waarvoor dit op grond van artikel 4.32d, lid 1, Arboregeling (illustratiediepdrukken), niet is toegestaan.

(artikel 4.62b Arbobesluit)

Het werken met producten die niet voldoen aan het criterium genoemd in artikel 4.32e, lid 3, Arboregeling bij werkzaamheden waarvoor dit op grond van artikel 4.32e, lid 2, Arboregeling (verpakkingsdiepdrukken en flexodrukken), niet is toegestaan.

(artikel 4.62b Arbobesluit)

Het werken met producten die niet voldoen aan het criterium genoemd in artikel 4.32f, lid 4, Arboregeling bij werkzaamheden waarvoor dit op grond van artikel 4.32f, lid 2, Arboregeling (herstellen van autoschade), niet is toegestaan.

(artikel 4.62b Arbobesluit)

Het werken met producten die niet voldoen aan het criterium genoemd in artikel 4.32g, lid 3, Arboregeling bij werkzaamheden waarvoor dit op grond van artikel 4.32g, lid 2, Arboregeling (coating timmerwerk in binnensituaties), niet is toegestaan.

(artikel 4.62b Arbobesluit)

Het voor de eerste maal werken met biologische agentia van de 2e , 3e of 4e categorie, zonder (tijdige en volledige) schriftelijke kennisgeving aan de Arbeidsinspectie.

(artikel 4.94, lid 1, Arbobesluit)

Het werken met een nieuw biologisch agens van de 3e of 4e categorie, zonder (tijdige en volledige) schriftelijke kennisgeving aan de Arbeidsinspectie.

(artikel 4.94, lid 3, Arbobesluit)

Het werken met biologische agentia van de 2e , 3e of 4e categorie na veranderingen in procédés of procedures met mogelijke gevolgen voor veiligheid en gezondheid, zonder dit opnieuw te hebben gemeld aan de Arbeidsinspectie.

(artikel 4.94, lid 5, Arbobesluit)

Het niet (tijdig en schriftelijk) hebben gemeld aan de Arbeidsinspectie van een ongeval of incident dat (mogelijkerwijs) heeft geleid tot het vrijkomen van een of meer biologische agentia van de 3e of 4e categorie.

(artikel 4.95, Arbobesluit)

Het ontbreken van deskundig toezicht op jeugdige werknemers ter voorkoming van specifieke gevaren bij het werken met gevaarlijke stoffen of gassen of artikelen die ontplofbare stoffen bevatten.2)

(artikel 4.106 Arbobesluit)

Het voor de aanvang van de arbeid uitvoeren van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek door een arts, die niet in het bezit is van een certificaat duikerarts.

(artikel 6.14a, lid 3, Arbobesluit)

Het optreden als duikploegleider zonder in het bezit te zijn van een certificaat duikploegleider.

(artikel 6.16, lid 3, Arbobesluit)

Het duiken zonder in het bezit te zijn van het certificaat duikarbeid.*

(artikel 6.16, lid 6, Arbobesluit)

Het verrichten van duikarbeid zonder de aanwezigheid van een persoon die in het bezit is van een certificaat duikmedische begeleiding.*1)

(artikel 6.16, lid 7, Arbobesluit)

Het uitvoeren van duikarbeid:

(artikel 6.17, lid 1, Arbobesluit)

Het verrichten van caissonarbeid zonder de Arbeidsinspectie daarvan (tijdig en schriftelijk) in kennis te stellen, onder overlegging van een deugdelijk werkplan.

(artikel 6.19, lid 2, Arbobesluit)

Het werken met mobiele arbeidsmiddelen met eigen aandrijving, zonder dat de bedieners daartoe specifieke deskundigheid bezitten.

(artikel 7.17c, lid 1, Arbobesluit)

N.B. uitsluitend aan de orde indien criteria bestaan (en in projecten zijn aangegeven) wanneer en in welke situatie er sprake is van dit feit.

Het niet door een certificerende instelling laten onderzoeken en beproeven van hijs- of hefwerktuigen en hijs- of hefgereedschappen aan boord van schepen, die gebruikt worden bij het laden en lossen.

(artikel 7.29, lid 7, Arbobesluit)

Het aan boord van een schip met aanwezig zijn of niet bijhouden van een register van hijs- of hefwerktuigen en hijs- of hefgereedschappen.1)

(artikel 7.29, lid 10, Arbobesluit)

Het bedienen van een torenkraan, mobiele kraan of mobiele hei-installatie als bedoeld in artikel 7.6 Arboregeling, door een persoon die niet in het bezit is van een certificaat van bekwaamheid.

(artikel 7.32, lid 1, Arbobesluit)

! Het onvoldoende er voor zorgen dat werknemers aan hen beschikbaar gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen (juist) gebruiken, waardoor ernstig gevaar bestaat voor veiligheid of gezondheid van betreffende werknemers.

(artikel 8.3, lid 2, Arbobesluit)

Het op de openbare weg besturen van een trekker en het in rechtstreeks verband daarmee aan- of afkoppelen van aanhangwagens of werktuigen door een jeugdige werknemer die niet in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid.1)

(artikel 9.36, lid 1, Arbobesluit)

Het niet tijdig aan de toezichthouder toezenden van het gedetailleerd ontwerp, opstarten en gebruik, bedoeld in artikel 3.8, eerste en tweede lid, Arboregeling.

(artikel 3.11, lid 2, Arboregeling)

Het niet tijdig aan de toezichthouder toezenden van het veiligheids- en gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 3.7 Arboregeling.

(artikel 3.12, lid 1, Arboregeling)

Toelichting op inhoud en gebruik van de lijst

Er bestaat een aantal beboetbare feiten in de Arbeidsomstandighedenwet 1998, het Arbeidsomstandighedenbesluit en de Arbeidsomstandighedenregeling dat niet tot de categorie ernstige beboetbare feiten kan worden gerekend, maar waarvoor bij niet naleving toch een directe sanctie moet worden opgelegd en in een aantal gevallen ook (direct) maatregelen moeten worden getroffen.

Het gaat hierbij om feiten met betrekking tot:

Dergelijke feiten die enerzijds de onveiligheid van werknemers vergroten en anderzijds het werk van de Arbeidsinspectie ernstig belemmeren leiden tot het direct corrigeren van werkgevers. In voorkomende gevallen wordt direct overgegaan tot het aanzeggen van een boete.

De lijst van direct beboetbare feiten (direct boete) is op voorhand niet limitatief. De lijst kan worden uitgebreid met feiten waarvan het politiek maatschappelijk, beleidsmatig of inhoudelijk nodig wordt geacht deze direct door middel van een boete aan te pakken. Zo zijn er ten behoeve van de mijnbouwsector twee direct beboetbare feiten op grond van de artikelen 3.11, tweede lid, en 3.12, eerste lid, van de Arbeidsomstandigenregeling, toegevoegd, aangezien het hier om onmisbare basisvoorzieningen voor de mijnbouwsector gaat.

Ten aanzien van de met een asterisk (*) gemarkeerde feiten kan ook een werknemer worden beboet, indien deze de betreffende verplichting(en) niet naleeft.

NB In de berekening van bovenstaande grenswaarden is een extra correctiefactor van 0,1 toegepast voor stoffen die zeer gevoelig zijn voor mechanische prikkels of die extra gevaarlijk zijn door hun giftigheid.

behorend bij beleidsregel 4.2 -1 Arbobesluit

Verklaring van de gebruikte letters en aanduidingen

Om eenduidige identificatie te vergemakkelijken is bij elke stof het zogenoemde CAS nummer opgenomen, dat wil zeggen het nummer waaronder de stof door de "Chemical Abstract" Service is geregistreerd.

Maximale aanvaardeconcentratie - Tijdgewogen gemiddelde. Voor een aantal stoffen is naast de maximale aanvaarde concentratie bij een blootstellingsduur tot 8 uur per dag tevens een grenswaarde vastgesteld voor een kortdurende blootstelling van ten hoogste 15 minuten.

Deze aanduiding is toegepast bij stoffen waarvan de bestuurlijke grenswaarde (MAC-waarde) een ceilingwaarde (of plafondwaarde) is. Een ceilingwaarde geeft aan dat overschrijding van deze concentratie in alle gevallen moet worden voorkómen.

Stoffën die relatiefgemakkelijk doorde huid kunnen worden opgenomen, hetgeen een substantiële bijdrage kan betekenen aan de totale inwendige blootstelling, hebben in de lijst een H-aanduiding. Bij deze stoffen moeten naast maatregelen tegen inademing ook adequate maatregeten ter voorkoming van huidcontact worden genomen.

Voorstoffen die ook als deeltjes/aerosolen kunnen voorkomen geldt dat de MAC-waarde betrekking heeft op de deeltjes bemonsterd als "inhaleerbaar stof", tenzij anders vermeld. Voor nadere definiëring van inhaleerbaar en respirabel stofen meetaspecten hiervan wordt verwezen naar NEN-norm NEN-EN 481:94 "Werkplekatmosfeer Definitie van de deeltjesgrootteverdeling voor het meten van in de lucht zwevende deeltjes".

De hieronder vermelde grenswaarden gelden bij een temperatuur van 20 °C en een druk van 101,3 kPa.

De wettelijke of bestuurlijke grenswaarde voor een stof geldt in beginsel slechts voor blootstelling aan de zuivere stoffen is niet zonder meer van toepassing als de stof een bestanddeel is van een mengsel van stoffen waaraan blootstelling plaatsvindt. Het kan namelijk voorkomen dat de schadelijke werking van een dergelijk mengset de som is van die van de afzonderlijke stoffen. Hiervan is bijvoorbeeld sprake bij een mensgsel van verschillende organische oplosmiddelen. Het is ook mogelijk dat bij een gecombineerde blootstelling de schadelijke effecten van de afzonderlijke stoffen aanzienlijk worden versterkt c.q. verminderd.

Indien afzonderlijke componenten in een mengsel dezelfde toxische werking op eenzelfde orgaansysteem uitoefenen, wordt toetsing van de blootstelling aan de voor elk van die stoffen geldende grenswaarden als volgt uitgevoerd: de som van alle afzonderlijke blootstellingsconcentraties, als fractie van de afzonderlijke wettelijke grens- of MAC-waarden, is kleiner zijn dan één. Met andere woorden:

De procedure om de risicoklasse van de werkzaamheden vast te stellen is hieronder puntsgewijs beschreven.

Tenzij anders is vermeld, loopt u achtereenvolgens alle punten van de leidraad door.

De verklaring van de gebruikte afkortingen en symbolen vindt u aan het einde van deze leidraad.

De in de bodem (incl. grondwater) aangetroffen toxische stoffen vormen het startpunt bij de bepaling van de risicoklasse voor het toxiciteitsrisico van de werkzaamheden (klasse T).

Als men niet of onvoldoende op de hoogte is van de aard van de verontreiniging – terwijl wel is vastgesteld dat het om een verontreinigde bodem gaat – dan dient het werk altijd in de hoogste risicoklassen (3T en 2F) ingedeeld te worden. Dat geldt eveneens wanneer er tijdens de sanering nieuwe feiten aan het licht komen, bijvoorbeeld wanneer er vaten, blikken, bussen e.d. te voorschijn komen.

Als de grond verontreinigd is met asbest dan vallen de werkzaamheden in klasse 3T.

Bepaal voor de verontreinigingen die volgens de grond(water)analyses aanwezig zijn tot welke voorlopige klasse ze behoren volgens de criteria uit tabel 1. Onder verontreiniging wordt in dit verband verstaan alle stoffen die vanwege de concentratie waarin zij in de bodem of het grondwater voorkomen, meewegen in de beslissing of de bodem of het grondwater al dan niet valt onder de definitie van verontreinigde grond of verontreinigd grondwater, bedoeld in beleidsregel 4.2-2, eerste lid, onderdeel a. Dit betekent bijvoorbeeld voor stoffen met een streefwaarde dat alleen voor díe stoffen die in de bodem of het grondwater aanwezig zijn in concentraties boven de streefwaarde, de leidraad wordt doorlopen.

Deze voorlopige klasse wordt verder aangeduid met n. Rangschik de stoffen in groepen naar voorlopige klasse en ga vervolgens met die in de hoogste klasse verder. Als u de hele leidraad heeft doorlopen voor een verontreiniging, komt u uit in een bepaalde klasse. U begint dan met de volgende verontreiniging. Dit herhaalt u net zolang tot u zeker weet dat nogmaals doorlopen van de leidraad met een volgende stof, niet zal leiden tot een hogere klasse. Met andere woorden, indien op basis van een bepaalde stof de werkzaamheden in de hoogste T-klasse worden ingedeeld, hoeft u de leidraad niet nogmaals voor een andere stof te doorlopen, en is de definitieve T-klasse bereikt. Indien de werkzaamheden echter in een lagere risicoklasse worden ingedeeld, moet de leidraad nogmaals doorlopen worden voor de overige stoffen.

In plaats van met de hoogste klasse kan ook begonnen worden met de stoffen waarvoor de hoogste concentraties zijn aangetroffen.

Is het kookpunt > 350°C?

Zo ja, dan wordt vanwege de zeer geringe vluchtigheid van die stof de voorlopig vastgestelde klasse met één verlaagd hetgeen in een definitieve klasse (n-1)T resulteert, tenzij blijkt (volgens punt 1.1.6) dat dit vanwege de mogelijkheid van verspreiding in de vorm van stofdeeltjes niet verantwoord is.

Ga verder met vraag 1.1.6.

Zo nee, ga verder met de volgende vraag.

Is 103.Pd (mbar, 20°C) < MAC (ppm)?

Zo ja, dan wordt vanwege het feit dat het onwaarschijnlijk is dat de MACwaarde bereikt wordt de definitieve klasse één lager ofwel (n-1)T, tenzij blijkt (volgens punt 1.1.6) dat dit om de hiervoor genoemde reden niet verantwoord is.

Zo nee, ga verder met vraag 1.1.7.

Deze vraag is alleen van belang voor niet-vluchtige stoffen in de bodem. Door middel van de volgende deelvragen wordt een inschatting gemaakt van de kans op overschrijding van MAC-waarden voor de verontreinigingen ervan uitgaande dat de blootstelling aan ‘bodemstof’ ten hoogste de stofnorm is, dus maximaal 10 mg/m3.

Na beantwoording van de vragen 1.1.6.1, 1.1.6.2 en 1.1.6.3 heeft u voor de betreffende niet-vluchtige verontreiniging de definitieve risicoklasse bereikt. Eventueel kunt u hierna verder gaan met het doorlopen van de leidraad voor de volgende verontreiniging.

Is de concentratie in de grond dusdanig dat schadelijk te achten concentraties verontreiniging in de lucht niet uitgesloten mogen worden geacht (dit is het geval als cg/MAC > 104)? In dat geval dient verlaging van klasse waartoe onder punt 1.1.4 of 1.1.5 in principe besloten werd achterwege te blijven.

Is de concentratie in de grond dusdanig dat schadelijk te achten concentraties verontreiniging in de lucht een gering risico vormen (dit is het geval als cg/MAC > 103, maar < 104)? In dat geval kan de definitieve klasse (n-1) worden.

Is de concentratie in de grond dusdanig dat schadelijk te achten concentraties verontreiniging in de lucht een zeer gering risico vormen (dit is het geval als cg/MAC < 103 )? In dat geval kan de definitieve klasse (n-2) worden.

Deze en de volgende vraag zijn alleen van belang voor de vluchtige verontreinigingen in de bodem (dus als vraag 1.1.4 en 1.1.5 beide met ‘nee’ zijn beantwoord).

Bevindt de stof zich volgens de onderzoeksgegevens uitsluitend in het grondwater? Zo nee, dan is een rekenkundige schatting van de kans op een mogelijke overschrijding van de MAC-waarde door de vele van invloed zijnde factoren vrijwel onmogelijk. Verlaging van klasse dient dan ook voor die situaties waarin de verontreiniging zich niet in de waterfase bevindt in eerste instantie achterwege gelaten te worden. Verhoging van risicoklasse dient onder andere overwogen te worden wanneer het hoge concentraties verontreiniging en bovendien grond met slechte adsorptie- eigenschappen (zandgrond) betreft. Neem bij de overwegingen ook de uitkomst van punt 1.1.5 in beschouwing. Blijkt daar dat de theoretische kans dat de MAC-waarde overschreden wordt zeer minimaal is (dit geldt dus ook voor de maximaal ongunstige omstandigheden), dan lijkt handhaving in de voorlopige klasse voor gunstiger omstandigheden vooralsnog voldoende. In dergelijke situaties dient men echter altijd zeer alert te zijn.

Indien de stof zich niet alleen in het grondwater bevindt, heeft u voor de betreffende vluchtige verontreiniging de definitieve risicoklasse bereikt. Eventueel kunt u hierna verder gaan met het doorlopen van de leidraad voor de volgende verontreiniging.

Bevindt de stof zich wel alleen in het grondwater, dan kan met behulp van de volgende formule geschat worden hoe groot de kans op overschrijding van de MAC-waarde is op het moment dat er afgraving van grond beneden de grondwaterspiegel plaatsvindt:

De afleiding en onderbouwing van deze formule is te vinden in het rapport ‘Veiligheid en gezondheid bij bodemsanering’ door H.W.T.J. van Ingen, Nederlands Instituut voor Arbeidsomstandigheden. Amsterdam, mei 1986. Hier zal de formule slechts daar waar strikt noodzakelijk worden toegelicht.

De fysische grootheden C1.max en Pd zijn in handboeken te vinden. Verder stelt C1 de concentratie voor waarin de betreffende stof in het grondwater is aangetroffen. Men neme de hoogste concentratie die in de onderzoeken is vastgesteld.

Met de grootheid u (luchtsnelheid) wordt de mate van luchtverversing aangegeven. De waarde daarvan is afhankelijk van de omstandigheden waaronder gewerkt wordt. Die omstandigheden zijn vertaald naar een luchtsnelheid. Alhoewel de gekozen groottes van de luchtsnelheid mede gebaseerd zijn op windstatistieken e.d. is deze luchtsnelheid niet vergelijkbaar met windsnelheden. Het betreft hier in feite een fictieve luchtsnelheid (zie voor de bepaling van de grootte van ‘u’ de paragrafen 1.1.8.1 en 1.1.8.2).

Betreft het een stof uit de voorlopige klasse 1, ga dan na of bij een u = 1 m/s de MAC-waarde overschreden kan worden. Ofwel ga na of:

Zo ja, dan betekent dit een aanzienlijke kans op overschrijding van de MAC-waarde tijdens het werk. De voorlopige klasse wordt dan ook met één verhoogd: definitieve klasse 2T.

Opmerking: Uit deze en volgende kwantificeringen blijkt ook of het zinvol is om specifiek op bepaalde stoffen te gaan meten.

Voor de stoffen uit de voorlopige klassen 2 en 3 dienen de omstandigheden te worden geanalyseerd die van invloed zijn op de luchtverversingsgraad voor de werkers. Dat gebeurt aan de hand van een drietal vragen.

De antwoorden daarop bepalen welke waarde voor de luchtsnelheid moet worden aangehouden bij gebruik van de formule. Indien blijkt dat:

dan wil dat zeggen dat - de specifieke omstandigheden op de betreffende werkplek in ogenschouw nernend - overschrijdingen van de MAC-waarde mogelijk zijn. De voorlopige klasse dient in dat geval te worden gehandhaafd: nT. Wanneer echter Cg< MAC, dan bestaat slechts een geringe kans op overschrijding en kan tot een lagere definitieve klasse worden overgegaan: (n-1)T.

De vragen ter bepaling van de waarde van de luchtsnelheid ‘u’ volgen hieronder:

Het aantal keer dat ‘ja’ is gescoord op bovenstaande vragen wordt naar een waarde van ‘u’ vertaald volgens tabel 2.

De genoemde belastende omstandigheden zijn voor saneringslocaties veelal allemaal - doch niet ten volle - van toepassing. Om die reden en om niet telkens gecompliceerde afwegingen te hoeven maken kan het beste voor elk werk als uitgangspunt een u = 0,1 m/s gehanteerd worden.

De verschillende klassen zijn geënt op situaties zoals die op afgraaflocaties en andere plaatsen waar grondverzet uitgevoerd wordt, voorkomen. Zij zijn niet bedoeld voor werkzaamheden in verontreinigde grond of verontreinigd grondwater waarbij hoge temperaturen worden toegepast, zoals laswerkzaamheden in een sleuf.

Heeft de stof een vlampunt boven de 55 oC? Zo ja, dan valt dit werk in klasse 0F aangezien er in de praktijk geen risico bestaat voor een gaswolkexplosie. U bent klaar met de indeling in een F-klasse voor de betreffende stof.

Heeft de stof een vlampunt tussen 21°C en 55°C? Zo ja, dan valt het werk in klasse 1F

Is de buitentemperatuur tijdens de werkzaamheden hoger dan het vlampunt van de stof? Zo nee, dan blijft het werk op basis van deze stof ingedeeld in klasse 1F en bent u klaar met de beoordeling van deze stof. Zo ja, dan wordt tot zolang dit het geval is, de klasse van de werkzaamheden verhoogd tot klasse 2F. Ga verder met vraag 1.2.4.

Heeft de stof een vlampunt kleiner dan 21 oC en komt hij behalve in het grondwater ook in niet te verwaarlozen hoeveelheden in de grond voor? Zo ja, dan is klasse 2F van toepassing voorzover het werkzaamheden aan die grond betreft.

Ga met onderstaande formule na of voor deze – alleen in het grondwater voorkomende – stof de LEL (lower exposure limit) bereikt kan worden in een situatie waarin in het geheel geen luchtverversing optreedt (u = 0 m/s). Het spreekt voor zich dat deze berekening slechts dan zin heeft indien daarbij alle kwantificeerbare bijdragen aan de vorming van een mogelijk explosief damp/luchtmengsel worden meegenomen:

Let wel: Cg en LEL in dezelfde eenheid (ppm of vol %).

Zo nee dan is het ontstaan van een explosief damp/luchtmengsel theoretisch onwaarschijnlijk en is klasse 1F voldoende. Zo ja, dan valt het werk definitief in de 2F-klasse.

cg = concentratie in de bodem (mg/kg)

Cg = dampconcentratie in de lucht (ppm(v/v))

Cl = concentratie in grondwater (μg/l)

Cl.max = max. oplosbaarheid in water bij 20°C (μg/l)

Pd = dampspanning bij 20°C (mbar)

u = luchtsnelheid (m/s)

Bijlage II bij Richtlijn 1999/45/EG (Pb L 200)

Bijzondere bepalingen betreffende het kenmerken

1.1. Op het etiket van de verpakking van dergelijke preparaten moeten naast de specifieke veiligheidsaanbevelingen, de volgende veiligheidsaanbevelmgen overeenkomstig de in bijlage VI van Richtlijn 67/548/EEG vastgestelde criteria ook de gepaste vedigheidsaanbevelingen S1, S2 S45 en S46 zijn aangebracht.

1.2. Indien dergelijke preparaten als zeer vergiftig (T+) vergiftig (T) of corrosief (bijtend) (C) zijn ingedeeid en het materieel onmogelijk is de bedoelde informatie op de verpakking zelf aan te brengen dient de verpakking van dergelijke preparaten vergezeld te gaan van een nauwkeurige en voor ieder begrijpelijke gebruiksaanwijzing die zo nodig aanwijzingen bevat voor de vernietiging van de lege verpakking.

Op het etiket van de verpakking van dergelijke preparaten is de vermelding vereist van veiligheidsaanbeveling S 23 in combinatie met veiligheidsaanbevelmg S38 of S51 overeenkomstig de in bijiage VI van Richtlijn 67/548/EEG vastgestelde criteria.

Op het etiket van een preparaat dat ten minste één stof bevat waaraan de standaardzin R33 is toegekend dient als de concentratie van deze stof in het preparaat 1% of meer bedraagt – tenzij in bijlage I van Richtlijn 67/548/EEG een andere waarde is vastgesteld – de volledige tekst te zijn aangebracht van zin R33 als vermeid in bijlage III van Richtlijn 67/548/EEG.

Op het etiket van een preparaat dat ten minste een stof bevat waaraan de standaardzin R64 is toegekend dient, als de concentratie van deze stof in het preparaat 1% of meer bedraagt – tenzij in bijlage I van Richtlijn 67/548/EEG een andere waarde is vastgesteld – de volledige tekst te zijn aangebracht van zin R64 als vermeld in bijlage III van Richtlijn 67/548/EEG.

1.1. Verven en vernissen

Op het etiket van de verpakking van verven en vernissen met een volgens ISO-norm 6503-1984 vastgesteld totaal loodgehalte van meer dan 0,15% (uitgedrukt in gewicht van het metaal) van het totale gewicht van het preparaat, moet de volgende vermelding zijn aangebracht:

‘Bevat lood. Mag niet worden gebruikt voor voorwerpen waarin kinderen kunnen bijten of waaraan kinderen kunnen zuigen.’

Bij verpakkingen met een inhoud van minder dan 125 mililiter luidt de vermelding als volgt,

‘Opgelet! Bevat lood.’

2.1. Lijmen

Op de verpakking die lijm op basis van cyanoacrylaat direct omsluit moeten de volgende vermeldingen zip aangebracht:

‘Cyanoacrylaat

Gevaarlijk!

Kleeft binnen enkele seconden aan huid en ogen vast.

Buiten het bereik van kinderen houden.’

Bij de verpakking dienen de toepasselijke vertigheidsaanbevelingen te worden gevoegd.

Op het etiket van de verpakking van preparaten die isocyanaten (monomeer, oligomeer, prepolymeer, enz. als zodanig of in een mengsel) bevatten, moeten de volgende vermeldingen zijn aangebracht:

‘Bevat isocyanaten

Zie de aanwijzingen van de fabrikant.’

Op het etiket van de verpakking van preparaten die epoxyverbindingen met een gemiddeld molecuulgewicht van 700 of lager bevatten, moeten de volgende vermeldingen zijn aangebracht:

‘Bevat epoxyverbindingen.

Zie de aanwijzingen van de fabrikant.’

De verpakking van preparaten die meer dan 1% actief chloor bevatten moet van de volgende bijzondere vermelding zijn voorzien:

‘Opgelet! Niet in combinatie met andere produkten gebruiken, er kunnen gevaarlijke gassen (chloor) vrijkomen.’

Op de verpakking van dergelijke preparaten moeten leesbaar en onuitwisbaar de volgende vermeldingen zijn aangebracht:

‘Opgelet! Bevat cadmium.

Bij het gebruik ontwikkelen zich gevaarlijke dampen.

Zie de aanwijzingen van de fabrikant.

Neem de veiligheidsvoorschriften in acht.’

Onverminderd de bepalingen van richtlijn 1999/45/EG zijn ook preparaten die in de vorm van aërosolen beschikbaar zijn, onderworpen aan de bepalingen voor het kenmerken overeenkomstig zijn punt 2.2 en 2.3 van de bijlage bij richtlijn 75/324/EEG, laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 94/1/EG.

Wanneer een preparaat een stof bevat die overeenkomstig artikel 13, lid 3, bij richtlijn 67/548/EEG de vermelding ‘Attentie! Nog niet volledig geteste stof’ draagt, moet op het etiket van het preparaat de vermelding staat ‘Attentie! Dit preparaat bevat een nog niet volledig geteste stof’, indien die stof aanwezig is in een concentratie van tenminste 1%.

Op de verpakking van preparaten die ten minste één als sensibiliserend ingedeelde stof bevatten in een concentratie gelijk aan of groter dan 0,1% of in een concentratie gelijk aan of groter dan die welke in een specifieke nota betreffende deze stof in bijlage I bij Richtlijn 67/548/EEG is aangegeven, moet de volgende vermelding zijn aangebracht:

‘Bevat (naam sensibiliserende stof). Kan een allergische reactie veroorzaken.’

Op de verpakking van vloeibare preparaten die geen vlampunt of een vlampunt boven 55(C hebben en die een gehalogeneerde koolwaterstof en meer dan 5% licht ontvlambare of ontvlambare stoffen bevatten, moet de vermelding zijn aangebracht:

‘Kan bij gebruik licht ontvlambaar worden.’ Of ‘Kan bij gebruik ontvlambaar worden.’

Op het etiket van de verpakkingen van de in artikel 14, lid 2, punt 2.1, onder b), bedoelde preparaten moet de volgende tekst zijn aangebracht:

‘Inlichtingenblad aangaande de veiligheid is voor de professionele gebruiker op aanvraag verkrijgbaar.’

Bij de aangeduide werkzaamheden wordt in de kapsalon gewerkt met de daarbij aangegeven producten en volgens de daarbij aangegeven werkmethode om blootstelling aan irriterende en allergene stoffen en invloeden zoveel mogelijk te beheersen:

behorend bij beleidsregel 4.9-5 Arbobesluit

Bij werkzaamheden zoals de roetmeting komen uitlaatgassen vrij. Tevens ontstaat lawaai. De uitlaatgassen van diesels bevatten kankerverwekkende stoffen. Daarom moet de werkgever bronmaatregelen treffen om blootstelling te voorkomen of, indien dit niet mogelijk is, te beperken tot een zo laag mogelijk niveau. De blootstelling aan lawaai moet zoveel mogelijk worden voorkomen of beperkt. De garagehouder is op grond van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 verplicht hiervoor beschermende technische en organisatorische maatregelen te treffen.

Deze praktijkrichtlijn geeft aanwijzingen voor de te treffen maatregelen. De voorgestelde maatregelen zijn bedoeld om te komen tot een zogenaamde ‘nulemissie’ van dieseluitlaatgassen. De aanwijzingen zijn toegespitst op de roetmeting.

Er dient een afzuiginstallatie te zijn gemonteerd die zodanig is uitgevoerd dat blootstelling aan kankerverwekkende stoffen wordt voorkomen, mits dat technisch uitvoerbaar is, zonder dat de uitslag van de meting hierdoor wordt beïnvloed. Hieraan wordt voldaan indien de afzuiginstallatie minimaal bestaat uit de volgende onderdelen en deze op de juiste wijze zijn gemonteerd of geplaatst zoals aangegeven door de fabrikant van de afzuiginstallatie:

De afzuiginstallatie mag de roetmeting niet nadelig beinvloeden. Dit is herkenbaar aan een goedkeuring afgegeven door het Nmi.

Doordat het toerental van de dieselmotor bij de roetmeting enkele malen tot het afregeltoerental moet worden opgevoerd, kunnen er gedurende de test zodanige hoge geluidsniveaus voorkomen dat de wettelijke grens voor schadelijk geluid wordt overschreden. Geluidsbronnen mogen in beginsel geen equivalent geluidsniveau op de arbeidsplaats veroorzaken van meer dan 85 dB(A), tenzij dat in redelijkheid niet kan worden gevergd. Als dat laatste het geval is, moeten organisatorische maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat zo weinig mogelijk werknemers aan de schadelijke geluidsniveaus blootstaan en moet de blootstellingsduur zo ver worden gereduceerd dat het blootstellingsniveau gemiddeld over een representatieve werkdag tot beneden de grens van 85 dB(A) wordt gereduceerd. Aan werknemers die tijdens hun werk blootstaan aan equivalente geluidsniveaus boven 80 dB(A) moet de werkgever passende gehoorbeschermingsmiddelen beschikbaar stellen.

Het is van groot belang dat de werkgever de juiste maatregelen treft en zijn werknemers op de juiste wijze instrueert en controleert. Bij het niet naleven van onderstaande voorschriften kan de werknemer worden blootgesteld aan hoge geluidsniveaus die gehoorbeschadiging kunnen veroorzaken.

Ter voorkoming van gehoorbeschadiging worden derhalve de volgende maatregelen voorgeschreven:

Het geluidsniveau waar een werknemer gedurende een werkdag aan wordt blootgesteld wordt bepaald door het totaal aan werkzaamheden dat werknemers uitvoeren en de equivalente geluidsniveaus tijdens uitvoering van de werkzaamheden. De werkgever is verplicht de gevaren van de blootstelling aan geluid voor de gezondheid van de werknemers zoveel als redelijkerwijs kan worden gevergd te voorkomen of te beperken. De ernst van de situatie moet daarbij afgewogen worden tegen met name de technische, operationele en economische haalbaarheid van de te nemen maatregelen.

In onderstaande tabel 1 is bij de onderscheiden werkzaamheden aangegeven welke apparatuur en/of werkwijze, gelet op de mogelijkheden en uitgaande van de stand der techniek, toegepast moet worden teneinde de concentratie kwartsstof waaraan werknemers worden blootgesteld zo veel mogelijk te beheersen.

In verschillende situaties is de ontwikkeling van technieken evenwel nog onvoldoende om de blootstelling aan kwartsstof te beperken tot een niveau dat onder de wettelijke grenswaarde ligt. Het is dan noodzakelijk om persoonlijke beschermingsmiddelen toe te passen volgens de keuzesystematiek van tabel 2 en de daarbij behorende onderdelen b, tot en met g. In onderstaande tabel 1 is in de laatste kolom aangegeven in welke situaties in elk geval ademhalingsbeschermingsmiddelen noodzakelijk zijn. De ademhalingsbeschermingsmiddelen dienen te voldoen aan het gestelde in het onderdeel b, onder tabel 2.

Doeltreffende beheersing van de blootstelling aan cytostatica in ziekenhuizen

Hierna volgt zowel in het algemeen als voor de onderscheiden werkzaamheden welke apparatuur en/of werkwijze, gelet op de mogelijkheden en uitgaande van de stand van de techniek, toegepast moet worden teneinde de cytostaticaconcentratie waaraan werknemers in ziekenhuizen kunnen worden blootgesteld, zo veel mogelijk te beheersen.

werkzaamheid toe te passen maatregel/methode

1. algemeen

2. bereiding

3. toediening

4. verpleging kuur-patiënten

5. schoonmaak

6. transport, beddencentrale, linnendienst

Handschoenen voldoen in ieder geval aan Ontw. NEN-EN 374-3 1998. "Beschermende handschoenen tegen chemicaliën en micro-organismen - Deel 3: Bepaling van de weerstand tegen permeatie van chemicaliën".

Latex is doorlaatbaar voor ethanol en methanol, van stoffen die daarin oplossen wordt dan ook de doorlaatbaarheid vergroot. Voer een handeling met deze stoffen, bijvoorbeeld een desinfectie, dus niet uit met latexhandschoenen. Indien het een klein te desinfecteren oppervlak betreft, gebruik dan een wattenstaafje.

Was voor het aantrekken van de handschoenen de handen en herhaal dit bij het wisselen van de handschoenen.

De handschoenen worden onmiddellijk uitgedaan na de handeling om besmetting van de omgeving te voorkomen.

Handschoenen worden gewisseld na iedere handeling, beschadiging of zichtbare besmetting.

Handschoenen worden voor gebruik geïnspecteerd op verkleuring, gaatjes en scheuren.

Een beschermbril is gemaakt van polycarbonaat of acetaat, is krasbestendig en sluit goed om het gelaat.

Hergebruik is mogelijk indien een bril niet besmet is en goed gereinigd met veel stromend water.

Een besmette bril wordt afgevoerd als besmet afval.

Ademhalingsbescherming bestaat uit een volgelaatsmasker met P3SL filter.

Een overschort is van nietvezelend, waterafstotend materiaal, bevat een rugsluiting en lange mouwen met een manchet en is van een kleur die afwijkend is van andere schorten. Het materiaal bestaat uit Tyvek met een saranexlaagje of een poylethyleencoating. Dit schort wordt niet buiten de werkruimte gedragen.

Na een besmetting wordt het overschort direct verwisseld.

'Wegwerp'schorten worden als cytostatica afval behandeld; niet-'wegwerp'schorten als besmet wasgoed.

Vanwege het mogelijke optreden van aërosolvorming bij ontluchten, wordt bij het ontluchten een steriel gaasje bij de opening van de naald gehouden en de zuiger zo voorzichtig verplaatst tot de vloeistof meekomt.

Een prikaccident wordt vaak veroorzaakt bij het terugsteken van de naald in de huls. Steek de naald daarom niet meer terug op de spuit maar gooi deze weg in een naaldenbeker of plaats de huls terug met een pincet.

Een andere - iets minder veilige methode- is: steek met één hand de naald in de liggende beschermhoes en wip de hoes op met de naald, draai vervolgens de spuit verticaal zodat de hoes over de naald schuift en trek met de duim en wijsvinger van de hand die de naald vasthoudt, de beschermhoes stevig op de naald.

De toedieningsruimte voldoet aan de volgende voorwaarden:

Een gesloten systeem is een systeem waarbij tijdens de bereiding bij overdruk geen lucht vanuit de cytostaticumflacon in de omgevingslucht terecht kan komen. Bij een semi-gesloten systeem kan lucht tijdens de bereiding bij overdruk uit de cytostaticumflacon wel in de omgevingslucht terechtkomen, echter na het passeren van een filter.

Een voorbeeld van een gesloten systeem is een systeem met een disposable spuit + een systeem met veiligheidspal en naald + een speciale spike met ballon + een vial.

Een semi-gesloten systeem kan bestaan uit een zijlijn die gevuld is met neutrale vloeistof uit de infuuszak. Via naaldvrije aansluiting op de kunststofnaald wordt vloeistof uit de zak gehaald om het cytostaticum op te lossen. Op de vial is een spike bevestigd met een 0.2 micron hydrofoob filter ter voorkoming van aërosolen. Via de luer-lock aansluiting op de spike kan de spuit met de neutrale vloeistof worden leeggespoten om het cytostaticum op te lossen in de vial.

Dit kan door het antidoturn van het cytostaticum of een zeepoplossing te gebruiken plus niet-vezelende tissues; het afvalwater wordt via het riool afgevoerd.

Een andere methode is: sprayen met 0.03 N NaOH (of basische zeepoplossing), dit 30 seconden in laten trekken. Vervolgens droog maken met een tissue. Daarna deze bewerking herhalen met n-propanol.

Hierna wordt aangegeven hoe een aantal van de in het tweede lid van de beleidsregel genoemde onderwerpen in een werkinstructie nader zou kunnen worden uitgewerkt.

Onder meer de regelmatige beproeving van de apparatuur voor het regelen van de druk in de verschillende onderdelen van de installatie (in het bijzonder de terugslagkleppen).

Zoals brandblusmiddelen, brandmeldapparatuur, middelen voor ademhalingsbescherming, vluchtwegaanduidingen, voorzieningen voor eerste hulp (alsmede voor het verplaatsen van zieken en gewonden) en alarmeringsapparatuur.

Herkenningskaart

Bewijs van deelneming aan caissonarbeid

Naam en voornamen: .........................

Geboortedatum: .........................

Woonadres: .........................

Verblijfadres: .........................

Werkzaam als caissonarbeider in dienst van: .........................

Plaats van uitvoering van het werk: .........................

Telefoonnummer: .........................

Naam van aan het werk verbonden arts

(ex art. 6.15, tweede lid, Arbobesluit): .........................

Telefoonnummer: .........................

Datum van afgifte: .........................

In geval van ziekteverschijnselen onmiddellijk de op deze kaart vermelde arts waarschuwen