Beleidsregel · BWBR0013042
Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving
Besluit:
De Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving zullen met de toelichting en de bijlagen in een bijlage bij de Staatscourant worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.
's-Gravenhage27 november 2001De Staatssecretaris van Sociale Zaken en WerkgelegenheidJ.F.Hoogervorstnamens deze, De Directeur-Generaalw.g. drs. R.IJ.M.KuipersDe verplichting van de werkgever om er voor te zorgen dat een werknemer doeltreffend wordt voorgelicht en dat aan werknemers doeltreffend onderricht wordt verstrekt houdt mede in dat specifieke voorlichting en onderricht wordt gegeven aan zwangere werknemers en werknemers tijdens lactatie.
De werkgever geeft een zwangere werknemer voorlichting over de risico's van haar werk voor haarzelf en haar (ongeboren) kind en de genomen maatregelen om deze risico's te voorkomen Bij deze voorlichting wordt ook aandacht besteed aan de rustruimte binnen het bedrijf. Deze voorlichting vindt plaats binnen twee weken nadat de zwangere werknemer aan de werkgever gemeld heeft zwanger te zijn.
Tevens geeft de werkgever voorlichting aan de werknemer vóór het bevallingsverlof over de risico's van het werk voor de pas bevallen werknemer en de genomen maatregelen om deze risico's te voorkomen. Deze voorlichting betreft ook informatie inzake risico's van het werk voor kwaliteit en kwantiteit van de borstvoeding en de genomen maatregelen om deze risico's te voorkomen.
Bij de berekening van een boete als bedoeld in artikel 33, eerste en tweede lid, en artikel 34 van de Arbowet 1998 worden voor alle beboetbare feiten de normbedragen gehanteerd van de ‘Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete’ welke als bijlage 1 bij deze beleidsregels is gevoegd. Bij de toepassing hiervan wordt onderscheid gemaakt tussen
- a.
feiten waarvoor eerst een waarschuwing wordt gegeven of een eis wordt gesteld en pas in tweede instantie, nadat is geconstateerd dat de betreffende tekortkoming niet is opgeheven, wordt overgegaan tot boeteoplegging.
- b.
ernstige beboetbare feiten zoals genoemd in de lijst welke is opgenomen als bijlage 2 bij deze beleidsregels;
- c.
direct beboetbare feiten zoals genoemd in de lijst welke is opgenomen als bijlage 3 bij deze beleidsregels;
De in bijlage 1 genoemde normbedragen zijn uitgangspunt voor de berekening van op te leggen boetes voor bedrijven of instellingen met 250 of meer werknemers. Voor bedrijven of instellingen van geringere omvang worden de volgende uitgangspunten gehanteerd voor de berekening van op te leggen boetes:
- a.
een vijfde van het normbedrag voor bedrijven of instellingen met minder dan 10 werknemers;
- b.
een derde van het normbedrag voor bedrijven of instellingen met 10 tot en met 49 werknemers;
- c.
tweederde van het normbedrag voor bedrijven of instellingen met 50 tot en met 249 werknemers.
Een al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerd normbedrag is het uitgangsbedrag voor eventuele verdere boeteberekening. Voor beboetbare feiten begaan door anderen dan de werkgever, bedoeld in artikel 16, achtste lid, van de Arbowet 1998, te weten de opdrachtgever, de ontwerpende partij en de uitvoerende partij, bedoeld in artikel 1.1, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, vindt geen correctie op het aantal werknemers plaats, maar zijn de in bijlage 1 genoemde normbedragen uitgangspunt voor de berekening van de op te leggen boete.
Voor de boeteberekening van beboetbare feiten geconstateerd op locaties of in filialen, wordt als bedrijfs-/instellingsgrootte het aantal werknemers van de gehele juridische eenheid gehanteerd.
Bij de berekening van de op te leggen boete kunnen één of meer van de volgende factoren aan de orde zijn en achtereenvolgens leiden tot verhoging van het al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerde normbedrag:
- a.
In geval van ernstige beboetbare feiten zoals genoemd in bijlage 2 wordt het normbedrag met twee vermenigvuldigd;
- b.
Indien meer dan tien, respectievelijk meer dan vijftig werknemers aan een niet-administratief beboetbaar feit zijn blootgesteld, wordt het al dan niet op grond a. verhoogde normbedrag met anderhalf, respectievelijk twee, vermenigvuldigd;
- c.
Beboetbare feiten die meermalen voorkomen, kunnen maximaal drie keer in de berekening van de op te leggen boete worden meegenomen;
- d.
Indien sprake is van recidive van een beboetbaar feit wordt de op te leggen boete met anderhalf vermenigvuldigd.
De totale bij een boetebeschikking op te leggen boete bestaat, in geval er sprake is van meerdere beboetbare feiten, uit de som van de per feit berekende boetebedragen.
De boete die per boetebeschikking aan een werkgever (rechtspersoon of een natuurlijk persoon), of anderen dan de werkgever, bedoeld in het tweede lid van deze beleidsregel, kan worden opgelegd bedraagt
- a.
minimaal € 113;
- b.
maximaal € 45.000.
Feiten waarvoor ook een werknemer beboet kan worden zijn in de bijlagen 1 tot en met 3 gemarkeerd met een asterisk achter het boetenormbedrag. De boete die per boetebeschikking aan een werknemer kan worden opgelegd bedraagt maximaal € 225.
Bij een arbeidsongeval dat ernstig letsel of de dood ten gevolge heeft, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Arbowet 1998, worden vaste boetebedragen opgelegd waarbij de volgende criteria worden gehanteerd.
- a.
Afhankelijk van de categorie-indeling, bedoeld in artikel 34, vierde lid, van de Arbowet 1998, van het beboetbare feit dat de directe aanleiding is geweest voor het arbeidsongeval en afhankelijk van het aantal werknemers van het bedrijf of de instelling gelden de volgende bedragen per werkgever:
Omvang bedrijf
Ernstig letsel
Dodelijk letsel
Boetecategorie
Boetecategorie
I
II
I
II
< 10 werknemers
€ 1.350
€ 2.700
€ 1.800
€ 4.500
10 – 49 werknemers
€ 2.025
€ 4.050
€ 2.700
€ 5.400
50 – 249 werknemers
€ 2.700
€ 5.400
€ 4.050
€ 8.100
> 249 werknemers
€ 3.375
€ 6.750
€ 4.500
€ 11.250
- b.
Indien sprake is van meer dan één slachtoffer wordt het boetebedrag als volgt verhoogd:
- 1°.
in geval van twee slachtoffers wordt het boetebedrag met anderhalf vermenigvuldigd,
- 2°.
bij drie of meer slachtoffers wordt het boetebedrag met twee vermenigvuldigd, met dien verstande dat het boetebedrag per beboetbaar feit de per categorie vastgestelde maximale bedragen (€ 4.500 of € 11.250) niet overschrijdt.
- 1°.
- c.
Indien sprake is van één slachtoffer wordt het boetebedrag verlaagd door het met driekwart te vermenigvuldigen als voldaan wordt aan de volgende drie voorwaarden:
- 1°.
in de boetebeschikking wordt één beboetbaar feit vermeld,
- 2°.
in de twee jaar voorafgaand aan het arbeidsongeval heeft zich geen ander arbeidsongeval voorgedaan als bedoeld in artikel 1, derde lid, onderdeel i, van de Arbowet 1998 in het bedrijf of de instelling, dan wel, wanneer het gaat om een bedrijf of instelling met meerdere locaties of filialen, op de betreffende locatie of in het betreffende filiaal van het bedrijf of de instelling.
- 3°.
het beboetbare feit dat de directe aanleiding is geweest voor het arbeidsongeval kan mede aan het slachtoffer verweten worden. Hiervan is sprake als het slachtoffer zich, tegen de instructies van de werkgever in, niet aan de bij of krachtens de Arbowet 1998 opgelegde verplichtingen heeft gehouden.
- 1°.
Indien blijkt dat er bij een beboetbaar feit sprake is van bijzondere omstandigheden, kan van deze beleidsregel worden afgeweken. In dat geval wordt het belang van toepassing van de beleidsregel afgewogen tegen de gevolgen die onverkorte toepassing van de beleidsregel voor de belanghebbende zou hebben. Er kan worden besloten tot het niet opleggen of verlagen van een boete voor een bepaald feit. Als bijzondere omstandigheden kunnen genoemd worden overmachtsituaties, nieuwe feiten en/of evidente fouten.
De verplichting van de werkgever om de arbeid van een zwangere werknemer en werknemer tijdens lactatie zodanig te organiseren dat de arbeid voor die werknemer geen gevaren met zich kan brengen voor haar veiligheid en gezondheid en geen terugslag kan veroorzaken op de zwangerschap of lactatie, houdt ten minste in dat:
- a.
de zwangere werknemer bij de arbeid niet wordt blootgesteld aan lichaamstrillingen of schokken met een versnelling van meer dan 0,25 m/s²;
- b.
de zwangere werknemer bij de arbeid niet wordt blootgesteld aan equivalente geluidsniveaus boven de 80 dB(A) en piekgeluiden boven 200 Pa;
- c.
de zwangere werknemer niet wordt blootgesteld aan klimaatomstandigheden, die kunnen worden beschouwd als onbehaaglijk;
- d.
de noodzaak tot bukken, hurken of knielen bij de arbeid voor de zwangere werknemer zoveel mogelijk wordt voorkomen. In de laatste drie maanden mogen zwangere werknemers niet worden verplicht dagelijks meer dan eenmaal per uur te hurken, knielen, bukken of staande voetpedalen te bedienen;
- e.
de noodzaak tot handmatig tillen van gewichten bij de arbeid door de zwangere of pas bevallen werknemer tot drie maanden na de bevalling zoveel mogelijk wordt beperkt en, als er toch handmatig gewichten getild worden:
- 1°.
het in één handeling te tillen gewicht gedurende de gehele zwangerschap en de periode tot drie maanden na de bevalling minder dan 10 kilogram bedraagt;
- 2°.
vanaf de twintigste week van de zwangerschap gewichten van meer dan 5 kilogram niet meer dan 10 keer per dag worden getild;
- 3°.
vanaf de dertigste week van de zwangerschap gewichten van meer dan 5 kilogram niet meer dan 5 keer per dag worden getild;
- 1°.
- f.
de zwangere werknemer of werknemer tijdens lactatie bij de arbeid niet wordt blootgesteld aan stoffen die de gezondheid van henzelf en/of hun (ongeboren) kind kunnen schaden;
- g.
de zwangere werknemer niet wordt verplicht, om in direct contact te komen met een ultrasonore trillingsbron. Voor ultrasonore luchttrillingen met frequenties boven 20 kHz geldt als voorlopige grenswaarde 110 dB(A) per tertsband.
Klimaatomstandigheden worden beschouwd als onbehaaglijk als bedoeld in het eerste lid, onder c wanneer het predicted percentage of dissatisfied (PPD) bepaald op basis van NEN-EN-ISO 7730: 1996 "Gematigde thermische bmnenomstandigheden Bepalingen van de PMV- en de PPD-waarde en specificaties van de voorwaarden voor thermische behaaghjkheid", meer bedraagt dan 20%.
Tot de stoffen bedoeld in het eerste lid, onder f, worden in elk geval gerekend:
- a.
stoffen die de gezondheid schade kunnen toebrengen via een zogenaamd genotoxisch werkingsmechanisme en die via de moeder het ongeboren kind of de zuigeling kunnen bereiken, waaronder alle mutagene en vrijwel alle kankerverwekkende stoffen,
- b.
stoffen die, via een niet-genotoxisch werkingsmechanisme door blootstelling van de moeder de gezondheid van het ongeboren kind of de zuigeling kunnen schaden.
Voor het juist uitvoeren van de aanwijzingsverplichting moet deze beleidsregel in samenhang met de gehele afdeling 2 van hoofdstuk 2 van het Arbobesluit beschouwd worden
Bij de uitwerking van de begripsomschrijving van een installatie voor bewerking, als bedoeld in artikel 2.2 aanhef en onder f, namelijk het stelsel van vaten, apparaten en leidingen dat ten aanzien van de omsloten gevaarlijke stof als één geheel is te beschouwen wordt in volgorde van belangrijkheid, het volgende drietal elementen betrokken
- a.
De procesmatige afbakening. Bij de procesmatige afbakening, passend in de begripsomschrijving "installatie voor bewerking" wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de definitie van proces, zijnde een samenhangend geheel van een of meer bewerkingen en/of reacties, waaraan stof(fen) word(t)(en) onderworpen. Voor de aanwijzing wordt de totale hoeveelheid gevaarlijke stof welke zich in de afgebakende installatie bevindt berekend.
- b.
De organisatorische afbakening. Geeft het criterium 'procesmatige afbakening' onvoldoende duidelijkheid, dan wordt de organisatorische afbakening toegepast. De afgebakende installatie bevat alleen procesapparatuur die wordt bediend door uitvoerend personeel behorende tot een organisatorische eenheid.
- c.
De ruimtelijke afbakening. Geeft het criterium 'organisatorische afbakening' vervolgens onvoldoende duidelijkheid, dan wordt de ruimtelijke afbakening toegepast bij de afbakening van installaties voor bewerking wordt rekening gehouden met de ruimtelijke ligging van de processtappen ten opzichte van elkaar. De processtappen bevinden zich binnen een herkenbare ruimtelijke begrenzing van de installatie voor bewerking, dat wil zeggen in de onmiddellijke nabijheid van elkaar.
In artikel 2.2 is aangegeven dat een installatie voor verlading wordt aangemerkt als een installatie voor bewerking. De hoeveelheid gevaarlijke stof die zich in een transporteenheid bevindt wordt echter niet in de totale hoeveelheid meegenomen, tenzij de transporteenheid zich binnen de ruimtelijke grenzen van de afgebakende installatie bevindt.
De afbakening van een installatie voor bewerking, zoals bedoeld in artikel 2.2, onder f kan bij complexe procesmstallaties met een veelheid aan productieprocessen problemen geven. De nadere uitwerking moet aan die problemen tegemoet komen. Doel is dat het arbeidsveiligheidsrapport een goede en op de praktijk gerichte beschrijving vormt, die recht doet aan de doelstellingen van de arbeidsveiligheidsrapportregeling.
Voor de opslag van gevaarlijke stoffen in verpakkingseenheden (zakken, drums, flessen enz.) als bedoeld in artikel 2.2, onder g, dient voor wat betreft de aanwijzing de totale hoeveelheid gevaarlijke stof in de zich op één plaats bevindende eenheden van verpakking beschouwd te worden. Bij het samenstellen van de arbeidsveiligheidsrapporten kan ervoor gekozen worden de beschrijving van verschillende opslaginstallaties te combineren. Van een tankenpark kan dan één rapport gemaakt worden. De verschillende onderdelen moeten wel duidelijk beschreven blijven.
Het uitgangspunt van de aanwijzing, als bedoeld in artikel 2.3, is de vergelijking van de gecorrigeerde hoeveelheid gevaarlijke stof in de installatie met de grenswaarde van die stof, vermenigvuldigd met een eventuele faseringsfactor (artikel 2.6). Hierbij gelden de volgende voorwaarden:
- a.
De installatie is aangewezen als met betrekking tot enige gevarensoort geldt:
Q × O ≥ G × F , of anders geschreven A ≥ F. waarbij A = (Q × O) / G
Q = de hoeveelheid in de installatie aanwezige stof (of groep van stoffen) [kg],
O = de totale omstandigheidsfactor [–],
G = de grenswaarde van de stof (of groep van stoffen) [kg],
A = aanwijzingsgetal [–], en
F = de van kracht zijnde fasenr.gsfactor [–]
- b.
Bij mengsels van stoffen moeten de per stof berekende aanwijzingsgetallen per categorie (brandbaar, extreem toxisch en toxisch) gesommeerd worden. Omdat alleen bij mengsels van toxische stoffen sprake kan zijn van verschillende grenswaaroen geldt die bepaling in de praktijk alleen daarvoor.
- c.
Bij ontplofbare stoffen (onder deze categorie zijn ook mengsels begrepen) schuilt, anders dan bij de hiervoor vermelde categorieën van gevaarlijke stoffen het gevaar in de stof zelf, in die zin dat de stof niet eerst vrij hoeft te komen alvorens het gevaar voor de werknemer manifest kan worden. Voor deze groep van stoffen zijn de heersende omstandigheden dan ook met relevant en worden geen omstandigheidsfactoren in rekening gebracht.
Bij de afleiding van grenswaarden voor toxische stoffen als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid wordt uitgegaan van het volgende schema:
LC50 IHL-RAT/1h mg/m3 | Hoedanigheid bij 25 °C | Grenswaarde (kg) |
L atmosferisch kookpunt tussen 25 °C en 50 °C | ||
M atmosferisch kookpunt tussen 50 °C en 100 °C | ||
H atmosferisch kookpunt boven 100 °C | ||
20 < LC ≤ 100 | gasvormig | 3 |
vloeibaar (L) | 10 | |
vloeibaar (M) | 30 | |
vloeibaar (H) | 100 | |
vast* | 300 | |
100 < LC ≤ 500 | gasvormig | 30 |
vloeibaar (L) | 100 | |
vloeibaar (M) | 300 | |
vloeibaar (H) | 1000 | |
vast * | 3000 | |
500 < LC ≤ 2.000 | gasvormig | 300 |
vloeibaar (L) | 1000 | |
vloeibaar (M) | 3000 | |
vloeibaar (H) | 10000 | |
vast * | GEEN | |
2.000 < LC ≤ 20.000 | gasvormig | 3000 |
vloeibaar (L) | 10000 | |
vloeibaar (M) | GEEN | |
vloeibaar (H) | GEEN | |
vast * | GEEN |
Op basis van het gestelde in artikel 2.4, tweede lid, is een lijst van grenswaarden van toxische stoffen opgesteld, welke is opgenomen als bijlage 4 bij deze beleidsregels. Tevens is een lijst van explosieve stoffen vastgesteld, welke is opgenomen als bijlage 5 bij deze beleidsregels. De lijsten zijn niet limitatief. Ze kunnen worden aangevuld dan wel gewijzigd indien meer of betere gegevens bekend worden. Het kan daardoor voorkomen dat een installatie op het moment van aanvulling van de lijst AVR-plichtig wordt. De verplichting tot het opstellen van een AVR is dan gekoppeld aan het tijdstip waarop de desbetreffende stof met de bijbehorende grenswaarde voor het eerst op de lijst verschijnt.
Als de procestemperatuur bedoeld in artikel 2.5, onder e en f, gelijk is aan de omgevingstemperatuur, wordt een temperatuur van 25 °C aangehouden.
De in artikel 2.5 omschreven omstandigheidsfacloren kunnen als volgt in tabelvorm samengevat worden:
Omstandigheidsfactoren | Waarde | |
a. | Factor O5 voor stof in opslag | 0,01 |
b. | Factor Op voor installatie binnen een omhulling | 10 |
c. | Factor Op : voor stof onder procesomstandigheden | |
1° | vloeistof met procestemperatuur1 boven atmosferisch kookpunt2 | 1 tot 10 (zie tabel) |
2° | vloeistof met procestemperatuur1 beneden atmosferisch kookpunt2 | 0,1 tot 1 (zie tabel) |
3° | stof in de gasfase | 10 |
4° | stof in de vaste fase (respirabel poeder) 3 | 0,1 |
Procestemperatuur ten opzichte van het atmosferisch kookpunt | Factor Op |
meer dan 90°C lager | 0,1 |
80°C tot 90°C lager | 0,2 |
70°C tot 80°C lager | 0,3 |
60°C tot 70°C lager | 0,4 |
50°C tot 60°C lager | 0,5 |
40°C tot 50°C lager | 0,6 |
30°C tot 40°C lager | 0,7 |
20°C tot 30°C lager | 0,8 |
10°C tot 20°C lager | 0,9 |
minder dan 10°C lager of hoger danwel gelijk aan atm. kpt | 1 |
10°C tot 20°C hoger | 2 |
20°C tot 30°C hoger | 3 |
30°C tot 40°C hoger | 4 |
40°C tot 50°C hoger | 5 |
50°C tot 60°C hoger | 6 |
60°C tot 70°C hoger | 7 |
70°C tot 80°C hoger | 8 |
80°C tot 90°C hoger | 9 |
meer dan 90°C hoger | 10 |
Gecompliceerde mengsels Bepaling van de factor Op.
- a.
Indien sprake is van een mengsel van een groot aantal stoffen met verschillende kookpunten, is het vaak niet doenlijk de berekening voor elke stof afzonderlijk uit te voeren (te denken valt aan aardolieproducten) In die gevallen kan voor het kookpunt van het mengsel het zogenaamde 10% punt aangehouden worden (de temperatuur waarbij tien procent van het mengsel bij een standaard- testmethode overgedestilleerd is).
- b.
Voor gevaarlijke stoffen die zijn verdund met een ongevaarlijk oplosmiddel, bijvoorbeeld ammoniak in water, zoutzuur in water of alcohol in water, moet uitsluitend de in de installatie aanwezige hoeveelheid gevaarlijke stof, los van het oplosmiddel beschouwd worden.
- c.
De factor Op mag in een dergelijk geval tussen de grenzen 0,1 en 10 worden afgestemd op het onder de procescondities te verwachten dampgenererend vermogen bij de ontsnapping van de oplossing. De factor wordt berekend door de partiële dampspanning van de gevaarlijke stof boven de oplossing bij de procestemperatuur, te delen door de atmosferische druk bij de berekening van de factor moet deze op een geheel getal afgerond worden indien het resultaat tussen één en tien ligt en op een decimaal indien het resultaat kleiner dan één is, met dien verstande dat de ondergrens 0,1 is bij de voorbeelden in de toelichting bij deze beleidsregel is een dergelijk geval uitgewerkt.
- d.
Bij een procestemperatuur beneden 25°C wordt Op voor vloeistoffen als volgt verhoogd:
procestemperatuur:
25°C tot –25°C
Op + 0
–25°C tot –75°C
Op + 1
–75°C tot –125°C
Op + 2
–125°C tot –175°C
Op + 3
met dien verstande dat de resulterende Op maximaal 10 bedraagt.
- e.
De totale omstandigheidsfactor O is gelijk aan het product van de factor voor opslag (Op), de factor voor omhulling (Op) en de procesfactor (Op).
Omstandigheidsfactor voor opslag.
In of aan installaties voor opslag kunnen voorzieningen zijn getroffen die tot doel hebben de opgeslagen stof onder opslagcondittes te houden (bijv. een warmtewisselaar, roerwerk circulatiesysteem, doseersysteem). Het ingebruik hebben van een dergelijke voorziening heeft met tot gevolg dat de installatie voor opslag als een installatie voor bewerking bezien moet worden. De toe te kennen omstandigheidsfactor blijft 0,01.
Deze beleidsregel is van toepassing indien op grond van artikel 9.34 van het Arbeidsomstandighedenbesluitafdeling 2 van hoofdstuk 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt toegepast zoals deze afdeling luidde op de dag voor de inwerkingtreding van het Koninklijk besluit van 7 februari 2004 tot wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit ter vervanging van de bepalingen met betrekking tot de arbeidsveiligheidsrapportage door aanvullende voorschriften met betrekking tot de risico-inventarisatie en -evaluatie en enige andere wijzigingen (Stb. 69).
Bij de uitwerking van de begripsomschrijving van een installatie voor bewerking, als bedoeld in artikel 2.2, aanhef en onder g, van het Arbeidsomstandighedenbesluit namelijk het stelsel van vaten, apparaten en leidingen dat ten aanzien van de omsloten gevaarlijke stof als één geheel is te beschouwen, wordt, in volgorde van belangrijkheid, het volgende drietal elementen betrokken.
- a.
De procesmatige afbakening. Bij procesmatige afbakening, passend in de begripsomschrijving ‘installatie voor bewerking’, wordt zoveel mogelijk aaneengesloten bij de definitie van proces, zijnde een samenhangend geheel van een of meer bewerkingen en/of reacties, waaraan stof(fen) word(t)(en) onderworpen. Voor de aanwijzing wordt de totale hoeveelheid gevaarlijke stof welke zich in de afgebakende installatie bevindt berekend.
- b.
De organisatorische afbakening. Geeft het criterium ‘procesmatige afbakening’ onvoldoende duidelijkheid, dan wordt de organisatorische afbakening toegepast. De afgebakende installatie bevat alleen procesapparatuur die wordt bediend door uitvoerend personeel behorende tot één organisatorische eenheid.
- c.
De ruimtelijke afbakening. Geeft het criterium ‘organisatorische afbakening’ vervolgens onvoldoende duidelijkheid, dan wordt de ruimtelijke afbakening toegepast. Bij de afbakening van installaties voor bewerking wordt rekening gehouden met de ruimterijke ligging van de processen ten opzichte van elkaar. De processtappen bevinden zich binnen een herkenbare ruimtelijke begrenzing van de installatie voor bewerking, dat wil zeggen in de onmiddellijke nabijheid van elkaar.
In artikel 2.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit is aangegeven dat een installatie voor verlading wordt aangemerkt als een installatie voor bewerking. De hoeveelheid gevaarlijke stof die zich in een transporteenheid bevindt wordt echter niet in de totale hoeveelheid meegenomen, tenzij de transporteenheid zich binnen de ruimtelijke grenzen van de afgebakende installatie bevindt. Indien de transporteenheid zich buiten de ruimtelijke grenzen van de afgebakende installatie bevindt, dient deze te worden aangemerkt als een installatie voor opslag.
De afbakening van een installatie voor bewerking, zoals bedoeld in artikel 2.2 onder g, van het Arbeidsomstandighedenbesluit kan bij complexe procesinstallatie met een veelheid aan productieprocessen problemen geven. De nadere uitwerking moet aan die problemen tegemoet komen. Doel is dat de Aanvullende risico-inventarisatie en -evaluatie (ARIE) een goede en op de praktijk gerichte beschrijving vormt, die recht doet aan de doelstellingen van de regelgeving, bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit het ARIE-besluit.
Voor de opslag van gevaarlijke stoffen in verpakkingseenheden (zakken, drums, flessen enz.) als bedoeld in artikel 2.2, onder h, van het Arbeidsomstandighedenbesluit dient voor wat betreft de aanwijzing de totale hoeveelheid gevaarlijke stof in de zich op één plaats bevindende eenheden van verpakking beschouwd te worden. Bij het samenstellen van de ARIE kan ervoor gekozen worden de beschrijving van verschillende opslaginstallaties te combineren. Voor een tankpark kan dan met één set scenario’s worden volstaan. De verschillende risico’s moeten wel duidelijk beschreven blijven.
Het uitgangspunt van de aanwijzing, als bedoeld in artikel 2.3, van het Arbeidsomstandighedenbesluit is de vergelijking van de gecorrigeerde hoeveelheid gevaarlijke stof in de installatie met de grenswaarde van die stof. Hierbij gelden de volgende voorwaarden:
- a.
De installatie is aangewezen als met betrekking tot enige gevarensoort geldt:
Q x O ≥ G, of anders geschreven A ≥ 1, waarbij A = (Q x O) / G
Q = de hoeveelheid in de installatie aanwezige stof (of groep van stoffen) [kg];
O = de totale omstandigheidsfactor [-];
G = de grenswaarde van de stof (of groep van stoffen) [kg]; en
A = aanwijzingsgetal [-].
- b.
Bij mengsels van stoffen moeten de per stof berekende aanwijzingsgetallen per categorie (brandbaar, extreem toxisch en toxisch) gesommeerd worden. Omdat alleen bij mengsels van toxische stoffen sprake kan zijn van verschillende grenswaarden geldt die bepaling in de praktijk alleen daarvoor.
- c.
Bij ontplofbare stoffen (onder deze categorie zijn ook mengsels begrepen) schuilt, anders dan bij de hiervoor vermelde categorieÎn van gevaarlijke stoffen, het gevaar in de stof zelf, in die zin, dat de stof niet eerst vrij hoeft te komen alvorens het gevaar voor de werknemer manifest kan worden. Voor deze groep van stoffen zijn de heersende omstandigheden dan ook niet relevant en worden geen omstandigheidsfactoren in rekening gebracht.
Bij de afleiding van grenswaarden voor toxische stoffen, als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt uitgegaan van het volgende schema:
LC50 IHL-RAT/1h mg/m3 | Hoedanigheid bij 25 ºC | Grenswaarde (kg) |
20 < LC ≤ 100 | gasvormig | 3 |
vloeibaar (L) | 10 | |
vloeibaar (M) | 30 | |
vloeibaar (H) | 100 | |
vast ¹ | 300 | |
100 < LC ≤ 500 | gasvormig | 30 |
vloeibaar (L) | 100 | |
vloeibaar (M) | 300 | |
vloeibaar (H) | 1000 | |
vast ¹ | 3000 | |
500 < LC ≤ 2.000 | gasvormig | 300 |
vloeibaar (L) | 1000 | |
vloeibaar (M) | 3000 | |
vloeibaar (H) | 10000 | |
vast ¹ | GEEN | |
2.000 < LC ≤ 20.000 | gasvormig | 3000 |
vloeibaar (L) | 10000 | |
vloeibaar (M) | GEEN | |
vloeibaar (H) | GEEN | |
vast ¹ | GEEN |
¹ als respirabele stof
L: atmosferisch kookpunt tussen 25 °C en 50 °C
M: atmosferisch kookpunt tussen 50 °C en 100 °C
H: atmosferisch kookpunt boven 100 °C
Op basis van het gestelde in artikel 2.4, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit is een lijst van grenswaarden van toxische stoffen opgesteld, welke is opgenomen als bijlage 4 bij deze beleidsregels. Tevens is een lijst van explosieve stoffen vastgesteld, welke is opgenomen als bijlage 5a bij deze beleidsregels. De lijsten zijn niet limitatief. Ze kunnen worden aangevuld dan wel gewijzigd indien meer of betere gegevens bekend worden. Het kan daadoor voorkomen dat een installatie op het moment van aanvulling van de lijst ARIE-plichtig wordt. De verplichting tot het opstellen van een ARIE is dan gekoppeld aan het tijdstip waarop de desbetreffende stof met de bijbehorende grenswaarde voor het eerst op de lijst verschijnt’.
Als de procestemperatuur bedoeld in artikel 2.5, onder e en f, van het Arbeidsomstandighedenbesluit gelijk is aan de omgevingstemperatuur, wordt een temperatuur van 25 °C aangehouden.
De in artikel 2.5 van het Arbeidsomstandighedenbesluit omschreven omstandigheidsfactoren kunnen als volgt in tabelvorm samengevat worden:
Omstandigheidsfactoren | Waarde | |
a. | Factor Os voor stof in opslag | 0,01 |
b. | Factor Oc voor installatie binnen een omhulling | 10 |
c. | Factor Op : voor stof onder procesomstandigheden | |
1° | vloeistof met procestemperatuur ¹ boven atmosferisch kookpunt ² | 1 tot 10 (zie tabel) |
2° | vloeistof met procestemperatuur ¹ beneden atmosferisch kookpunt ² | 0,1 tot 1 (zie tabel) |
3° | stof in de gasfase | 10 |
4° | stof in de vaste fase (respirabel poeder) ³ | 0,1 |
¹ Voor een procestemperatuur beneden 25 °C, zie 10e lid, onder d.
² Voor gecompliceerde mengsels, zie 10e lid, onder a.
³ Vaste toxische en extreem toxische stoffen worden alleen in beschouwing genomen voor zover ze in poedervorm voorkomen (respirabel).
Procestemperatuur ten opzichte van het atmosferisch kookpunt: | Factor Op |
meer dan 90 °C lager | 0,1 |
80 °C tot 90 °C lager | 0,2 |
70 °C tot 80 °C lager | 0,3 |
60 ∞C tot 70 °C lager | 0,4 |
50 °C tot 60 °C lager | 0,5 |
40 °C tot 50 °C lager | 0,6 |
30 °C tot 40 °C lager | 0,7 |
20 °C tot 30 °C lager | 0,8 |
10 °C tot 20 °C lager | 0,9 |
minder dan 10 °C lager of hoger danwel gelijk aan atm. kpt. | 1 |
10 °C tot 20 °C hoger | 2 |
20 °C tot 30 °C hoger | 3 |
30 °C tot 40 °C hoger | 4 |
40 °C tot 50 °C hoger | 5 |
50 °C tot 60 °C hoger | 6 |
60 °C tot 70 °C hoger | 7 |
70 °C tot 80 °C hoger | 8 |
80 °C tot 90 °C hoger | 9 |
meer dan 90 °C hoger | 10 |
Gecompliceerde mengsels. Bepaling van de factor Op
- a.
Indien sprake is van een mengsel van een groot aantal stoffen met verschillende kookpunten, is het vaak niet doenlijk de berekening voor elke stof afzonderlijk uit te voeren (te denken valt aan aardolieproducten). In die gevallen kan voor het kookpunt van het mengsel het zogenaamde 10% punt aangehouden worden (de temperatuur waarbij tien procent van het mengsel bij een standaard- testmethode overgedestilleerd is).
- b.
Voor gevaarlijke stoffen die zijn verdund met een ongevaarlijk oplosmiddel, bijvoorbeeld ammoniak in water, zoutzuur in water of alcohol in water, moet uitsluitend de in de installatie aanwezige hoeveelheid gevaarlijke stof, los van het oplosmiddel beschouwd worden.
- c.
De factor Op mag in een dergelijk geval tussen de grenzen 0,1 en 10 worden afgestemd op het onder de procescondities te verwachten dampgenererend vermogen bij de ontsnapping van de oplossing. De factor wordt berekend door de partiële dampspanning van de gevaarlijke stof boven de oplossing bij de procestemperatuur, te delen door de atmosferische druk. Bij de berekening van de factor moet deze op een geheel getal afgerond worden indien het resultaat tussen één en tien ligt en op één decimaal indien het resultaat kleiner dan één is, met dien verstande dat de ondergrens 0,1 is.
Bij de voorbeelden in de toelichting bij deze beleidsregel is een dergelijk geval uitgewerkt.
- d.
Bij een procestemperatuur beneden 25°C wordt Op voor vloeistoffen als volgt verhoogd:
procestemperatuur:
25 °C tot -25 °C
Op + 0
-25 °C tot -75 °C
Op + 1
-75 °C tot -125 °C
Op + 2
-125 °C tot -175 °C
Op + 3
met dien verstande dat de resulterende Op maximaal 10 bedraagt.
- e.
De totale omstandigheidsfactor O is gelijk aan het product van de factor voor opslag (Os), de factor voor omhulling(Oc) en de procesfactor(Op) .
Omstandigheidsfactor voor opslag.
In of aan installaties voor opslag kunnen voorzieningen zijn getroffen die tot doel hebben de opgeslagen stof onder opslagcondities te houden. (Bijvoorbeeld een warmtewisselaar, roerwerk, circulatiesysteem, doseersysteem). Het in gebruik hebben van een dergelijke voorziening heeft niet tot gevolg dat de installatie voor opslag als een installatie voor bewerking bezien moet worden. De toe te kennen omstandigheidsfactor blijft 0,01.
Aan artikel 2.21, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voldaan als met goed gevolg ten minste een opleiding is afgerond die gebaseerd is op het in het Brandbeveiligingsconcept Bedrijfshulpverlening gepubliceerde opleidingsprofiel.
Om de twee jaar worden per aangewezen werknemer ten minste 8 uur besteed aan herhalingscursussen en oefeningen of andere activiteiten als bedoeld in artikel 2.22 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Hiervan wordt een registratie bijgehouden.
Als uit de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, blijkt dat bijzondere risico's aanwezig zijn, dan worden door één of meer bedrijfshulpverleners aanvullende opleidingen gevolgd. Dat zal met name het geval zijn voor de specialisaties eerste hulp en brandbestrijding.
Op basis van de uitkomst van de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, kan van het gestelde onder 1 worden afgeweken. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij arbeid, die alleen of zonder vaste werkplek wordt verricht buiten het verband van een ploeg of buiten een bedrijf of inrichting. In dat geval kan worden volstaan met een (eenvoudige) schriftelijke instructie.
Aan het gestelde in bovenvermelde artikelen wordt ten aanzien van buisrailsystemen in kassen bestemd voor gebruik in combinatie met buisrailwagens met een werkhoogte van meer dan 1,80 meter voldaan als de punten 3 t/m 6 in combinatie met punt 1 of punt 2 in acht worden genomen:
- 1.
Buisrailsystemen die gebruikt worden in combinatie met buisrailwagens waarvan de gegevens noodzakelijk voor veilig gebruik genoemd in 2.1, geheel of gedeeltelijk ontbreken.
- 1.1
Het buisrailsysteem is zodanig ingericht dat de stabiliteit van de buisrailwagens waarvoor het buisrailsysteem bestemd is, niet in gevaar wordt gebracht. Daartoe worden:
- a)
buisrailsteunen toegepast overeenkomstig of tenminste gelijkwaardig aan de volgende specificaties: stalen onderplaat 1,5 mm dik met verstijvingsprofilering, breedte onderplaat minimaal 115 mm en lengte zodanig dat onderplaat tenminste 70 mm uitsteekt buiten de twee opstaande steunen die de buizen dragen.
- b)
buizen toegepast overeenkomstig of tenminste gelijkwaardig aan de specificaties vermeld in onderstaande tabel.
TABEL: Buizen
Categorie
Spoorbreedte in mm6
Buisdiameter/ wanddikte in mm
Steunafstand in mm
Toelaatbare asdruk in kg bij St 331, 2, 3,7, 8
1
420 t/m 600
Ø 51 / 2,25
max 1250
2604
2
550 en 600
Ø 51 / 2,25
max 1670
2205
3
420 t/m 600
Ø 45 / 2
max 1000
2214
4
420 t/m 600
Ø 45 / 2
max 1250
1774
5
420 t/m 600
Ø 38 / 2
max 1000
1574
6
420 t/m 600
Ø 38 / 2
max 1250
1264
- a)
- 1.2
De buisrailsteunen zijn vast verbonden met de buizen.
- 1.3
Het buisrailsysteem is aangelegd op een vlakke bodem. De scheefstand van het buisrailsysteem gemeten op de buizen mag niet meer bedragen dan 2º.
- 1.4
De grond waarop het buisrailsysteem is gefundeerd is voldoende draagkrachtig.
- 1.5
Het stabiliteitsgedrag van de buisrailwagen in de gebruikssituatie wordt onderzocht nadat het buisrailsysteem is aangelegd en als de buisrailwagen in combinatie met het buisrailsysteem voor de eerste maal in gebruik wordt genomen. Het onderzoek wordt uitgevoerd in de voor het kantelgevaar meest ongunstige opstelling. Daartoe wordt de buisrailwagen opgesteld op een deel van het buisrailsysteem dat ten behoeve van de beproeving 2,5º zijwaarts hellend is aangelegd, met het platform in de hoogst geheven stand, waarop zich een proeflast van 100 kg bevindt, en waarop een kracht van 110 N wordt uitgeoefend, die aangrijpt op 1,10 meter boven het platform en horizontaal werkzaam is in de kantelrichting.
Het zwaartepunt van de proeflast bevindt zich horizontaal gemeten vanaf de binnenkant van het hekwerk op 100 mm, aan de lage kant van de hellende opstelling. De stabiliteit is voldoende als de buisrailwagen de beproeving gedurende 60 seconden weerstaat zonder te kantelen.
De uitvoering van het onderzoek vindt plaats door een deskundige natuurlijke persoon, rechtspersoon of instelling. Een schriftelijk bewijs van de uitgevoerde beproeving is op de arbeidsplaats aanwezig.
- 1.1
- 2.
Buisrailsystemen die gebruikt worden in combinatie met buisrailwagens, waarvan alle gegevens noodzakelijk voor veilig gebruik beschikbaar zijn.
- 2.1
Het buisrailsysteem is ingericht conform de specificaties die door de fabrikant van de te gebruiken buisrailwagen zijn aangegeven in de gebruiksaanwijzing. De volgende specificaties zijn in elk geval vermeld: de vereiste eigenschappen met betrekking tot het draagvermogen van de grond waarop het buisrailsysteem gefundeerd wordt, de toelaatbare scheefstand van het buisrailsysteem, de spoorbreedte, de gegevens van de buis (diameter, wanddikte en materiaalsoort en -sterkte), de afstand tussen buisrailsteunen en de uitvoering van de buisrailsteunen (minimum afmetingen van de onderplaat).
- 2.2
De buisrailsteunen zijn vast verbonden met de buizen.
- 2.3
Het stabiliteitsgedrag van de buisrailwagen in de gebruikssituatie wordt onderzocht nadat het buisrailsysteem is aangelegd en als de buisrailwagen in combinatie met het buisrailsysteem voor de eerste maal in gebruik wordt genomen. Het gestelde in 1.5 is hierbij van toepassing. De uitvoering van het onderzoek vindt plaats door een deskundige natuurlijke persoon, rechtspersoon of instelling. Indien de fabrikant van de buisrailwagen verdergaand onderzoek van het stabiliteitsgedrag in de gebruikssituatie voorschrijft, wordt dat uitgevoerd conform de voorschriften van de fabrikant van de buisrailwagen.
Een schriftelijk bewijs van de uitgevoerde beproeving of beproevingen is bij de arbeidsplaats aanwezig.
- 2.1
- 3.
De buisrailwagens
- 3.1
Het gevaar van vallen met de buisrailwagen is tegengegaan door het gebruik van buisrailwagens die zijn uitgevoerd met doelmatige scheefstandssignalering.
- 3.2
Het gevaar te vallen vanaf het platform van de buisrailwagen is tegengegaan door hekwerk langs de omtrek van het platform. Het hekwerk is uitgevoerd met een bovenleuning op tenminste 1.10 meter boven het platform met halverwege een tussenleuning. Indien de horizontale afstand tussen de bovenleuningen van beide lange zijden van het platform, niet groter is dan 0,5 meter, mag volstaan worden met een bovenleuning bij de lange zijden op minimaal 0,9 meter boven het platform met halverwege een tussenleuning. De leuningen bij de korte zijden van het platform moeten in dat geval een hoogte hebben van tenminste 1.10 meter over tenminste 2/3 deel van de lengte van de korte zijde van het platform.
- 3.3
Op buisrailwagens is een opschrift aangebracht met de maximum toegestane belastingen.
- 3.1
- 4.
De specificaties van het buisrailsysteem en de gegevens die van belang zijn voor een veilig gebruik van het buisrailsysteem zijn schriftelijk vastgelegd.
- 5.
Zo vaak als nodig is in verband met de eigenschappen van het buisrailsysteem, van de fundatie en van de buisrailwagen en de omstandigheden die deze eigenschappen nadelig kunnen beïnvloeden, wordt gecontroleerd of de voorzieningen en genomen maatregelen nog adequaat functioneren. Geconstateerde gebreken worden zo snel mogelijk hersteld. Nadat een buisrailsysteem opnieuw is aangelegd en voordat dit opnieuw in gebruik wordt genomen wordt het stabiliteitsgedrag van de buisrailwagen onderzocht in de gebruikssituatie in de voor het kantelgevaar meest ongunstige opstelling. Het gestelde in 1.5 is daarbij van toepassing.
- 6.
Aangetoond kan worden dat de fundatie, het buisrailsysteem en de buisrailwagen voldoen aan de punten 3, 4 en 5 in combinatie met punt 1 of punt 2.
Beleidsregel 3.4 Aanleg en gebruik van elektrische installaties: Grondslag: Arbobesluit artikel 3.4.
Aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 3.4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, is voldaan indien voor de verschillende elektrische installaties de navolgende nationale normen zijn toegepast:
- a.
"Veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties", bestaande uit de onderdelen:
- –
NEN 1010-0:2000, "Voorwoord en introductie";
- –
NEN 1010-1:1996, "Onderwerp, toepassingsgebied en fundamentele uitgangspunten";
- –
NEN 1010-2:1996. "Termen en definities";
- –
NEN 1010-3:1996, "Algemene kenmerken";
- –
NEN 1010-4:1996, "Beschermingsmaatregelen";
- –
NEN 1010-5:1996, "Keuze en installatie van elektrisch materieel";
- –
NEN 1010-6:1997, "Inspectie";
- –
NEN 1010-7:2000, "Aanvullende en bijzondere bepalingen".
- –
- b.
NEN 1041:1982 "Veiligheidsbepalingen voor hoogspanningsinstallaties", inclusief aanvulling A1:1991, voor elektrische installaties bij wisselspanning met een waarde van meer dan 1000 Volt en bij gelijkspanning met een waarde van meer dan 1500 Volt;
- c.
NEN 3134:1992 "Veihgheidsbepalmgen voor laagspanningsinstallaties in medisch gebruikte ruimten, 3e druk, maart 1992";
- d.
NEN 3140:1998, "Bedrijfsvoering van elektrische installaties, Aanvullende Nederlandse bepalingen voor laagspanningsinstallaties";
- e.
NEN 3840:1998, "Bedrijfsvoering van elektrische installaties. Aanvullende Nederlandse bepalingen voor hoogspanningsinstallaties";
- f.
NEN 5237:1995 "Veiligheidsbepalingen voor elektrische schrikdraadinstallaties;
- g.
NEN-EN 50110-1:1998, "Bedrijfsvoering van elektrische installaties, Algemene bepalingen", zulks met inachtneming van NEN-EN 50110-2:1998 "Bedrijfsvoering van elektrische installaties, Nationale bijlagen" Bij de vaststelling van procedures voor de bedrijfsvoering en het onderhoud van elektrische installaties hebben de nationale voorschriften genoemd in NEN-EN 50110-2 onderdeel 15 "Netherlands (NL)", voorrang boven de bepalingen zoals opgenomen in § 6 3 "Onder spanning werken" en § 6 4 "Werken in de nabijheid van actieve delen" van NEN-EN 50110-1;
- h.
NEN-EN 50281-1-2(nl) 1998, "Elektrische toestellen voor gebruik in de aanwezigheid van ontbrandbare stof – Deel 1-2 Elektrische toestellen beschermd door omhulsels – Keuze, installatie en onderhoud;
- i.
NEN-EN-IEC 60079-14 2001(nl),"Elektrisch materieel voor plaatsen waar gasontploffingsgevaar kan heersen. Deel 14 Elektrische installaties in gevaarlijke gebieden (anders dan mijnen)".
Aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 3.5 van het Arbeidsomstandighedenbesluit is voldaan indien tijdens elektrotechnische werkzaamheden en bedieningswerkzaamheden, een van de navolgende normen is toegepast:
- a.
NEN-EN 50110-1:1998, "Bedrijfsvoering van elektrische installaties, Algemene bepalingen", zulks met inachtneming van NEN-EN 50110-2:1998, "Bedrijfsvoering van elektrische installaties, Nationale bijlagen" bij de vaststelling van procedures voor de bedrijfsvoering en het onderhoud van elektrische installaties hebben de nationale voorschriften genoemd in NEN-EN 50110-2, onderdeel 15' "Netherlands (NL)", voorrang boven de bepalingen zoals opgenomen in § 6 3 "Onder spanning werken" en § 6 4 "Werken in de nabijheid van actieve delen" van NEN-EN 50110-1;
- b.
NEN 3140 1998, "Bedrijfsvoering van elektrische installaties, Aanvullende Nederlandse bepalingen voor laagspanningsinstallaties";
- c.
NEN 3840-1998, "Bedrijfsvoering van elektrische installaties, Aanvullende Nederlandse bepalingen voor hoogspanningsinstallaties".
Maatregelen ten behoeve van een veilige ontvluchting van gebouwen in noodsituaties, worden aangemerkt als doeltreffend in de zin van artikel 3.6, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wanneer deze in overeenstemming zijn met de door het Ministerie van Binnenlandse Zaken uitgegeven brandbeveiligingsconcepten.
Voor het aantal de plaats en de afmetingen van de beschikbare vluchtwegen- en nooduitgangen in gebouwen als bedoeld in het tweede lid van artikel 3.6, geeft het Bouwbesluit (Woningwet) voorschriften. Bedrijfsgebouwen die aan de eisen van het Bouwbesluit voor te bouwen gebouwen voldoen, voldoen aan de eisen van het tweede lid van artikel 3.6. Voor bestaande gebouwen worden deze eisen naar redelijkheid toegepast.
In aanvulling op het Bouwbesluit zijn voor werkruimten waarin activiteiten plaatsvinden met een verhoogd risico, twee uitgangen vereist. De uitgangen liggen tenminste 5 meter uiteen en bij voorkeur in tegenovergestelde wanden.
Ramen, luiken en dergelijke niet voor normaal gebruik bestemde uitgangen, kunnen een alternatieve gelegenheid tot ontkoming bieden, mits het verlaten van de ruimte langs die weg gemakkelijk en veilig kan geschieden.
Voor arbeidsplaatsen in ruimten, die geen deel uitmaken van een gebouw, zijn twee onafhankelijke vluchtwegen beschikbaar. Indien de plaats, constructie en inrichting van een vluchtweg een veilige ontkoming waarborgt, kan worden volstaan met één vluchtweg.
Om aan het gestelde in artikel.3.9 en artikel 3 7, vijfde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit te voldoen bedraagt de vertichtingssterkte van de noodverhchtingsinstallatie op arbeidsplaatsen en op vluchtwegen minimaal 1 lux op vloerhoogte vanaf 15 seconden na het uitvallen van de normale elektriciteit tot een uur daarna.
Indien bij uitval van de normale verlichting werkzaamheden moeten worden verricht (of dringende handelingen bij calamiteiten), dan levert de noodverlichtingsinstallatie zoveel licht dat deze werkzaamheden zonder bezwaar kunnen worden uitgevoerd.
in ruimten zonder daglichttoetreding is altijd noodverlichting aanwezig, indien zich in deze ruimten personen kunnen ophouden.
Deze beleidsregel is niet van toepassing aan boord van schepen. Voor schepen gelden de bepalingen met betrekking tot noodverlichting zoals opgenomen in de schepenwetgeving.
Aan het gestelde in artikel 3.13, zesde en zevende lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, dat automatische deuren en hekken zodanig functioneren dat zij geen gevaar opleveren, wordt voldaan indien:
- a.
beveiligingen worden toegepast, die beweging van de deur of het hek verhinderen, wanneer personen hierdoor kunnen worden geraakt, of
- b.
beveiligingen worden toegepast, die bij aanraking de beweging van de deur of van het hek stoppen of omkeren, of
- c.
de aandrijfkracht van de deur of het hek zodanig beperkt is dat de kracht waarmee het sluiten kan worden tegengegaan kleiner is dan 150 N. Tevens is – gemeten met een drukopriemer met een veerconstante van 25000 N/m – de drukkracht (stoot) van een bewegend deurblad of hek niet meer dan 750 N bij een resterende opening groter dan 0,25 m en niet meer dan 500 N bij een resterende opening gelijk of kleiner dan 0.25 m. Hierbij geldt dat slipkoppelingen die zijn aangebracht ter begrenzing van de knelkracht niet als doelmatig worden aangemerkt.
Doorgangen als bedoeld in artikel 3.13, achtste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit worden als veilig voor voetgangers aangemerkt, indien zij
- a.
bij eenrichtingverkeer tenminste 0,6 m breder zijn dan het breedst beladen voertuig, dat van de doorgang gebruik maakt, of
- b.
bij tweerichtingsverkeer tenminste 0,9 m breder zijn dan tweemaal de breedte van het breedst beladen voertuig, waarvoor de doorgang bestemd is.
Het tegengaan van valgevaar bij het verrichten van arbeid door het aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen e.d. (de zgn randbeveiliging) als bedoeld in artikel 3.16, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit is in ieder geval noodzakelijk indien het valgevaar 2,5 m of meer is indien de arbeid wordt verricht op statische arbeidsplaatsen en bij ieder valgevaar indien arbeid wordt verricht op arbeidsplaatsen, die daarbij in beweging zijn of kunnen komen.
Voor arbeidsplaatsen op pluklorries, die voor 1-1-1992 in gebruik zijn genomen in champignon-kwekerijen of kassen, wordt randbeveiliging aangebracht bij valgevaar van 1,20 m of meer.
Het tegengaan van valgevaar bij montage van liften in liftschachten vanaf een montageplatform of vanaf een bewegende vloer is in overeenstemming met het gestelde in artikel 3.16, eerste lid indien wordt voldaan aan de eisen voor bewegende vloeren in liftschachten, zoals werden gepubliceerd in Mededeling 236, derde kwartaal 1992 van het Liftinstituut.
Indien het valgevaar vanaf statische constructies gepaard gaat met risicoverhogende omstandigheden, zoals het gevaar te vallen op of langs uitstekende delen, de aanwezigheid van verkeer, het vallen in water e.d., dan wordt randbeveiliging ook aangebracht bij geringer valgevaar, afhankelijk van de toename van het risico.
Ter bepaling van het optredende valgevaar wordt bij schuine werkvlakken uitgegaan van het hoogste punt dat kan worden betreden.
Hekwerken cq. randbeveiligmgen worden als doelmatig aangemerkt indien:
- a.
ten aanzien van de constructie
- 1°.
zij aan de bovenzijde zijn voorzien van een stevige leuning op tenminste 1,0 m boven het werkvlak,
- 2°.
zij bij open constructies aan de onderzijde aansluitend op het werkvlak zijn voorzien van een kantplank van 15 cm hoog, indien uitsteeksels het aansluiten verhinderen, is hierop enige afwijking (15 cm) toegestaan, mits in overeenstemming met het gestelde in artikel 3.17 maatregelen zijn genomen die voorkomen, dat personen kunnen worden getroffen door voorwerpen, die door de aldus ontstane opening(-en) vallen of rollen en
- 3°.
in open constructies de openingen zodanig beperkt blijven, dat een kubus met zijden van 47 cm de openingen niet kan passeren.
- 1°.
- b.
ten aanzien van de sterkte
- 1°.
zij niet bezwijken bij een op de meest ongunstige plaats aangebrachte neerwaartse belasting van 1,25 kN danwel de vervorming ten gevolge van die belasting van dien aard is dat de functionaliteit van het hekwerk c.q. de randbeveiliging gewaarborgd blijft,
- 2°.
zij zijdelings niet meer dan 3,5 cm doorbuigen en niet worden verplaatst bij een horizontale belasting van 0,3 kN en
- 3°.
zij in functie blijven (niet uit een aanwezige bevestiging worden getild) bij een opwaarts gerichte belasting van 0,3 kN.
- 1°.
Hekwerken cq. randbeveiligingen kunnen bij niet schuine werkvlakken achterwege blijven, indien de arbeid op meer dan 4,0 m afstand van de rand van het werkvlak wordt uitgevoerd en de arbeidszone alsmede de weg daar naar toe duidelijk gemarkeerd zijn Indien de arbeidszone en de weg daar naar toe tevens zijn afgezet, kan deze afstand tot 2,0 m beperkt worden.
Werkvloeren zijn altijd gesloten of dichtgelegd. Voor afwateringsdoeleinden e.d. zijn geringe openingen toegestaan, die door een kubus met zijden van 8 cm met kunnen worden gepasseerd.
Onder "het verrichten van arbeid waarbij valgevaar bestaat" wordt ook verstaan het zich begeven naar de arbeidsplaats. Doelmatige voorzieningen hiervoor kunnen ladders zijn, mits deze bij klimhoogten van 10 m of meer op maximale afstanden van 7,50 m zijn onderbroken door rustbordessen.
Ladders steken tenminste 1 meter uit boven de gewenste sta- of overstaphoogte. Op het te betreden vlak is aan weerszijden van de toegang randbeveiliging aangebracht over een lengte van 4,0 m of sluit de toegang aan op de aanwezige randbeveiliging.
Onder "arbeid die op veilige wijze op een ladder, trap of dergelijke kan worden verricht , wordt in overeenstemming met het gestelde in artikel 3.16, tweede lid, verstaan arbeid die wordt verricht vanaf stabiel opgestelde staande ladders tot werkhoogten van 10,0 m of arbeid die verricht wordt vanaf permanent aangebrachte hangladders tot hoogten van 20,0 m, mits daarbij de te overbruggen verticale afstand niet meer dan 10.0 m bedraagt
Onder arbeid als bedoeld in artikel 3.16, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt met verstaan arbeid verricht met een niet-permanent aangebrachte hangsteiger of hangladder of de zogenaamde (handbediende) klassieke bootsmanstoel. Bij arbeid met deze of soortgelijke middelen, waarbij kabels, touwen en dergelijke worden gebruikt, worden voorzieningen getroffen overeenkomstig het gestelde in artikel 3.16, derde lid.
Deze beleidsregel is niet van toepassing aan boord van schepen. Voor schepen gelden de voorschriften voor de voorzieningen bij valgevaar zoals die in de schepenwetgeving zijn opgenomen.
Aan het bepaalde in artikel 3.19 wordt voor wat betreft arbeid in kantoren voldaan indien wordt gewerkt in vertrekken met oppervlakten, die overeenkomen met de eisen in de norm NEN 1824:1995 "Eisen voor de oppervlakte en hoogte van kantoorwerkplekken", gemeten volgens de methode uit NEN 2580:1997 "Oppervlakten en inhouden van gebouwen Termen definitie en bepalingsmethoden", inclusief correctieblad C1:1997.
Aan de verplichting ingevolge artikel 3.40, onder c, om kogelwerend en slagvast materiaal, dat tenminste voor een deel doorzichtig is, te gebruiken, voor de kassawerkplek in benzinestations, die geopend zijn tussen 21.00 uur en 06.00 uur, wordt ten aanzien van het doorzichtig materiaal voldaan indien een materiaal/glassoort is gebruikt die voldoet aan de eisen voor kogelwerendheid klasse BR4NS volgens NEN-EN 1063: 2000, ‘Glas voor gebouwen - Beveiligingsbeglazing - Beproeven en classificatie van de weerstand tegen een kogelaanval’, en aan de eisen voor slagvastheid klasse P6B volgens NEN-EN 356: 1999, ‘Glas in gebouwen - Beveiligingsbeglazing - Beproeven en classificatie van de weerstand tegen manuele aanval’. In het doorzichtig materiaal zijn geen openingen aanwezig. De specificaties zijn alleen voor bevoegde ogen duidelijk zichtbaar aangegeven.
Aan de verplichting tot het bepalen van de gevaren van de blootstelling, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, wordt voor wat betreft de blootstelling via inademingslucht voldaan als de werkgever het vastgestelde blootstellingsniveau van een stof toetst aan de voor die stof vastgestelde bestuurlijke grenswaarde, volgens de methodiek beschreven in NEN-EN 689:1995 "Werkplekatmosfeer. Leidraad voor de beoordeling van de blootstelling bij inademing van chemische stoffen voor de vergelijking met de grenswaarden en de meetstrategie". De desbetreffende bestuurlijke grenswaarden zijn opgenomen in bijlage 6 bij deze beleidsregels. Als voor de desbetreffende stof geen grenswaarde van overheidswege is vastgesteld, volstaat toetsing volgens diezelfde systematiek aan een door de werkgever vast te stellen waarde, die naar de huidige stand van wetenschap en inzicht als een veilige blootstellingsgrens kan worden beschouwd bij blootstelling aan een combinatie van stoffen waarvan bekend is dat de afzonderlijke componenten dezelfde toxische werking hebben op eenzelfde orgaansysteem, geldt bij toetsing de zogenaamde additieregel, als bedoeld in bijlage 7 bij deze beleidsregels, voor het vaststellen van de waarde waaraan wordt getoetst.
Aan de verplichting tot beoordeling van de aard van de blootstelling, als bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, wordt voldaan als de werkgever over die stoffen welke door blootstelling aan werknemers schade aan hun gezondheid of hinder kunnen veroorzaken, de volgende gegevens vastlegt:
- a.
de identiteit van de stof,
- b.
de aard van de gevaren,
- c.
de wijze van mogelijke blootstelling en
- d.
het werk of de werkwijze die met de blootstelling verband houdt.
Als de beoordeling van de mate van de blootstelling, zoals bedoeld in artikel 4.2, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, door middel van een schatting wordt uitgevoerd, voldoet de werkgever aan het gestelde in dit lid alleen als hij deze schatting door middel van een berekening kwantitatief goed kan onderbouwen en schriftelijk heeft weergegeven bij de bepaling of een schatting van de mate van blootstelling in een gegeven blootstellingssituatie volstaat dienen de randvoorwaarden zoals genoemd in NEN-EN 689 in acht te worden genomen.
Als de beoordeling van de mate van de blootstelling, zoals bedoeld in artikel 4.2, vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, door middel van metingen wordt uitgevoerd, voldoet de werkgever aan het gestelde in dit lid als de toetsing plaatsvindt volgens een voor dat doel geschikte genormaliseerde methode. Dit kan zowel een gevalideerde Nederlandse als buitenlandse methode zijn.
Als ten aanzien van asbest de beoordeling van de mate en duur van de blootstelling, bedoeld in artikel 4.2, vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, door middel van metingen wordt uitgevoerd, voldoet de werkgever aan het gestelde in dit lid als hij metingen verricht conform de voorschriften in artikel 4.50, tweede en zevende tot en met negende lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
De meetresultaten moeten in ieder geval voldoende onderbouwd kunnen aantonen of en bij welke omstandigheden één van de actieniveaus als genoemd in artikel 4.44 van het Arbeidsomstandighedenbesluit vermoedelijk wordt overschreden.
Als ten aanzien van asbest bij de beoordeling van de aard van de blootstelling, bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, twijfel bestaat over het type asbestmateriaal waaraan blootstelling plaatsvindt, gaat de werkgever er bij de beoordeling van de risico’s en toetsing van de actie- en grenswaarden van uit dat het desbetreffende materiaal uit crocidoliet bestaat.
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
- a.
verontreinigde grond en verontreinigd grondwater: grond die en grondwater dat op basis van de circulaire Streefwaarden en interventiewaarden bodemsanering van de minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 24 februari 2000(Stcrt. 2000, 39) als zodanig wordt gekenmerkt;
- b.
MAC-waarde: de wettelijke grenswaarde of bij het ontbreken daarvan, de bestuurlijke grenswaarde of, bij het ook ontbreken van een bestuurlijke grenswaarde, de door de werkgever zelf vastgestelde waarde, bedoeld in beleidsregel 4.2 -1;
- c.
een vluchtige stof of vluchtige verontreiniging: een stof of verontreiniging met een kookpunt lager dan 350 oC én een dampspanning (uitgedrukt in millibar bij 20 oC), groter dan éénduizendste van de MACwaarde van die stof of verontreiniging (met andere woorden, indien 103 Pd > MAC);
- d.
serpentijnasbest: stoffen die het vezelachtige silicaat chrysotiel bevatten;
- e.
amfiboolasbest: stoffen die de vezelachtige silicaten crocidoliet, amosiet, actinoliet, anthofylliet of tremoliet bevatten.
In deze beleidsregel wordt, in aanvulling op de in het eerste lid, onder a, genoemde circulaire, onder verontreinigde grond of verontreinigd grondwater tevens verstaan: grond of grondwater waarin zich asbest bevindt in een concentratie, hoger dan de gewogen norm van 100 mg/kg droge stof (serpentijnasbestconcentratie, vermeerderd met tien maal de amfiboolasbestconcentratie).
In deze beleidsregel wordt, in aanvulling op de in het eerste lid, onder a, genoemde circulaire, onder verontreinigde grond tevens verstaan: grond waarvan het gehalte steenachtige of andere materialen meer dan 20-volumeprocenten bedraagt.
Onder het doeltreffend vaststellen van de mate van blootstelling aan stoffen die gevaar voor de gezondheid of veiligheid kunnen opleveren door middel van metingen of andere methodes dan metingen, als bedoeld in artikel 4.2, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, wordt, bij het werken
- a.
in of met verontreinigd grondwater, of
- b.
in of met verontreinigde grond waarin de concentratie van één of meer stoffen de interventiewaarde ‘I’ zoals vermeld in de circulaire, bedoeld in het eerste lid, onder a, overschrijdt, of
- c.
in of met verontreinigde grond waarin de concentratie van geen enkele stof de genoemde interventiewaarde ‘I’ overschrijdt, maar waarbij de som van de quotiënten, samengesteld uit de concentratie van de verschillende stoffen in de grond (in mg/kg) als teller, en de MAC-waarde van die stoffen (in mg/m3) als noemer, groter is dan 20.000. Met andere woorden:
cgl
+
cg2
+
cgn
> 20.000
——
——
——
MACl
MAC2
MACn
, of
- d.
in of met verontreinigde grond waarin of waarop asbest aanwezig is, het volgende verstaan. De werkzaamheden met of in de verontreinigde grond of het verontreinigde grondwater worden op basis van de erin aanwezige stoffen, hun gevaarseigenschappen en de mogelijkheid van blootstelling eraan, beoordeeld op de wijze zoals beschreven in bijlage 8 bij deze beleidsregels. Dit leidt tot indeling van de werkzaamheden in of met deze verontreinigde grond of dit verontreinigde grondwater in één van de vier risicoklassen voor giftigheid (0T, 1T, 2T en 3T) en/of in één van de drie risicoklassen voor brandbaarheid (0F, 1F en 2F).
Ten aanzien van de vaststelling van de concentratie asbest in grond met een gehalte steenachtige of andere materialen van maximaal 20-volumeprocenten, wordt de meetmethode, bedoeld in Ontwerp-NEN 5707, versie 2002, of een gelijkwaardige methode gehanteerd.
Ten aanzien van de vaststelling van de concentratie asbest in grond met een gehalte steenachtige of andere materialen van meer dan 20-volumeprocenten, worden de meetmethoden, bedoeld in NEN 5897, versie 2002, normontwerp-NEN 5896, uitgave 1999 of een gelijkwaardige methode gehanteerd.
Onder het machtnemen van de grootst mogelijke zorgvuldigheid ordelijkheid en zindelijkheid op plaatsen waar stoffen, die een gevaar voor de veiligheid en gezondheid kunnen opleveren aanwezig zijn, wordt verstaan:
- 1.
De werkgever stelt regels en procedures vast voor het omgaan met bedoelde stoften, reiniging van de werkplek en persoonlijke hygiëne waaraan werknemers zich dienen te houden. De werkgever draagt zorg voor de taaktoedeling en het toezicht ten aanzien van het naleven van deze procedures en regels.
- 2.
De werkgever richt voorzieningen in en verstrekt middelen aan werknemers voor een optimale hygiëne op plaatsen waar bedoelde stoffen aanwezig zijn bij het verstrekken van middelen gaat het onder andere om het beschikbaar stellen van geschikte werkkleding. De werkgever stelt zo vaak als op grond van de blootstellingsbeoordeling als bedoeld in artikel 4.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit noodzakelijk is, maar tenminste eenmaal per week schone werkkleding beschikbaar en draagt zorg voor de reiniging van vervuilde kleding.
- 3.
Werk- en opslagruimten, waar gevaar bestaat op verspreiding van bedoelde stoffen, installaties en arbeidsmiddelen die met bedoelde stoffen worden verontreinigd, worden zo schoon mogelijk gehouden.
- 4.
In werk en opslagruimten waar gevaar van verspreiding bestaat van bedoelde stoffen, wordt niet gegeten, gerookt of gedronken en wordt geen voedsel bewaard.
- 5.
Afval dat bedoelde stoffen bevat wordt regelmatig van de werkplek verwijderd.
De stoffen bedoeld in artikel 4.3, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn stoffen waarop artikel 34 van de Wms niet van toepassing is, maar die
- a.
als ze zouden worden afgeleverd, krachtens de Wms geëtiketteerd moeten worden, of
- b.
expliciet zijn uitgezonderd van de etiketteringsverplichting van de Wms maar wel
- 1°.
de fysisch-chemische of toxicologische eigenschappen bezitten op grond waarvan ze kunnen worden ingedeeld in één of meer gevaarscategorieën die genoemd worden in artikel 34 van de Wms, uitgezonderd de categorie "milieugevaarlijk", of
- 2°.
voldoen aan de criteria voor toekenning van bijzondere aanduidingen die de Wms in het kader van etiketteringsvoorschriften kent. Het betreft de preparaten vermeld in bijlage V bij Richtlijn 1999/45/EG (Pb L 200), zoals opgenomen in bijlage 9 bij deze beleidsregels.
- 1°.
Aan de aanduiding op het etiket van de naam en de aard van de gevaren van een stof, zoals bedoeld in artikel 4.3 derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voldaan als daarvoor de indeling van de stof in gevaarscategorieën zoals genoemd in artikel 34 van de Wms wordt gehanteerd en gebruik gemaakt wordt van standaardaanduidingen, een en ander volgens de voorschriften die de Wms in het kader van de etikettering stelt. Deze aanduidingen omvatten tenminste
- a.
de naam van de gevaarlijke stof en de relevante gevaarlijke bestanddelen,
- b.
gevaarssymbolen en gevaarsbenamingen,
- c.
waarschuwingszinnen
In aanvulling op hetgeen in het tweede lid ten aanzien van de indeling in gevaarscategorieëen van de Wms wordt gesteld, geldt dat een stof niet alleen in de gevaarscategorie "sensibiliserend" wordt ingedeeld als de desbetreffende indelingscriteria van de Wms daartoe aanleiding geven, maar ook als onderzoeksresultaten met die stof voldoen aan de criteria van de Wms.
In afwijking van hetgeen in het tweede lid wordt gesteld geldt dat voor voedings- en genotmiddelen, diervoeders, geneesmiddelen, diergeneesmiddelen en cosmetica die aanwezig zijn in een vorm waarop de etiketteringsplicht van de Wms niet van toepassing is, de voor die middelen uit andere wetten voortvloeiende informatievoorziening ter bescherming van de gebruiker bij aflevering aan derden voldoet.
Onder het opvallend en goed leesbaar aanbrengen van de naam en de aard van de gevaren van de stof op het etiket als bedoeld in artikel 4.3, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt verstaan dat ten aanzien van de aanduidingen de voorschriften van de Wms betreffende de taal, vormgeving, bevestiging en meervoudige verpakking worden gevolgd.
In afwijking van hetgeen in het tweede lid van deze beleidsregel is vermeld hoeven op laboratoriumhulpmiddelen die voor steeds wisselende chemicaliën worden gebruikt, niet steeds alle voor de werkpleketikettering verplichte aanduidingen aangebracht te worden In dit geval wordt aan de verplichting als bedoeld in artikel 4.3, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit voldaan als voor een enkelvoudige stof de officiële stofnaam, en voor een meervoudige stof de gangbare benaming of de gevaarlijke bestanddelen op de bedoelde hulpmiddelen worden aangebracht. Deze aanduidingen zijn niet verplicht wanneer hulpmiddelen alleen gebruikt worden voor kortdurende handelingen.
In afwijking van hetgeen in het tweede lid van deze beleidsregel is vermeld, wordt in het geval van opslag van stoffen in grotere hoeveelheden in speciale opslagruimten aan de verplichting tot het opvallend en goed leesbaar aanbrengen van de naam en de aard van de gevaren van de stof op het etiket, als bedoeld in artikel 4.3, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, voldaan wanneer voor meerdere identieke verpakkingen door middel van een etiket-afdruk (bijvoorbeeld op een bord) opvallend en goed leesbaar de krachtens genoemde besluiten verplichte aanduidingen aangebracht zijn. Deze aanduidingen worden zodanig aangebracht dat voor elke afzonderlijk opgeslagen verpakking te allen tijde ter plekke duidelijk is dat de aanduidingen op de betreffende verpakking van toepassing zijn. Wanneer stoffen uitsluitend voor de verkoop zijn opgeslagen kan worden volstaan met het aanbrengen van de aanduidingen welke krachtens de Wms of andere regelgeving bij aflevering in Nederland verplicht zijn.
In afwijking van hetgeen in het tweede lid van deze beleidsregel is vermeld, wordt in geval van het vervoer en het laden en lossen van gevaarlijke stoffen aan de verplichting tot het opvallend en goed leesbaar aanbrengen van de naam en de aard van de gevaren van de stof op het etiket, als bedoeld in artikel 4.3, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, voldaan als de vervoerders (chauffeurs en bijrijders) en de laders en lossers tijdens hun werkzaamheden ter plekke beschikken over de gegevens welke op grond van het tweede lid van deze beleidsregel op het etiket zouden moeten zijn vermeld. Het in het tweede lid gestelde vindt geen toepassing voor die gevallen waarop de Wet vervoer gevaarlijke stoffen van toepassing is.
In deze beleidsregel wordt verstaan onder kappersbedrijf: een onderneming waar bedrijfsmatig het hoofdhaar van mannen, vrouwen of kinderen wordt geknipt of anderszins wordt behandeld.
Ter preventie van huid- en luchtwegklachten wordt bij arbeid in kappersbedrijven aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 4.3a, aanhef en onder a, b en d tot en met f, respectievelijk artikel 4.9 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, tot het nemen van preventieve, respectievelijk doeltreffende maatregelen voldaan, indien producten en werkmethoden worden toegepast, als bedoeld in bijlage 10 bij deze beleidsregels en de inrichting van de kapsalon tenminste aan de volgende eisen voldoet:
- a.
Er is een aparte productbereidingsruimte aanwezig die aan minimaal 3 zijden met een wand van de overige ruimte is afgescheiden. De scheidingswanden zijn tenminste manshoog, tenzij gerichte afzuiging wordt toegepast. De scheidingswanden aan beide zijkanten van de werkruimte zijn dieper dan de diepte van het werkblad. De ruimte is ingericht voor het bereiden of mengen van cosmetische producten. In deze ruimte is minimaal één gemakkelijk toegankelijke wastafel met stromend water aanwezig die alleen gebruikt wordt bij werkzaamheden in de productbereidingsruimte. De werkvlakken en wanden zijn vlak, glad, goed reinigbaar en niet poreus. Eten, drinken, roken en bewaren of bereiden van voedsel of dranken in deze ruimte is niet toegestaan.
- b.
In aanvulling op de onder a genoemde wastafel, is in de kapsalon minimaal één wasgelegenheid met stromend water aanwezig waar de handen kunnen worden gereinigd. Er zijn middelen aanwezig om de handen te drogen en te verzorgen.
Het tweede lid, onder a, is tot 1 november 2006 niet van toepassing op kapsalons die voor de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregel in gebruik zijn genomen, behoudens indien de kapsalon na deze laatste datum is heringericht of verbouwd.
Ten aanzien van de opslag, het gebruik en het transport van gascylinders worden de volgende voorzieningen adequaat geacht ter vermijding van het gevaar op een ongewilde gebeurtenis zoals omschreven in artikel 4.4, eerste tot en met derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, dan wel ter beperking van de gevolgen van een ongewilde gebeurtenis zoals omschreven in artikel 4.4, vierde lid.
- a.
Gascylinders worden tijdens stationaire opslag, gebruik en verplaatsing deugdelijk vastgezet in al of met verplaatsbare rekken of tegen een muur om beschadiging te voorkomen.
- b.
De gascylinders zijn in goede technische staat. Beschadigde gascylinders worden niet in gebruik genomen.
- c.
De afsluiters van gascylinders zijn doelmatig beschermd tegen beschadigingen die bij een val van de cylinder tijdens het vervoer of het stapelen het vrijkomen van gas zouden kunnen veroorzaken.
- d.
Gascylinders worden beschermd tegen verwarming, verhitting of nadelige weersinvloeden
- e.
Batterijen van gascylinders die brandbare, vergiftige, verstikking veroorzakende of zuurstof verrijkende gassen bevatten, worden niet op de arbeidsplaats opgesteld. De ruimten waar batterijen van gascylinders zijn opgesteld die brandbare, vergiftige, verstikking veroorzakende of zuurstof verrijkende gassen bevatten zijn alleen van buiten af betreedbaar.
- f.
De opstelruimte waarin zich gascylinders of batterijen van gascylinders bevinden die brandbare, vergiftige, verstikking veroorzakende of zuurstof verrijkende gassen bevatten, is voldoende geventileerd op de buitenlucht Hieraan wordt voldaan door natuurlijke ventilatie via twee openingen van tenminste 10 dm2 die diametraal ten opzichte van elkaar aanwezig zijn, of door mechanische ventilatie. Deze ruimten zijn aan de buitenzijde bij de toegangen gekenmerkt met een gevaarssymbool als bedoeld in artikel 8.15 van de Arbeidsomstandighedenregeling (ondertekst "brandbare gassen roken en open vuur verboden", "vergiftige, bedwelmende, verstikking veroorzakende gassen", "zuurstof verrijkende gassen roken en open vuur verboden" voor zover van toepassing).
- g.
Gascylinders waarvan de keuringstermijn is verstreken worden niet meer gebruikt of opgeslagen.
- h.
In de nabijheid van kelders, souterrains, putten, rioleringen en andere ruimten beneden het maaiveld worden geen gascylinders opgeslagen
- i.
In de nabijheid van batterijen van gascylinders is op een gemakkelijk bereikbare plaats beschermd tegen weersinvloeden, een droogpoederblustoestel met een inhoud van tenminste 6 kg bluspoeder of een CO2-blustoestel met een blusequivalent van 6 kg poeder aanwezig.
- j.
Karweiflesjes voor propaan butaan of mengsels daarvan hebben maximaal een inhoud van 3 liter en worden tot maximaal 80% gevuld.
- k.
bij gascilinders voor tot vloeistof verdichte gassen wordt de hoogst toelaatbare vullingsgraad gehanteerd die gelijk is aan 0,95 x dichtheid van de vtoeistoffase bij 50°C m kg/l.
- l.
Gascylinders voor brandbevorderende gassen, zoals zuurstof, worden gescheiden opgeslagen van gascylinders voor brandbare gassen
- m.
De aansluiting van een zuurstofcylinder op een leidinggsysteem is zodanig dat geen andere gascylinders dan die bestemd voor zuurstof op deze leiding kunnen worden aangesloten.
- n.
Brandbare pakkingen en smeervet voor afsluiters bestemd voor gascylinders voor zuurstof worden niet gebruikt.
- o.
Leidingen en appendages zijn bestand tegen de gassen waarmee zij in aanraking komen.
- p.
Voor leidingen en appendages die met acetyleen in aanraking kunnen komen wordt geen koper gebruikt, bij gebruik van legeringen bevatten deze niet meer dan 63% koper.
- q.
Batterijen van gascylinders met brandbevorderende gassen zoals zuurstof worden met in een ruimte opgesteld of opgeslagen met gascylinders van acetyleen of andere brandbare gassen.
- r.
Gascylinders met extreem toxische stoffen, zoals arsine en fosfine, worden in aparte ruimten opgeslagen.
- s.
Gascylinders met extreem toxische stoffen zijn uitgerust met twee onafhankelijke inblokafsluiters tijdens tussen-opslag en tijdens gebruik.
- t.
Gascylinders worden gekeurd volgens de voorschriften die gegeven zijn in de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen 1997 (VLG) (Stcrt 29-11-1996. nr 235). Bijlage A, randnummers 2214 t/m 2217(beproeving toegelaten houders) en randnummer 2218 (beproevingsdruk vullingsgraad).
Ten aanzien van de opslag van gevaarlijke stoffen in emballage en de werkzaamheden die daarmee verband houden worden de volgende voorzieningen adequaat geacht ter vermijding van het gevaar op een ongewilde gebeurtenis zoals omschreven in artikel 4.4, eerste tot en met derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, dan wel ter beperking van de gevolgen van een ongewilde gebeurtenis zoals omschreven in artikel 4.4, vierde lid.
Gevaarlijke stoffen in verpakkingen worden opgeslagen conform de voorschriften met betrekking tot de arbeidsomstandigheden in de volgende richtlijnen van de Commissie voor de preventie van rampen door gevaarlijke stoffen CPR 15-1 "Opslag gevaarlijke stoffen in emballage, opslag van vloeistoffen en vaste stoffen (0-10 ton) en CPR 15-2 "Opslag gevaarlijke stoffen chemtscne afvalstoffen en bestrijdingsmiddelen in emballage, opslag grote hoeveelheden vanaf 10 ton".
Ten aanzien van het verladen van natriumhypochlorietoplossingen in water worden de volgende voorzieningen voldoende adequaat geacht ter voorkoming van het gevaar op een ongewilde gebeurtenis, als bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit aansluitpunten voor laad- en losslangen zijn voorzien van een in wit polypropyleen uitgevoerde koppeling met linkse spoed (de zogenaamde KNZ-koppelmg).
Deze beleidsregel is niet van toepassing aan boord van schepen.
Ten aanzien van de aanwezigheid van of het werken met cyaanverbindingen, respectievelijk waterstoffluoride worden de volgende voorzieningen adequaat geacht ter beperking van de gevolgen van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.4, vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
Indien gewerkt wordt met of in aanwezigheid van cyaanverbindingen
- a.
is een protocol aanwezig waarin aangegeven is wie de eerste levensreddende handelingen verricht en hoe de verdere medische noodhulp is geregeld, dit zal in de regel de behandelende arts1) in het dichtstbijzijnde ziekenhuis zijn,
- b.
is de in het protocol aangewezen behandelende arts deskundig op het gebied van de behandeling van cyanidevergiftigingen,
- c.
is een speciale EHBO-kit aanwezig met daarin de noodzakelijke antidotes naar de laatste stand van de medische wetenschap, die in voldoende mate aanwezig dienen te zijn voor de adequate bestrijding van de vergiftiging van alle mogelijke slachtoffers door cyanides. Deze EHBO-kit wordt meegegeven aan het ambulancepersoneel ten behoeve van de behandelende arts. De medicamenten in deze kit worden tijdig ververst. Dit onderdeel c geldt niet voor zeeschepen.
- d.
is, met uitzondering van situaties waarbij de stof in de vorm van lading wordt vervoerd over de weg, per spoor of per binnenvaartschip, een cylinder 100% zuurstof met beademingsdeel aanwezig.
Indien gewerkt wordt met of in aanwezigheid van fluorwaterstof (HF):
- a.
is een protocol aanwezig waarin aangegeven is wie bij een incidentele blootstelling van personen aan waterstoffluoride medicamenten mag toedienen en hoe de verdere medische noodhulp is geregeld,
- b.
is de in het protocol aangewezen persoon deskundig op het gebied van de behandeling van waterstoffluorideblootstelling,
- c.
is in een speciale EHBO-kit een voldoende hoeveelheid calciumgluconaat 10%, een hoeveelheid 2,5% calciumgluconaat hydrogel voor applicatie op de huid en calciumgluconaat 10% oplossing voor het indruppelen van de ogen, op de arbeidsplaats aanwezig om beschadiging door waterstoffluoride van de huid of de ogen van alle mogelijke slachtoffers adequaat te bestrijden.
Ter vermijding van het gevaar voor een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.4 eerste tot en met derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit worden bij werkzaamheden die tot gevolg hebben dat de hierna onder a tot en met d genoemde stoffen buiten de verpakking of het reservoir kunnen treden de volgende voorzieningen adequaat geacht.
- a.
Ten aanzien van stoffen die
- –
voldoen aan de criteria voor indeling in één of meer van de categorieën "ontplofbaar", "zeer licht ontvlambaar", "licht ontvlambaar" en "ontvlambaar", bedoeld in artikel 34 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, of
- –
door verhoogde druk verhoogde temperatuur, door hun reactiviteit met water waarbij brandbare gassen worden ontwikkeld, of door zelfontbrandmg gevaar voor brand of explosie kunnen opleveren.
wordt het volgende in acht genomen
- 1°.
Reservoirs waaraan bedoelde werkzaamheden worden verricht zijn geaard om de opbouw van statische lading te voorkomen bij het vullen of aftappen. Alle bij het vullen of aftappen te gebruiken vaatwerk en hulpmiddelen zijn tijdens het vullen of aftappen onderling en aan aarde elektrisch geleidend verbonden. Speciale aandacht wordt besteed aan leidingen en vaten van slecht geleidende materialen en aan geïsoleerd liggende goede geleiders.
- 2°.
Kleding, schoeisel en persoonlijke beschermingsmiddelen van werknemers die bedoelde werkzaamheden verrichten veroorzaken geen statische oplading.
- 3°.
Open vuur en andere ontstekingsbronnen worden vermeden. Alleen vonkvrij gereedschap wordt toegepast.
- –
- b.
In werkruimten waar bedoelde werkzaamheden worden verricht met stoffen die voldoen aan de criteria voor indeling in een of meer van de categorieën "ontplofbaar" "zeer licht ontvlambaar", "licht ontvlambaar" en "ontvlambaar", bedoeld in artikel 34 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, vindt verwarming alleen plaats door middel van warmwaterverwarming, lage druk-stoomverwarming of hete luchtverwarming met behulp van een luchtverwarmer. De oppervlakte-temperatuur van de toegepaste verwarming mag met hoger zijn dan 200°C. De branderinstallatie is buiten de werkruimte opgesteld.
- c.
Ten aanzien van stoffen die door hun reactiviteit met water waarbij brandbare gassen worden ontwikkeld gevaar voor brand of explosie kunnen opleveren wordt voorkomen dat ongecontroleerd contact met de open lucht ontstaat. Het op enigerlei wijze ongecontroleerd optreden van contact met water van deze stoffen wordt voorkomen. Voor het blussen van een eventuele brand van deze stoffen is een speciaal brandblusmiddel aanwezig dat met reageert met de bedoelde stoffen.
- d.
Ten aanzien van stoffen die door zelfontbranding gevaar voor de veiligheid of de gezondheid kunnen opleveren wordt de inhoud van voorraadvaten, hetzij gekoeld hetzij, geïnertiseerd door een geschikt inert middel. Het vaatwerk wordt onmiddellijk na het vullen gesloten. Het overlappen gebeurt in gesloten systemen die geïnertiseerd of gekoeld zijn.
Ter beperking van de gevolgen van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.4 vierde lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit worden bij werkzaamheden die tot gevolg hebben dat de hierna, onder a en b genoemde stoffen buiten de verpakking of het reservoir worden gebracht de volgende voorzieningen adequaat geacht.
- a.
In werkruimten waar gewerkt wordt met stoffen die voldoen aan de criteria voor indeling in een of meer van de categorieën "ontplofbaar" "zeer licht ontvlambaar' "licht ontvlambaar", "ontvlambaar", "vergiftig" "zeer vergiftig", "bijtend" en "sensibiliserend", bedoeld in artikel 34 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, of stoffen die door verhoogde temperatuur, door hun reactiviteit met water waarbij brandbare gassen worden ontwikkeld, of door zelfontbranding gevaar voor brand of explosie kunnen opleveren, zijn een nood- en oogdouche aanwezig die te allen tijde goed bereikbaar zijn Daarbij wordt het volgende in acht genomen.
- 1°.
De nooddouche is aangesloten op het waterleidingnet,
- 2°.
De capaciteit van de nooddouche bedraagt minimaal 80 l/min,
- 3°.
Voor oogdouches geldt dat de oogspoelvoorziening doelmatig moet zijn en dat, afhankelijk van de situatie gebruik kan worden gemaakt van een op de waterleiding aangesloten oogdouche of van een oogspoelfles. In het algemeen is een oogspoelvoorziening doelmatig indien,
- –
deze voldoende snel bereikbaar is in geval van een ongeval,
- –
deze eenvoudig bedienbaar is,
- –
zo nodig beide ogen voldoende lang gespoeld kunnen worden,
- –
de ogen zodanig kunnen worden gespoeld dat deze wel snel worden gereinigd, maar niet worden beschadigd.
- –
- 1°.
- b.
In werkruimten waar bedoelde werkzaamheden worden verricht met brandbare vaste stoffen, met ontplofbare stoffen, met zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare dan wel ontvlambare vloeistoffen, met stoffen die met water brandbare gassen ontwikkelen, of met stoffen die door zelfontbranding gevaar voor de veiligheid of de gezondheid opleveren, zijn tenminste twee draagbare blustoestellen aanwezig met een voor de te blussen stoffen geschikt blusmiddel met een inhoud van 6 kg blusmiddel of een bluscapaciteit vergelijkbaar met 6 kg blusmiddel. Deze blustoestellen zijn duidelijk zichtbaar opgehangen en te allen tijde goed bereikbaar.
Onder strikt noodzakelijk voor de bedrijfsvoering als bedoeld in artikel 4.4, zesde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt verstaan dat in de werkruimte van een stof die voldoet aan de criteria voor indeling in één of meer van de categorieën "ontplofbaar, "zeer licht ontvlambaar", "licht ontvlambaar", "ontvlambaar", "giftig", "irriterend" en "bijtend" bedoeld in artikel 34 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, van stoffen die met water brandbare gassen ontwikkelen en van stoffen die voor zelfontbranding vatbaar zijn, geen grotere hoeveelheid aanwezig is dan voldoende voor de productie gedurende één werkdag.
De indeling van gebieden waar explosieve atmosferen kunnen heersen, in gevarenzones als bedoeld in artikel 3.5d, vijfde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, vindt plaats overeenkomstig NPR 7910-1, Richtlijn voor het indelen van gevarenzones bij gasontploffingsgevaar en NPR 7910-2, Richtlijn voor het indelen van gevarenzones bij stofontploffingsgevaar.
Ten aanzien van het gebruik en de opslag van chemicaliën in zweminrichtingen en de werkzaamheden die daarmee verband houden worden de volgende voorzieningen adequaat geacht ter voorkoming van het gevaar op een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.4, eerste tot en met derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, danwel ter beperking van de gevolgen van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.4, vierde lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit:
- 1.
Reservoirs voor natriumhypochlorietoplossing en zuren zijn geplaatst in lekbakken die tenminste de inhoud van het grootste reservoir kunnen bevatten, waarbij
- a.
binnen één lekbak slecht één stof wordt opgeslagen al of met in meerdere reservoirs,
- b.
de lekbak bestendig is tegen de inwerking van de betreffende opgeslagen stof
- a.
- 2.
De werkgever beschikt over een noodprocedure in het kader van de bedrijfshulpverlening als bedoeld in artikel 2.18 van het Arbeidsomstandighedenbesluit voor het geval dat door contact van natriumhypochloriet met een zuur of zuurvormende stof chloorgas in een ruimte vrijkomt. In deze procedure worden noodmaatregelen, verantwoordelijkheden en taken vastgelegd.
- 3.
Indien in een ruimte waar natriumhypochloriet en zuren opgeslagen zijn chloorgas aanwezig is wordt deze ruimte
- a.
onmiddellijk verlaten en
- b.
door niemand anders van het bedrijf dan een bedrijfshulpverlener, voorzien van een perslucht-masker, herbetreden. Daarbij is een tweede persoon stand-by om te kunnen alarmeren als de bedrijfshulpverlener in de ruimte met chloorgas iets overkomt.
- a.
Ten aanzien van de blootstelling van werknemers aan chemische of inerte blusmiddelen van automatische brandblusinstallaties worden de volgende voorzieningen adequaat geacht ter vermijding van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Om passend te zijn in de zin van artikel 3.8, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit voldoen automatische brandblusinstallaties in ieder geval aan deze beleidsregel.
Bij elke toegang tot door bedoelde installaties beveiligde ruimten is een rechthoekig wit bord met rode rand aanwezig waarop in zwarte letters de volgende tekst is weergegeven "AUTOMATISCHE BRANDBLUSINSTALLATIE bij brand of alarm de ruimte onmiddellijk verlaten". De afmetingen van het bord zijn vermeld in NEN 3011:1986 "Veihgheidskleuren en tekens".
Bij brandblusinstallaties met kooldioxide als blusgas wordt het volgende in acht genomen:
- a.
Ruimten waar een dergelijke installatie in werking gaat treden worden onmiddellijk verlaten.
- b.
Een optisch en akoestisch signaal waarschuwt voor inwerkingtreding van de installatie.
- c.
Een vertraging van minimaal 30 seconden is ingebouwd tussen het tijdstip van alarmering en het vrijkomen van het blusmiddel.
- d.
Zodanige vluchtvoorzieningen zijn aanwezig in de betreffende ruimten dat werknemers deze ruimten kunnen verlaten voor het begin van het uitstromen van de blusstof.
- e.
Aan de buitenzijde van deze ruimten bevmdt zich een schakelaar waarmee de brandblusinstallaties handmatig kan worden geblokkeerd.
- f.
Tenminste twee persluchtademhalingstoestellen zijn aanwezig in de onmiddellijke nabijheid van de met bedoelde installaties beveiligde ruimten.
- g.
Geen andere werknemers dan personen als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 betreden een ruimte waar een kooldioxide blusinstallatie in werking is getreden. Deze personen maken gebruik van een persluchtademhalingtoestel.
Bij brandblusinstallaties met mertgas als blusgas wordt het volgende in acht genomen:
- a.
Ruimten waar een dergelijke installatie in werking treedt, worden onmiddellijk verlaten.
- b.
Zodanige vluchtvoorzieningen zijn aanwezig in de betreffende ruimten dat de werknemers deze ruimten binnen 1 minuut na het begin van het uitstromen van de blusstof hebben kunnen verlaten.
- c.
Een optisch en akoestisch signaal waarschuwt voor inwerkingtreding van de installatie.
- d.
Ruimten beveiligd met bedoelde installaties waarin tijdens de blussing het zuurstofpercentage lager kan worden dan 10 volumeprocenten worden gelijkgesteld aan ruimten met kooldioxide blusinstallaties.
- e.
Tenminste twee persluchtademhalingstoestellen zijn aanwezig in de onmiddellijke nabijheid van de met bedoelde installaties beveiligde ruimten.
- f.
Geen andere werknemers dan personen als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 betreden een ruimte waar een mertgas blusinstallatie in werking is getreden. Deze personen maken gebruik van een persluchtademhalingtoestel.
Bij brandblusinstallaties met halonen en fluorkoolwaterstoffen (chemische blusmiddelen) wordt het volgende in acht genomen:
- a.
Ruimten waar bedoelde installatie voorzien van Halon 1211 of Halon 1301 als blusmiddel in een concentratie groter dan 10% in werking treedt, worden onmiddellijk verlaten.
- b.
Een optisch en akoestisch signaal waarschuwt voor inwerkingtreding van de installatie.
- c.
Halonen en fluorkoolwaterstoffen worden alleen als blusmiddelen in bedoelde systemen toegepast als de installatie beoogt oppervlaktebranden te bestrijden en de blustijd even lang is als de uitstroomtijd van het blusgas uit de bluscylinders.
- d.
Aan de buitenzijde van deze ruimten bevindt zich een schakelaar waarmee de brandblusinstallatie handmatig kan worden geblokkeerd.
Ten aanzien van het in open of gesloten spuitcabines of spuitwanden verspuiten van verf die zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare en ontvlambare oplosmiddelen bevat, worden de volgende voorzieningen adequaat geacht ter vermijding van het gevaar van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, dan wel ter beperking van de gevolgen van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.4, vierde lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
Technische voorzieningen
- a.
Spuitcabines en spuitwanden zijn vervaardigd van onbrandbare materialen.
- b.
Luchtfilters, verffilters voor plafonds, wanden en vloeren zijn vervaardigd van onbrandbaar materiaal.
- c.
Luchtkanalen zijn gemaakt van onbrandbaar materiaal volgens NEN 6064:1991 "Bepaling van de onbrandbaarheid van bouwmaterialen", inclusief aanvulling A1 1997.
- d.
In spuitcabines waar met tweecomponentenverven en nitrocelluloselakken wordt gespoten zijn geen hete voorwerpen of apparaten aanwezig met een oppervlaktetemperatuur hoger dan 80°C.
- e.
De elektrische installatie voldoet aan de voorschriften voor ruimten met brandgevaar, zoals aangegeven is in de volgende onderdelen van NEN 1010 "Veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties".
- –
NEN 1010-3:1996, "Algemene kenmerken", Bijlage CA 32, Indeling van uitwendige invloeden, in samenhang met
- –
NEN 1010-4:1996, "Beschermingsmaatregelen", Hoofdstuk 482, Bescherming tegen brand, en
- –
NEN 1010-7:2000, "Aanvullende en bijzondere bepalingen", Rubriek 875 2, Ruimten met brandgevaar
- –
- f.
Ruimteverwarming in spuitcabines vindt uitsluitend plaats door middel van heetwaterverwarming, lage druk stoomverwarming, elektrische apparatuur met een maximale oppervlaktetemperatuur van 200°C dan wel hete lucht verkregen van een gas- of olie gestookte luchtverwarmer, waarbij
- 1°.
de regelinstallatie voor de verwarming buiten de spuitcabine is geïnstalleerd,
- 2°.
de verbrandingslucht voor de gas- of olie gestookte luchtverwarmer geen gevaarlijke concentratie van brandbare oplosmiddelen bevat.
- 1°.
- g.
In een spuitcabine is per 200 m2 tenminste één poederblustoestel van ten minste 6 kg poeder aanwezig met een minimum van 2 blustoestellen. Deze zijn duidelijk zichtbaar opgehangen en te allen tijde goed bereikbaar.
- h.
Gesloten spuitcabines zijn voorzien van tenminste twee zelfsluitende vluchtdeuren die naar buiten draaiend zijn uitgevoerd en die zover mogelijk van elkaar zijn aangebracht.
- i.
Open en gesloten spuitcabines zijn uitgerust met een afzuiginstallatie met een voldoende capaciteit voor het betreffende proces teneinde te voorkomen dat de concentraties van brandbare dampen in die ruimten hoger worden dan 20% van de onderste explosiegrens van het dampmengsel van de betreffende stoffen.
- j.
Open en gesloten spuitcabines zijn uitgerust met eigen afzuiginstallaties die onderling niet zijn doorverbonden. De toe te voeren lucht, ter vervanging van de afgezogen lucht, is schoon en op kamertemperatuur. De verse lucht wordt verdeeld over een zo groot mogelijk oppervlak toegevoerd.
- k.
Ten aanzien van elektrostatische spuitinstallaties worden tevens de volgende voorzieningen getroffen
- 1°.
Alle objecten in een elektrostatische spuitinstallatie alsmede die installatie zelf, zijn geaard en met elkaar doorverbonden.
- 2°.
De handgreep van het spuitpistool van een elektrostatische handspuitinstallatie is geaard en zodanig uitgevoerd dat de spuiter continu een goede elektrische verbinding met de geaarde handgreep houdt ter voorkoming van oplading van het lichaam van de spuiter.
- 1°.
Organisatorische voorzieningen
- a.
Het aanmaken van verf met zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare en ontvlambare oplosmiddelen vindt plaats buiten de spuitcabine in een geschikte verfaanmaakruimte.
- b.
Verffilters worden tijdig vernieuwd en op de juiste wijze op zo kort mogelijke termijn afgevoerd.
- c.
Er wordt niet gerookt en open vuur of andere ontstekingsbronnen zijn vermeden in spuitruimten.
Ten aanzien van de opslag of toepassing van kooldioxide worden de volgende voorzieningen adequaat geacht ter vermijding van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.4, eerste tot en met derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, danwel ter beperking van de gevolgen van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.4, vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
In betreedbare ruimten waar kooldioxide wordt opgeslagen of toegepast, waaronder begrepen arbeid aan of verwijderen van reservoirs, installaties of andere verpakkingen waarin zich kooldioxide bevindt, wordt het kooldioxidegehalte permanent gemeten met een vast opgestelde detector in de volgende situaties:
- a.
in ruimten kleiner dan 100 m3 inhoud waar de luchtverversing van de totale inhoud van de ruimte minder dan vier keer per uur bedraagt;
- b.
in ruimten groter dan 100 m3 inhoud waar de luchtverversing van de totale inhoud van de ruimte minder dan twee keer per uur bedraagt.
Indien ventilatie wordt toegepast vindt afzuiging dicht bij de bodem (op ca 25 cm boven de bodem) plaats.
Indien in situaties als bedoeld in het eerste lid een stationaire meting redelijkerwijs niet uitvoerbaar is wordt voordat de ruimte wordt betreden alsmede tijdens het verblijf in die ruimte het kooldioxidegehalte gemeten met een draagbare detector.
De detectoren, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn voorzien van CE-markering en hebben.
- a.
een vooralarm dat in werking treedt wanneer de kooldioxideconcentratie in de ruimte 30 000 mg/m3 (1,5 volumeprocent) bedraagt,
- b.
een hoofdalarm dat in werking treedt wanneer de kooldioxideconcentratie in de ruimte 55 000 mg/m3 (3,0 volumeprocent) bedraagt.
Bij overschrijding van een kooldioxideconcentratie van 55 000 mg/m3 worden maatregelen getroffen om de toegang tot de ruimte te beletten dan wel wordt de ruimte alleen betreden met gebruik van onafhankelijke ademhalingsbeschermingsmiddelen.
De goede werking van de detectoren, bedoeld in het eerste en tweede lid, is gewaarborgd door middel van periodiek onderhoud en deskundige controle.
Deze beleidsregel is niet van toepassing op
- a.
ruimten waarin de aanwezige hoeveelheid kooldioxide minder dan 3,0 kg bedraagt en
- b.
kooldioxide in kleine draagbare brandblusapparaten tot 20 kg totale massa
(Deze beleidsregel is in werking getreden op 1 maart 2001 en aangepast middels het onderhavige besluit)
Ten aanzien van de opslag en toepassing van vloeibare stikstof worden de volgende voorzieningen adequaat geacht ter vermijding van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.4, eerste tot en met derde lid. van het Arbeidsomstandighedenbesluit, danwel ter beperking van de gevolgen van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.4 vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
In betreedbare ruimten waar vloeibare stikstof wordt opgeslagen of toegepast, waaronder begrepen het vullen, leegmaken of verwijderen van reservoirs of installaties, wordt het zuurstofgehalte permanent gemeten met een vast opgestelde detector in de volgende situaties:
- a.
in ruimten kleiner dan 100 m3 inhoud waar de luchtverversing van de totale inhoud van de ruimte minder dan vier keer per uur bedraagt;
- b.
in ruimten groter dan 100 m3 inhoud waar de luchtverversing van de totale inhoud van de ruimte minder dan twee keer per uur bedraagt.
Indien in situaties als bedoeld in het eerste lid een stationaire meting redelijkerwijs met uitvoerbaar is wordt voordat de ruimte wordt betreden alsmede tijdens het verblijf in die ruimte het zuurstofgehalte gemeten met een draagbare detector.
De detectoren bedoeld in het eerste en tweede lid zijn voorzien van CE-markering en hebben.
- a.
een vooralarm dat in werking treedt wanneer de zuurstofconcentratie in de ruimte 19 volumeprocent bedraagt;
- b.
een hoofdalarm dat in werking treedt wanneer de zuurstofconcentratie in de ruimte lager is dan 18 volumeprocent.
Bij een zuurstofconcentratie van 18 volumeprocent of lager worden maatregelen getroffen om de toegang tot de ruinte te beletten dan wel wordt de ruimte alleen betreden met gebruik van onafhankelijke ademhalingsbeschermingsmiddelen.
De goede werking van de detector blijft gewaarborgd door middel van periodiek onderhoud en deskundige controle.
Deze beleidsregel is niet van toepassing voor ruimten waarin de aanwezige hoeveelheid vloeibare stikstof minder dan 3,0 kg bedraagt.
(Deze beleidsregel is in werking getreden op 1 maart 2001 en aangepast middels het onderhavige besluit)
Er is sprake van een zodanige mate van blootstelling aan stoffen in een ruimte dat gevaar voor verstikking, bedwelming of vergiftiging dan wel brand of explosie als bedoeld in artikel 4.6 eerste lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit bestaat indien in ieder geval in die ruimte:
- a.
de concentratie aan zuurstof lager is dan 18 volumeprocent en als deze hoger is dan 21 volumeprocent, of
- b.
de concentratie van brandbare of explosieve gassen of dampen hoger is dan 10 volumeprocent van de onderste explosiegrens, of
- c.
de concentratie van een stof de bestuurlijke of wettelijke grenswaarde voor die stof overschrijdt.
Voor de scheepvaart geldt de Bekendmaking aan de Scheepvaart nr 313/1996 voor de bepaling van de luchtkwaliteit (1 volumeprocent Lower Explosion Limit en 21 volumeprocent zuurstof).
Adequaat onderzoek als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit houdt in dat voor het betreden van de ruimte in deze ruimte met geschikte meetapparatuur wordt vastgesteld of de feitelijke situatie zodanig is dat gevaren voor brand, explosie, vergiftiging, verstikking of bedwelming niet zullen optreden. Dit wordt vastgesteld door achtereenvolgens:
- a.
bepaling van het zuurstofgehalte als de kans op verstikking of van een met zuurstof verrijkte atmosfeer bestaat;
- b.
bepaling van de samenstelling van het mengsel dat een risico vormt ten aanzien van brand en/of explosie en vergelijking van de waarde met de explosiegrenzen van de desbetreffende stof(fen);
- c.
bepaling van de concentraties van aanwezige stoffen wanneer de kans op vergiftiging of bedwelming bestaat en vergelijking van de gemeten waarden met wettelijke of bestuurlijke grenswaarden voor deze stoffen zoals gepubliceerd in de "Nationale MAC-lijst".
Gedurende de werkzaamheden worden frequente herhalingsmetingen uitgevoerd van de aanwezige stoffen en zuurstof indien de kans op brand, explosie, vergiftiging, verstikking of bedwelming in de ruimte of nabij de toegang van de ruimte tijdens de werkzaamheden blijft bestaan of vergroot wordt.
Het onderzoek wordt uitgevoerd door personen, die zowel op de hoogte zijn van de gevaren van bedoelde ruimten als van de van toepassing zijnde meetmethoden en zodanig dat de resultaten eenduidig en betrouwbaar zijn. De resultaten worden schriftelijk vastgelegd.
Maatregelen gericht op het veilig kunnen betreden en kunnen verlaten van een ruimte als bedoeld in artikel 4.6, tweede en derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit worden als doeltreffend aangemerkt indien daarbij rekening is gehouden met de uitkomsten van het onderzoek bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, en de volgende punten daarbij worden in acht genomen.
- 1.
Alvorens iemand de ruimte betreedt wordt ervoor gezorgd dat de luchtverversing adequaat is zodat het ontstaan van het gevaar, bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, in de ruimte wordt voorkomen. Wanneer er kans is op een explosieve atmosfeer wordt voor de luchtverversing explosieveilige apparatuur toegepast. Wanneer het gevaar, bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, in de ruimte niet kan worden voorkomen wordt bij betreding gebruik gemaakt van onafhankelijke ademhalingsbeschermingsmiddelen waarvan de luchttoevoer onafhankelijk is van de atmosfeer in de ruimte.
- 2.
Om te voorkomen dat een dergelijke ruimte door onbevoegden wordt betreden zijn de toegangen tot die ruimte voorzien van het waarschuwingsbord "Gevaar", zoals beschreven in bijlage XIA bij de Arbeidsomstandighedenregeling, met daaronder duidelijk zichtbaar de tekst "Niet betreden besloten ruimte".
- 3.
Wanneer uit het onderzoek vooraf blijkt dat de werkzaamheden kunnen aanvangen, worden de werkzaamheden zo ingericht dat door toepassing van luchtverversing het ontstaan van een gevaarlijke atmosfeer tijdens de werkzaamheden zoveel mogelijk wordt tegengegaan. Alle leidingen die op de besloten ruimte zijn aangesloten, zijn afgeblind door middel van goed zichtbare blind- of steekflenzen of zodanig losgekoppeld, dat geen gassen of vloeistoffen vanuit de leidingen in de ruimte kunnen komen
- 4.
Bij het werken in bedoelde ruimte is een persoon buiten de ruimte aanwezig die meteen kan optreden wanneer de gevaren zich daadwerkelijk voordoen
- 5.
Wanneer er sprake is van gevaar voor brand en/of explosie worden vonkvrije gereedschappen gebruikt en arbeidsmiddelen toegepast die voldoen aan de eisen neergelegd in het op de Warenwet gebaseerde Warenwetbesluit explosieveilig materieel. Werk waarbij vonken of hete oppervlakken kunnen ontstaan wordt alleen uitgevoerd wanneer de concentratie van de brandbare stoffen in de atmosfeer ter plekke lager is dan 10 volumeprocent van de LEL (lower explosion limit) van de betreffende stof(fen).
- 6.
Indien er gevaar bestaat voor het vlam vatten van stoffen of voorwerpen die tot ontbranding kunnen overgaan worden de plaatsen binnen de bedoelde ruimte waar met open vuur wordt gewerkt eerst zorgvuldig van deze stoffen of voorwerpen ontdaan en worden de werkzaamheden met open vuur alleen verricht als adequate brandblusmiddelen van voldoende capaciteit aanwezig zijn.
- 7.
De werkgever beschikt over een noodprocedure in het kader van de bedrijfshulpverlening als bedoeld in artikel 2.18 van het Arbeidsomstandighedenbesluit voor het geval zich in bedoelde ruimten de in artikel 4.6, eerste lid, genoemde gevaren daadwerkelijk voordoen. In deze procedure worden noodmaatregelen, verantwoordelijkheden en taken vastgelegd.
Als een onderdeel van deze procedure geldt in ieder geval dat bij het werken in bedoelde ruimte altijd een persoon buiten de ruimte aanwezig is die ter plekke toezicht houdt en meteen kan optreden wanneer de gevaren zich voordoen.
- 8.
Personen die bedoelde ruimte betreden dragen een reddingsgordel. Deze gordel is voorzien van een voldoende lange en sterke reddingslijn die bestendig is tegen de stoffen die in de besloten ruimte aanwezig zijn. Deze lijn wordt in de nabijheid van de toegang van de ruimte deugdelijk vastgezet.
- 9.
In afwijking van het in punt 8 gestelde geldt voor moeilijk toegankelijke of kleine besloten ruimten dat, wanneer de beoordeling in het kader van de inventarisatie en evaluatie van risico's bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet 1998, daartoe leidt, andere hulpmiddelen toegepast danwel andere maatregelen getroffen kunnen worden om de veiligheid van de persoon die de besloten ruimte betreedt te verzekeren.
Maatregelen als bedoeld in artikel 4.9, eerste tot en met het achtste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn in elk geval niet doeltreffend als de concentraties van stoffen in de ademzone van werknemers de voor die stoffen vastgestelde wettelijke of bestuurlijke grenswaarden overschrijden. Laatstgenoemde grenswaarden zijn gedefinieerd in beleidsregel 42-1. Als voor de desbetreffende stof geen wettelijke of bestuurlijke grenswaarde is vastgesteld, geldt dat overschrijding van een door de werkgever vast te stellen grenswaarde, die naar de huidige stand van wetenschap en inzicht als een veilige blootstellingsgrens kan worden beschouwd, strijdig is met het bepaalde in dit lid bij blootstelling aan stoffen waarvan bekend is dat de afzonderlijke componenten dezelfde toxische werking hebben op eenzelfde orgaansysteem, geldt de zogenaamde additieregel, als bedoeld in bijlage 7, behorend bij beleidsregel 42-1 voor het vaststellen van de waarde die met mag worden overschreden.
Maatregelen als bedoeld in artikel 4.9, eerste tot en met het zevende lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn niet doeltreffend als huidcontact aanwezig is of mogelijk blijkt met stoffen waarvoor een huidnotatie is vastgesteld, zoals opgenomen in de lijst van wettelijke grenswaarden in bijlage VI bij de Arbeidsomstandighedenregeling, dan wel in de lijst van bestuurlijke grenswaarden in bijlage 6 bij deze beleidsregels. In dergelijke situaties worden doelmatige persoonlijke huidbeschermingsmiddelen gedragen, als bedoeld in artikel 4.9, achtste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
Maatregelen als bedoeld in artikel 4.9 eerste tot en met het zevende lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn niet doeltreffend als huidcontact aanwezig is of mogelijk blijkt met stoffen, die voldoen aan de criteria voor toekenning van de volgende gevaarszinnen en veiligheidsaanbevelingen (R- en S-zinnen):
- a.
R21: "Schadelijk bij aanraking met de huid"
- b.
R24: "Vergiftig bij aanraking met de huid"
- c.
R27: "Zeer vergiftig bij aanraking met de huid"
- d.
R34: "Veroorzaakt brandwonden"
- e.
R35: "Veroorzaakt ernstige brandwonden"
- f.
R38: "Irriterend voor de huid"
- g.
R43: "Kan overgevoeligheid veroorzaken bij contact met de huid"
- h.
S36: "Draag geschikte beschermende kleding"
- i.
S37: "Draag geschikte handschoenen"
In dergelijke situaties worden doelmatige persoonlijke huidbeschermingsmiddelen gedragen als bedoeld in artikel 4.9, achtste lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
Maatregelen als bedoeld in artikel 4.9, eerste tot en met het zevende lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn met doeltreffend als oogcontact aanwezig is of mogelijk blijkt met stoffen, die voldoen aan de criteria voor toekenning van de volgende gevaarszinnen en veihgheidsaanbevelingen:
- a.
R34: "Veroorzaakt brandwonden"
- b.
R35: "Veroorzaakt ernstige brandwonden"
- c.
R36: "Irriterend voor de ogen"
- d.
R41: "Gevaar voor ernstig oogletsel"
- e.
S39: "Een beschermingsmiddel voor de ogen/voor het gezicht dragen" In dergelijke situaties worden doelmatige persoonlijke oog- of gezichtsbeschermingsmiddelen gedragen als bedoeld in artikel 4.9, achtste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
Deze beleidsregel is niet van toepassing op stoffen die in de vorm van lading vervoerd worden.
Bij schadelijke of hinderlijke blootstelling aan rook als gevolg van lassen, gutsen, plasmasnijden en solderen van metaal, wordt voldaan aan artikel 4.8b, eerste, derde en vierde lid, artikel 4.9, eerste tot en met derde lid en het vijfde tot en met negende lid, artikelen 4.16, 4.17, 4.18, juncto hoofdstuk 8, afdeling 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, indien de ‘Praktijkrichtlijn, beschrijving van doeltreffende maatregelen bij blootstelling aan rook en/of gassen afkomstig van lassen en/of verwante processen’ (13 maart 2002), in acht wordt genomen.
Bij het ter beschikking stellen van persoonlijke beschermingsmiddelen ais bedoeld in artikel 4.8b en artikel 4.9 achtste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, ter bescherming van werknemers tegen mhalatoire blootstelling aan stoffen wordt het volgende in acht genomen.
- 1.
Om te beoordelen of een persoonlijke beschermingsmiddel als bedoeld in artikel 4.9 achtste lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit geschikt is om de inhalatoire blootstelling aan stoffen tot een voldoende laag niveau te beperken, wordt voor de vaststelling van de blootstellingsreductie bij gebruik van een middel uitgegaan van de door de leverancier opgegeven nominale protectiefactor (NPF) in relatie tot arbeidsbelasting en belastbaarheid van de betrokken werknemers.
- 2.
Een ademhalingsbeschermingsmiddel met een systeem dat de omgevingslucht filtert is met geschikt indien de gas- of dampconcentratie van de te filteren stof in de omgevingslucht hoger is dan 1 volumeprocent.
- 3.
Bij blootstelling aan inert zwevend stof met een MAC-waarde van 10 milligram per kubieke meter lucht wordt een P1SL filtertype die voldoet aan de norm NEN-EN 143 2000 "Ademhalingsbeschermingsmiddelen. Deeltjesfilters Eisen beproeving merking", toegepast of een filter met vergelijkbare NPF ingeval van blootstelling aan dampen of gassen.
- 4.
Bij blootstelling aan stoffen met een wettelijke grenswaarde of een MAC-waarde tussen 0,1 en 10 milligram per kubieke meter lucht wordt minimaal een P2SL filtertype die voldoet aan voornoemde norm NEN-EN 143, toegepast of een filter met vergelijkbare NPF ingeval van blootstelling aan dampen of gassen.
- 5.
Bij blootstelling aan stoffen met een wettelijke grenswaarde of een MAC-waarde kleiner dan 0,1 milligram per kubieke meter lucht wordt mmimaal een P3SL filtertype die voldoet aan voornoemde norm NEN-EN 143, toegepast of een filter met vergelijkbare NPF ingeval van blootstelling aan dampen of gassen.
- 6.
Half- en kwartgelaatsmaskers met filter(systemen) die de omgevingslucht filteren zijn ongeschikt voor bescherming tegen stoffen met een wettelijke grenswaarde of een MAC-waarde kleiner dan 0,1 milligram per kubieke meter lucht.
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
- a.
verontreinigde grond en verontreinigd grondwater: grond die en grondwater dat op basis van de circulaire Streefwaarden en interventiewaarden bodemsanering van de minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 24 februari 2000 (Stcrt 2000, 39) als zodanig wordt gekenmerkt;
- b.
MAC-waarde: de wettelijke grenswaarde of bij het ontbreken daarvan, de bestuurlijke grenswaarde, of bij het ook ontbreken van een bestuurlijke grenswaarde, de door de werkgever zelf vastgestelde waarde, bedoeld in beleidsregel 4.2 -1;
- c.
een vluchtige stof of vluchtige verontreiniging: een stof of verontreiniging met een kookpunt lager dan 350 °C én een dampspanning (uitgedrukt in millibar bij 20 °C), groter dan éénduizendste van de MAC-waarde van die stof of verontreiniging (met andere woorden, indien 103 Pd > MAC);
- d.
serpentijnasbest: stoffen die de vezelachtige silicaat chrysotiel bevat;
- e.
amfiboolasbest: stoffen die de vezelachtige silicaten crocidoliet, amosiet, actinoliet, anthofylliet of tremoliet bevatten.
In deze beleidsregel wordt, in aanvulling op de in het eerste lid, onder a, genoemde circulaire, onder verontreinigde grond of verontreinigd grondwater tevens verstaan: grond of grondwater waarin zich asbest bevindt in een concentratie, hoger dan de gewogen norm van 100 mg/kg droge stof (serpentijnasbestconcentratie, vermeerderd met tien maal de amfiboolasbestconcentratie).
In deze beleidsregel wordt, in aanvulling op de onder a genoemde circulaire, onder verontreinigde grond tevens verstaan: grond, waarvan het gehalte steenachtige of andere materialen meer dan 20-volumeprocenten bedraagt.
Bij werkzaamheden in of met verontreinigde grond waarbij de verontreiniging zodanig is dat de werkzaamheden, volgens de in beleidsregel 4.2 -2, tweede lid, bedoelde systematiek, niet ingedeeld behoeven te worden in een risicoklasse, wordt in ieder geval onder doeltreffende maatregelen als bedoeld in artikel 4.9, eerste tot en met achtste lid, artikel 4.18 en artikel 4.19 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, dan wel voorzieningen ter voorkoming of beperking van de gevolgen van ongewilde gebeurtenissen als bedoeld in artikel 4.4, eerste tot en met vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, het volgende verstaan:
- a.
binnen de verontreinigde zone worden beschermende werkkleding en persoonlijke beschermingsmiddelen gedragen die bestaan uit, of minimaal dezelfde bescherming bieden als:
- 1°
een goed sluitende overall met rits zonder zakken of openingen;
- 2°
bouwveiligheidslaarzen/-schoenen;
- 3°
handschoenen van voldoende sterkte en ondoordringbaar voor aanwezige verontreinigingen;
- 1°
- b.
wasgelegenheden en doucheruimten als bedoeld in artikel 3.23, eerste en tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn aanwezig buiten de verontreinigde zone.
Bij werkzaamheden in of met verontreinigde grond of verontreinigd grondwater waarop beleidsregel 4.2 - 2, tweede lid, van toepassing is en op grond daarvan de werkzaamheden zijn ingedeeld in klasse 0T en 0F, zijn maatregelen doeltreffend als bedoeld in artikel 4.9, eerste tot en met achtste lid, artikel 4.18 en artikel 4.19 van het Arbeidsomstandighedenbesluit dan wel worden voorzieningen ter voorkoming of beperking van de gevolgen van ongewilde gebeurtenissen als bedoeld in artikel 4.4, eerste tot en met vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit adequaat geacht indien de volgende aanvullende maatregelen worden getroffen:
- a.
de maatregelen zoals hiervoor genoemd in het vierde lid, onder a;
- b.
alvorens de werkzaamheden te beginnen is een draaiboek voor de werkzaamheden opgesteld, waarin onder andere een omschrijving van het werk, een globaal tijdschema, een lijst van verontreinigingen, (de argumentatie voor) de indeling in risicoklassen, de taakverdeling en de beschermende maatregelen zijn opgenomen;
- c.
tijdens de werkzaamheden met grond die of grondwater dat verontreinigd is met kankerverwekkende stoffen, waaronder asbest, of mutagene stoffen als bedoeld in de afdelingen 2 en 5 van hoofdstuk 4 van het Arbobesluit, wordt voldaan aan artikel 4.15, eerste lid en artikel 4.53, indien een logboek wordt bijgehouden, waarin dagelijks aantekening wordt gehouden van de gevallen waarin wordt afgeweken van het draaiboek en de reden hiervoor, de resultaten van uitgevoerde luchtmetingen en een overzicht van de personen die de locatie hebben bezocht;
- d.
de plaats waar met verontreinigd grond(water) wordt gewerkt is afgebakend door middel van een hekwerk;
- e.
binnen de verontreinigde zone worden bij de hierna te noemen situaties de volgende voorgeschreven beschermende werkkleding en persoonlijke beschermingsmiddelen gedragen die bestaan uit, of minimaal dezelfde bescherming bieden als:
- 1°
bij schoonspoelen of schoonborstelen van materieel vloeistofdichte overkleding, gelaatsscherm en een masker met stoffilter klasse P2 of P3;
- 2°
indien contact mogelijk is met verontreinigd grondwater, natte grond of de vloeibare verontreiniging zelf, overkleding van vloeistofdicht materiaal;
- 3°
in gevallen dat men verontreinigd water in het gezicht kan krijgen, oog- of gezichtsbescherming;
- 1°
- f.
het type, de kwaliteit en het aantal van de onder a en e bedoelde beschermingsmiddelen worden vastgesteld door een deskundige;
- g.
cabines van grondverzetwerktuigen en van transportmiddelen die op het werkterrein blijven, zijn voorzien van een overdrukfilter- en klimaatregelingsinstallatie met stof- en koolfilters met een zodanige filterkwaliteit en -capaciteit dat de MAC-waarden van stoffen in de cabineruimte niet worden overschreden. Bij de keuze voor de filterkwaliteit en capaciteit wordt tevens rekening gehouden met de risicoklasse van de werkzaamheden;
- h.
toiletten, urinoirs, wasbakken en ontspannings-, kleed-, was- en doucheruimten als bedoeld in artikel 3.22, tweede en vierde lid, artikel 3.23, eerste en tweede lid, artikel 3.24, derde lid en artikel 4.20, eerste, derde en vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit bevinden zich op de grens van de verontreinigde zone; de ruimte waar de persoonlijke kleding en het schoeisel gedurende de werkdag worden bewaard, wordt door middel van de doucheruimte duidelijk gescheiden van de ruimte waar de werkkleding wordt bewaard.
Indien de werkzaamheden met verontreinigde grond of verontreinigd grondwater zijn ingedeeld in klasse 1T, worden alle in het vijfde lid voor klasse 0T en 0F genoemde maatregelen getroffen, aangevuld met de volgende maatregelen:
- a.
indien gewerkt wordt in of met grond die of grondwater dat vluchtige verontreinigingen bevat, worden regelmatig indicatieve metingen verricht van die vluchtige stoffen waarvan in relatie met de MAC-waarde voor die vluchtige stoffen, verhoudingsgewijs de hoogste concentraties worden verwacht. De meetfrequentie is aan de volgende voorwaarden gebonden:
- 1°
er wordt ten minste tweemaal per dag gemeten (kort na aanvang van de werkzaamheden) op plaatsen waar (het meest intensief) wordt gewerkt;
- 2°
in aanvulling op het onder 1° gestelde wordt extra gemeten:
- i.
wanneer (ongebruikelijke) geuren worden waargenomen, of
- ii.
wanneer op diepte wordt gewerkt telkens bij het begin van de werkzaamheden en tijdens intensieve werkzaamheden nog een enkele keer ter controle, of
- iii.
wanneer in diepe en smalle sleuven wordt gewerkt, wordt zeer vaak of continue gemeten;
- i.
- 1°
- b.
indien het meetresultaat van een bepaalde stof hoger is dan 20% van de MAC-waarde wordt die (groep van) stoffen gemeten volgens de meetstrategie behorende bij klasse 2T.
Indien de werkzaamheden met verontreinigde grond of verontreinigd grondwater zijn ingedeeld in klasse 2T, worden alle in het vijfde lid voor klasse 0T en 0F genoemde maatregelen getroffen en aangevuld met de volgende maatregelen:
- a.
een deskundige op het terrein van de arbeidshygiëne of veiligheidskunde als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt betrokken bij de voorbereiding van de werkzaamheden;
- b.
alle op het werk aanwezige personen dragen handschoenen;
- c.
indien gewerkt wordt in of met grond die of grondwater dat vluchtige verontreinigingen bevat, worden regelmatig indicatieve metingen verricht van die vluchtige stoffen waarvan in relatie tot de MAC-waarde voor die vluchtige stoffen, verhoudingsgewijs de hoogste concentraties worden verwacht; de frequentie van de metingen op plaatsen waar gewerkt wordt is als volgt:
- 1°
ten minste 4 keer per halve werkdag (voor en tijdens het werk) op die plaatsen waar de natuurlijke ventilatie beperkt is door de diepe ligging of door andere omstandigheden;
- 2°
4 keer per halve werkdag indien de windsnelheid op een representatieve plek op maaiveldniveau regelmatig beneden de 1 m/s ligt;
- 3°
2 keer per halve werkdag indien de gemiddelde windsnelheid op dezelfde plek gemeten tussen de 1 en 3 m/s ligt;
- 4°
1 keer per halve werkdag bij een gemiddelde windsnelheid groter dan 3 m/s;
- 1°
- d.
indien het meetresultaat van een bepaalde stof hoger is dan 20% van de MAC-waarde, wordt die (groep van) stoffen gemeten volgens de meetstrategie behorende bij klasse 3T;
- e.
de metingen worden uitgevoerd door iemand met voldoende kennis van en vaardigheid met het uitvoeren en interpreteren van de metingen;
- f.
als het werk is ingedeeld in klasse 2T én klasse 1F of 2F, zijn de transportmiddelen die het vervoer van de verontreinigde grond verzorgen voorzien van een overdrukfilter- en klimaatregelingsinstallatie met stof- en koolfilters, zoals bedoeld voor werken voertuigen die op het werkterrein blijven.
Indien de werkzaamheden met verontreinigde grond of verontreinigd grondwater zijn ingedeeld in klasse 3T, worden alle in het vijfde lid voor klasse 0T en 0F genoemde maatregelen getroffen en aangevuld met de volgende maatregelen:
- a.
een deskundige op het terrein van de arbeidshygiëne of veiligheidskunde als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt betrokken bij de voorbereiding en uitvoering van de werkzaamheden; de deskundige of diens, onder zijn verantwoordelijkheid opererende en door hem voldoende deskundig geachte plaatsvervanger, is tijdens de werkzaamheden permanent aanwezig;
- b.
deze deskundige geeft voorlichting en onderricht aan werknemers, advies en ondersteuning bij het opstellen van het draaiboek, en geeft advies en ondersteuning bij de uitvoering van de werkzaamheden; bij werkzaamheden met grond die of grondwater dat verontreinigd is met kankerverwekkende stoffen, waaronder asbest, of mutagene stoffen als bedoeld in de afdelingen 2 en 5 van hoofdstuk 4 van het Arbobesluit, houdt de deskundige dagelijks het logboek bij, als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel c;
- c.
door of onder toezicht van deze deskundige of diens plaatsvervanger wordt met continu registrerende apparatuur de kwaliteit van de omgevingslucht bewaakt; het meten van de concentraties vluchtige stoffen in de omgevingslucht, wordt permanent of zeer frequent uitgevoerd, naar inzicht van de deskundige;
- d.
de transportmiddelen die de verontreinigde grond vervoeren, zijn voorzien van een overdrukfilter- en klimaatregelingsinstallatie met stofen koolfilters, overeenkomstig de werk- en voertuigen die het werkterrein niet verlaten;
- e.
bij werkzaamheden in of met verontreinigde grond of grondwater, waarbij de verontreiniging uit asbest bestaat in een concentratie, hoger dan de gewogen norm op het niveau van 100 mg/kg droge stof (serpentijnasbestconcentratie, vermeerderd met tien maal de amfiboolasbestconcentratie), zijn tevens de voorschriften bedoeld in artikel 4.45, artikel 4.49 en 4.55, eerste lid, onderdeel d, 4.56 en artikel 4.57 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
- 1°
het voorkomen of beperken van de blootstelling, als bedoeld in artikel 4.18, derde lid, kan worden uitgevoerd door het vochtig houden van de verontreinigde grond en bodem, resulterend in een vochtgehalte van minimaal 10%;
- 2°
de meting, bedoeld in artikel 4.55, eerste lid, onderdeel d, wordt uitgevoerd in de vorm van een visuele inspectie, als bedoeld in beleidsregel 4.55.
- 1°
Indien de werkzaamheden met verontreinigde grond of verontreinigd grondwater zijn ingedeeld in klasse 1F, worden alle in het vijfde lid voor klasse 0T en 0F genoemde maatregelen getroffen, aangevuld met de volgende:
- a.
er wordt voor zorggedragen dat er geen open vuur is;
- b.
permanent op het werk aanwezig materieel is uitgerust met vonkenvangers op de uitlaten;
- c.
ter plaatse van de werkzaamheden zijn brandblusmiddelen beschikbaar.
Indien de werkzaamheden met verontreinigde grond of verontreinigd grondwater (al dan niet tijdelijk) zijn ingedeeld in klasse 2F, worden alle voor klasse 1F geldende maatregelen als bedoeld in het negende lid getroffen en aangevuld met de volgende maatregelen:
- a.
een deskundige op het terrein van de veiligheidskunde als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt betrokken bij de voorbereiding en uitvoering van de werkzaamheden; deze deskundige geeft advies en verleent ondersteuning bij het opstellen van de brand- en explosieparagraaf van het draaiboek en bij de daadwerkelijke uitvoering van de werkzaamheden; bij werkzaamheden met grond die of grondwater dat verontreinigd is met kankerverwekkende of mutagene stoffen als bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk 4 van het Arbobesluit, houdt de deskundige dagelijks het logboek bij, als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel c;
- b.
indien de werkzaamheden in of met verontreinigde grond of verontreinigd grondwater zijn ingedeeld in de klasse 2F, worden met een explosiemeter frequent of permanent metingen uitgevoerd naar de concentraties van de desbetreffende stoffen;
- c.
indien uit deze permanente metingen blijkt dat de concentratie ontvlambare stoffen in de lucht de grens van 10% van de onderste explosiegrens voor een van die stoffen overschrijdt, wordt het werk onmiddellijk gestaakt en wordt de locatie onmiddellijk verlaten, tenzij naar het inzicht van de deskundige, bedoeld in onderdeel a, bepaalde werkzaamheden nog kunnen worden uitgevoerd.
Indien de werkzaamheden zijn ingedeeld in zowel een T klasse als een F klasse, is het zwaarste regime bepalend voor de wijze waarop en de frequentie waarmee de concentraties van stoffen worden gemeten.
Bij blootstelling aan inhalatie anesthetica in ziekenhuizen wordt aan de in artikel 4.9 eerste lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit opgenomen verplichting tot het nemen van doeltreffende maatregelen voldaan, indien adequate arbeidsmiddelen dan wel werkmethoden worden toegepast overeenkomstig het in bijlage 11 bij deze beleidsregels gestelde.
(Deze beleidsregel is in werking getreden op 1 juni 2001)
Vervallen
Om te beoordelen of een persoonlijke beschermingsmiddel als bedoeld in artikel 4.18, vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit geschikt is om de inhalatoire blootstelling aan kankerverwekkende stoffen tot een voldoende laag niveau te beperken, wordt voor de vaststelling van de blootstellingsreductie bij gebruik van een middel uitgegaan van de door de leverancier opgegeven nominale protectiefactor (NPF) in relatie tot arbeidsbelasting en belastbaarheid van de betrokken werknemers.
Bij blootstelling aan kankerverwekkende stoffen met een genotoxisch werkingsmechanisme dient minimaal een volgelaatsmasker met P3SL stoffilterkwaliteit, die voldoet aan de norm NEN-EN 143:2000 "Ademhalingsbeschermingsmiddelen. Deeltjesfilters. Eisen, beproeving, merking", of een filter met equivalente NPF bij damp of gasvormige blootstelling gedragen te worden.
Het gebruik van ademhalingsbeschermmgmiddelen met filter(systemen) die de omgevingslucht filteren zijn met toegestaan indien de gas- of dampconcentratie in de omgevingslucht hoger is dan 1 volumeprocent.
Deze beleidsregel is niet van toepassing bij blootstelling aan asbest. Ten aanzien van doeltreffende persoonlijke beschermingsmiddelen bij blootstelling aan asbest wordt gehandeld overeenkomstig het in beleidsregel 4.18-3 gestelde.
Deze beleidsregel is niet van toepassing bij blootstelling aan respirabel kwarts in de bouwnijverheid. Ten aanzien van doeltreffende ademhalingsbeschermingsmiddelen bij blootstelling aan respirabel kwarts in deze sector, wordt gehandeld overeenkomstig het in beleidsregel 4.18-4 gestelde.
Maatregelen als bedoeld in artikel 4.18, eerste tot en met derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn niet doeltreffend als
- 1.
het blootstellingsniveau van een kankerverwekkende stof met een niet-genotoxisch werkingsmechanisme de wettelijke grenswaarde voor die stof, zoals opgenomen in de bijlage VII van de Arbeidsomstandighedenregeling, overschrijdt;
- 2.
het blootstellingsniveau van een kankerverwekkende stof met een genotoxisch werkingsmechanisme de wettelijke grenswaarde voor die stof, zoals opgenomen in de bijlage VII van de Arbeidsomstandighedenregeling, overschrijdt. Bovendien moet een zo laag mogelijk blootstellingsniveau worden nagestreefd;
- 3.
huidcontact aanwezig is of mogelijk blijkt met kankerverwekkende stoffen waarvoor een huidnotatie is vastgesteld zoals opgenomen in de lijst van grenswaarden in bijlage VII van de Arbeidsomstandighedenregeling, of die kankerverwekkend zijn voor de huid. In dergelijke situaties worden doelmatige persoonlijke huidbeschermingsmiddelen gedragen als bedoeld in artikel 4.18, vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
- 4.
huidcontact aanwezig is of mogelijk blijkt met kankerverwekkende stoffen, die voldoen aan de criteria voor toekenning van de volgende gevaarszinnen en veiligheidsaanbevelingen (R- en S-zinnen):
- a.
R21: "Schadelijk bij aanraking met de huid"
- b.
R24: "Vergiftig bij aanraking met de huid"
- c.
R27: "Zeer vergiftig bij aanraking met de huid"
- d.
R34: "Veroorzaakt brandwonden"
- e.
R35: "Veroorzaakt ernstige brandwonden"
- f.
R38: "Irriterend voor de huid"
- g.
R43: "Kan overgevoeligheid veroorzaken bij contact met de huid"
- h.
S36: "Draag geschikte beschermende kleding"
- i.
S37: "Draag geschikte handschoenen"
In dergelijke situaties worden doelmatige persoonlijke huidbeschermingsmiddelen gedragen, als bedoeld in artikel 4.18, vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
- a.
- 5.
oogcontact aanwezig is of mogelijk blijkt met kankerverwekkende stoffen, die voldoen aan de criteria voor toekenning van de volgende gevaarszinnen en veiligheidsaanbevelingen (R- en S-zinnen):
- a.
R34: "Veroorzaakt brandwonden"
- b.
R35: "Veroorzaakt ernstige brandwonden"
- c.
R36: "Irriterend voor de ogen"
- d.
R41: "Gevaar voor ernstig oogletsel"
- e.
S39: "Een beschermingsmiddel voor de ogen/voor het gezicht dragen"
In dergelijke situaties worden doelmatige persoonlijke oog- of gezichtsbeschermingsmiddelen gedragen, als bedoeld in artikel 4.18, vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
- a.
Bij de roetmeting in het kader van de APK-keuring van dieselmotoren wordt aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 4.18, eerste en tweede lid, en artikel 6.8 van het Arbeidsomstandighedenbesluit voldaan indien de aanwijzingen in de Praktijkrichtlijn roetmeting, welke als bijlage 12 bij deze beleidsregels is gevoegd, worden gevolgd.
(Deze beleidsregel is in werking getreden op 23 juli 2000)
Onder persoonlijke beschermingsmiddelen als bedoeld in artikel 4.18, vierde lid, en artikel 4.47, derde lid, onder a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, die de betrokken werknemers doeltreffend beschermen tegen blootstelling aan asbeststof als bedoeld in artikel 4.46, vijfde lid, en artikel 4.47, eerste lid, wordt verstaan een volgelaatsmasker of overdrukpak met externe luchttoevoer via een compressor met luchtzuiveringsunit, welke voldoen aan de normen:
- a.
NEN-EN 137:1993 "Ademhalingsbeschermingsmiddelen. Onafhankelijk persluchttoestel. Eisen, beproeving, merken",
- b.
NEN-EN 139:1995 "Ademhalingsbeschermingsmiddelen. Slangentoestel geschikt voor ademlucht voor gebruik met een volgelaatmasker", inclusief correctieblad C1:1997.
Indien op basis van de resultaten van de risico-iventarisatie en -evaluatie het om veiligheidsredenen niet mogelijk is om de in het eerste lid genoemde typen ademhalingsbeschermingsmiddelen te gebruiken, kan in dergelijke situaties een volgelaatmasker met aanblaasunit en P3SL-filter en voorfilter worden toegepast, welke voldoen aan de normen:
- a.
NEN-EN 136:1998 "Ademhalingsbeschermingsmiddelen. Volgelaatmaskers. Eisen, beproevingsmethoden merken",
- b.
NEN-EN 143:2000 "Ademhalingsbeschermingsmiddelen. Deeltjesfilters. Eisen, beproevingmerking",
- c.
NEN-EN 12942:1998 "Ademhalingsbeschermingsmiddelen. Aangedreven filters gecombineerd met volgelaatmaskers, halfgelaatmaskers of kwartgelaatmaskers – Eisen beproeving, merken".
Aan het bepaalde in artikel 4.16, tweede en derde lid en artikel 4.18, eerste tot en met vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, wordt voor wat betreft het voorkomen dan wel beperken van blootstelling aan kristallijn respirabel kwarts in de bouwnijverheid voldaan wanneer adequate arbeidsmiddelen dan wel werkmethoden worden toegepast overeenkomstig het in tabel 1 van bijlage 13 bij deze beleidsregel gestelde en waar nodig aanvullende ademhalingsbeschermingsmiddelen worden gebruikt waarbij het gestelde in tabel 2 van bijlage 13 bij deze beleidsregel in acht genomen wordt.
Gasbeton en zandkalksteenblokken worden niet gezaagd, deze worden met een blokkenschaar op maat geknipt.
Bij de hierna vermelde werkzaamheden, niet in tabel 1 van bijlage 13 genoemd, worden in ieder geval ademhalingsbeschermingsmiddelen ter beschikking gesteld en gedragen: het aanbrengen van spuitbeton, koppensnellen, droog-gritstralen, nat-olivinezandstralen, nat-gritstralen en vacuumstralen.
De keuze en het gebruik van het juiste type ademhalingsbescherming worden bepaald door de hoogte van de blootstelling aan kwartsstof en de gebruiksomstandigheden. Daarbij wordt in acht genomen dat het ademhalingsbeschermingsmiddel geschikt is wanneer de daaraan toegekende protectiefactor, als genoemd in tabel 2 en de daarbij behorende onderdelen a. tot en met g. van bijlage 13 bij deze beleidsregel, toereikend is om de blootstelling aan kwartsstof te reduceren tot onder de op grond van artikel 4.20 van de Arbeidsomstandighedenregeling vastgestelde wettelijke grenswaarde voor kristallijn respirabel kwarts.
(Deze beleidsregel is in werking getreden op 1 januari 2001)
Bij blootstelling aan cytostatica in ziekenhuizen wordt aan de in artikel 4.18, eerste tot en met vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit opgenomen verplichtingen voldaan indien adequate arbeidsmiddelen dan wel werkmethoden worden toegepast of persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt overeenkomstig het in bijlage 14 bij deze beleidsregels gestelde.
(Deze beleidsregel is in werking getreden op 1 juni 2001)
Aan het gestelde in artikel 4.19, onder a van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voldaan als mondeling en schriftelijk voorlichting en onderricht wordt gegeven over:
- a.
de gevaren van desbetreffende kankerverwekkende en mutagene stoffen en de werkzaamheden ermee;
- b.
het veilig omgaan met deze stoffen;
- c.
hoe blootstelling zoveel mogelijk kan worden voorkomen;
- d.
hoe bij calamiteiten dient te worden gehandeld, een en ander conform de in artikel 4.6a van het Arbeidsomstandighedenbesluit bedoelde procedure;
- e.
het voorkomen op de lijst van blootgestelde werknemers en het recht op inzage;
- f.
het arbeidsgezondheidskundig onderzoek. De voorlichting en instructie worden tenminste een keer per jaar herhaald.
Aan het gestelde in artikel 4.19, onder c, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voldaan als gevarenzones duidelijk zijn afgebakend en de toegangen tot een gevarenzone zijn gemarkeerd met een doodshoofdsymbool dat met betrekking tot de vormgeving voldoet aan het gestelde in of krachtens artikel 8.4 en dat voorzien is van de tekst "kankerverwekkende stoffen. Verboden voor onbevoegden".
Vervallen.
Aan de verplichting om grond, bagger, puin, puingranulaat, water of afvalstoffen of materialen, verontreinigd met asbest of crocidoliet, af te voeren in een daartoe geschikte en gesloten verpakking, bedoeld in de artikelen 4.45 tweede lid, onderdeel c, en artikel 4.56, derde lid en aan de verplichting om de concentratie asbest in de lucht zo laag mogelijk te houden, zoals bedoeld in artikel 4.45, eerste lid en in artikel 6.2, wordt voldaan, indien het volgende in acht wordt genomen.
Het verpakken en het afvoeren van hechtgebonden of niet-hechtgebonden asbest- of crocidoliethoudende grond, bagger, puin, puingranulaat, water of asbest- of crocidoliethoudende afvalstoffen of materialen, niet ontstaan bij selectieve sloop of verwijdering van asbestbevattende materialen uit gebouwen, apparaten, installaties, transportmiddelen en constructies met uitzondering van wegen, waterkeringen, dijken, ophogingen van geluids(wallen) e.d., dient zodanig te zijn dat deze asbesthoudende materialen niet in de omgeving vrijkomen. Hieraan wordt voldaan indien:
- a.
ten behoeve van het wegvervoer, de vrachtwagen van het type kipper, voorzien is van een lekdichte laadruimte met een stofdicht afsluitsysteem in de vorm van hydraulisch aangedreven kleppen met rubberen afdichting welke vanuit de cabine worden bediend;
- b.
ten behoeve van het vervoer over het spoor, de laadruimte van de wagon, lek- en stofdicht is uitgevoerd;
- c.
ten behoeve van het vervoer over het water, het vaartuig is voorzien van een lek- en stofdichte, afsluitbare laadruimte.
De afsluiting van de laadruimte, bedoeld in het eerste lid, is zodanig robuust, dat ingeval van calamiteiten geen lading verloren gaat.
De concentratie hechtgebonden asbest of crocidoliet in grond, bagger, puin, puingranulaat, water of asbestof crocidoliethoudende afvalstoffen of materialen, is lager dan 10 gram per kilogram droge stof.
De concentratie niet-hechtgebonden asbest of crocidoliet in grond, bagger, puin, puingranulaat, water of asbestof crocidoliethoudende afvalstoffen of materialen, is lager dan 1 gram per kilogram droge stof.
Het gehalte hechtgebonden en niethechtgebonden asbest of crocidoliet in grond en in andere vergelijkbare materialen wordt bepaald volgens normontwerp-NEN 5707, uitgave 2001. Het gehalte hechtgebonden en niet-hechtgebonden asbest of crocidoliet in puin, puingranulaat en in andere vergelijkbare steenachtige materialen, wordt bepaald volgens normontwerp-NEN 5897, uitgave 1999 of normontwerp-NEN 5896, uitgave 1999.
Er worden zodanige maatregelen aan de bron getroffen tijdens het laden, lossen en het vervoer van asbest- of crocidoliethoudende grond, bagger, puin, puingranulaat, water of asbest- of crocidoliethoudende afvalstoffen of materialen, dat verstuiving of aërosolvorming visueel niet waarneembaar is. Hieraan wordt onder andere voldaan indien het vochtgehalte (via vernevelen) van de genoemde bulkmaterialen minimaal 10% bedraagt, waardoor verspreiding van de te vervoeren bulkmaterialen wordt voorkomen. Ingeval van het lossen van bagger, wordt het gebruik van de zogenoemde bakkenzuiger achterwege gelaten.
De cabine en andere arbeidsplaatsen van het voer- en vaartuig zijn voorzien van een overdrukfilter- en klimaatregelingsinstallatie, die het binnentreden van asbest- of crocidoliethoudend stof of aërosol in de cabine via de ventilatielucht voorkomt. De overdruk bedraagt minimaal 100 Pascal en maximaal 300 Pascal. Het debiet bedraagt, afhankelijk van de lekdichtheid, minimaal 12,5 en maximaal 120 kubieke meter lucht per uur. De installatie is voorzien van een controlesysteem dat storingen signaleert.
Voordat de vrachtwagen het werkterrein en het losterrein verlaat, wordt aanhangende vervuiling verwijderd door de vrachtwagen aan de buitenzijde nat te reinigen. Het werkwater wordt opgevangen en gefilterd alvorens het water wordt hergebruikt of geloosd.
Restanten hechtgebonden of niethechtgebonden asbest-, crocidoliethoudende grond, bagger, puin, puingranulaat, water of asbest- of crocidoliethoudende afvalstoffen en materialen, worden na het legen van de laadruimte, zorgvuldig hieruit verwijderd, bij voorkeur via nat reinigen, voordat deze voor opslag of vervoer van asbest- of crocidolietvrije materialen en producten wordt gebruikt.
De beschreven reinigingswerkzaamheden, bedoeld in de leden acht en negen, dienen plaats te vinden onder dezelfde arbeidsbeschermende maatregelen als die, die van toepassing zijn bij het ontgraven, baggeren of op een andere wijze verzamelen van hechtgebonden of niet-hechtgebonden asbest-, crocidoliethoudende grond, bagger, puin, puingranulaat, water of asbest- of crocidoliethoudende afvalstoffen en materialen. In dit verband zijn beleidsregels 4.2 -2 en 4.9 -4 eveneens van toepassing.
Tijdens het laden en het lossen verblijft de chauffeur van de vrachtwagen in de cabine, waarvan de ramen en deuren geheel zijn gesloten.
De chauffeur, machinist of schipper stelt zich op grond van de vervoersdocumenten op de hoogte van de aard en samenstelling van de vracht die wordt vervoerd.
Aan het voorschrift dat laboratoria adequaat zijn toegerust voor analyse van asbestmonsters, bedoeld in artikel 4.50, negende lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, voldoen laboratoria die door STERLAB terzake asbestmetmgen zijn geaccrediteerd.
Aan het voorschrift dat personen de vereiste deskundigheid bezitten voor de monstername, bedoeld in artikel 4.50, achtste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit voldoet
- a.
een bevoegde medewerker van in het eerste lid van deze beleidsregel genoemde laboratoria, of
- b.
een deskundige op het gebied van de arbeidshygiene als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
Onder een adequaat uitgeruste wasserij als bedoeld in artikel 4.51, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt verstaan: een wasserij die beschikt over onder meer de volgende procedures en voorzieningen teneinde blootstelling van het personeel aan asbest te voorkomen:
- a.
het gebruik van zakken die in de wasmachine oplossen of een procedure waarbij de zakken uitsluitend onder water worden geopend;
- b.
er zijn procedures en voorzieningen om de kans op ongewilde besmetting teniet te doen;
- c.
besmet alfvalwater wordt gefilterd alvorens het wordt afgevoerd.
Onder doelmatige sanitaire voorzieningen als bedoeld in artikel 4.20, vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit worden, voor wat betreft het werken met asbest, afhankelijk van de werkzaamheden de volgende faciliteiten en procedures voor ontsmettmg van werknemers verstaan:
- a.
Bij werkzaamheden waarvoor op grond van de Arbeidsomstandighedenregeling, paragraaf 4.7, vrijstelling is verleend van een aantal voorschriften uit hoofdstuk 4 afdeling 5 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, volstaat de zogenaamde éentraps-ontsmettingsprocedure. Dit houdt in dat:
- 1°.
volstaan kan worden met alleen een douchefaciliteit op de locatie van de asbestverwijdering.
- 2°.
de werkkleding niet wordt uitgetrokken voor het douchen,
- 3°.
de beschermende kleding in deze situaties af speelbaar is en
- 4°.
ook bij werkonderbrekingen (pauzes) gebruik wordt gemaakt van de douche.
Deze verplichting geldt, op grond van de eerdergenoemde vrijstellingsregeling, niet bij de verwijdering van asbesthoudende water- gas- en rioolleidingen in het buitenmilieu.
- 1°.
- b.
Bij overige (sloop)werkzaamheden moet een drietraps-ontsmettingsprocedure worden gevolgd. Deze ontsmettingsprocedure dient toegepast te worden indien de ruimte waaruit het asbest wordt verwijderd afgeschermd is van andere ruimten of van de buitenlucht. Onder deze procedure wordt verstaan het doorlopen van een ontsmettingsprocedure in een decontammatie-unit die uit drie compartimenten bestaat waarbij:
- 1°.
In het eerste compartiment de beschermende werkkleding wordt uitgetrokken, terwijl men de ademhalingsbescherming blijft dragen,
- 2°.
In het tweede compartiment douches staan opgesteld. De ademhalingsbeschermingsmiddelen worden eerst afgespoeld alvorens ze worden afgenomen.
- 3°.
In het derde compartiment, de schone ruimte, schone kleding wordt aangetrokken.
- 1°.
- c.
Bij de onder b genoemde drietraps-ontsmettingsprocedure tevens het volgende in acht genomen wordt:
- 1°.
Het eerste compartiment van de ontsmettingsvoorziening grenst bij voorkeur aan de ruimte waar het asbest wordt verwijderd.
- 2°.
Indien de drietrapsontsmettingsvoorziening met aansluitend is gelegen aan de ruimte waaruit de asbest wordt verwijderd, is deze voorzien van een lucht- ventilatiestroom in de richting van het schone naar het vuile deel van de voorziening.
- 3°.
Ter voorkoming van besmetting van de tussenliggende schone ruimten trekken personen die zich van de ruimte waar asbest wordt verwijderd naar de ontsmettingsruimte begeven een schone overall over de besmette werkkleding en laarzen aan.
- 1°.
De melding als bedoeld in artikel 4.54, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt als tijdig beschouwd, als de melding van de in dit artikel genoemde gegevens schriftelijk wordt gedaan uiterlijk 7 dagen vóór het tijdstip dat met de werkzaamheden wordt begonnen. In afwijking daarvan kan bij spoedgevallen worden volstaan met een melding met een uiterste termijn van 48 uur. Als asbest onverwachts wordt aangetroffen tijdens een sloop of bij calamiteiten kan worden volstaan met een onmiddellijke melding. Indien dit laatste betekent dat de melding buiten kantooruren zou moeten plaatsvinden, dient deze te geschieden direct bij het begin van de eerstvolgende werkdag.
Metingen als bedoeld in artikel 4.55, eerste lid, onder d, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, alsmede de daaraan voorafgaande reiniging van de ruimte of werklocatie, worden uitgevoerd overeenkomstig het TNO rapport "Eindcontrole na asbestverwijdering", TNO-MEP – R 2000/065b (mei 2001).
(Deze gewijzigde beleidsregel is in werking getreden op 1 augustus 2001)
Onder het bewerken of verwerken van zandsteen dat noodzakelijk is voor het behoud van monumenten als bedoeld in de Monumentenwet 1988 als bedoeld in artikel 4.60, tweede lid, onder a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, wordt verstaan:
- 1.
het uitvoeren van herstelwerkzaamheden in de vorm van het bewerken of verwerken van bestaande zandsteen-elementen in een monumentl;
- 2.
het gebruik van nieuwe zandsteen onder de volgende voorwaarden:
- a.
De nieuwe zandsteen is van dezelfde soort als de verwijderde zandsteen.
- b.
De hoeveelheid nieuwe zandsteen bedraagt met meer dan de hoeveelheid verwijderde zandsteen.
- c.
De nieuwe zandsteen wordt in het zicht aangebracht.
- d.
De toepassing van nieuwe zandsteen is noodzakelijk in verband met de eigenschappen van de steen, zowel ten aanzien van zichtbare verweringsaspecten als van verstoring in het watertransport.
- e.
Er is sprake van het behoud van een architectonische eenheid, die destijds als één bouwfase is gerealiseerd en nagenoeg geheel uit zandsteen bestaat.
- f.
In geval van een "lappendeken" van verschillende steensoorten wordt geen nieuwe zandsteen toegepast, tenzij de betreffende zandstenen onderdelen een zelfstandige architectonische eenheid vormen.
- g.
Beschilderde zandsteen wordt niet door nieuwe zandsteen vervangen, tenzij de eigenschappen van de steen in het betreffende object, toepassing van andere steensoorten onmogelijk maken in verband met verstoring in het watertransport.
- a.
De maatregelen, bedoeld in artikel 4.87 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, zijn ten aanzien van het voorkomen of beperken van de blootstelling aan legionellabacteriën bij het in bedrijf nemen en houden van een koeltoren die water in aërosolvorm in de lucht kan brengen, doeltreffend indien:
- a.
het ontstaan en de verspreiding van waternevel zoveel mogelijk worden beperkt;
- b.
de stilstand van water in leidingen, reservoirs en appendages zoveel mogelijk wordt vermeden;
- c.
de installatie en het water in de installatie schoon blijven;
- d.
vermeerdering van legionellabacteriën zo veel mogelijk wordt beperkt door toepassing van waterbehandelingstechnieken;
- e.
een juiste en veilige werking van de installatie conform de processpecificaties wordt gewaarborgd.
De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zijn opgenomen in een legionella-beheersplan, dat onderdeel vormt van het plan van aanpak, bedoeld in artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, en dat naast deze maatregelen in ieder geval bevat:
- a.
een tekening of schema met de actuele indeling van de installatie of het systeem, inclusief de onderdelen die tijdelijk buiten gebruik zijn;
- b.
een beschrijving van de juiste en veilige werking van het systeem;
- c.
een beschrijving van alle uit te voeren controles, inclusief de controle op de aanwezigheid van legionella, zodat de effectiviteit van het beheersplan en de regelmaat van die controles zijn gewaarborgd;
- d.
een aanduiding van de waarden van de fysische, chemische en microbiologische parameters inclusief de concentratie aan legionellabacteriën in de installatie waarbij maatregelen ter verbetering zullen worden getroffen, alsmede een beschrijving van die maatregelen;
- e.
een beschrijving van de maatregelen die worden genomen bij calamiteiten;
- f.
een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om werknemers die betrokken zijn bij het onderhoud en beheer, dan wel in de nabijheid van de koeltoren werkzaamheden verrichten, doeltreffend te beschermen.
In het legionella-beheersplan, bedoeld in het tweede lid, wordt aantekening gemaakt van de onderhoudswerkzaamheden die worden verricht, de wijzigingen in de installatie of onderhoud, de uitkomsten van alle controles die worden uitgevoerd, alsmede bijzonderheden over de werking van de installatie, bedoeld in het eerste lid. Deze aantekeningen worden ten minste drie jaar bewaard.
De maatregelen, bedoeld in artikel 4.87 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, zijn ten aanzien van het voorkomen of beperken van de blootstelling aan legionellabacteriën bij het in bedrijf nemen en houden van:
- a.
een luchtbevochtigingsinstallatie anders dan een stoombevochtiger;
- b.
een waterinstallatie die water in aërosolvorm in de lucht kan brengen, niet zijnde een collectieve watervoorziening als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, of een collectief leidingnet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder h, van de Waterleidingwet, doeltreffend, indien het water in deze installatie minder dan 100 kolonievormende eenheden legionellabacteriën per liter bevat. Het nemen en analyseren van monsters ter controle van de aanwezigheid van legionellabacteriën geschiedt overeenkomstig NEN 6265 of een gelijkwaardige methode.
Indien uit de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en artikel 4.85 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, blijkt dat niet voortdurend kan worden voldaan aan het gestelde in het vierde lid, worden een of meer van de volgende maatregelen genomen:
- a.
watertemperaturen die bevorderlijk zijn voor de vermeerdering van legionellabacteriën worden voorkomen;
- b.
de stilstand van water in leidingen, reservoirs en appendages wordt zoveel mogelijk vermeden;
- c.
het gebruik van materialen die bacteriën en andere micro-organismen kunnen bevatten of een voedingsbodem zijn voor legionellabacteriën wordt zoveel mogelijk beperkt;
- d.
de installatie en het water in de installatie worden schoongehouden;
- e.
waterbehandelingstechnieken worden toegepast die de vermeerdering van legionellabacteriën beperken.
De maatregelen, bedoeld in het vierde en vijfde lid, zijn opgenomen in een legionella-beheersplan dat onderdeel vormt van het plan van aanpak, bedoeld in artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, en dat naast deze maatregelen in ieder geval bevat:
- a.
een tekening of schema met de actuele indeling van de installatie, inclusief de onderdelen die tijdelijk buiten gebruik zijn;
- b.
een beschrijving van de juiste en veilige werking van de installatie;
- c.
een beschrijving van alle uit te voeren controles, inclusief de controle op de aanwezigheid van legionella, zodat de effectiviteit van het beheersplan en de regelmaat van die controles zijn gewaarborgd;
- d.
een beschrijving van de maatregelen die worden genomen indien de concentratie aan legionellabacteriën in de installatie hoger is dan de waarde, bedoeld in het vierde lid;
- e.
een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om werknemers die betrokken zijn bij het onderhoud en beheer van de installatie doeltreffend te beschermen.
In het legionella-beheersplan, bedoeld in het zesde lid, wordt aantekening gemaakt van de onderhoudswerkzaamheden die worden verricht, de wijzigingen in de installatie of onderhoud, de uitkomsten van alle controles die worden uitgevoerd, alsmede bijzonderheden over de werking van de installatie, bedoeld in het vierde lid. De aantekeningen worden ten minste drie jaar bewaard. Voor een installatie aan boord van een schip is het beheersplan ter inzage aan boord van dat schip.
Vervallen
Instellingen waarvan de werknemers kans lopen op accidenteel bloedcontact met humaan bloed hanteren een post-expositie protocol voor accidenteel bloedcontact dat voldoet aan algemeen geldende inzichten op dit gebied en waarin met name aandacht wordt besteed aan mogelijke besmetting met hepatitis B of C en het humane immunodeficientie virus (HIV).
Werknemers werkzaam in medische en paramedische beroepen die kans lopen intensief met humaan bloed in contact te komen, worden door de werkgever in de gelegenheid gesteld zich te laten vaccineren tegen hepatitis B.
Onder de in het eerste lid genoemde werknemers worden in elk geval verstaan:
- a.
artsen, verpleegkundigen en paramedici die regelmatig met humaan bloed of met ander met humaan bloed verontreinigd patientenmateriaal in contact komen;
- b.
patholoog-anatomen en hun medewerkers, die met niet gefixeerd potentieel besmet materiaal werken;
- c.
werknemers op hemodialyse-afdelingen, die rechtstreeks bij de patiëntenzorg of bij de techniek van de hemodialyseprocedure betrokken zijn, inclusief werknemers in het technisch onderhoud;
- d.
werknemers in diagnostische en researchlaboratoria, die geregeld met humaan bloed of humane bloedproducten in aanraking komen;
- e.
verloskundigen en kraamverzorgsters;
- f.
tandartsen, mondhygienisten, tandartsassistenten en indirect bij de tandheelkundige patiëntenzorg betrokkenen, die kans lopen te worden besmet.
Werknemers die proefdieren verzorgen in laboratoria waar met het hepatitis B virus gewerkt wordt, worden door de werkgever in de gelegenheid gesteld zich te laten vaccineren tegen hepatitis B.
Werknemers in ziekenhuizen die schoonmaakwerkzaamheden verrichten of afval verwijderen worden door de werkgever in de gelegenheid gesteld zich te laten vaccineren tegen hepatitis B wanneer een gerede kans op besmetting bestaat.
Werknemers die niet-gefixeerd, potentieel besmet pathologisch materiaal vervoeren worden door de werkgever in de gelegenheid gesteld zich te laten vaccineren tegen hepatitis B wanneer een gerede kans op besmetting bestaat.
Van werknemers die ingeënt zijn tegen hepatitis B wordt een vaccinatiekaart opgesteld waarop minimaal de datum van vaccinatie en de antistoftiters (na vaccinatie of na tussentijdse controle) met de datum van bepaling staan vermeld. De gevaccineerde werknemer ontvangt een afschrift van de vaccinatiegegevens. De vaccinatiekaart wordt op verzoek beschikbaar gesteld aan een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de wet en wordt tenminste vijftien jaar bewaard door de instelling.
Er wordt een registratie gevoerd van werknemers die zijn gevaccineerd tegen hepatitis B.
Maatregelen als bedoeld in artikel 4.113 van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn in elk geval niet doeltreffend als de concentraties van stoffen in de ademzone van thuiswerkers de voor die stoffen vastgestelde wettelijke of bestuurlijke grenswaarden overschrijden. De bestuurlijke grenswaarden zijn gedefinieerd in beleidsregel 4.2-1. Daarnaast wordt het volgende in acht genomen worden:
- a.
Als voor de desbetreffende stof geen wettelijke of bestuurlijke grenswaarde is vastgesteld, geldt dat overschrijding van een door de werkgever vast te stellen grenswaarde, die naar de huidige stand van wetenschap en inzicht als een veilige blootstellingsgrens kan worden beschouwd, strijdig is met het bepaalde in dit lid.
- b.
Bij blootstelling aan stoffen waarvan bekend is dat de afzonderlijke componenten dezelfde toxische werking hebben op eenzelfde orgaansysteem, geldt de zogenaamde additieregel, als bedoeld in bijlage 7 bij deze beleidsregels, voor het vaststellen van de waarde die met mag worden overschreden.
Het ter beschikking stellen van persoonlijke ademhalingsbeschermingsmiddelen ingeval van voorzienbare overschrijding van de in het eerste lid bedoelde waarde is geen doeltreffende maatregel als bedoeld in artikel 4.113 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
Maatregelen als bedoeld in artikel 4.113 van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn met doeltreffend als huidcontact aanwezig is of mogelijk blijkt met stoffen waarvoor een huidnotatie is vastgesteld, zoals opgenomen in de lijst van wettelijke grenswaarden in bijlage VI bij de Arbeidsomstandighedenregeling, dan wel in de lijst van bestuurlijke grenswaarden in bijlage 6 van deze beleidsregels. In dergelijke situaties worden doelmatige persoonlijke huidbeschermingsmiddelen gedragen.
Maatregelen als bedoeld in artikel 4.113 van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn met doeltreffend als huidcontact aanwezig is of mogelijk blijkt met stoffen, die voldoen aan de criteria voor toekenning van de volgende gevaarszinnen en veiligheidsaanbevelingen (R- en S-zinnen):
- a.
R21: "Schadelijk bij aanraking met de huid"
- b.
R24: "Vergiftig bij aanraking met de huid"
- c.
R27: "Zeer vergiftig bij aanraking met de huid"
- d.
R34: "Veroorzaakt brandwonden"
- e.
R35: "Veroorzaakt ernstige brandwonden"
- f.
R38: "Irriterend voor de huid"
- g.
R43: "Kan overgevoeligheid veroorzaken bij contact met de huid"
- h.
S36: "Draag geschikte beschermende kleding"
- i.
S37: "Draag geschikte handschoenen"
In dergelijke situaties worden doelmatige persoonlijke huidbeschermingsmiddelen gedragen.
Maatregelen als bedoeld in artikel 4.113 van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn niet doeltreffend als oogcontact aanwezig is of mogelijk blijkt met stoffen, die voldoen aan de criteria voor toekenning van de volgende gevaarszinnen en veiligheidsaanbevelingen.
- a.
R34: "Veroorzaakt brandwonden"
- b.
R35: "Veroorzaakt ernstige brandwonden"
- c.
R36: "Irriterend voor de ogen"
- d.
R41: "Gevaar voor ernstig oogletsel"
- e.
S39: "Een beschermingsmiddel voor de ogen/voor het gezicht dragen".
In dergelijke situaties worden doelmatige persoonlijke oog- of gezichtbeschermingsmiddelen gedragen.
Aan het bepaalde in artikel 5.2 en 5.6 van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voor wat betreft arbeid aan of met trekkenwanden in theaters voldaan als het volgende in acht wordt genomen en terzake doeltreffende voorlichting aan de werknemers wordt gegeven overeenkomstig het bepaalde in artikel 5.5, eerste lid.
- 1.
Er zijn maximaal 20 handbediende trekken per trekkenwand.
- 2.
Per trek is het te belasten gewicht nooit zwaarder dan 75 kg.
- 3.
De kluitenstang is zodanig geconstrueerd dat deze niet meer dan 75 kg aan kluiten kan bevatten.
- 4.
Het kluitgewicht is nooit zwaarder dan 6 kg.
- 5.
Voor het verplaatsen van kluiten worden kluitentafels gebruikt.
- 6.
Hulplieren bij handbediende trekken worden alleen gebruikt als de hulplier aangrijpt op de kluitenstang.
- 7.
De werknemer die de werkzaamheden aan de trekkenwand verricht is in het bezit van het certificaat "Opleiding trekkenwand".
- 8.
Voor theaters waar uitvoering van het in deze beleidsregel gestelde vóór 1 januari 2004 om financiële redenen niet haalbaar blijkt, kan door de regionaal directeur van de Arbeidsinspectie een later tijdstip van uitvoering, doch met later dan 1 januari 2007, worden vastgesteld. Hierbij geldt de voorwaarde dat vóór 1 juli 2001 een plan van aanpak voor de mechanisatie van de trekkenwand wordt ingediend waarin wordt aangetoond dat:
- a.
een besluit genomen is over aanpassing van de trekkenwand;
- b.
de financiering voor aanpassing van de trekkenwand is zekergesteld en
- c.
met de leverancier afspraken zijn gemaakt over de periode waarin de aanpassing van de trekkenwand zal plaatsvinden.
- a.
Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 januari 2004 tenzij de regionaal directeur van de Arbeidsinspectie ermee heeft ingestemd dat de voorzieningen op een later tijdstip, doch uiterlijk voor 1 januari 2007, worden gerealiseerd.
Aan het bepaalde in artikel 5.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voor wat betreft arbeid in een kinderdagverblijf voldaan als het volgende in acht wordt genomen.
- 1.
Werkplekken zijn zodanig ingericht en er is zodanig meubilair aanwezig, dat zowel zittende als staande arbeid zo veel mogelijk op volwassenenhoogte en in een goede houding wordt verricht. Hierbij worden de volgende maten gehanteerd.
- a.
De werkhoogte bij een aankleedtafel inclusief kussen is ten minste instelbaar tussen 90 en 105 cm
- b.
De hoogte van de bovenkant van een bedmatras van een hoog bed ligt tussen 85 en 110 cm.
- c.
De hoogte van de bodem van een hoge box ligt tussen 85 en 100 cm boven vloerniveau.
- d.
De vrije werkruimte bedraagt minimaal
- 1°.
60 cm bij een bed;
- 2°.
80 cm bij een stapelbed;
- 3°.
80 cm bij een aankleedtafel;
- 4°.
100 cm in een toiletruimte.
- 1°.
- e.
De plint bij een aankleedtafel wijkt mimmaai 10 cm terug van de voorzijde van de tafel.
- a.
- 2.
Tillen en dragen van kinderen wordt zo veel mogelijk voorkomen.
- 3.
In het vertrek zijn veilige hulpmiddelen beschikbaar waarmee kinderen zelfstandig op volwassenenhoogte kunnen komen.
- 4.
Kinderen die meer wegen dan 23 kg worden niet getild.
- 5.
Reiken met geheven armen duurt niet langer dan 3 minuten aaneengesloten.
- 6.
Werken met een gebogen rug (al dan niet in combinatie met hurken knielen of zitten) duurt niet langer dan 4 minuten aaneengesloten.
- 7.
Zitten op de vloer tijdens de arbeid duurt niet langer dan vier minuten aaneengesloten of, indien een juiste rugsteun of ander hulpmiddel wordt gebruikt, niet langer dan 15 minuten.
- 8.
Hurken en knielen tijdens de arbeid wordt tot een minimum beperkt, maar duurt voor beide houdingen gezamenlijk niet langer dan 15 minuten per dag.
Voor kinderdagverblijven welke reeds werden geëxploiteerd op 23 juli 2000 treedt deze beleidsregel in werking met ingang van 1 januari 2004.
Aan het bepaalde in artikel 5.3, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voor wat betreft tillen op bouwplaatsen als bedoeld in artikel 1.1, tweede lid onder a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit voldaan als het volgende in acht wordt genomen.
Algemeen
Handmatig tillen wordt zoveel als redelijkerwijs mogelijk is vermeden of beperkt.
Het maximale gewicht dat door één persoon met de handen wordt getild bedraagt 25 kilogram.
Als de bewegingsruimte dit toelaat bedraagt het maximale gewicht dat door twee personen samen met de handen wordt getild 50 kilogram.
De punten 2 en 3 zijn tot 1 januari 2007 niet van toepassing op werkzaamheden in de installatie- en isolatiebranche, de meubelindustrie, de sector afbouw en onderhoud en de timmerindustrie voor wat betreft het stellen van trappen.
Specifiek
Dakrollen zwaarder dan 25 kilogram worden mechanisch getransporteerd. In situaties waarin dat technisch of organisatorisch niet mogelijk is, worden dakrollen, mits niet zwaarder dan 35 kilogram, handmatig getransporteerd – in afwijking van punt 2 – tot een maximum van 5 rollen per persoon per dag.
Wanneer het in nieuwbouwsituaties (gedeeltelijk) onmogelijk is het transport van zware materialen voor liftinstallaties van de aanvoerplaats naar de liftschacht met transporthulpmiddelen te verrichten, zijn voor dat gedeelte van het transporttraject tot uiterlijk 1 juli 2007 de punten 2 en 3 niet van toepassing.
Straatstenen zwaarder dan 4 kilogram worden niet handmatig verwerkt.
Stoeptegels zwaarder dan 9,5 kilogram worden niet handmatig verwerkt.
Er wordt alleen zonder mechanische tilhulpmiddelen gemetseld en gelijmd als
- –
de vrije werkruimte tenminste 0,60 meter bedraagt;
- –
de diepte van het stavlak van een metselconsole tenminste 0,40 meter bedraagt;
- –
de elementen lichter zijn dan 14 kilogram;
- –
de elementen van 4 tot 14 kilogram tweehandig worden getild en worden verwerkt tot maximaal 1,50 meter boven en niet beneden het stavlak en
- –
de elementen lichter dan 4 kilogram worden verwerkt tot maximaal 1.70 meter en vanaf tenminste 0,20 meter boven het stavlak,
met uitzondering van
- –
het van binnenuit metselen of lijmen direct onder en vanaf een verdiepingsvloer of
- –
het metselen of lijmen vanaf het maaiveld.
Betonstaal en gereedschap voor de verwerking hiervan zwaarder dan
- –
17 kilogram worden niet met één hand getild;
- –
20 kilogram worden niet getild vanaf minder dan 50 cm boven de grond.
Steigerelementen zwaarder dan 23 kilogram worden niet door één persoon handmatig getild en getransporteerd.
Beleidsregel 5.3 -2 Fysieke belasting in kappersbedrijven: Grondslag Arbobesluit artikel 5.3 en 5.4.
Aan het bepaalde in de artikelen 5.3 en 5.4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voor wat betreft arbeid in kappersbedrijven, als bedoeld in beleidsregel 4.3a, eerste lid, voldaan als het volgende in acht wordt genomen.
- a.
De zittinghoogte van de pompstoel is op eenvoudige wijze traploos instelbaar zodat het verrichten van vaktechnische handelingen steeds op de ergonomisch juiste hoogte kan geschieden. Het instelbereik van de zitting loopt tenminste van 45 tot 59 centimeter boven de vloer.
- b.
Bij het verrichten van vaktechnische handelingen bij kinderen tussen 1.15 en 1.60 meter dient gebruik gemaakt te kunnen worden van een stoelverhoger op de pompstoel. Bij het verrichten van vaktechnische handelingen bij kinderen van 1.15 meter en kleiner dient gebruik gemaakt te kunnen worden van een kinderstoel.
- c.
Een stoelverhoger verhoogt de zittinghoogte van de pompstoel met minimaal 20 centimeter.
- d.
Een kinderstoel is in hoogte instelbaar en heeft een zittinghoogte van minimaal 79 centimeter vanaf de vloer.
- e.
De buitenafmetingen van de pompstoel en kinderstoel zijn zodanig dat de horizontale afstand van de kapper tot het hoofd van de klant maximaal 30 centimeter bedraagt.
- f.
Aan de zijkanten van de pompstoel is de vrije werkruimte minimaal 70 centimeter. In die gevallen waarin deze afstand van minimaal 70 centimeter tussen pompstoel en muur niet bereikt kan worden, kan een kleinere afstand tot minimaal 50 centimeter volstaan, indien de kapper door draaiing van de pompstoel toch de vereiste vrije werkruimte kan bereiken. Aan de achterzijde van de pompstoel is de vrije werkruimte minimaal 100 centimeter.
- g.
De pompstoel is voorzien van een gesloten rond onderstel met een diameter van tenminste 39 centimeter of een sterpoot met minimaal vijf tenen, met een hart-pootafstand of hart-wielafstand tussen 24 en 37 centimeter.
- h.
De pompstoel draait minimaal 45 graden op de poot.
- i.
De hoogte van de rugleuning is maximaal 50 cm, gemeten vanaf de zitting.
- j.
De rugleuning is niet voorzien van een hoofdsteun, uitgezonderd bij de vaktechnische handelingen scheren en baardknippen.
- a.
Alle kappers die in de kapsalon gelijktijdig wassen of vaktechnische handelingen verrichten, zijn in de gelegenheid om een kappersfiets te gebruiken.
- b.
De kappersfiets is voorzien van een zitting in de vorm van een fietszadel of ponyzadel.
- c.
De kappersfiets is niet voorzien van een rugleuning.
- d.
Om de juiste werkhoogte en werkhouding te bereiken is een kappersfiets op eenvoudige wijze traploos instelbaar. Het instelbereik van de zitting loopt tenminste van 60 tot 80 centimeter boven de vloer. Indien de optimale instelhoogte niet bereikt kan worden met behulp van een ponyzadel, dan maakt de kapper gebruik van een kappersfiets met fietszadel.
- e.
De zitting van de kappersfiets is draaibaar ten opzichte van het onderstel.
- f.
Een kappersfiets die niet is uitgevoerd voor montage op de vloer achter de pompstoel, is voorzien van een sterpoot met minimaal vijf tenen, met een hart-wielafstand tussen 24 en 37 centimeter. Indien de kappersfiets uitgevoerd is voor montage op de vloer achter de pompstoel, dan is de kappersfiets in beide richtingen in een hoek van minimaal 135 graden om de pompstoel draaibaar.
- a.
De lengte van de wasbak tussen de neksteun en de achterzijde is maximaal 43 centimeter. Bij wasbakken met een holle voorzijde bedraagt deze lengte maximaal 45 centimeter.
- b.
Onder de wasbak is de diepte van de knieruimte minimaal 24 centimeter en de diepte van de voetruimte minimaal 42 centimeter, gemeten vanaf de achterzijde van de wasbak. Als die diepten niet bereikt kunnen worden achter het onderstel, is de breedte van het onderstel maximaal 30 centimeter, zodat de kapper de voeten en benen ter weerszijden van het onderstel kan plaatsen.
- c.
Aan de achterzijde van de wasbak is de vrije werkruimte minimaal 50 centimeter.
De schaar is voorzien van een (eventueel verwijderbare) pinksteun. De pinksteun is dusdanig geplaatst respectievelijk kan dusdanig geplaatst worden, dat een neutrale stand (de vier vingers liggen nagenoeg op één lijn) van de hand wordt bereikt.
- a.
Het takenpakket van de kapper geeft de kapper voldoende afwisseling in het werk. De afwisseling bestaat uit het regelmatig kunnen wisselen tussen taken en het regelmatig kunnen aannemen van andere werkhoudingen. Onder regelmatig wordt verstaan: tenminste ieder uur vijf minuten.
- b.
Het werk is zodanig georganiseerd dat de kapper na circa 2 uur werk 10 minuten pauze heeft.
- a.
Voor het bepaalde in het eerste en derde lid geldt het volgende:
- *
Voor een pompstoel en wasbak aangeschaft na 31-12-2006 is het bepaalde direct van toepassing.
- *
Voor een pompstoel en wasbak die is aangeschaft vóór 1-1-2007 treedt het bepaalde op 1-1-2014 in werking.
- *
- b.
Voor het bepaalde in het tweede en vierde lid geldt het volgende:
- *
Voor een kappersfiets en schaar die is aangeschaft vóór de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregel treedt het bepaalde op 1-1-2007 in werking.
- *
Een zitgelegenheid is doelmatig in de zin van artikel 5.4, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- 1.
Alle regelmatig voorkomende werkzaamheden zijn binnen het werkbereik van de handen en het zichtgebied van de individuele werknemer gebracht. De werkhoogte is aangepast aan de werkzaamheden en de individuele werknemer. De werknemer heeft de beschikking over een voetensteun indien dat voor het bereiken van een goede lichaamshouding gevergd wordt. Deze is minimaal 45 cm breed en 35 cm diep en is eenvoudig in hoogte instelbaar in minimaal 3 standen met onderling gelijke afstand. Het totale instelbereik van de voetensteun omvat in ieder geval het verticale traject tussen 35 en 47 centimeter onder de bovenzijde van de zitting. Een stang of balk als voetensteun is onvoldoende.
- 2.
Ten behoeve van de bewegingsvrijheid van benen en voeten is een vrije ruimte onder het werkblad aanwezig van ten minste 70 centimeter hoog en 60 centimeter breed en diep. Voor werkzaamheden in kantoren bedraagt de minimale diepte ten behoeve van de benen en voeten respectievelijk 65 en 80 centimeter.
- 3.
Indien kantoorwerkzaamheden worden verricht:
- a.
is er ten behoeve van de werknemer een zitgelegenheid beschikbaar die aan de norm NEN-EN 1335-1:2000 ‘Kantoormeubelen - Kantoorstoelen - Deel 1: Afmetingen - Bepaling van afmetingen’ voldoet, met de aanduiding ‘type A’;
- b.
zorgt de werkgever voor een stoel met aangepaste maatvoering of verstelmogelijkheden in de gevallen dat de verstelmogelijkheden van deze stoel voor een werknemer niet toereikend zijn;
- c.
voldoet de werktafel aan de norm NEN 2441:2002 ‘Ergonomie - Ergonomische criteria voor zit-statafels voor kantoorwerk - Eisen voor afmetingen en uitvoering - Beproevingsmethoden’ of aan de norm NEN 2449:1990 ‘Ergonomie. Ergonomische criteria voor kantoortafels. Eisen voor afmetingen en uitvoering, Beproevingsmethoden’, waarbij in plaats van de tafel met hoogteinstelbaarheid ook van een tafel met een vaste werkhoogte gebruik kan worden gemaakt, mits deze vaste werkhoogte tussen 74 en 76 centimeter ligt.
- a.
- 4.
Bij andere werkzaamheden dan kantoorwerkzaamheden die zittend kunnen worden verricht, is een zitgelegenheid beschikbaar die aan de norm NEN-EN 1335-1:2000 ‘Kantoormeubelen - Kantoorstoelen - Deel 1: Afmetingen - Bepaling van afmetingen’ voldoet. Als de situatie dat vereist, heeft zo’n zitgelegenheid tevens gunstige eigenschappen ten aanzien van hygiëne, stroefheid en ventilatie van het materiaal.
Als bij staand werk een stasteun ter beschikking is gesteld is deze doelmatig in de zin van artikel 5.4, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit als de vrije been- en voetruimte resp. 24 en 42 cm is, het hoogteverstelbereik (met gasveer) tussen 65 en 90 cm ligt, het steunvlak minimaal 20x20 cm bedraagt, de hoek ten opzichte van de verticaal 20 tot 30 graden naar voren is gekanteld en bij een kruispoot met wielen de wielen geremd zijn.
Een zitgelegenheid bij kassawerk in zelfbedieningswinkels is doelmatig in de zin van artikel 5.4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit wanneer het hiernavolgende in acht genomen wordt:
- 1.
Onder kassawerk in zelfbedieningswinkels worden de afrekenhandelingen van een werknemer verstaan, alsmede de daaraan gerelateerde ondersteunende en voorbereidende taken op de kassawerkplek. Klanten selecteren in zulke winkels (ten minste voor een deel) zelf de koopwaar, waarna zij die ter afrekening aanbieden. Onder de zelfbedieningswinkels vallen in dit verband zowel de winkels in de levensmiddelen- als in de nietlevensmiddelenhandel: supermarkten, warenhuizen en speciaalzaken.
- 2.
Bij kassawerk in zelfbedieningswinkels is sprake van een doelmatige zitgelegenheid als
- a.
van de stoel de rugleuning en de zittinghoogte instelbaar zijn,
- b.
de stoel voldoet aan de norm NEN-EN 1335-1:2000 ‘Kantoormeubelen - Kantoorstoelen - Deel 1: Afmetingen - Bepaling van afmetingen’,
- c.
de hoogte van de zitting minimaal instelbaar is tussen 20 en 30 centimeter onder de werkhoogte,
- d.
de stoel gepolsterd is of bekleed of zodanig geconstrueerd van kunststof dat het warmte vasthoudt, stroef is en voldoende ventilatie mogelijk maakt,
- e.
de stoel, indien deze is voorzien van wielen of glijders:
- 1)
niet hinderlijk wegrijdt of -glijdt tijdens zittende werkzaamheden aan de kassa,
- 2)
gemakkelijk opzij gezet kan worden als de werknemer staat te werken achter de kassa,
- 3)
niet dreigt om te vallen bij extreme lichaamshoudingen van de werknemer,
- 4)
de verplaatsbaarheid van de stoel geen belemmering vormt bij het uitvoeren van de kassafunctie.
- 1)
- a.
- 3.
Een stasteun voldoet in dit verband niet als een doelmatige zitgelegenheid.
- 4.
Het meubel waarin kassawerk wordt verricht, biedt voldoende bewegingsvrijheid en beschermt de werknemer tegen aanrijding door eventueel aanwezige winkelwagens. Hieraan wordt voldaan wanneer:
- a.
ten behoeve van de bewegingsvrijheid van benen en voeten er een vrije ruimte onder het werkblad aanwezig is van ten minste 70 centimeter hoog en 60 centimeter breed en diep, afgezien van de voor het werk beschikbare voetensteun. Bij die 60 centimeter breedte is de dikte van het werkblad nergens meer dan 11 centimeter,
- b.
de vloer van het kassameubel thermisch is geïsoleerd,
- c.
het kassameubel geen scherpe kanten of uitstekende delen bevat die de werknemer tijdens het werk kunnen verwonden,
- d.
in het kassameubel geen losliggende kabels of snoeren aanwezig zijn,
- e.
de oppervlakte van de toegepaste materialen in het kassameubel geen hinderlijke reflecties oplevert.
- a.
- 5.
Het kassameubel is zodanig ingericht dat:
- a.
indien een transportband voor de aanvoer van de koopwaar zorgt, de werknemer zo dicht bij de aanvoertransportband zit dat deze de koopwaar binnen een horizontaal bereik van 30 centimeter, gerekend vanaf de schouders, kan verplaatsen,
- b.
de geldlade en (indien aanwezig) de voorziening om anti-diefstalbeveiligingen te verwijderen zich bevinden binnen een horizontaal bereik van 30 centimeter, gerekend vanaf de schouder,
- c.
overige voorzieningen die de werknemer regelmatig nodig heeft bij het afrekenen (bonprinter, toetsenbord, een vals geld-detector, opbergplaatsen voor papiergeld en cheques, zegels, zegelboekjes en de meest gangbare inpakmaterialen), zijn geplaatst binnen een horizontaal bereik van 45 centimeter, gerekend vanaf de schouders van de werknemer,
- d.
de hoogte waarop de onder a t/m c genoemde voorzieningen zich bevinden maximaal 10 centimeter afwijkt van de werkhoogte,
- e.
ten opzichte van de kijkrichting van de werknemer die recht voor zich afrekenhandelingen uitvoert, de hoek met de richting van de aanvoerband niet meer dan 60 graden bedraagt.
- a.
- 6.
De werknemer heeft de beschikking over een voetensteun indien dat voor het bereiken van een goede lichaamshouding gevergd wordt. Deze is minimaal 45 cm breed en 35 cm diep en is eenvoudig in hoogte instelbaar in minimaal 3 standen met onderling gelijke afstand. Het totale instelbereik van de voetensteun omvat in ieder geval het verticale traject tussen 35 en 47 centimeter onder de bovenzijde van de zitting. Een stang of balk als voetensteun is onvoldoende.
- 7.
De werkgever zorgt voor aanpassing van het meubilair of relevante delen ervan ten behoeve van werknemers die qua lichamelijke eigenschappen sterk afwijken van de andere werknemers.
Een zitgelegenheid bij baliewerk is doelmatig in de zin van artikel 5.4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit wanneer het hiernavolgende in acht genomen wordt:
- 1.
Onder baliewerk worden werkzaamheden verstaan aan een voorziening die ingericht is voor direct contact met klanten of bezoekers. Administratieve handelingen, verstrekken van informatie, verrichten van transacties en doorverwijzen staan bij zulke werkzaamheden centraal.
- 2.
Er is sprake van een doelmatige zitgelegenheid als
- a.
van de stoel de rugleuning en de zittinghoogte verstelbaar zijn,
- b.
de stoel voldoet aan de norm NEN-EN 1335-1:2000 ‘Kantoormeubelen - Kantoorstoelen - Deel 1: Afmetingen - Bepaling van afmetingen’ met de aanduiding ‘type A’,
- c.
het hoogte-insteltraject van de stoel is aangepast aan de hoogte van de balie en
- d.
de stoel is voorzien van wielen of glijders, waarbij van belang is dat:
- 1)
de stoel niet hinderlijk wegrijdt of - glijdt tijdens zittende werkzaamheden aan de balie,
- 2)
de stoel gemakkelijk opzij gezet kan worden als de werknemer staat te werken achter de balie en
- 3)
de stoel niet dreigt om te vallen bij extreme lichaamshoudingen van de werknemer.
- 1)
- a.
- 3.
Bij baliewerk in combinatie met beeldschermwerk in de zin van artikel 5.12 van het Arbeidsomstandighedenbesluit is sprake van een doelmatige zitgelegenheid als de stoel voorzien is van verstelbare armsteunen.
- 4.
Het meubel waarin baliewerk wordt verricht, biedt voldoende bewegingsvrijheid voor de werknemer. Er is een vrije ruimte onder het werkblad aanwezig van ten minste 70 centimeter hoog en 60 centimeter breed en diep, afgezien van de voor het werk beschikbare voetensteun. Bij die 60 centimeter breedte is de dikte van het werkblad nergens meer dan 5 centimeter.
- 5.
De inrichting van de balie maakt het mogelijk dat de werknemer en bezoekers elkaar op gelijke ooghoogte aan kunnen kijken. Hieraan wordt voldaan wanneer:
- a.
de zittinghoogte van de stoel van de werknemer over een traject verstelbaar is van 49 -61 cm, 59 - 71 cm of een traject daartussen, waarbij de werkhoogte van de werknemer dienovereenkomstig is aangepast, of
- b.
de vloer aan de zijde van de werknemer is verhoogd met 10 tot 20 centimeter en de overgang naar deze vloerverhoging goed is gemarkeerd, of
- c.
de balie aan bezoekerszijde voorzien is van een stoel, waarvan bezoekers geregeld gebruik maken.
- a.
- 6.
De werknemer heeft de beschikking over een voetensteun indien dat voor het bereiken van een goede lichaamshouding nodig is. Deze is minimaal 45 cm breed en 35 cm diep en is eenvoudig in hoogte instelbaar in minimaal 3 standen met onderling gelijke afstand. Het totale instelbereik van de voetensteun omvat in ieder geval het verticale traject tussen 35 en 47 centimeter onder de bovenzijde van de zitting. Een stang of balk als voetensteun is onvoldoende.
- 7.
Hulpmiddelen die regelmatig worden gebruikt zijn zo geplaatst dat de werknemer bij dat gebruik niet noodgedwongen hoeft te verzitten of een gebogen houding hoeft aan te nemen. Deze zijn geplaatst binnen een horizontaal bereik van 45 centimeter, gerekend vanaf de schouders van de werknemer. De plaatsing is bovendien op een hoogte die maximaal 10 centimeter afwijkt van de werkhoogte.
Het arbeidsgezondheidskundig onderzoek aan ogen en gezichtsvermogen omvat minimaal een anamnese, een gezichtsscherpte- en een accommodatiemeting. In aan vulling daarop vindt er een beoordeling van de werkplek plaats. Een oftalmologisch onderzoek wordt uitgevoerd als oogklachten of gezichtsstoornissen niet op een eenvoudige manier met optische correctiemiddelen te verhelpen zijn.
Er is sprake van een behaaglijk en gelijkmatig klimaat indien bij toepassing van de norm NEN-EN-ISO 7730:1996 "Gematigde thermische binnenomstandigheden. Bepalingen van de PMV- en de PPD-waarde en specificaties van de voorwaarden voor thermische behaaglijkheid", de PMV-waarde tussen – 0,5 en + 0,5 ligt, of indien minder dan 10 % van de werknemers klachten over het klimaat kenbaar maakt. Een overschrijding van die grenzen gedurende 10% van de verblijfstijd is acceptabel.
Indien de aard van het werk of de aard van de arbeidsplaats het werken bij een hoge omgevingstemperatuur noodzakelijk maakt, leiden de klimatologische omstandigheden met tot overschrijding van de referentiewaarden genoemd in:
- a.
bijlage A van de norm NEN-ISO 7243:1989 "Hete omgevingsomstandigheden – Bepaling van de externe warmtebelasting van werkende mensen, gebaseerd op de WBGT-index (wet bulb globe temperature)", inclusief correctieblad C1:1996, en
- b.
bijlage C van de norm NEN-ISO 7933:1990 "Hete klimaatomstandigheden – Analytische bepaling en interpretatie van de warmte-belasting met behulp van de berekening van de vereiste zweetproductie".
Indien de aard van het werk of de aard van de arbeidsplaats het werken bij een lage omgevingstemperatuur noodzakelijk maakt, voldoet het klimaat aan de norm NVN-ISO/TR 11079:1996 "Beoordeling van koude klimaatomstandigheden. Bepaling van de vereiste warmte-isolatie van kleding", rekening houdend met de koude-beschermende kleding die de werknemer draagt.
Bij overschrijding van de referentiewaarden in de bovengenoemde normen dient de werkgever de thermische belasting op de betreffende arbeidsplaats met behulp van passende maatregelen te verminderen, zo veel mogelijk in eerste aanleg bij de bron van de thermische belasting.
Deze beleidsregel is niet van toepassing aan boord van zeeschepen.
Voor kantoorruimten geldt een minimale luchtverversing van 30 m 3/uur per persoon, en voor lesruimten in het basisonderwijs, overeenkomstig NEN 1089:1986 "Ventilatie van schoolgebouwen. Eisen", een minimale luchtverversing van 20 m3/uur per persoon.
Voor overige ruimten waarin lichte arbeid wordt verricht geldt een minimale luchtverversing van 25 m3 /uur per persoon.
Deze beleidsregel is niet van toepassing aan boord van zeeschepen en luchtvaartuigen of indien de eisen van verkeersveiligheid (Wegvervoer) zich ertegen verzetten.
Arbeidsplaatsen en de directe toegangen daartoe zijn gedurende de aanwezigheid van de werknemers voldoende en doelmatig verlicht door daglicht, door kunstlicht of door beide, indien is voldaan aan de Nederlandse norm NEN 3087:1997 "Visuele ergonomie in relatie tot verlichting – Principes en toepassingen".
Aan het gestelde in artikel 6.4, eerste of tweede lid, kan in ieder geval in redelijkheid niet worden voldaan, wanneer:
- a.
de aard van de werkzaamheden zich tegen toetreding van daglicht verzet, of
- b.
de functie van de ruimte zich tegen toetreding van daglicht verzet, of
- c.
de omvang van de ruimte het aanbrengen van voldoende lichtopeningen niet toelaat, of
- d.
de plaats van de ruimte het aanbrengen van voldoende lichtopeningen met toelaat.
Bij de beoordeling of in redelijkheid met aan artikel 6.4, eerste of tweede lid, kan worden voldaan, wordt mede in overweging genomen dat:
- a.
het belang van daglicht zwaarder weegt naar gelang er sprake is van plaatsgebonden arbeid die in geringe mate contacten met zich meebrengt,
- b.
het belang van daglicht in een ruimte minder zwaar weegt naar mate de in die ruimte gelegen werkplek door daglicht wordt verlicht.
Besloten ruimten, van elkaar gescheiden door wanden die voor meer dan de helft uit helder, doorzichtig materiaal bestaan, worden voor de toepassing van artikel 6.4, eerste of tweede lid, als een ruimte beschouwd.
De werkgever beoordeelt de lawaainiveaus waaraan werknemers zijn blootgesteld als bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, van het Arbobesluit middels metingen, wanneer door de uitvoering van enigerlei werkzaamheid de dagelijkse blootstelling aan lawaai (dagdosis, LEX,T) hoger is dan 80 dB(A) of de piekgeluidsdruk hoger is dan 112 Pa (bij benadering 135 dB(C) momentane geluidsdruk). De Nederlandse norm NEN 3418 ‘Ergonomie. Het beoordelen van geluid op de arbeidsplaats’1 dient daarbij als leidraad.
Metingen kunnen achterwege blijven wanneer uit andere bron voldoende nauwkeurige gegevens beschikbaar zijn over de te beoordelen lawaainiveaus van de voorkomende werkzaamheden. In situaties waarin overschrijding van de dagdosis van 80 dB(A) of de piekgeluidsdruk van 112 Pa (135 dB(C)) bij een eerste beoordeling niet ondubbelzinnig valt vast te stellen, geven representatieve steekproefmetingen daarover uitsluitsel.
De deskundige of de arbodienst voert in opdracht van de werkgever de geluidsmetingen als bedoeld in artikel 6.7, tweede lid, uit overeenkomstig de Nederlandse norm NEN 3418. Dit waarborgt de representativiteit van de meetresultaten voor de blootstelling aan lawaai gedurende de dagelijkse arbeidstijd.
Toepassing van de norm NEN 3418 voor het meten van geluid op de arbeidsplaats waarborgt dat de bij de meting gebruikte methoden en apparaten zijn aangepast aan de desbetreffende omstandigheden als genoemd in artikel 6.7, derde lid.
Artikel 6.8, eerste, tweede en derde lid Arbobesluit
Wanneer een werknemer de dagdosis LEX,T van 85 dB(A) of het piekniveau van 140 Pa (bij benadering 137 dB(C) momentane geluidsdruk) overschrijdt, worden op de werkplekken die een wezenlijke bijdrage leveren aan die dagdosis technische of organisatorische maatregelen genomen om die bijdrage te reduceren, overeenkomstig de algemeen erkende stand van de lawaaibestrijdingstechniek in de bedrijfstak en de stand van de techniek in het algemeen. In ieder geval geldt dit voor de werkplekken waar de partiële dosis LEX,T hoger is dan 85 dB(A).
De werkgever vervangt machines waarvan de geluidsproductie niet beantwoordt aan bovengenoemde criteria wanneer de economische levensduur is verstreken.
Wanneer de dagdosis van de werknemer door lawaaibestrijding aan de bron door toepassing van de algemeen erkende stand van de techniek of van de algemeen gangbare voorzieningen voor lawaaibestrijding niet tot beneden 85 dB(A) (piekniveau 140 Pa of 137 dB(C)) kan worden teruggebracht, beperkt de werkgever de geluidsoverdracht naar de arbeidsplaats met gebruikmaking van de algemeen gangbare voorzieningen voor lawaaibestrijding zodanig dat de dagdosis van de betrokken werknemers zoveel mogelijk tot beneden 85 dB(A) (piekniveau 140 Pa of 137 dB(C)) wordt gereduceerd.
Artikel 6.8, vierde lid
Werkruimten, bedieningsplaatsen, arbeidsmiddelen etc. met een geluidniveau hoger dan 85 dB(A) (of piekniveau hoger dan 140 Pa of 137 dB(C)), dienen als gehoorbeschermingszone gemarkeerd te worden. Hiervoor zijn genormaliseerde waarschuwingspictogrammen in de handel verkrijgbaar, die bij de werkplekken of bij de ingang van de werkruimtes aangebracht kunnen worden. De pictogrammen moeten goed zichtbaar zijn. De afbakening van de gehoorbeschermingszone bestaat tenminste uit waarschuwingspictogrammen en kan daarnaast middels geel/zwarte band op de vloer of muur worden aangeduid.
Artikel 6.8, zevende lid, en artikel 8.1, eerste en tweede lid, Arbobesluit
Gehoorbeschermers zijn passend wanneer zij worden afgestemd op de omstandigheden ter plaatse door met name de volgende factoren mee in overweging te nemen:
- a.
de klimaatomstandigheden op de arbeidsplaats;
- b.
de aard van de uit te voeren werkzaamheden;
- c.
de hoeveelheid vrije ruimte op de arbeidsplaats;
- d.
de eventuele noodzaak gehoorbeschermers te gebruiken in combinatie met andere persoonlijke beschermingsmiddelen.
Afstemming van gehoorbeschermers op de ergonomische eisen en de vereisten met betrekking tot de gezondheid van de werknemer geschiedt door rekening te houden met de volgende zaken:
- a.
het draagcomfort van de gehoorbeschermers;
- b.
de persoonlijke voorkeur van de werknemers voor een bepaald type gehoorbeschermers;
- c.
medische aspecten die een beletsel kunnen vormen voor het gebruik van bepaalde typen gehoorbeschermers.
De werkgever zorgt ervoor dat de aangeboden gehoorbeschermers geschikt zijn voor de drager door de gebruikers een keuze te bieden uit verschillende typen gehoorbeschermers die voldoende demping bieden voor de situatie waarin de gehoorbeschermers worden gebruikt. Hierbij ziet de werkgever erop toe dat de dagelijkse blootstelling in de gehoorgang niet hoger is dan 80 dB(A) (en het piekniveau niet hoger is dan 112 Pa of 135 dB(C)) of, als dit technisch niet mogelijk is, in ieder geval niet hoger dan 87 dB(A) (en het piekniveau niet hoger dan 200 Pa of 140 dB(C)).
De selectie gebeurt aan de hand van de norm NEN-EN 458:1994 ‘Gehoorbeschermers – Aanbevelingen voor keuze, gebruik, verzorging en onderhoud. Praktijkrichtlijn’.
Vervallen
De beoordeling van de in artikel 6.14 van het Arbeidsomstandighedenbesluit bedoelde geschiktheid om caissonarbeid te verrichten vindt voor elke inschutting plaats door de in artikel 6.15, eerste lid onder c, bedoelde medische begeleider.
De werkinstructie wordt als deugdelijk aangemerkt als bedoeld in artikel 6.15, eerste lid, onder a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit indien bij de weergave van de veiligheidsvoorzieningen en de noodprocedures ten minste aandacht is besteed aan:
- a.
Verantwoordelijkheden en bevoegdheden.
- b.
Materieel en onderhoud.
- c.
Uitrusting van werkkamer, schutsluizen en compressiekamer.
- d.
Luchtdruk, temperatuur, luchtverversing en luchtzuiverheid in werkkamer, schutsluizen en compressiekamer.
- e.
Luchtpompen en (nood)energievoorziening.
- f.
Gebruik van elektriciteit.
- g.
Communicatie.
- h.
Voorzieningen en procedures, in ieder geval ten aanzien van het in- en uitschutten, en de decompressie- en de behandelingstabellen.
- i.
Voorzieningen en procedures voor situaties die afwijken van de algemeen voorkomende werksituaties.
- j.
Noodprocedures die ten minste voorschrijven dat de caissonarbeid onmiddellijk wordt gestaakt zodra de reserve-apparatuur voor het instandhouden van de overdruk of de noodenergie-voorziening in werking treedt.
- k.
Ongevalsmelding en medische hulp.
- l.
Samenstelling en gebruik van de EHBO-uitrusting.
- m.
Gedragsregels ten aanzien van rusttijd en vliegen na het verrichten van caissonarbeid.
- n.
Voorlichting en onderricht.
In bijlage 15 bij deze beleidsregels wordt voor een aantal onderwerpen een mogelijk nadere uitwerking gegeven.
De caisson, inclusief de werkkamer, schutsluizen en compressiekamer, genoemd in het tweede lid, onder c en d, is een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 1, derde lid, onder g, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 waarop de bepalingen uit hoofdstuk 3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit van toepassing zijn.
De werkkamer, bedoeld in het tweede lid, onder c en d:
- a.
is, zo blijkt uit berekeningen, voldoende stabiel, sterk en lucht- en waterdicht, en
- b.
heeft, met uitzondering van de aanvangssituatie, zodanige afmetingen dat de werknemers zich er rechtop in kunnen bewegen.
Aan de verplichting om met inachtneming van de stand van de techniek en rekening houdend met de specifiek te verrichten arbeid deugdelijk en in goede staat verkerend materieel ter beschikking te stellen, als bedoeld in artikel 6.15, eerste lid, onder b, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, wordt voldaan als ten minste het volgende materieel ter beschikking wordt gesteld dat voldoet aan de daarbij vermelde voorschriften.
- a.
Op een caisson zijn twee afzonderlijke personenschutsluizen aanwezig, tenzij dat praktisch uitgesloten is.
- b.
In de personenschacht is een takelinstallatie aanwezig waarmee een gewonde op een brancard of in een hijsbroek via de schutsluis naar buiten kan worden gebracht.
- c.
De personenschutsluis en personenschacht zijn – blijkens keuring en beproeving – voldoende sterk en luchtdicht.
- d.
De personenschutsluis voldoet tevens aan de volgende criteria:
- 1°.
de inlaatopening van de inrichting voor luchtverversing is zodanig geplaatst of beschut, dat de luchtverversing geen hinder kan veroorzaken;
- 2°.
de voor deze ruimte bestemde lucht wordt direct vanuit de hoofdpersleiding aangevoerd,
- 3°.
de toestellen ter regeling van de luchtdruk in deze ruimte zijn – met uitzondering van de verzegelde noodinrichting aldaar – gedurende het schutten van personen buiten hun bereik;
- 4°.
automatisch registrerende toestellen leggen het verloop van de luchtdruk in een personenschutsluis vast;
- 5°.
de hoogte is zodanige dat eenieder daarin rechtop kan staan;
- 6°.
er is apparatuur aanwezig die de ruimte kan verwarmen;
- 7°.
de constructie van de deuren is zodanig dat deze uitsluitend open kunnen naar de zijde van de hoogste druk;
- 8°.
hij is voorzien van een venster met een doorzichtige ruit;
- 9°.
in de ruimte is een verzegelde noodinrichting aanwezig die hen die worden ingeschut, in staat stelt zichzelf in noodsituaties uit te schutten;
- 10°.
de toegang tot de ruimte is voorzien van een platform dat ten minste 1 meter breed is en dat door een leuning is beveiligd;
- 11°.
indien hij boven water is opgesteld, bedraagt de afstand tussen het laagste punt van de toegang tot de personenschutsluis en de waterspiegel ten minste 1 meter.
- 12°.
indien hij onder de waterspiegel is opgesteld, blijkt uit de risico-inventarisatie en –evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, welke veiligheidsmaatregelen zijn genomen om indringing van water in de personenschutsluis te voorkomen.
- 1°.
- e.
In een personenschutsluis zijn een uitschuttijdentabel, een uurwerk, een manometer en een thermometer beschikbaar.
- f.
Voor personen en materialen zijn afzonderlijke schutsluizen en afzonderlijke schachten nodig, tenzij de werkgever aantoont dat in de werkkamer slechts licht gereedschap nodig is. In dat geval mag het gereedschap via de personenschutsluis worden aan- en afgevoerd.
- g.
De materialenschutsluis en -schacht zijn – blijkens keuring en beproeving – voldoende sterk en luchtdicht.
- h.
Van een materialenschutsluis zijn de binnen- en buitendeuren – indien zij opengaan naar de zijde van de laagste druk – zodanig gekoppeld, dat de ene deur slechts open kan als de andere dicht is.
- i.
Een werkkamer, personenschutsluis of pompkamer staat door middel van telefoon of een ander akoestisch systeem in verbinding met de toezichthouders die zich buiten die ruimten bevinden;
- j.
Een werkkamer, personenschutsluis, personenschacht of compressiekamer is door middel van elektrische apparatuur verlicht.
- k.
Waterdichte elektrische zaklantaarns voor alle caissonwerkers, met een minimum van drie zaklantaarns, zijn voorhanden in een waterdicht geconstrueerde kist in de werkkamer.
- l.
Met betrekking tot de overdrukinstallatie en installatie voor de luchtzuiverheid wordt het volgende in acht genomen:
- 1°.
De installatie die verantwoordelijk is voor het opbouwen en in stand houden van de overdruk en voor de ventilatie is in tweevoud aanwezig.
- 2°.
Als een luchtpomp of luchtleiding onklaar raakt, kan onmiddellijk een andere luchtpomp of luchtleiding in werking treden.
- 3°.
Ook andere inrichtingen waarvan het falen gevaar oplevert voor degenen die onder overdruk verkeren, zijn steeds in reserve en kunnen het werk direct overnemen.
- 4°.
De persluchtleiding heeft bij de luchtpompen een afsluiter.
- 5°.
De persluchtleiding bevat een zelfwerkende terugslagklep daar waar de leiding een werkkamer of een personenschutsluis binnengaat.
- 6°.
Op een gemakkelijk bereikbare plaats zit een veiligheidsklep die er voor zorgt dat de luchtdruk in de werkkamer de vereiste luchtdruk met niet meer dan 0,5. 105 Pa overschrijdt.
- 7°.
Er zijn voorzieningen aanwezig die de juiste luchtdruk, luchtverversing, luchtzuiverheid en, zo mogelijk, de temperatuur in werkkamer en schutsluizen waarborgen.
- 1°.
- m.
Een onafhankelijke noodenergievoorziening (noodstroomaggregaat) is aanwezig om onder alle omstandigheden de overdruk in stand te kunnen houden en de verlichting in werkkamer, personenschutsluis, personenschacht of compressiekamer te kunnen laten branden.
De duikmedische begeleider als bedoeld in artikel 6.15, eerste lid, onder c, van het Arbeidsomstandighedenbesluit houdt in het kader van een adequate medische begeleiding onder meer toezicht op het in- en uitschutten, en wel zodanig dat hij in staat is de in en uit te schutten personen te observeren.
De eerste-hulpuitrusting is adequaat als bedoeld in,artikel 6.15, eerste lid, onder d, van het Arbeidsomstandighedenbesluit indien:
- a.
deze wordt vastgesteld in overeenstemming met de arts bedoeld in artikel 6.15, tweede lid, en een door deze arts op schrift gestelde verklaring van de vastgestelde inhoud is bijgevoegd;
- b.
een zuurstofkoffer daarvan deel uitmaakt.
Een werkplan is deugdelijk als bedoeld in artikel 6.19, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, indien het ten minste bevat:
- a.
een opgave van de plaats waar de arbeid zal worden verricht en van het tijdstip waarop deze zal aanvangen;
- b.
een opgave van het vermoedelijke aantal werknemers dat op het gehele werk werkzaam zal zijn en van het aantal werknemers dat onder hogere dan atmosferische luchtdruk zal werken;
- c.
een volledig overzicht van het werk met tekeningen.
Een geschikte compressiekamer als bedoeld in artikel 6.20, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit voldoet aan de eisen die onafhankelijke classificatiebureaus stellen. Zij heeft in ieder geval de volgende voorzieningen:
- a.
de constructie is zodanig dat deze de benodigde decompressiedruk ruimschoots kan weerstaan:
- b.
aan de compressiekamer kan ademhalingsgas worden toegevoerd voor therapeutische recompressie;
- c.
de temperatuur in een compressiekamer is zodanig dat zij een optimale decompressie waarborgt;
- d.
in de compressiekamer bevindt zich een brandblusinstallatie, die onder overdruk bruikbaar is;
- e.
vanuit de compressiekamer is voortdurend telefonisch contact mogelijk met de persoon die de werknemers adequaat medisch begeleiden kan, bedoeld in artikel 6.15, eerste lid, onder c. van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
De werkinstructie, bedoeld in artikel 6.15, eerste lid, onder a. van het Arbeidsomstandighedenbesluit, wordt als deugdelijk aangemerkt indien bij de weergave van de veiligheidsvoorzieningen en de noodprocedures ten minste aandacht is besteed aan:
- a.
Verantwoordelijkheden en bevoegdheden
- b.
Materieel en onderhoud
- c.
Duikprocedures
- d.
Inschakeling reserveduiker
- e.
Voorzieningen en procedures voor situaties die afwijken van de algemeen voorkomende werksituaties
- f.
Richtlijnen voor decompressie
- g.
Ongevalsmelding en medische hulp
- h.
Samenstelling en gebruik van de EHBO-uitrusting.
Het aan de werknemers ter beschikking te stellen materieel als bedoeld in artikel 6.15, eerste lid, onder b, van het Arbeidsomstandighedenbesluit bestaat ten minste uit:
- a.
voorzieningen waarmee de ploegleider en de duikers met elkaar kunnen communiceren, waartoe in elk geval wordt gerekend een seinlijn van voldoende sterkte voor iedere duiker, indien de aard van de arbeid het gebruik van een seinlijn toelaat;
- b.
voorzieningen waarmee de duiker op veilige wijze in en uit de vloeistof kan komen, waarin duikarbeid wordt verricht;
- c.
een voorziening waardoor de ploegleider voortdurend op de hoogte kan zijn van de diepte waarop de duiker zich bevindt;
- d.
indien de duiklocatie niet of onvoldoende verlicht is, een aan de duiker bevestigde voorziening die de positie van de duiker bij verblijf aan de oppervlakte aangeeft, alsmede verlichting van de plaats vanwaar wordt gedoken;
- e.
voorzieningen om de lichaamstemperatuur van de duiker op peil te houden, indien het gevaar bestaat dat die temperatuur te veel daalt of stijgt;
- f.
een duiksysteem (waaronder ten minste een duikklok), indien wordt gedoken naar een diepte van 50 meter of meer;
- g.
een voorziening die tijdens duikarbeid het ademgas aan de duiker toevoert;
- h.
een voorziening om bij het duiken met oppervlakteademgasvoorziening (SSE) bij het gebruik van ademgas anders dan lucht, de kwaliteit van het ademgas aan de oppervlakte permanent te bewaken, alsmede een alarmsysteem dat een afwijking van de vereiste samenstelling onmiddellijk meldt.
Met betrekking tot het ter beschikking te stellen ademgas als bedoeld in artikel 6.15, eerste lid, onder b, wordt het volgende in acht genomen.
- a.
Er is sprake van voldoende ademgas wanneer de duiker gebruik kan maken van een zodanige hoeveelheid reserve-ademgas dat hij in geval van nood de duik op veilige wijze kan afbreken.
- b.
Bij gebruik van individuele onafhankelijke ademgasvoorziening – zoals bij scuba duikers – wordt, ter vaststelling van de voor een bepaalde activiteit geschikte kwaliteit ademgas, bij het gebruik van ademgas anders dan lucht net vóór aanvang van een duik de samenstelling van het gasmengsel gecontroleerd.
Voor de in artikel 6.15, eerste lid, onder c, juncto artikel 6.16, zevende lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit bedoelde persoon die de werknemers medisch kan begeleiden geldt ten minste het volgende:
- a.
Wanneer deze duikmedische begeleider een lid is van de duikploeg, mag hij niet zelf duiken noch mag hij in de voorafgaande 12 uur dieper dan 9 meter gedoken hebben.
- b.
Uitsluitend ingeval de duikploeg uit 2 personen mag bestaan (ingevolge artikel 6.16, vierde lid) kan de duikmedische begeleider als ploegleider en reserveduiker optreden, het onder a genoemde 12-uurscriterium vervalt dan.
De eerste-hulpuitrusting is adequaat als bedoeld in artikel 6.15, eerste lid, onder d, indien:
- a.
deze wordt vastgesteld in overeenstemming met de arts bedoeld in artikel 6.15, tweede lid, en een door deze arts op schrift gestelde verklaring van de vastgestelde inhoud is bijgevoegd;
- b.
een zuurstofkoffer daarvan deel uitmaakt.
Onder de hierna te noemen omstandigheden is sprake van een voorzienbare kans dat de duikers in moeilijkheden raken, bedoeld in artikel 6.16, vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit:
- a.
de reserveduiker kan duikuitrusting niet zelf aantrekken;
- b.
slecht zicht, te weten: op minder dan 1 meter zijn personen of voorwerpen niet duidelijk zichtbaar;
- c.
onmogelijkheid vrij op te stijgen;
- d.
aanwezigheid obstakels;
- e.
betreding van holle ruimten.
Een geschikte compressiekamer als bedoeld in artikel 6.18, eerste lid, voldoet aan de eisen die onafhankelijke classificatiebureaus stellen. Zij heeft in ieder geval de volgende voorzieningen:
- a.
de constructie is zodanig dat deze de benodigde decompressiedruk ruimschoots kan weerstaan;
- b.
aan de compressiekamer kan ademhalingsgas worden toegevoerd voor therapeutische recompressie;
- c.
de temperatuur in een compressiekamer is zodanig dat zij een optimale decompressie waarborgt;
- d.
in de compressiekamer bevindt zich een brandblusinstallatie, die onder overdruk bruikbaar is;
- e.
vanuit de compressiekamer is voortdurend telefonisch contact mogelijk met de persoon die de werknemers adequaat medisch begeleiden kan, bedoeld in artikel 6.15, eerste lid, onder c.
Ten aanzien personen die arbeid verrichten bestaande uit de instructie van sportduikers, bedoeld in artikel 6.13, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit en leerlingen en studenten als bedoeld in artikel 6.31, van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn niet van toepassing:
- a.
de materieeleisen, bedoeld in het tweede lid, de onderdelen a, c, d, f en h. Wel gelden de materieeleisen zoals gebruikelijk in de sportduikwereld;
- b.
de eisen aan de eerste-hulpuitrusting, bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a en b. Wel is ten minste een eerste-hulpuitrusting aanwezig zoals voorgeschreven door de Nederlandse Onderwatersportbond.
Vervallen
Aan het gestelde in artikel 7.3 wordt met betrekking tot het gebruik van handbediende hogedruk reinigers voldaan indien bij werkzaamheden met deze hogedrukreinigers Tabel l wordt aangehouden.
Onder een hogedruk reiniger wordt in dit verband een toestel verstaan:
- a.
met een maximum werkdruk van 250 bar of meer of
- b.
waarvan de opbrengst uitgedrukt in het product van de maximale werkdruk in bar en de hoeveelheid te verspuiten vloeistof in liters per minuut, groter is dan 5000.
Tabel l is samengesteld uit de volgende delen:
- a.
Werkomstandigheden. Deze zijn in oplopende zwaarte in 3 categorieën ingedeeld:
- 1°.
Standaardwerkzaamheden;
- 2°.
Werken in omsloten ruimten;
- 3°.
Bijzondere werkomstandigheden.
- 1°.
- b.
Extra beveiligings- en/of hulpmiddelen. Dit betreft met name een tweehandenbediening op het spuitpistool als beveligingsmiddel tegen het ongewild getroffen worden door de vloeistofstraal en een schoudersteun als hulpmiddel ter opvanging van de reactiekracht.
- c.
Reactiekracht van het spuitpistool. De maximaal toegestane reactiekracht bedraagt 250 N.
- d.
De lengte van de lans. De gangbare lanslengte bedraagt 75 cm. Bij kortere lanslengten neemt de kans getroffen te worden door de waterstraal toe.
Een lans met een lengte kleiner dan 50 cm wordt met gebruikt
Waar in de tabel sprake is van "Geen extra maatregelen" wordt bedoeld dat de in deze beleidsregel behandelde extra maatregelen niet behoeven te worden getroffen.
Waar sprake is van "Niet toepassen" wordt bedoeld dat de genoemde maatregelen als regel onvoldoende zijn om in de aangegeven situaties de risico's voldoende te beperken.
WERKOMSTANDIGHEDEN | ||||
Lanslengte in cm | Reactiekr. in N. | STANDAARD WERKZAAMHEDEN | WERKEN IN OMSLOTEN RUIMTEN | BIJZONDERE WERKOMSTANDIGHEDEN |
≥ 75 | ≤ 150 | Geen extra maatregelen | Geen extra maatregelen | twee handen-bediening |
≥ 75 | 150–200 | Schoudersteun of twee handenbed | Niet toepassen | Niet toepassen |
< 75 | ≤ 150 | twee handen-bediening | twee handen-bediening | twee handen-bediening |
< 75 | > 150 | Niet toepassen | Niet toepassen | Niet toepassen |
Aan het gestelde in artikel 7.3 wordt met betrekking tot het gebruik van afkort(cirkel-) zagen met een radiale arm voor handmatig afkorten en in verstek zagen van aluminium voldaan indien deze, in vergelijking met dezelfde machines waarmee uitsluitend hout of kunststof wordt verwerkt, zijn uitgevoerd met de volgende bijzondere voorzieningen:
- a.
een speciaal zaagblad met een negatieve snijhoek;
- b.
een ondersteuning voor het werkstuk, die zodanig bemeten is, dat het zaagblad zich altijd binnen de omtrek van deze ondersteuning bevindt;
- c.
een hoge aanslag op de ondersteuning voor het werkstuk, waar het zaagblad in de uitgangspositie geheel achter verdwijnt,
- d.
een afscherming achter de aanslag waardoor aanraking van het zaagblad in zijn uitgangspositie is voorkomen;
- e.
een mechanisme, dat ervoor zorgt, dat het zaagblad bij het loslaten van de handgreep in de uitgangspositie terugkeert;
- f.
een opspaninrichting waarmee het werkstuk wordt vastgezet;
- g.
een snelheidsbegrenzer die alleen een geleidelijke horizontale beweging van het zaagblad mogelijk maakt;
- h.
een zodanige beperking van de machine, dat evenwijdig zagen aan de aanslag niet mogelijk is.
Er wordt zodanig hijs- en hefgereedschap gebruikt, dat lasten er met ongewild van kunnen loskomen en dat het hijs- en hefgereedschap niet kan losraken van de kraan, ook met wanneer de last tijdens het hijsen ergens (ongewild) tegen stoot of wordt tegengehouden.
Haken worden hiertoe als regel gesloten uitgevoerd om te voorkomen dat aangehaakte hijs- en hefgereedschappen zoais stroppen lengen, hijsbanden enz. ongewild los van de haak kunnen komen.
Indien dit door de aard van de last niet kan worden voorkomen, worden doelmatige uitvalbeveiligingen toegepast of wordt voorkomen dat personen door een vallende last of een deel daarvan kunnen worden geraakt.
Leidingen of kabels van vacuumhefgereedschap, hefmagneten en dergelijke zijn beschermd tegen beschadiging bij uitval van de energie-toevoer of bij afname van het hefverrnogen zijn waarborgen gerealiseerd, waardoor het vallen van de last of delen daarvan geen risico's tot gevolg heeft. Indien dit niet kan worden gewaarborgd, wordt de hijshoogte beperkt tot maximaal 1,5 meter of wordt de zone, waarboven zich lasten kunnen bevinden, ontruimd en afgezet.
Voor machines en vergelijkbare arbeidsmiddelen wordt aan het gestelde in artikel 7.3, eerste lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit voldaan indien de risico-inventarisatie en -evaluatie is uitgevoerd volgens NEN-EN 1050:1997 "Veiligheid van machines. Principes voor de risicobeoordeling".
Deze beleidsregel is niet van toepassing op transportmiddelen die zijn uitgesloten van de werkingssfeer van het op de Warenwet gebaseerde Warenwetbesluit machines.
Aan het gestelde in artikel 7.3, vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voor freesgereedschap en ronde zaagbladen voor houtbewerking voldaan, indien deze voldoen aan de bepalingen van de norm NEN-EN 847-1:1997 "Gereedschap voor houtbewerking – Veiligheidseisen. Deel 1: Freesgereedschap, ronde zaagbladen", inclusief correctieblad C1:1997.
Een hijskraan is een werktuig, ingericht en bestemd voor het hijsen en verplaatsen van vrijhangende lasten.
Hijskranen, die voor 1 januari 1995 voor de eerste maal in Nederland in gebruik genomen werden en die niet voorzien zijn van een CE-markering overeenkomstig het op de Warenwet gebaseerde Warenwetbesluit machines voldoen aan het gestelde in artikel 7.4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, indien de volgende NEN-normen in acht zijn genomen:
- a.
NEN 2017:1973 "Hijskranen. Algemene bepalingen",
- b.
NEN 2018:1983 "Hijskranen. Belastingen en belastingcombmaties", inclusief aanvulling A1 1988,
- c.
NEN 2019:1976 "Hijskranen. Het metalen geraamte", inclusief aanvulling A1 1986,
- d.
NEN 2020:1994 "Hijskranen. De mechanische uitrusting" inclusief aanvulling A1 1997
- e.
NEN 2021:1994 "Hijskranen. De elektrische uitrusting",
- f.
NEN 2022:1976 "Hijskranen. Stabiliteit (Veiligheid tegen kantelen)" inclusief correctieblad C2:1989,
- g.
NEN 2023:1994 "Hijskranen. Constructieve eisen in verband met de veiligheid", inclusief correctieblad C1:1994,
- h.
NEN 2024:1973 "Hijskranen .Documenten, inbedrijfstelling, bedrijfsvoering en onderhoud",
- i.
NEN 2026:1979 "Mobiele kranen. Algemene bepalingen Documenten, inbedrijfstelling, bedrijfsvoering en onderhoud", inclusief aanvulling A2:1993,
- j.
NEN 2028:1982 "Hijskranen Automatische begrenzingsinrichtingen", inclusief aanvulling A1:1990,
- k.
NEN 3508:1988 "Staalkabels, schijven en trommels voor hijs- en transport-doeleinden; Aanwijzingen voor keuze en ontwerp".
Een werktuig dat met primair ontworpen is als hijskraan, maar met enige aanpassing hijswerkzaamheden kan verrichten, zoals een grondverzetmachine of een vorkheftruck, dient, indien daarmee hijswerkzaamheden worden uitgevoerd, voor wat betreft het hijsgedeelte te voldoen aan artikel 7.4. Hiervan kan worden afgeweken indien de aard van de werkzaamheden dit toelaat en het veiligheidsniveau niet wordt verlaagd.
Deze beleidsregel is niet van toepassing op hijswerktuigen aan boord van schepen, daarvoor gelden de bepalingen van internationale verdragen op het gebied van scheepvaart zoals van IMO-en ILO-verdragen (respectievelijk International Marine Orgamsation en International Labour Organisation).
Aan artikel 7.4, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voor wat betreft hijs- en hefgereedschap voldaan als:
- 1.
de volgende NEN-normen in acht zijn genomen:
- a.
NEN-EN 1492-1:2000, Hijsbanden – Veiligheid – Deel 1: Vlakke geweven hijsbanden, gemaakt van kunststofvezels, voor algemeen gebruik.
- b.
NEN-EN 1492-2:2000, Hijsbanden – Veiligheid – Deel 2. Ronde hijsbanden, gemaakt van kunststofvezels, voor algemeen gebruik.
- c.
NEN 3359:1986 "Kettingwerk van staal voor hijs- en transportdoeleinden. Eisen voor het vervaardigen, beproeven, controleren en certificeren",
- d.
NEN 3360:1986 "Niet-gekalibreerde kortschalmige stalen kettingen voor hijs- en transport-doeleinden. Eisen en beproevingsmethoden",
- d.
NEN 3508:1988 "Staalkabels, schijven en trommels voor hijs- en transportdoeleinden. Aanwijzingen voor keuze en ontwerp",
- f.
NEN 3575:1981 "Staalkabels Kabel – Karakteristieken en leveringsvoorwaarden",
- a.
- 2.
knopen of boutklemmen niet worden toegepast bij de constructie van stroppen en lengen;
- 3.
hijsjukken met verstelbare hijspunten in hun verschillende standen worden geborgd;
- 4.
de instelling van het vacuüm van vacuumhefgereedschap niet door een eenvoudige ingreep of op een andere ongewilde wijze veranderd kan worden. De grootte van het vacuüm moet tijdens bedrijf zichtbaar zijn voor de bedieningsman.
Vierwielige trekkers met een massa groter dan 800 kg zijn ter voldoening aan artikel 7.4, eerste en tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, ter bescherming van de bestuurder of meerijder(s) tegen het gevaar van kantelen of achter overslaan, uitgerust met een doelmatige veiligheids-cabine, -frame of -beugel.
In geval zij zijn voorzien van een open veiligheidsframe of -beugel zijn zij tevens uitgerust met veiligheidsgordels voor de zitplaatsen van bestuurder en meerijder(s);
De doelmatigheid van een veiligheidscabine, -frame of -beugel kan worden aangetoond, indien:
- a.
de sterkte, de inrichting en de bevestiging op de trekker met goed gevolg is beproefd volgens de OECD-normen "OECD Standaard codes voor het officieel beproeven van landbouw en bosbouwtrekkers. Codes 1 tot en met 8", 1995 en
- b.
ten aanzien daarvan:
- 1°.
een EEG-goedkeuringsmerk is toegekend ingevolge de richtlijnen betreffende kantel-beveiligingsinnchtingen op landbouw of bosbouwtrekkers op wielen 77/536 EEG(PbEG L 220), laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 89/680 EEG (PbEG L 398) en 79/622 EEG (PbEG L 179), laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 88/413 (PbEO L 200) of
- 2°.
een certificaat of merk van goedkeuring werd afgegeven ingevolge de Warenwet.
- 1°.
Aan de doelmatigheid wordt tevens voldaan door beveiligingsmiddelen van het type:
- a.
uitgevoerd volgens tekening van de Arbeidsinspectie nr 15653 ("Beugel voor kuilhooprijden"), registratienummer van de Arbeidsinspectie 001; of
- b.
fabrikaat Sirocco B.V. systeem "Binger Seilzug", registratienummer van de Arbeidsinspectie 002;l of
- c.
fabrikaat Georg Fritzmeier KG, veiligheidsframe 66, veiligheidsbeugel 77, 77H, 77K, 87 en 88, registratienummer van de Arbeidsinspectie 003; of
- d.
fabrikaat Firma Adoif Sebald Maschinenbau, systeem "Sebald-Sicherheitsbugel zur Nachrustung", registratienummer van de Arbeidsinspectie 004.
Ter voldoening aan het gestelde in artikel 7.4, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn de in het eerste lid van deze beleidsregel bedoelde trekkers uitgerust met een laag aankoppelpunt om het gevaar voor achteroverslaan te voorkomen.
Ladders die bestemd zijn om door één persoon te worden belast, dienen tenminste te voldoen aan de Nederlandse norm NEN 2484:1989 "Draagbaar klimmaterieel Ladders en trappen. Termen, definities, eisen, beproevingsmethoden, gebruik en onderhoud", inclusief correctieblad C1:1990. Ladders die bestemd zijn om door meerdere personen gelijktijdig te worden gebruikt hebben een dienovereenkomstige veiligheid.
Beleidsregel 7.4 -5 De kwaliteit en de constructie van steigers: Grondslag: Arbobesluit artikel 7.4.
Deze beleidsregel bestaat uit twee delen: l de uitgangspunten en II een uitwerking voor de veel voorkomende staande stalen steigers.
l UITGANGSPUNTEN
Aan artikel 7.4, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voor wat betreft steigers voldaan, indien deze in overeenstemming zijn met het gestelde in de volgende normbladen, met dien verstande dat de hierna, onder 2, genoemde afwijkingen daarop zijn toegestaan.
- a.
NEN 6700:1991 "Technische grondslagen voor bouwconstructies. TGB 1990 – Algemene basiseisen", inclusief aanvulling A1:1997,
- b.
NEN 6702:1991 Technische grondslagen voor bouwconstructies. TGB 1990 – Belastingen en vervormingen", inclusief aanvulling A1:1997,
- c.
NEN 6710:1991 "Technische grondslagen voor bouwconstructies. TGB 1990 – Alummium-constructies – Basiseisen en basisrekenregels voor overwegend statisch belaste constructies", inclusief aanvulling A1:1997,
- d.
NEN 6760:1997 "Technische grondslagen voor bouwconstructies. TGB 1990 – Houtconstructies – Basiseisen – Eisen en bepalingsmethoden",
- e.
NEN 6770:1997 "Technische grondslagen voor bouwconstructies. TGB 1990 – Staalconstructies – Basiseisen en basisrekenregels voor overwegend statisch belaste constructies",
- f.
NEN 6771:2000, "Technische grondslagen voor bouwconstructies. TGB 1990 – Staalconstructies – Stabiliteit",
- g.
NEN 6772:2000, "Technische grondslagen voor bouwconstructies. TGB 1990 – Staalconstructies – Verbindingen",
Op de in het eerste iid genoemde normbladen zijn de volgende afwijkingen toegestaan:
- a.
De in rekening te brengen veranderlijke verticale belasting op een vloer is tenminste gelijk aan de optredende belasting, doch met minder dan een gelijkmatig verdeelde belasting van 1.5 kN/m2 of een geconcentreerde last van 1.5 kN werkend op een vloeroppervlak van 0.50 x O 50 m indien dit voor enig onderdeel van de constructie ongunstiger is.
Voor delen (plank, schot) van de steigervloer smaller dan 0.50 in mag de geconcentreerde last voor de berekening van dat vloerdeel evenredig worden verkleind echter met lager dan tot 1 kN
- b.
Wat betreft het aantal vloeren voor de bepaling van de belasting wordt er gerekend met de aanwezigheid van tenminste twee belaste en drie onbelaste vloeren, tenzij vaststaat dat de werkelijke constructie minder belast is.
- c.
De randbeveiliging (hekwerken en leuningen) voldoet aan het gestelde in beleidsregel 3.16, Arbobesluit (voorzieningen bij valgevaar).
- d.
Ten aanzien van de windbelasting kan bij steigers die met langer dan 1,5 jaar worden gehandhaafd de in rekening te brengen winddruk met 15 % worden verminderd. Voor personen en materialen wordt gerekend met een totale door de wind getroffen hoogte van tenminste O,40 m, tenzij er op de betreffende punten al andere door de wind getroffen vlakken van 0,40 m of meer in rekening zijn gebracht.
- e.
Voor de invloed van bouwfouten, ongewilde scheefstand, stoten, remkrachten e.d. wordt 2% van de nuttige belasting en van het eigen gewicht in rekening gebracht.
- f.
De in rekening te brengen belasting is de ongunstigste combinatie van 1° of 2°:
- 1°.
- –
75 % van de veranderlijke belasting
- –
de eigen massa
- –
de windbelasting
- –
de bijzondere invloeden
- –
- 2°.
- –
de veranderlijke belasting
- –
de eigen massa
- –
de bijzondere invloeden
- –
- 1°.
- g.
De belastingfactoren zijn tenminste 1,5 voor de eigen massa en 1.7 voor de veranderlijke belasting.
II UITWERKING
De in deel l vermelde uitgangspunten zijn voor de veel gebruikte stalen steigers herleid tot de hierna vermelde regels, die bij naleving in de toepassing nadere berekening van dergelijke steigers overbodig maakt.
Elementen van stalen steigers
Het basis-element van deze steigers vormt de stalen pijp met een buitendiameter van 48,3 mm en een wanddikte van 3,2 mm, overeenkomstig het gestelde in Ontwerp NEN-EN 39:1996 "Stalen buizen voor toepassing in systeemsteigers. Technische leveringsvoorwaarden". Deze pijpen:
- a.
hebben over de gehele lengte een ronde doorsnede en zijn op het oog beoordeeld recht;
- b.
zijn vrij van scheuren, indeukingen, sterke roestvorming, interingen en andere gebreken en
- c.
zijn niet koud vervormd, bijvoorbeeld door afplatten of buigen.
De pijpen zijn onderling verbonden door koppelingen, vervaardigd van staal of smeedbaar gietijzer. Indien aan koppelingen is gelast, voldoen de lassen aan de waarde 3 van de International Institute of Welding-normen.
Koppelingen, aangebracht op een pijp en in de lengterichting van die pijp belast met 15 kN, verschuiven met langs de pijp en veroorzaken geen beschadigingen. Pijpen steken altijd uit buiten een koppeling.
Een laskoppeling verbindt twee pijpen in de lengterichting aan elkaar en vervormt niet bij een belasting van 9 kN loodrecht op deze koppeling, aangebracht op de meest ongunstige plek, waarbij de pijpen er nog vast inzitten. De blijvende doorbuiging van de gekoppelde pijpen bedraagt na deze belasting niet meer dan 3 mm.
Laskoppelingen worden niet op trek belast.
Een kortelingkoppeling verbindt twee pijpen met één sluiting.
Montagepennen worden samen gebruikt met laskoppelingen om staanders en liggers te verlengen en ze:
- a.
hebben in het midden een kraag van tenminste 47 mm diameter;
- b.
zijn vervaardigd van staal of smeedbaar gietijzer en passen met een speling van ten hoogste 10 mm in de pijpen. Ze hebben een lengte van ten minste 250 mm, tenzij ze één geheel vormen met een laskoppeling. In dat geval is de pen minstens even lang als de leskoppeling.
Staanders rusten op voetplaten van staal of smeedbaar gietijzer. Voetplaten voldoen aan de volgende voorwaarden:
- a.
ze zijn rond of vierkant en hebben ieder een oppervlakte van tenminste 225 cm2,
- b.
een voetplaatoppervlak is tenminste 100cm2 groter voor elke volgende staander, die op dezelfde voetplaat steunt;
- c.
de dikte van de voetplaat bedraagt tenminste 6 mm.
- d.
zoveel mogelijk in het midden van de voetplaat is een stalen pen of pijp aangebracht met een lengte van tenminste 80 mm en een zodanige doorsnede, dat de staander er met een speling van ten hoogste 10 mm overheen kan worden geschoven.
Kortelingsteunen, vervaardigd van staal of smeedbaar gietijzer, hebben een draagvlak in het metsetwerk met een lengte van ten minste 10 cm, gemeten loodrecht op het muurvlak en een dragend oppervlak van tenminste 50cm2.
Verankeringsspindels zijn vervaardigd van staal en zijn met langer dan 2 m, tenzij maatregelen zijn genomen om knikgevaar te voorkomen. De verstelmogelijkheid is ten hoogste 200 mm.
Plankbeugels zijn vervaardigd van staal en zijn voorzien van lippen die om twee planken grijpen, waarbij elke lip tenminste 30 mm lang is.
Steigerplanken hebben een dikte van tenminste 30 mm en zijn tenminste 200 mm breed. De einden der planken zijn tegen inscheuren beschermd. De houtkwaliteit van de planken komt overeen met die van standaardbouwhout volgens NEN 5461:1999 "Kwaliteitseisen voor hout (KVH 2000); Gezaagd hout en paalhout – Algemeen gedeelte" en NEN 5466:1999 "Kwaliteitseisen voor hout (KVH2000); Houtsoorten Europees vuren, Europees grenen en Europees lariks", inclusief aanvulling A1:2000 en correctieblad C1:2001.
Constructie van staande steigers
Deze constructie-aanwijzingen hebben betrekking op steigers tot 30 in hoogte en die van maximaal 3 vloeren zijn voorzien, waarvan slechts één vloer wordt belast. Er wordt onderscheid gemaakt in zware en lichte steigers.
Zware steigers zijn bestemd voor bouwwerkzaamheden (zoals metselwerk) en tot op zekere hoogte voor opslag of vervoer van materialen voor directe verwerking in het bouwwerk tot een gelijkmatig verdeelde vloerbelasting van ten hoogste 3 kN/m2 of een geconcentreerde belasting van 3 kN op een oppervlak van 500 x 500 mm en een staanderbelasting van ten hoogste 6,0 kN. Zodra gebruik wordt gemaakt van pakketten metselstenen, tegels, hout of zodra er meer dan één belaste vloer aanwezig is, wordt de toelaatbare belasting overschreden en zal de steiger zwaarder zijn uitgevoerd dan in deze standaard uitvoering is beschreven
Lichte steigers zijn uitsluitend bestemd voor werkzaamheden, die worden verricht met lichte gereedschappen, zonder opslag van bouwmaterialen of het vervoer daarvan tot een gelijkmatig verdeelde vloerbelasting van 1,5 kN/m2 of tot een geconcentreerde belasting van 1,5 kN en een staanderbelasting van ten hoogste 6,0 kN.
De zogenaamde reparatie- en onderhoudssteigers worden tot de lichte steigers gerekend. Een steiger is in zijn geheel of als zware of als lichte steiger uitgevoerd.
Staanders zijn loodrecht of een weinig hellend naar de muur geplaatst. De staanders rusten op voetplaten, die tegen verzakken zijn verzekerd en zodanig onderstopt, dat ze over tenminste 95% van de oppervlakte dragen. De lengte van staanderpijpen is tenminste 4 m lang. Bij verlengde staanders hebben de onderste pijpen om de andere een lengteverschil van ten minste 1,5 m en mag de bovenste pijp korter zijn dan 4 m.
De laskoppelingen van twee opeenvolgende verlengde staanders zijn niet tussen dezelfde liggers aangebracht.
Ter plaatse van twee elkaar snijdende buitenvlakken van een steiger is een staander geplaatst. De afstand tussen de muur en de aan de muurzijde geplaatste staanders bedraagt bij zgn "dubbele" steigers ten hoogste 30 cm. Indien een of meer staanders niet op de grond steunen, is de steiger ter plaatse versterkt.
De steigervloer is breed genoeg om naast opslag van materialen voldoende ruimte te bieden voor transport en het verrichten van werkzaamheden. Hierbij is voor een lichte steiger een nuttige breedte van tenminste 0,80 m en voor zware (metsel-) steigers van tenminste 1,20 m het uitgangspunt.
Een steiger die alleen dient voor incidentele passage van personen of voor overwegend staand werk kan volstaan met een nuttige breedte van tenminste 0,60 m of met tenminste 0,80 m indien hierover materialen worden vervoerd. Wanneer op de loopbrug gebruik wordt gemaakt van transportmiddelen, dan is de loopbrug minimaal 0,40 m breder dan het breedste transportmiddel.
De afstand tussen opeenvolgende staanders bedraagt bij zware steigers niet meer dan in tabel 1 en bij lichte steigers niet meer dan in tabel 2 is aangegeven.
Maximum afstanden tussen de staanders (m) | Maximum stetgerbreedte (m) | Minimum aantal kortelmgen tussen de staanders |
1,8 | 1,5 | 2 |
1,8 | 1,35 | 1 |
1,7 | 1,65 | 2 |
1,7 | 1,5 | 1 |
1,6 | 1,8 | 2 |
1,6 | 1,65 | 1 |
Maximum afstanden tussen de staanders (m) | Maximum steigerbreedte (m) | Minimum aantal tussenkortelingen tussen ieder paar staanders |
2.3 | 1,5 | 1 |
2,15 | 1,65 | 1 |
2 | 1 8 | 1 |
Voor liggers gelden de volgende voorwaarden:
- a.
liggers zijn door kruiskoppelingen bevestigd aan de binnenzijde van de staanders;
- b.
de onderlinge vertikale afstand van de liggers bedraagt bij toepassing van bovenstaande tabellen maximaal 2 m;
- c.
bij grotere afstanden is de constructie aangepast op basis van berekeningen volgens deel l (Uitgangspunten) en zijn in de meeste gevallen leuningen, hekwerken en dergelijke verhoogd al naar de aard van de te verrichten werkzaamheden.
- d.
De onderste ligger is noogstens 0,25 m boven de onderste ondersteuning van de staanders aangebracht.
- e.
Lassen van twee opeenvolgende liggers zijn niet tussen dezelfde staanders aangebracht. Bij verdere opbouw van de steiger wordt geen ligger verwijderd.
Koppelbuizen zijn aanwezig op iedere kruising van een ligger en een staander en zijn aan beide zijden door koppelingen vastgezet. Ter ondersteuning van de werkvloer zijn tussen de verbindingsbuizen kortelingen aangebracht, die aan de buitenste ligger zijn bevestigd. De afstand tussen kortelingen of tussen een korteling en een koppelbuis is zoveel mogelijk gelijk. Het minimum aantal toe te passen kortelingen tussen de staanders is aangegeven in de tabellen 1 en 2.
Voor zogenaamde enkele steigers geldt dat kortelingen onder een geringe, naar het bouwwerk aflopende helling zijn gelegd en zij in het metselwerk over een lengte van ten minste 10 cm zijn ondersteund of zijn voorzien van een kortelingsteun. Bij een enkele steiger zijn de onderliggers bij de kruising met een staander verbonden aan direct in het metselwerk dragende kortelingen zonder kortelingsteunen.
Steigers zijn verankerd door elk steigervlak te koppelen aan balklagen, voldoende verhard metselwerk of andere vaste delen van het bouwwerk, overeenkomstig het in afbeelding 1 aangegeven patroon. Van dit patroon kan worden afgeweken bij uitvoeringsproblemen, mits de vaste stand van de steiger blijft gewaarborgd en het knikgevaar van staanders is voorkomen, bijvoorbeeld door het aanbrengen van schoorverbanden.
De eerste en de laatste staander zijn altijd verankerd evenals de bovenzijde daarvan. Hoekstaanders van twee elkaar snijdende steigervlakken blijven daarbij buiten beschouwing. Bij dubbele steigers wordt zowel het binnenste als het buitenste steigervlak afzonderlijk verankerd. Verankeringen zijn horizontaal gekoppeld aan de liggers of de staanders, zo dicht mogelijk bij de knooppunten. Verankeringen kunnen als korteling worden gebruikt.
eerste staander van het steigervlak
Afbeelding 1 Patroon van verankeringenBij het gebruik van verankeringsspindels in kozijnen of andere openingen zijn deze omgeven door verhard metselwerk of beton. De vuistukken tussen verankeringsspindels en het metselwerk of het beton bestaan uit materiaal dat een nagenoeg constante spanning in de spindels waarborgt. Hout of ander krimpgevoelig materiaal behoort hier niet toe. Verankeringen worden niet aan ingemetselde kortelingsteunen bevestigd.
Verankeringen kunnen ieder de volgende horizontale krachten opnemen:
- a.
evenwijdig aan het bouwwerk: 1,7kN;
- b.
loodrecht op het bouwwerk: 2,5 kN. Bij open skeletachtige bouwwerken en steigerhoogtes van meer dan 15 m bedraagt deze waarde 5,0 kN.
Om schranken van de steigerconstructie tegen te gaan is het buitenvlak van de steiger over de gehele hoogte voorzien van schoren.
- a.
Een steigervlak telt maximaal zes opeenvolgende ongeschoorde staanders.
- b.
Bij steigers hoger dan 10 m zijn alle staanders in een steigervlak met elkaar verbonden middels doorlopende elkaar kruisende schoren.
- c.
De schoren worden gekoppeld aan iedere staander die zij kruisen, zo dicht mogelijk bij de knooppunten van staanders en liggers.
- d.
Verlengen van doorlopende schoren geschiedt door zogenaamde parallelkoppelingen. Schoren worden gelijktijdig met het opbouwen van de steiger aangebracht.
Werkvloeren zijn over de gehele breedte zo dichtgelegd, dat doorvallen van materialen en gereedschappen niet mogelijk is.
- a.
Indien twee steigervlakken elkaar snijden – bijvoorbeeld op een hoek van een bouwwerk – loopt elke werkvloer door tot deze rust op de ligger van het andere (buitenste) steigervlak.
- b.
Het opwaaien, opwippen en verschuiven van de steigerplanken wordt voorkomen.
- c.
Van metalen werkvloeren is de draagkracht door een berekening aangetoond.
- d.
Onder werkvloeren boven 6 m hoogte is op maximaal 2,5 m daaronder een dichtgelegde schrikvloer aangebracht van dezelfde breedte en constructie als de werkvloer.
- e.
De afstand tussen de werkvloer en het bouwwerk bedraagt ten hoogste 10 cm, tenzij de aard van de werkzaamheden zich hiertegen verzet.
- f.
Werkvloerplanken die tussen staanders eindigen, zijn stuik tegen elkaar gelegd, waarbij de uiteinden elk afzonderlijk is ondersteund. De afstand tussen deze ondersteuningen is maximaal 0,30 m.
Bij een werkvloer boven ingangen of boven plaatsen waar wordt gewerkt of waar regelmatig verkeer plaatsvindt, is een vangschot aangebracht onder een hoek van 45 graden, dat tenminste 0,75 m uitsteekt buiten de vloer waar voorwerpen vanaf kunnen vallen (of zoveel meer als in verband met plaatselijke omstandigheden noodzakelijk is) en dat is samengesteld uit aaneensluitende planken van tenminste 2 cm dikte. Op plaatsen waar dat nodig is, is aansluitend aan het vangschot een doelmatige afdekking aangebracht.
Loopbruggen die onder een helling groter dan 1:4 met het horizontale vlak liggen, zijn over de volle breedte voorzien van looplatten die zekerheid bieden tegen uitglijden. Voor zover van toepassing, gelden voor loopbruggen dezelfde voorschriften als voor werkvloeren.
Alle metalen delen van stalen steigers zijn verbonden met een beschermingsleiding (aardleiding), wanneer zich op, langs, aan of boven de steigers elektrische kabels of leidingen bevinden, die kunnen zijn aangesloten op een onder spanning staand elektriciteitsnet.
De hiervoor beschreven "standaard" steigers zijn niet geschikt om hijswerktuigen op of aan te bevestigen. Bouwliften worden aan het bouwwerk zelf verankerd. Indien door omstandigheden een hijswerktuig op of aan een steiger is bevestigd, is deze daarop aangepast. Dit geldt ook voor ieder ander gebruik dat de steiger extra belast, zoals het toepassen van zeilen etc.
Het gevaar van bewegende delen van een arbeidsmiddel, bedoeld in artikel 7.7, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, is aanwezig, tenzij:
- a.
de snelheid en de aandrijvende krachten van de bewegende delen zodanig gering zijn, dat hierdoor geen letsel kan ontstaan;
- b.
het gevaar onbereikbaar is gemaakt door voor de bovenste en de onderste ledematen veiligheidsafstanden te creëren overeenkomstig de norm NEN-EN 294:1994 "Veiligheid van machines, veiligheidsafstanden ter voorkoming van het bereiken van gevaarlijke zones met de bovenste ledematen", respectievelijk de norm NEN-EN 811:1996 "Veiligheid van machines, veiligheidsafstanden ter voorkoming van het bereiken van gevaarlijke zones met de onderste ledematen", of
- c.
er bij knelgevaar bij naar elkaar toe dan wel langs elkaar heen bewegende delen zodanige ruimte vrij blijft, dat wordt voldaan aan de norm NEN-EN 349:1994 "Veiligheid van machines minimum afstanden ter voorkoming van het bekneld raken van menselijke lichaamsdelen".
Schermen of beveiligingsinrichtingen, die ter naleving van artikel 7.7, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit worden aangebracht, voldoen aan artikel 7.7, tweede tot en met zesde lid, indien zij in overeenstemming zijn met de betreffende bepalingen van de normen:
- a.
NEN-EN 292-1:1994 "Veiligheid van machines, Basisbegrippen, algemene ontwerpbeginselen Deel 1: Basisterminologie, methodologie",
- b.
NEN-EN 292-2:1996 "Veiligheid van machines, Basisbegrippen, algemene ontwerpbeginselen Deel 2: Technische beginselen en beschrijvingen",
- c.
NEN-EN 574:1997 "Veiligheid van machines, tweehandenbediening",
- d.
NEN-EN 953:1998 'Veiligheid van machines, algemene eisen voor het ontwerp en de constructie van afschermingen (vast, beweegbaar)",
- e.
NEN-EN 999:1998 "Veiligheid van machines. De plaatsing van beveiligingsinrichtingen in verband met naderingssnelheden van lichaamsdelen".
Deze beleidsregel is niet van toepassing op transportmiddelen die zijn uitgesloten van de werkingssfeer van het op de Warenwet gebaseerde Warenwetbesluit machines.
Werknemers komen in de onmiddellijke nabijheid van een arbeidsmiddel als bedoeld in artikel 7.9, wanneer de afstand van lichaamsdelen tot oppervlakken met een zeer hoge of zeer lage temperatuur kleiner is dan de minimum afstanden genoemd in NEN-EN 294:1994 "Veiligheid van machines – Veiligheidsafstanden ter voorkoming van het bereiken van gevaarlijke zones met de bovenste ledematen-", of NEN-EN 811:1996 "Veiligheid van machines – Veihgheidsafstanden ter voorkoming van het bereiken van gevaarlijke zones met de onderste ledematen".
Indien de kans op aanraking, aldus gedefinieerd, niet kan worden voorkomen mogen de oppervlakte temperaturen niet hoger zijn dan de toelaatbare grenswaarde van NEN-EN 563:1997 "Veiligheid van machines. Temperaturen van aan te raken oppervlakken Ergonomische gegevens om temperatuur-grenswaarden voor hete oppervlakken vast te stellen" en niet lager zijn dan –20°C.
Deze beleidsregel is niet van toepassing op transportmiddelen die zijn uitgesloten van de werkingssfeer van het op de Warenwet gebaseerde Warenwetbesluit machines.
Een bedieningssysteem is veilig, als bedoeld in artikel 7.13 eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit indien het:
- a.
voldoet aan het gestelde in NEN-EN 954-1:1997 "Veiligheid van machines – Onderdelen van besturingssystemen met een veiligheidsfunctie – Deel 1: Algemene ontwerpbeginselen",
- b.
zodanig is uitgevoerd dat bediening steeds mogelijk blijft in situaties waarbij het bedieningssysteem niet, zoals voorgeschreven in artikel 7.13, vijfde lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit buiten de gevaarlijke zone kan worden geplaatst.
Verplaatsbare bedieningssystemen, waardoor bedienend personeel een gevaarlijke zone van een arbeidsmiddel met enig lichaamsdeel kan bereiken of kan binnengaan vereisen nadere maatregelen om dat tegen te gaan.
In specifieke situaties, zoals bij het instellen van machines met verwijderde/overbrugde beveiligingen binnen of nabij de gevaarlijke zone zijn (aanvullende) constructieve aanpassingen aan het arbeidsmiddel nodig in relatie tot of in combinatie met het bedieningssysteem.
Deze beleidsregel is niet van toepassing op transportmiddelen die zijn uitgesloten van de werkingssfeer van het op de Warenwet gebaseerde Warenwetbesluit machines.
Aan het gestelde in artikel 7.14, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voldaan indien het bedieningssysteem van het arbeidsmiddel zodanig is uitgevoerd dat dit voor wat betreft het in werking stellen voldoet aan de desbetreffende bepalingen in NEN-EN 954-1:1997 "Veiligheid van machines – Onderdelen van besturingssystemen met een veiligheidsfunctie – Deel 1: Algemene ontwerpbeginselen".
Deze beleidsregel is niet van toepassing op transportmiddelen die zijn uitgesloten van de werkingssfeer van het op de Warenwet gebaseerde Warenwetbesluit machines.
Aan het gestelde in artikel 7.15, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voldaan, indien het bedieningssysteem van het arbeidsmiddel zodanig is uitgevoerd dat dit voor wat betreft het stopzetten voldoet aan de desbetreffende bepalingen van NEN-EN 954-1:1997 "Veiligheid van machines – Onderdelen van besturingssystemen met een veihgheidsfunctie – Deel 1: Algemene ontwerpbeginselen".
Deze beleidsregel is niet van toepassing op transportmiddelen die zijn uitgesloten van de werkingssfeer van het op de Warenwet gebaseerde Warenwetbesluit machines.
Aan het gestelde in artikel 7.16 van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voldaan, indien een noodstopvoorziening is aangebracht in de gevallen zoals omschreven in de relevante artikelen van NEN-EN 954-1:1997 "Veiligheid van machines – Onderdelen van besturingssystemen met veiligheidsfunctie – Deel 1: Algemene ontwerpbeginselen".
Deze beleidsregel is niet van toepassing op transportmiddelen die zijn uitgesloten van de werkingssfeer van het op de Warenwet gebaseerde Warenwetbesluit machines.
Aan het gestelde in artikel 7.I7b, tweede lid onder b van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voldaan indien mobiele arbeidsmiddelen met elektrische aandrijving zijn uitgerust met een inrichting die onafhankelijk van het bedieningsorgaan automatisch het stroomcircuit van de rijmotor onderbreekt wanneer de bestuurder het arbeidsmiddel verlaat. De inrichting mag werken met een vertraging van maximaal 3 seconden.
De beproeving, het onderzoek en de beoordeling van hijs- en hefgereedschappen voldoen aan het gestelde in artikel 7.20, zesde tot en met achtste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, indien zij geschieden overeenkomstig van toepassing zijnde nationale of internationale normalisatie normen.
De Nederlandse normen die hierbij van belang zijn worden vermeld in NEN-bundel 12:1989 "Normen voor hijsgereedschappen en staalkabels" en in de Nederlandse praktijkrichtlijn NPR 1823:1989 "Hijsgereedschappen, hijswerktutgen en staalkabels. Overzicht van normen", die tevens in NEN-bundel 12 is opgenomen.
Bewijsstukken als bedoeld in het negende lid van artikel 7.20 voldoen indien daarop tenminste de gemeten waarden en beoordelingsresultaten zijn vermeld van alle aspecten waarvoor de gehanteerde norm beproeving, onderzoek of beoordeling verlangt.
De bewijsstukken zijn gewaarmerkt door de personen, die het beoordelingsresultaat hebben vastgesteld.
Onder afdoende technische maatregelen als bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit worden een der volgende oplossingen verstaan:
- a.
De aanwezigheid van tenminste 0,5 m vrije afstand tussen de omtrek van het dak van een der liftkooien en uitstekende delen naast de baan van die liftkooi, behalve ter plaatse van de leisloffen en de bevestigingsconstructies daarvan, of
- b.
Een vaste scheidingswand die over de gehele schachthoogte is aangebracht, of
- c.
Een blokkeerschakelaar op het kooidak van de lift waaraan wordt gewerkt en waarmee de aangrenzende lift(en) buiten bedrijf kan (kunnen) worden gesteld.
Onder incidentele werkzaamheden van korte duur als bedoeld in artikel 7.22, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit worden werkzaamheden verstaan, die jaarlijks hooguit enkele malen worden verricht en die per keer niet langer duren dan ongeveer vier uur.
Toepassing van andere meer geëigende middelen om moeilijk bereikbare plaatsen te bereiken als bedoeld in artikel 7.22, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit kan redelijkerwijs niet worden verlangd indien het:
- a.
kortstondige werkzaamheden betreft waarvoor het aanbrengen en verwijderen van meer geëigende arbeidsmiddelen onevenredig hoge kosten zou veroorzaken, of
- b.
werkzaamheden betreft met een spoedeisend karakter waarbij het oponthoud benodigd voor het aanbrengen van meer geëigende arbeidsmiddelen grotere risico's zou veroorzaken, dan de risico's die aan het werken in een werkbak zijn verbonden.
Een werkbak is vervaardigd, ingericht, toegerust en bevestigd als bedoeld in artikel 7.22, derde lid, onder a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wanneer de volgende bepalingen zijn in acht genomen:
- a.
De werkbak is berekend en wordt voor de eerste ingebruikneming beproefd op 1,25 maal de maximaal toelaatbare werklast. Als gevolg van de beproeving doet zich geen blijvende vervorming voor. Van deze beproeving kan een schriftelijk bewijs worden overgelegd.
- b.
De werkbak heeft een gesloten constructie tot tenminste 1,0 m hoogte, of de werkbak is voorzien van een leuning op 1,0 m hoogte, een voetstootlijst en een knieregel. De voetstootlijst van een werkbak bestemd voor gebruik met een hijskraan is 0,4 m hoog.
- c.
Voor iedere persoon, die in de werkbak aanwezig kan zijn, is binnen de binnenste begrenzing van de werkbak een stevige handgreep aangebracht op minimaal 1,0 m hoogte.
- d.
Bij hijskranen wordt de werkbak opgehangen aan een kraanhaak middels een viersprong, waarvan de spreidhoek tussen de overhoekse parten maximaal 60° bedraagt.
- e.
Het vloeroppervlak van de werkbak heeft een voldoende afmeting. Deze bedraagt voor een eénpersoonsbak inwendig minimaal 0,6 x 0,9 m, voor een tweepersoonsbak minimaal 0,6 x 1,2 m en voor een driepersoonsbak minimaal 0,6 x 1,8 m, of is zoveel groter als in de werkbak aanwezige materialen of gereedschappen noodzakelijk maken om eenzelfde netto oppervlak te verkrijgen.
- f.
In de werkbak bestemd voor gebruik met een hijskraan is op alle plaatsen een vrije stahoogte van tenminste 2,0 m.
- g.
De constructie, inrichting en ophanging van de werkbak is zodanig, dat geen knelgevaar voor personen aanwezig is tussen de werkbak en het toegepaste hijsgereedschap bij hefwerktuigen zoals vorkheftrucks is de werkbak daartoe aan de zijde van het hefwerktuig over de hele breedte tot een hoogte van minimaal 1,75 m voorzien van een scherm, dat voldoet aan het gestelde in beleidsregel Arbobesluit 7.7.
- h.
Aan de buitenzijde zijn duidelijk en onuitwisbaar de toelaatbare werklast, de eigen massa en het toelaatbare aantal personen aangegeven.
- i.
De werkbak wordt afhankelijk van het gebruik, doch in ieder geval jaarlijks, onderzocht op goede staat en wordt zo nodig hersteld. Van een en ander wordt aantekening gehouden.
- j.
Werkbakken bevestigd op hefwerktuigen zoals vorkheftrucks zijn voorzien van een bedieningsorgaan (vrijgeef-knop), dat bij bediening de hef- en daalbeweging vrijgeeft.
- k.
De bevestiging van de werkbak op het hefwerktuig is geborgd.
Een werkbak verkeert in een goede staat van onderhoud als bedoeld in artikel 7.22, derde lid, onder a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wanneer daarbij de volgende bepalingen zijn in acht genomen:
- a.
Steeds direct voorafgaand aan het gebruik worden gecontroleerd:
- 1°.
de toestand en de goede werking van de hijskabel, de hijshaak en het toegepaste hijs-gereedschap,
- 2°.
de bevestiging van de hijskabel aan de trommel en aan de wartel c.q. de hijshaak,
- 3°.
de soepele werking van de wartel en
- 4°.
de bevestiging van de werkbak aan de hijshaak.
- 1°.
- b.
De controles worden gedocumenteerd en zijn op het werkterrein verifieerbaar.
- c.
De hijskabel wordt iedere drie maanden geïnspecteerd of zoveel vaker als noodzakelijk is om een veilig gebruik te waarborgen.
Een werkbak hangend aan een hijskraan wordt gebruikt als bedoeld in artikel 7.22, derde lid, onder a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wanneer daarbij de volgende bepalingen worden in acht genomen:
- a.
Met een mobiele hijskraan, waaraan een bemande werkbak is bevestigd, wordt niet gereden.
- b.
Met een op een kraanbaan rijdende hijskraan met bemande werkbak wordt alleen met kruipsnelheid (max 2,5 km/h) gereden.
- c.
Tussen de kraanmachinist en de personen in de werkbak bestaat waar mogelijk steeds rechtstreeks visueel contact en er wordt tussen hen altijd een onbelemmerde communicatie instandgehouden tijdens het verblijf in de werkbak. De kraanmachinist en de personen in de werkbak zijn hierover vooraf genstrueerd en zij hebben duidelijke afspraken gemaakt over de communicatie tijdens het verblijf in de werkbak. Vanuit de werkbak worden de aanwijzingen aan de kraanmachinist steeds door een en dezelfde persoon gegeven.
- d.
Werkbakken worden nooit gebruikt bij windsnelheden boven 13,8 m/s (windkracht 6 Beaufort) noch bij windsnelheden die hoger zijn dan voor de hijskraan in normaal bedrijf toelaatbaar is..
- e.
De machinist verlaat de hijskraan niet en verricht tegelijkertijd geen andere werkzaamheden, zolang er een bemande werkbak in zijn hijskraan hangt
- f.
De werkbak wordt uitsluitend met geringe snelheid en zonder schokken of stoten verplaatst.
- g.
In de werkbak bevinden zich niet meer personen en/of lasten dan waarvoor de werkbak bestemd is.
- h.
De personen in de werkbak dragen allen een valbeveiliging die aan de werkbak aangelijnd is.
- i.
Het betreden en verlaten van de werkbak geschiedt uitsluitend wanneer deze op een vaste ondergrond is afgezet.
Een werkbak bevestigd aan of op het hefmechanisme van een hefwerktuig zoals een vorkheftruck wordt gebruikt als bedoeld in artikel 7.22, derde lid, onder a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wanneer daarbij de volgende bepalingen worden in acht genomen:
- a.
De werkbak wordt tijdens gebruik slechts met geringe snelheid en zonder haperen geheven.
- b.
Met een werkbak die meer dan 0,2 m is geheven wordt bij het positioneren van de werkbak alleen met kruipsnelheid (maximaal 2,5 km/uur) gereden.
- c.
De totale massa van werkbak met inhoud bedraagt niet meer dan 50% van de maximaal toegestane belasting van het hefwerktuig in zijn meest ongunstige stand.
- d.
De bestuurder verlaat het hefwerktuig niet en verricht tegelijkertijd geen andere werkzaamheden, zolang de bemande werkbak in geheven positie verkeert.
- e.
De veiligheidscoefficient tegen kantelen van het hefwerktuig bedraagt tenminste 1,5 bij de meest ongunstige positie van de werkbak met volle belasting.
Hijs- en hefwerktuigen, die in combinatie met een werkbak worden gebruikt, zijn voldoende toegerust als bedoeld in artikel 7.22, derde lid, onder b, van het Arbeidsomstandighedenbesluit indien naast de overigens voor deze werktuigen geldende wettelijke bepalingen de hierna vermelde bepalingen zijn in acht genomen:
- a.
ten aanzien van hijskranen:
- 1°.
Het bij het verplaatsen van de werkbak gebruikte hijswerk is uitgerust met zgn automatische remmen, die niet kunnen worden uitgeschakeld. Dalen van de werkbak door middel van een vrije val is niet mogelijk.
- 2°.
De belasting door de volbelaste werkbak van de hijskraan en het hijsgereedschap bedraagt niet méér dan één kwart (25%) van de toelaatbare bedrijfslast gerekend naar de hijs-tabel(len) van de kraan, respectievelijk van de toelaatbare werklast van het hijsgereedschap. In afwijking van de vorige volzin bedraagt van vast-opgestelde en van op permanente kraanbanen opgestelde hijskranen de belasting van de delen, die niet tot de kabel of het hijsgereedschap behoren, niet meer dan driekwart (75%) van de nominale belasting waarvoor deze delen zijn ontworpen.
- 3°.
Kraanbaangebonden hijskranen zijn voorzien van meelopende, om de railkop grijpende railklauwen, die mogelijk kantelen van de kraan verhinderen.
- 1°.
- b.
ten aanzien van werkbakken bevestigd aan of op het hefmechanisme van een hefwerktuig zoals een vorkheftruck:
- 1°.
Het hefwerktuig is voorzien van een inrichting, die alle bewegingsfuncties blokkeert, met uitzondering van de rijd- en de neigfunctie.
- 2°.
De in het hefmechanisme van het hefwerktuig toegepaste kabels en kettingen zijn tenminste dubbel uitgevoerd.
- 1°.
Beleidsregel 7.34 Toezicht op steigerbouw: Grondslag: Arbobesluit artikel 7.34 eerste en tweede lid.
Onder een terzake deskundig persoon in de zin van artikel 7.34, eerste en tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt verstaan een persoon die beschikt over aantoonbare specifieke deskundigheid op het terrein van:
het lezen en begrijpen van montage-, demontage- en ombouwschema's van het betreffende type steiger;
het veilig opbouwen, afbreken of ombouwen van het betreffende type steiger;
kennis van de risico's en de te nemen preventieve maatregelen in verband met het vallen van hoogte, vallende voorwerpen, invloed van veranderende weersomstandigheden op de steiger-constructie, toelaatbare belastingen en ieder ander risico dat de betreffende werkzaamheden met zich meebrengt.
Onverminderd het gestelde met betrekking tot de keuze en beoordeling van persoonlijke beschermingsmiddelen in andere van toepassing zijnde beleidsregels wordt aan het gestelde in artikel 8.2, onder a, b en c, van het Arbeidsomstandighedenbesluit voldaan indien de keuze en beoordeling van persoonlijke beschermingsmiddelen zijn uitgevoerd in overeenstemming met de betreffende leidraad uit de serie V/E/3, uitgebracht door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, zoals opgenomen in de 'Gids persoonlijke beschermingsmiddelen' van het Nederlands Normalisatie-instituut (NNI) Delft 1999.
Onder bestanddelen van woningen of andere gebouwen worden mede begrepen alle objecten die daarin aanwezig zijn en die door hun aard, vorm, gewicht of afmetingen redelijkerwijs niet uit de desbetreffende woningen of andere gebouwen kunnen worden verwijderd ten behoeve van het uitvoeren van handelingen als bedoeld in artikel 4.32a, eerste lid, onder b.
Onder bestanddelen van woningen of andere gebouwen worden met mede begrepen objecten dte worden vervaardigd hersteld of onderhouden in het kader van een productieproces onderscheidenlijk reparatie of onderhoud, voor zover de handelingen, bedoeld in het eerste lid, worden verricht op een daartoe adequaat ingerichte arbeidsplaats.
Aan ergonomische eisen als bedoeld in artikel 5.1 van de Arbeidsomstandighedenregeling voor apparatuur en meubilair in gebruik bij het verrichten van beeldschermwerk wordt voldaan wanneer naast dan wel ter uitvoering van de in dat artikel genoemde eisen het navolgende in acht wordt genomen:
- 1.
Om onnodige vermoeiing van de ogen te voorkomen bevinden toetsenbord, document en beeldscherm zich op ongeveer gelijke kijkafstand. Bij administratief beeldschermwerk kan de werknemer de kijkafstand naar behoefte wijzigen, in ieder geval zodanig dat de werknemer recht voor het beeldscherm kan zitten en de kijkafstand ten minste 50 centimeter bedraagt. In werksituaties waarbij de werknemer overwegend naar het document kijkt, kan de werknemer het document op een documenthouder recht voor zich plaatsen. Bij administratief beeldschermwerk voldoet een beeldschermwerktafel aan de norm NEN 2449:1990 "Ergonomie Ergonomische criteria voor kantoortafels. Eisen voor afmetingen en uitvoering Beproevingsmethoden " waarbij in plaats van de instelbaarheid in hoogte ook van een tafel met een vaste werkhoogte gebruik kan worden gemaakt, mits deze vaste werkhoogte tussen 74 en 76 centimeter ligt.
- 2.
In regelkamers ligt de werkhoogte (vanaf het vloeroppervlak tot aan de bovenzijde van het werkvlak) tussen 72 en 76 centimeter, of de werkhoogte is tussen deze hoogten instelbaar bij de zitplaats van de werknemer is het werkblad, inclusief een eventuele draagconstructie in ieder geval met dikker dan 5 centimeter. De vrije ruimte voor de benen op een werkplek in een regelkamer is minimaal 60 centimeter breed, 60 centimeter diep, gemeten vanaf de voorzijde van het werkvlak, en 70 centimeter hoog. Op het werkvlak is er naast de bedieningsmiddelen een vrije ruimte van minimaal 30 x 30 centimeter beschikbaar waarop de werknemer documenten en naslagwerken kan raadplegen. Het beeldscherm kan zo worden opgesteld dat de kijkafstand niet minder dan 50 centimeter bedraagt.
- 3.
Indien grafisch tekenwerk wordt verricht is een werktafel vereist met twee afzonderlijke werkvlakken een beeldschermwerkvlak waarop het beeldscherm staat en een bedienwerkvlak met daarop de bedieningsmiddelen. Het bedienwerkvlak is in hoogte instelbaar tussen 62 en 82 centimeter en biedt de benen van de werknemer een vrije ruimte van minimaal 70 centimeter diep en 60 breed. Het bedienwerkvlak zelf is daarbij niet dikker dan 5 centimeter, inclusief een eventuele draagconstructie.
- 4.
Een stoel die bij beeldschermwerk wordt gebruikt, voldoet aan de norm NEN-EN 1335-1:2000, ‘Kantoormeubelen - Kantoorstoelen - Deel 1: Afmetingen - Bepaling van afmetingen’, met de aanduiding ‘type A’.
- 5.
Indien de werksituatie een voetensteun vereist, dan zorgt de werkgever daarvoor. Deze voldoet aan de norm DIN 4556:1983 "Büromöbel Fußstützen fur Büroarbeitsplatz, Anforderungen, Maße",
- 6.
Indien bij administratief beeldschermwerk met documenten wordt gewerkt is een documenthouder vereist. Deze voldoet aan de eisen van de Nederlandse Praktijkrichtlijn NPR 1813:2000 "Ergonomische uitgangspunten voor kantoormeubelen en aanwijzingen voor het gebruik. Toelichting bij NEN 1812 en NEN 2449". Voor de documenthouder geldt bovendien dat deze stabiel is en niet trilt tijdens het gebruik van het toetsenbord.
- 7.
De beeldschermapparatuur voldoet aan de specificaties in de norm NEN-ISO 9241-3:1997 "Ergonomische eisen voor kantoorarbeid met beeldschermen Deel 3: eisen voor het beeldscherm" Het toetsenbord is een los component van het beeldschermapparaat. De dikte ervan bedraagt in het midden (ter hoogte van de letterreeks a,s,d,f) niet meer dan 4 centimeter. De gemiddelde hellingshoek van de bovenzijde van het toetsenbord ligt tussen 5 en 25°. De onderzijde van het toetsenbord is stroef. De toetsen van het toetsenbord zijn bij administratief beeldschermwerk gerangschikt volgens de qwerty-indeling, en uitgevoerd conform NEN 2294:1986 "Toetsenborden voor schrijfmachines en gegevensverwerkingsapparatuur".
- 8.
Als bij de bediening van de apparatuur een muis wordt gebruikt, zijn de afmetingen van het bijbehorende werkvlak toereikend om de cursor over het gehele scherm te bewegen. De inrichting houdt rekening met rechts- en Iinkshandige bediening. De lengte van een verbindingssnoer is afgestemd op zowel links- als rechtshandig gebruik van de muis.
- 9.
Als bij de bediening van de apparatuur een stuurknuppel of een rolbal wordt gebruikt, is de werkplek uitgerust met een ondersteuningsmogelijkheid voor de onderarm, en is deze in een ontspannen lichaamshouding goed bereikbaar voor de dominante hand van de werknemer. Het werkvlak daarbij is horizontaal of nagenoeg horizontaal bij ontspannen schoudergordel bevindt dit werkvlak zich maximaal 10 centimeter onder het niveau van de ellebogen van de werknemer bij tweehandige bediening van een rolbal bevindt deze zich midden voor de werknemer op een afstand van 20 tot 40 centimeter, gemeten vanaf de voorkant van het werkvlak.
- 10.
Als de bediening van de apparatuur plaatsvindt aan de hand van een aanraakscherm of een lichtpen, bevindt het gehele scherm zich onder handbereik, dat wil zeggen binnen een straal van 45 centimeter, gemeten vanaf de voorkant van het werkvlak. Een grafisch tablet, indien aanwezig, is niet dikker dan 2 centimeter, waarbij deze geplaatst is onder een hoek van 15° recht voor het beeldscherm. Het grafisch tablet heeft een mat oppervlak in een lichte tint.
- 1.
Het besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 11 oktober 1999, Directie Arbeidsomstandigheden, Arbo/AIS 9955491, tot vaststelling van beleidsregels op het gebied van de Arbeidsomstandighedenwetgeving (Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving) wordt ingetrokken.
- 2.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2002.
- 3.
Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving.
behorend bij beleidsregel 33 Arbowet 1998
● | deel 1 | tarieven Arbowet 1998 |
● | deel 2 | tarieven Arbobesluit |
● | deel 3 | tarieven Arboregeling |
Ten aanzien van de feiten waar een asterisk (*) achter de boetenormbedragen is geplaatst, kan ook een werknemer worden beboet, indien deze op grond van de desbetreffende bepalingen:
- a.
de ter beschikking gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen en hulpmiddelen niet overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften gebruikt en zindelijk houdt (zie artikel 9.3, eerste lid, Arbobesluit, juncto artikel 11, aanhef en onder a en b. Arbowet 1998 of
- b.
de betreffende voorschriften en verboden niet naleeft (zie artikel 9.3, tweede lid, Arbobesluit).
artikel | lid | beboetbare feiten | boete normbedrag |
3 | arbobeleid | ||
1 | De werkgever voert een zo goed mogelijk arbeidsomstandighedenbeleid en neemt daarbij, gelet op de stand van wetenschap en professionele dienstverlening, het volgende in acht:
| € 900 | |
2 | De werkgever draagt zorg voor een goede verdeling van bevoegdheden en verantwoordelijkheden tussen bij de werkgever werkzame personen, waarbij hij rekening houdt met de bekwaamheden van de werknemers. | € 270 | |
3 | De werkgever toetst het arbeidsomstandighedenbeleid regelmatig aan opgedane ervaringen en past maatregelen aan zo dikwijls als de daarmee opgedane ervaring daartoe aanleiding geeft. | € 270 | |
4 | aspecten van arbobeleid | ||
1 | De werkgever voert binnen het algemene arbobeleid een beleid met betrekking tot het ziekteverzuim van de werknemers. Onderdeel van dit beleid is in ieder geval: | ||
| € 135 | ||
€ 135 | |||
2 | De werkgever voert binnen het algemene arbobeleid, een beleid met betrekking tot het beschermen van werknemers tegen seksuele intimidatie. | € 270 | |
De werkgever voert binnen het algemene arbobeleid, een beleid met betrekking tot het beschermen van werknemers tegen agressie en geweld. | € 270 | ||
5 | inventarisatie en evaluatie van risico's | ||
1 | De werkgever legt in een inventarisatie en evaluatie schriftelijk vast welke risico s de arbeid voor werknemers met zich mee brengt Deze risico-inventarisatie en -evaluatie bevat tevens een beschrijving van de gevaren en de risico-beperkende maatregelen en risico's voor bijzondere categorieën van werknemers. | € 900 1) | |
2 | De risico-inventarisatie en -evaluatie bevat een lijst van arbeidsongevallen waarop de aard van het ongeval en de datum waarop het ongeval zich heeft voorgedaan wordt geregistreerd. | € 225 | |
3 | Een plan van aanpak maakt deel uit van de risico-inventarisatie en evaluatie, een en ander overeenkomstig artikel 3. | € 225 | |
In het plan van aanpak zijn ook de termijnen aangegeven waarbinnen maatregelen zullen worden genomen. | € 225 | ||
Over de uitvoering van het plan van aanpak wordt jaarlijks schriftelijk gerapporteerd. | € 225 | ||
4 | De risico-inventarisatie en -evaluatie wordt aangepast zo dikwijls als de daarmee opgedane ervaring, gewijzigde werkmethoden of -omstandigheden of de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening daartoe aanleiding geven. | € 225 | |
5 | De werkgever zorgt dat iedere werknemer kennis kan nemen van de risico-inventarisatie en -evaluatie, met inbegrip van de lijst van arbeidsongevallen, bedoeld in het tweede lid. | € 45 | |
6 | Indien de werkgever arbeid doet verrichten door een werknemer die hem ter beschikking wordt gesteld, verstrekt hij tijdig voor de aanvang van de werkzaamheden aan degene die de werknemers ter beschikking stelt, de beschrijving uit de risico-inventarisatie en -evaluatie van de gevaren en risicobeperkende maatregelen en van de risico's voor de werknemer op de in te nemen arbeidsplaats, opdat diegene deze beschrijving verstrekt aan de betrokken werknemer. | € 450 2) | |
Afdeling 3a trillingen | |||
6.11b | nadere voorschriften inventarisatie en evaluatie, beoordelen en meten | ||
1 | In het kader van de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de wet, worden de niveaus van de mechanische trillingen waaraan de werknemer wordt blootgesteld, beoordeeld en indien nodig gemeten. | € 450 | |
2 | De beoordeling en de meting worden op zorgvuldige wijze gepland en met passende tussenpozen uitgevoerd. | € 450 | |
3 | De meting vindt plaats voor hand-armtrillingen overeenkomstig punt 2 van deel A en voor lichaamstrillingen overeenkomstig punt 2 van deel B van de bijlage bij de richtlijn. | € 450 | |
4 | De resultaten van de meting worden in een passende vorm bewaard gedurende ten minste tien jaren. | € 45 | |
6 | De beoordeling wordt regelmatig herzien, in ieder geval indien gewijzigde omstandigheden of resultaten van de arbeidsgezondheidskundige onderzoeken, bedoeld artikel 6.11e, hiertoe aanleiding geven. | € 450 | |
6.11c | voorkomen of beperken van schadelijke trillingen | ||
2 | Werknemers worden niet blootgesteld aan trillingen boven de grenswaarde voor blootstelling, bedoeld in artikel 6.11a, tweede lid, onderdeel a, en derde lid, onderdeel a. | € 1.800 | |
3 | Indien de grenswaarde toch wordt overschreden: | € 1.800 | |
a. worden onverwijld maatregelen getroffen om de blootstelling terug te brengen tot onder de grenswaarde voor blootstelling; | |||
b. wordt de oorzaak van de overschrijding van de grenswaarde onderzocht; | |||
c. worden de beschermings- en preventiemaatregelen aangepast om te voorkomen dat de grenswaarde opnieuw wordt overschreden. | |||
6.11d | voorlichting en onderricht | ||
Aan werknemers die aan risico’s in verband met mechanische trillingen op het werk worden blootgesteld, worden doeltreffende voorlichting en doeltreffend onderricht gegeven over: | € 270 | ||
a. maatregelen die zijn genomen om de risico's in verband met mechanische trillingen weg te nemen of tot een minimum te beperken; | |||
b. de grenswaarden en actiewaarden voor blootstelling; | |||
c. de resultaten van de overeenkomstig artikel 6.11b verrichte beoordelingen en metingen van mechanische trillingen en de gezondheidsschade die de gebruikte arbeidsmiddelen kunnen veroorzaken; | |||
d. het nut van en de methode voor het opsporen en melden van symptomen van gezondheidsschade; | |||
e. de omstandigheden waarin werknemers recht hebben op arbeidsgezondheidskundig onderzoek; | |||
f. veilige werkmethoden om de blootstelling aan mechanische trillingen tot een minimum te beperken. | |||
6.11e | arbeidsgezondheidskundig onderzoek inzake trillingen | ||
1 | Iedere werknemer die voor de eerste keer wordt belast met werkzaamheden die blijkens de beoordeling, bedoeld in artikel 6.11b, eerste lid, gevaren kunnen opleveren voor de veiligheid of gezondheid, wordt in aanvulling op artikel 18 van de wet, in de gelegenheid gesteld om vóór de aanvang van de werkzaamheden een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan. | € 45 | |
2 | Indien bij een werknemer een aandoening wordt geconstateerd die het gevolg zou kunnen zijn van blootstelling aan mechanische trillingen, worden werknemers, die op soortgelijke wijze zijn blootgesteld aan mechanische trillingen, tussentijds in de gelegenheid gesteld een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan. | € 45 | |
4 | Wanneer bij een werknemer als gevolg van blootstelling aan mechanische trillingen een aantoonbare ziekte of een schadelijke invloed op de gezondheid is vastgesteld, wordt hij door de deskundige persoon, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, of de arbodienst, geïnformeerd over de wijze waarop hij na beëindiging van de blootstelling in de gelegenheid wordt gesteld een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan | € 45 | |
8 | voorlichting en onderricht | ||
1 | De werkgever dient de werknemer doeltreffend te informeren over de te verrichten werkzaamheden en daaraan verbonden risico's alsmede over de maatregelen die erop gericht zijn deze risico's te voorkomen of te beperken. | € 270 | |
Tevens zorgt de werkgever ervoor dat de werknemers doeltreffend worden ingelicht over de wijze waarop de deskundige bijstand in zijn bedrijf of inrichting is georganiseerd. | € 270 | ||
2 | De werkgever zorgt ervoor dat aan de werknemers doeltreffend en aan hun onderscheiden taken aangepast onderricht wordt verstrekt met betrekking tot de arbeidsomstandigheden. | € 270 | |
3 | Indien persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking van de werknemers worden gesteld en indien op arbeidsmiddelen of anderszins beveiligingen zijn aangebracht, zorgt de werkgever ervoor dat de werknemers op de hoogte zijn van hun doel en werking en de wijze waarop zij deze dienen te gebruiken. | € 270 | |
4 | De werkgever ziet toe op naleving van instructies en voorschriften gericht op het voorkomen of beperken van in het eerste lid genoemde risico's alsmede op het juiste gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen. | € 900 | |
5 | Indien binnen de onderneming werknemers jonger dan 18 jaar werkzaam zijn, houdt de werkgever bij de uitvoering van de in de voorgaande leden genoemde verplichtingen in het bijzonder rekening met de aan de jeugdige leeftijd inherente werkervaring en onvoltooide lichamelijke en geestelijke ontwikkeling van deze werknemers. | € 270 | |
De werkgever bevordert zoveel als redelijkerwijs kan worden gevergd het leer- en vormingsproces van deze jeugdige werknemers. | € 45 | ||
9 | melding arbeidsongevallen | ||
1 | Indien een werknemer een arbeidsongeval overkomt dat ernstig lichamelijk of geestelijk letsel of de dood tot gevolg heeft, doet de werkgever daarvan onverwijld mededeling aan de daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld inartikel 24 Arbowet 1998 en rapporteert hierover zo spoedig mogelijk schriftelijk. Onder ernstig lichamelijk of geestelijk letsel wordt hier verstaan schade aan de gezondheid, die binnen 24 uur na het tijdstip van de gebeurtenis leidt tot opname in een ziekenhuis ter observatie of behandeling, dan wel naar redelijk oordeel blijvend zal zijn. | € 4.500 2) | |
11 | algemene verplichtingen van de werknemers | ||
De werknemer is verplicht om in verband met de arbeid de nodige voorzichtigheid en zorgvuldigheid in acht te nemen en naar vermogen zorg te dragen voor de eigen veiligheid en gezondheid en die van andere personen. Met name is hij verplicht om:
| € 225* | ||
13 | bijstand deskundige werknemers op het gebied van preventie en bescherming | ||
1 | De werkgever laat zich ten aanzien van de naleving van zijn verplichtingen op grond van deze wet bijstaan door een of meer deskundige werknemers. | € 450 | |
2 | Voorzover de mogelijkheden onvoldoende zijn om de bijstand binnen het bedrijf of de inrichting te organiseren, wordt de bijstand verleend door een combinatie van deskundige werknemers en andere deskundige personen. | € 450 | |
3 | Indien er geen mogelijkheden zijn om de bijstand binnen het bedrijf of de inrichting te organiseren, wordt de bijstand verleend door andere deskundige personen. | € 450 | |
4 | De werknemers en de andere deskundige personen beschikken over een zodanige deskundigheid, ervaring en uitrusting, zijn zodanig in aantal, gedurende zoveel tijd beschikbaar en zodanig georganiseerd, dat zij de bijstand naar behoren kunnen verlenen. | € 900 | |
9 | In de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5, worden de maatregelen beschreven die nodig zijn om te voldoen aan het vierde en tiende lid. | € 225 | |
10 | In afwijking van het eerste tot en met het derde lid, kan de werkgever die een natuurlijke persoon is met niet meer dan 15 werknemers, de taken in het kader van de bijstand zelf verrichten, indien hij beschikt over voldoende deskundigheid, ervaring en uitrusting om deze taken naar behoren te vervullen. | € 450 | |
14 | maatwerkregeling aanvullende deskundige bijstand bij specifieke taken op het gebied op het gebied van preventie en bescherming | ||
1 | In aanvulling op artikel 13 laat de werkgever zich bij de volgende taken bijstaan door een of meer deskundige personen ten behoeve van wie overeenkomstig artikel 20 een certificaat is afgegeven:
| € 450 | |
2 | Bij de toepassing van het eerste lid wordt het volgende in acht genomen:
| € 450 | |
6 | De deskundige werknemers en andere deskundige personen, bedoeld in artikel 13, en de personen, bedoeld in het eerste lid, werken bij het verlenen van bijstand aan een werkgever samen. | € 135 | |
14a | vangnetregeling aanvullende deskundige bijstand op het gebied van preventie en bescherming | ||
2 | De werkgever laat zich met betrekking tot de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, bijstaan door een arbodienst, ten behoeve waarvan overeenkomstig artikel 20 een certificaat is afgegeven en die deel uitmaakt van de organisatie van het bedrijf of de inrichting. | € 450 | |
3 | Voorzover de mogelijkheden onvoldoende zijn om de bijstand binnen het bedrijf of de inrichting te organiseren, wordt de bijstand verleend door een andere arbodienst ten behoeve waarvan, overeenkomstig artikel 20, een certificaat is afgegeven. | € 450 | |
4 | De deskundige werknemers en andere deskundige personen, bedoeld in artikel 13, en de werknemers van een arbodienst, werken bij het verlenen van bijstand aan een werkgever samen. | € 450 | |
15 | deskundige bijstand op het gebied van bedrijfshulpverlening | ||
1 | De werkgever laat zich ten aanzien van verplichtingen op grond van artikel 3, eerste lid, onder e., bijstaan door één of meer werknemers die door hem zijn aangewezen als bedrijfshulpverleners. | € 900 | |
3 | Bedrijfhulpverleners beschikken over en zodanige deskundigheid, ervaring en uitrusting, zijn zodanig in aantal en zodanig georganiseerd dat zij de in het tweede lid genoemde taken naar behoren kunnen vervullen. | € 900 | |
18 | arbeidsgezondheidskundig onderzoek | ||
De werkgever stelt de werknemers periodiek in de gelegenheid een onderzoek te ondergaan, dat erop gericht is de risico's die de arbeid voor de gezondheid van de werknemers met zich mee brengt zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. | € 45 | ||
19 | verschillende werkgevers | ||
1 | Indien in een bedrijf of inrichting verschillende werkgevers arbeid doen verrichten, moeten zij onderling op doelmatige wijze samenwerken, teneinde naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde te verzekeren. | € 135 | |
2 | Alvorens werkzaamheden behorende tot een bij AMvB aangewezen categorie aanvangen, moeten de werkgevers ervoor zorgen dat schriftelijk is vastgelegd op welke wijze zal worden samengewerkt, welke voorzieningen daarbij zullen worden getroffen en op welke wijze op die voorzieningen toezicht zal worden uitgeoefend. | € 45 |
artikel | lid | beboetbare feiten | boete normbedragen |
hoofdstuk 1 | definities en toepassingsgebied | ||
afdeling 8 | jeugdige werknemers | ||
1.36 | nadere voorschriften inventarisatie en evaluatie | ||
1 | Indien in een bedrijf of inrichting een of meer jeugdige werknemers werkzaam zijn, dan moet in de ri&e aandacht worden besteed aan:
| € 225 | |
2 | Indien in een bedrijf of inrichting een of meer jeugdige werknemers werkzaam zijn, dan moet in de ri&e bijzondere aandacht worden besteed aan de niet-volledige lijst van agentia, procédés en werkzaamheden opgenomen in de bijlage van Richtlijn nummer 94/33/EEG. | € 225 | |
1.37 | deskundig toezicht | ||
1 | Indien in een bedrijf of inrichting jeugdige werknemers arbeid verrichten, moet op die arbeid adequaat deskundig toezicht worden uitgeoefend. De inhoud en mate van dit toezicht is afhankelijk van uit de ri&e gebleken gevaren. | € 900 | |
2 | Indien uit de ri&e blijkt dat jeugdige werknemers arbeid moeten verrichten waaraan specifieke gevaren zijn verbonden, mag die arbeid slechts worden verricht, indien deskundig toezicht zodanig is georganiseerd dat die gevaren worden voorkomen. Indien dat niet mogelijk is, mag die arbeid niet door jeugdige werknemers worden verricht. | € 1.350 | |
1.38 | arbeidsgezondheidskundig onderzoek | ||
Indien jeugdige werknemers blijkens de ri&e blootstaan aan specifieke gevaren worden zij in de gelegenheid gesteld tot het ondergaan van arbeidsgezondheidskundig onderzoek. | € 45 | ||
afdeling 9 | zwangere werknemers en werknemers tijdens de lactatie | ||
1.41 | inventarisatie en evaluatie | ||
Indien in een bedrijf of inrichting een zwangere werknemer, of een werknemer tijdens de lactatie werkzaam is of pleegt te zijn, wordt in de ri&e in het bijzonder aandacht besteed aan de niet-limitatieve lijst van agentia, procédés en arbeidsomstandigheden, opgenomen in bijlage 1 van de Richtlijn nr. 92/85/EEG. | € 225 | ||
1.42 | organisatie van de arbeid | ||
1 | De werkgever organiseert de arbeid van een zwangere werknemer en een werknemer tijdens de lactatie zodanig, richt de arbeidsplaats zodanig in past een zodanige productie- en werkmethode toe en laat zodanige arbeidsmiddelen gebruiken dat de arbeid voor die werknemer geen gevaren met zich kan brengen voor haar veiligheid en gezondheid en geen terugslag kan veroorzaken op de zwangerschap of lactatie. | € 450 | |
2 | Indien nakoming van het eerste lid redelijkerwijs niet mogelijk is wordt door tijdelijke aanpassing van de arbeid of arbeids- en rusttijden voorkomen dat gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van de zwangere werknemer en de werknemer tijdens de lactatie wordt veroorzaakt en wordt voorkomen dat een terugslag kan worden veroorzaakt op de zwangerschap of lactatie. | .€ 450 | |
3 | Indien nakoming van het tweede lid redelijkerwijs niet mogelijk is wordt aan de zwangere werknemer en de werknemer tijdens lactatie tijdelijk andere arbeid gegeven. | € 450 | |
4 | Indien nakoming van het derde lid redelijkerwijs niet mogelijk is worden de zwangere werknemer en de werknemer tijdens de lactatie tijdelijk vrijgesteld van het verrichten van arbeid. | € 450 | |
afdeling 10 | thuiswerkers | ||
1.44 | beschikbaarheid van gegevens | ||
Van de thuiswerkers zijn gegevens beschikbaar omtrent naam, adres, woonplaats, verrichte werkzaamheden en van de stoffen, hulpmiddelen en werktuigen die daarbij worden gebruikt. | € 45 | ||
1.45 | voorraad | ||
Het is niet toestaan aan de thuiswerker een grotere hoeveelheid aan grondstoffen halffabrikaten en gerede producten in voorraad te geven of te laten houden dan strikt noodzakelijk is. | € 450 | ||
1.46 | Melding arbeidsongevallen | ||
Indien aan een thuiswerker in het verband met het verrichten van arbeid een arbeidsongeval (artikel 9 Arbowet 1998) overkomt, wordt door de thuiswerker hiervan onverwijld mededeling gedaan aan de thuiswerkgever. | € 225* | ||
hoofdstuk 2 | arbozorg en organisatie van de arbeid | ||
afdeling 3 | arbodiensten en deskundigen | ||
2.13 | samenwerkingsverband | ||
1 | Het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 2.6a, tweede lid, wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen de werkgever en de externe deskundigen of de werkgever van deze deskundigen. In deze overeenkomst wordt in ieder geval de taakverdeling vastgelegd tussen de interne deskundige en de externe deskundigen. | € 45 | |
2 | Het samenwerkingsverband wordt aangegaan voor een periode die in ieder geval even lang is als de geldigheidsduur van het certificaat arbodienst, bedoeld in artikel 2.14, tweede lid, dat ten behoeve van dat samenwerkingsverband wordt verleend. | € 45 | |
2.14a | taken deskundigen | ||
1 | Bij de taak, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van de wet wordt bijstand verleend door een deskundige die in het bezit is van tenminste een van de certificaten, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid. | € 900 | |
2 | Bij de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen b en c, van de wet wordt bijstand verleend door een deskundige die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid arbeids- en bedrijfsgeneeskunde als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid. | € 900 | |
3 | Bij de taak, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel d, van de wet wordt bijstand verleend door een deskundige die in het bezit is van tenminste een van de certificaten, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid. Indien deze deskundige niet in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid arbeids- en bedrijfsgeneeskunde, wordt voor de bijstand bij deze taak voorts een deskundige ingeschakeld die in het bezit is van voornoemd certificaat. | € 900 | |
afdeling 4 | bedrijfshulpverlening | ||
2.17 | maatgevende factoren voor de bedrijfshulpverlening | ||
Bij de organisatie van de bedrijfshulpverlening wordt ten minste rekening gehouden met volgende factoren: | |||
a) de aard, de grootte en de ligging van het bedrijf of de inrichting. | € 45 | ||
b) de in het bedrijf of de inrichting aanwezige gevaren en de hiervoor maatgevend geachte brandscenario's, bij de bepaling waarvan rekening is gehouden met eventueel door de overheid van toepassing verklaarde uitgangspunten voor beveiliging tegen brand. | € 45 | ||
c) het redelijkerwijs te verwachten aantal werknemers er andere personen, alsmede tijdstippen waarop zij aanwezig (plegen te) zijn. | € 45 | ||
d) het redelijkerwijs te verwachten aantal personen dat zich bij ongeval of brand niet zelfstandig in veiligheid kan brengen. | € 45 | ||
e) de opkomsttijd en mogelijkheden van brandweer en andere hulpverleningsorganisaties. | € 45 | ||
f) de aanwezigheid van een infrastructuur op het gebied van arbeidsomstandigheden. | € 45 | ||
g) de mogelijkheid om met andere arbeidsorganisaties samen te werken. | € 45 | ||
h) de inschakeling van externe deskundigen. | € 45 | ||
2.18 | operationaliteit, bereikbaarheid, beschikbaarheid en aanwezigheid | ||
1 | De bedrijfshulpverlening wordt zodanig georganiseerd dat binnen enkele minuten na ongeval of brand de bedrijfshulpverleningstaken op adequate wijze kunnen worden vervuld. | € 135 | |
2 | De bedrijfshulpverlening wordt zodanig georganiseerd dat na aankomst van hulpverleningsorganisaties deze op adequate wijze kunnen worden bijgestaan. | € 135 | |
3 | Onder alle omstandigheden en met inachtneming van artikel 2.19 zijn bedrijfshulpverleners bereikbaar en beschikbaar om bij een ongeval of brand de bedrijfshulpverleningstaken te vervullen. | € 270 | |
4 | Indien de veiligheid of de gezondheid van andere werknemers in de nabije omgeving kunnen worden bedreigd, worden door betrokken werkgevers op gebied van bedrijfshulpverlening zodanige organisatorische maatregelen genomen dat de betrokken bedrijfshulpverleners bij ongeval of brand over en weer bijstand kunnen verlenen. | € 135 | |
2.19 | aantal bedrijfshulpverleners | ||
1 | Het aantal bedrijfshulpverleners is zodanig dat onder alle omstandigheden de vervulling van de taken op gebied van bedrijfshulpverlening gewaarborgd is. | € 450 | |
2 | Onverminderd het gestelde in artikel 2.19, eerste lid, is in een bedrijf of inrichting waar ten hoogste 250 werknemers werkzaam plegen te zijn, ten minste één bedrijfshulpverlener per 50 of minder aanwezige werknemers aanwezig. Indien in een bedrijf of inrichting slechts één werknemer aanwezig is beschikt deze over doeltreffende middelen om zich bij ongeval of brand snel in veiligheid te kunnen stellen. | € 450 | |
3 | Indien meer dan 250 werknemers werkzaam plegen te zijn, zijn ten minste 5 bedrijfshulpverleners aanwezig. Indien in een bedrijf of inrichting slechts één werknemer aanwezig is beschikt deze over doeltreffende middelen om zich bij ongeval of brand snel in veiligheid te kunnen stellen. | € 450 | |
4 | bij gezamenlijke bedrijfshulpverlening door werkgevers, worden afspraken schriftelijk vastgelegd. | € 135 | |
2.20 | veiligheidsinstructies | ||
Ten behoeve van de werknemers zijn voldoende biljetten opgehangen waarop op eenvoudige wijze is aangegeven wat te doen bij brand of ongeval. | € 135 | ||
2.21 | deskundigheidsvereisten | ||
1 | De bedrijfshulpverleners zijn zodanig opgeleid dat de bedrijfshulpverlening is gewaarborgd. | € 900 | |
2.22 | oefening | ||
Voor bedrijfshulpverlening worden herhalingscursussen en oefeningen of andere activiteiten georganiseerd waaraan bedrijfshulpverleners deelnemen. | € 135* | ||
afdeling 5 | bouwplaatsen | ||
2.26 | kennisgeving | ||
1 | De toezichthouder moet voor de aanvang van de werkzaamheden op de hoogte worden gesteld van een voorgenomen totstandbrenging van een bouwwerk, indien:
| € 900 | |
2 | De kennisgeving wordt zichtbaar op de bouwplaats aangebracht. | € 45 | |
Indien in de vermelde gegevens veranderingen optreden, wordt de kennisgeving gewijzigd. | € 45 | ||
2.27 | veiligheids- en gezondheidsplan | ||
1 | Ten aanzien van een bouwwerk wordt een veiligheids- en gezondheidsplan opgesteld. | € 900 | |
3 | Indien veranderingen gedurende ontwerp- of uitvoeringsfase optreden, wordt het plan dienovereenkomstig gewijzigd. | € 450 | |
2.28 | aanstelling coördinator voor de ontwerpfase | ||
Ten behoeve van een bouwplaats waar twee of meer werkgevers of een werkgever en een of meer zelfstandig werkenden, dan wel twee of meer zelfstandig werkenden arbeid doen of gaan verrichten in verband met de totstandbrenging van een bouwwerk, worden een of meer coördinatoren aangesteld. | € 900 | ||
2.29 | algemene uitgangspunten inzake veiligheid en gezondheid bij het ontwerpen van een bouwwerk | ||
In de studie-, de ontwerp- en de uitwerkingsfase van het ontwerp van een bouwwerk worden bij de bouwkundige, technische of organisatorische keuzen in verband met de planning van de verschillende onderdelen van het bouwwerk of de fasen waarin het bouwwerk of de onderdelen daarvan tot stand worden gebracht, alsmede bij de raming van de duur van deze onderdelen of fasen, de artikelen 3, 5, eerste en derde lid, en 8 Arbowet 1998 in acht genomen. Voorzover van toepassing wordt daarbij tevens rekening gehouden met veiligheids- en gezondheidsplannen als bedoeld in artikel 2.27, die gedurende de ontwerpfase met betrekking tot verschillende onderdelen van het bouwwerk of de fasen waarin het bouwwerk of de onderdelen daarvan tot stand worden gebracht, zijn of worden opgesteld en met dossiers als bedoeld in artikel 2.30, onder c alsmede met de wijzigingen daarvan op grond van artikel 2.34 onder g. | € 900 | ||
2.30 | coördinatietaken gedurende de ontwerpfase | ||
De coördinator in de ontwerpfase heeft tot taak om:
| € 900 | ||
2.31 | Verplichtingen opdrachtgever | ||
Overeenkomstig het bij of krachtens paragraaf 2 Arbobesluit ‘Algemene verplichtingen inzake bouwplaatsen en verplichtingen in verband met het ontwerp van een bouwwerk’ bepaalde: a. zorgt de opdrachtgever ervoor dat de bij of krachtens de artikelen 2.26 tot en met 2.29 gestelde voorschriften worden nageleefd; | beboeting via betr. artikelen | ||
b. neemt de opdrachtgever zodanige maatregelen en richt hij de werkzaamheden zodanig in dat:
| € 900 2) | ||
c. zorgt de opdrachtgever ervoor dat het veiligheids- en gezondheidsplan, bedoeld in artikel 2.27, deel uitmaakt van het bestek betreffende het bouwwerk. | € 900 1) | ||
2.32 | Verplichtingen ontwerpende partij | ||
1 | Ten aanzien van een opdrachtgever-consument zorgt de ontwerpende partij ervoor dat wordt voldaan aan artikel 2.31 Arbobesluit. | beboeting via artikel 2.31 | |
2 | Indien twee of meer ontwerpende partijen zich ieder afzonderlijk jegens de opdrachtgever-consument hebben verbonden om een deel van het ontwerp van een bouwwerk tot stand te brengen, wordt in een schriftelijke overeenkomst tussen deze partijen vastgelegd door wie aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 2.31 Arbobesluit, wordt voldaan. | € 900 2) | |
2.33 | aanstelling coördinator voor de uitvoeringsfase | ||
Ten behoeve van een bouwplaats waar twee of meer werkgevers, dan wel een werkgever en een of meer zelfstandig werkenden, dan wel twee of meer zelfstandig werkenden arbeid gaan of doen verrichten, worden een of meer coördinatoren voor de uitvoeringsfase aangesteld. | € 900 1) | ||
2.34 | coördinatietaken gedurende de uitvoeringsfase | ||
De coördinator voor de uitvoeringsfase heeft tot taak om:
| € 900 1) | ||
2.35 | verplichtingen opdrachtgever | ||
1 | De opdrachtgever zorgt ervoor dat de verplichtingen tot aanstelling van een coördinator voor de uitvoeringsfase en met betrekking tot de coördinatietaken gedurende de uitvoeringsfase in een schriftelijke overeenkomst met de uitvoerende partij zijn vastgelegd. | € 900 1) | |
2 | Indien twee of meer partijen zich ieder afzonderlijk jegens de opdrachtgever schriftelijk hebben verbonden om een deel van het bouwwerk tot stand te brengen zorgt de opdrachtgever ervoor dat de verplichtingen met betrekking tot de aanstelling van de coördinator voor de uitvoeringsfase en de coördinatietaken gedurende de uitvoeringsfase zijn vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst met een van die uitvoerende partijen. | € 900 1) | |
2.36 | verplichtingen ontwerpende partij | ||
1 | De ontwerpende partij zorgt ervoor dat ten aanzien van een opdrachtgever consument wordt voldaan aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 2.35. | beboeting via artikel 2.35 1) | |
2 | Indien twee of meer ontwerpende partijen zich ieder afzonderlijk jegens opdrachtgever consument hebben verbonden om deel van het ontwerp van een bouwwerk tot stand te brengen in schriftelijke overeenkomst tussen deze partijen vastleggen wie aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 2.35 voldoet | beboeting via artikel 2.35 1) | |
2.37 | verplichtingen uitvoerende partij | ||
1 | Overeenkomstig de artikelen 2.33 en 2.34: a. zorgt de uitvoerende partij ervoor dat een coördinator voor de uitvoeringsfase wordt aangesteld; | beboeting via betr. artikelen | |
b. neemt de uitvoerende partij zodanige maatregelen en richt hij de werkzaamheden zodanig in dat:
| € 900 2) | ||
2 | De uitvoerende partij zorgt ervoor dat de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de samenwerking en het overleg tussen werkgevers en werknemers op de bouwplaats op passende wijze wordt gecoördineerd. | € 900 2) | |
2.38 | verplichtingen werkgever | ||
1 | Bij de uitvoering van zijn verplichtingen op grond van de artikelen 3, 5, 8 en 19, eerste lid, van de Arbowet 1998 neemt werkgever die met betrekking tot de totstandbrenging van een bouwwerk arbeid doet verrichten doeltreffende maatregelen ter bescherming van de veiligheid en gezondheid van zijn werknemers op de bouwplaats. Deze maatregelen hebben met name betrekking op: | ||
a) het in goede orde en met voldoende bescherming van de veiligheid en gezondheid in stand houden van de bouwplaats. | € 900 | ||
b) de veilige plaatsing van de verschillende werkplekken op de bouwplaats, rekening houdend met toegangsmogelijkheden tot die bouwplaats en verbindingswegen daarop. | € 450 | ||
c) het interne transport van de verschillende materialen op de bouwplaats. | € 450 | ||
d) het onderhoud, de controle voor inbedrijfstelling en de periodieke controle van installaties en toestellen, teneinde gebreken te voorkomen die de veiligheid en gezondheid van werknemers in gevaar kunnen brengen. | € 900 | ||
e) de afbakening en inrichting van zones voor definitieve en tussenopslag van verschillende materialen, met name in geval van gevaarlijke materialen of stoffen. | € 270 | ||
f) de voorzieningen voor de verwijdering van gebruikte gevaarlijke materialen. | € 450 | ||
g) de opslag en de verwijdering of de afvoer van afval en puin. | € 270 | ||
h) de aanpassing van de daadwerkelijke duur van de uit te voeren werkzaamheden met betrekking tot de totstandbrenging van het bouwwerk of de fasen waarin werkzaamheden worden uitgevoerd, afhankelijk van de ontwikkeling met betrekking tot de voortgang van het bouwwerk op de bouwplaats. | € 270 | ||
i)de samenwerking met andere werkgevers of zelfstandig werkenden op de bouwplaats. | € 675 | ||
j) de wisselwerking met exploitatiewerkzaamheden op of in de nabijheid van de bouwplaats. | € 675 | ||
3 | De werkgever is verplicht tot naleving van en medewerking aan het veiligheids- en gezondheidsplan als bedoeld in artikel 2.27 voorzover en op de wijze als daarin ten aanzien van de door hem te verrichten of te doen verrichten werkzaamheden is bepaald en daarbij rekening te houden met de aanwijzingen van de coördinator voor de uitvoeringsfase. | € 1.350 | |
afdeling 6 | winningsindustrieën in dagbouw | ||
2.41 | verplichtingen van de werkgever | ||
1 | Indien bemande arbeidsplaatsen in de winningsindustrie in gebruik zijn wordt toezicht uitgeoefend door een verantwoordelijke persoon. | € 900 | |
2 | Werkzaamheden waaraan een bijzonder gevaar is verbonden, worden uitsluitend opgedragen aan vakbekwaam personeel met voldoende ervaring en uitgevoerd overeenkomstig de verstrekte instructies. | € 900 | |
3 | Op arbeidsplaatsen in de winningsindustrie worden met regelmatige tussenpozen veiligheidsoefeningen gehouden. | € 135 | |
4 | Situaties die een ernstig gevaar vormen, worden onverwijld gemeld aan de toezichthouder. | € 900 | |
5 | Op de arbeidsplaats moet op een te begrijpen wijze worden gecommuniceerd. | € 45 | |
6 | Opdat in geval van nood onmiddellijk hulp- vlucht- evacuatie- en reddingsmaatregelen genomen kunnen worden in aanvulling op de bedrijfshulpverlening de nodige alarm- of andere communicatiesystemen ter beschikking gesteld. | € 270 | |
7 | Indien op een arbeidsplaats in de winningsindustrie slechts een werknemer aanwezig is, beschikt deze over telecommunicatiemiddelen om zich met anderen in verbinding te kunnen stellen. | € 135 | |
2.42 | Samenwerking, veiligheids- en gezondheidsdocument | ||
2 | Voor de aanvang van het werk moet een veiligheids- en gezondheidsdocument worden opgesteld. | € 900 | |
3 | In aanvulling op het tweede lid, onder d, coördineert de op de arbeidsplaats verantwoordelijke werkgever de uitvoering van alle veiligheids- en gezondheidsmaatregelen en geeft daarbij in het veiligheids- en gezondheidsdocument het doel, de maatregelen en de wijze van uitvoering van de coördinatie aan. | € 900 1) | |
4 | Het veiligheids- en gezondheidsdocument wordt bij iedere belangrijke wijziging, uitbreiding of verbouwing van de arbeidsplaats in de winningsindustrie herzien. | € 450 1) | |
5 | De werkzaamheden worden overeenkomstig het veiligheids- en gezondheidsdocument uitgevoerd. | € 900 | |
2.42a | Werkvergunning | ||
1 | Wanneer de veiligheid en de gezondheid van de werknemers dat vereisen, wordt een systeem van werkvergunningen toegepast voor de uitvoering van gevaarlijke werkzaamheden en voor de uitvoering van gewoonlijk ongevaarlijke werkzaamheden die in combinatie met andere werkzaamheden ernstige risico’s met zich mee kunnen brengen. | € 900 | |
2 | De werkvergunning wordt door een verantwoordelijke persoon gegeven voor de aanvang van de werkzaamheden en daarbij wordt aangegeven aan welke voorschriften moet worden voldaan en welke voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen voor, tijdens en na de werkzaamheden. | € 45 | |
2.42b | Personenregister | ||
Op doelmatige plaatsen is een register aanwezig, waarin van degenen die werkzaamheden verrichten in de winningsindustrie in dagbouw, de ondergrondse winningsindustrie en de winningsindustrie met behulp van boringen zijn vermeld:
| € 45 | ||
2.42c | Melding van ongevallen en bijna-ongevallen | ||
1 | In aanvulling op artikel 9, eerste lid, van de wet doet de werkgever tevens onverwijld mededeling aan de toezichthouder:
| € 2.250 | |
2 | Eenmaal per maand wordt van alle ongevallen en andere voorvallen die de veiligheid in gevaar hebben gebracht of hadden kunnen brengen, opgave gedaan aan de toezichthouder, voorzover er geen melding is gedaan als bedoeld in het eerste lid. | € 45 | |
Afdeling 6a | Winningsindustrieën met behulp van boringen | ||
2.42f | Veiligheids- en gezondheidsdocument | ||
2 | Bij de planning en tenuitvoerlegging van alle in artikel 3.2, eerste lid, tweede volzin, bedoelde fasen worden de in het desbetreffende veiligheidsen gezondheidsdocument vermelde procedures en uitvoeringsbepalingen in acht genomen. | € 900 | |
2.42g | Veiligheidsoefeningen | ||
Op alle normaliter bemenste arbeidsplaatsen worden op gezette tijden veiligheidsoefeningen gehouden die erop gericht zijn:
| € 135 * | ||
2.42h | Handelingen in noodgevallen | ||
1 | De werknemers worden getraind in het uitvoeren van de handelingen die in noodgevallen moeten worden verricht. | € 900 | |
2 | Op mijnbouwinstallaties waar werknemers langere tijd verblijven zijn bij helikopterbewegingen op het helikopterdek voldoende werknemers aanwezig die tot taak hebben bij noodgevallen in actie te komen. Deze werknemers zijn hiertoe voldoende getraind. | € 135 | |
3 | In aanvulling op het eerste en tweede lid worden werknemers die werkzaam zijn op mijnbouwinstallaties ook getraind in het uitvoeren van de handelingen die op een specifieke arbeidsplaats moeten worden verricht. Deze handelingen worden voor de desbetreffende arbeidsplaats nader omschreven in het veiligheids- en gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 2.42. | € 135 | |
4 | Werknemers die werkzaam zijn op mijnbouwinstallaties worden getraind in de toepassing van overlevingstechnieken, met inachtneming van de criteria die zijn vastgesteld in het veiligheids- en gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 2.42. | € 135 | |
afdeling 7 | nachtarbeid | ||
2.43 | arbeidsgezondheidskundig onderzoek | ||
2 | Iedere werknemer die voor de eerste keer arbeid in nachtdienst gaat verrichten wordt, in aanvulling op artikel 18 van de Arbowet 1998, in de gelegenheid gesteld om voor de aanvang van die arbeid een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan. | € 45 | |
hoofdstuk 3 | inrichting arbeidplaatsen | ||
afdeling 1 | definities en toepasselijkheid | ||
3.1b | gebruiksvoorschrift | ||
Een arbeidsplaats in een gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet wordt slechts gebruikt indien het gebouw voldoet aan de bij of krachtens het Bouwbesluit 2003 gegeven voorschriften met betrekking tot de van toepassing zijnde gebruiksfunctie in de zin van dat besluit. | € 900 | ||
3.2 | algemene vereisten | ||
1 | Arbeidsplaatsen zijn veilig toegankelijk en kunnen veilig worden verlaten. Ze worden zodanig ontworpen, gebouwd, uitgerust, in bedrijf gesteld, gebruikt en onderhouden, dat gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers zoveel mogelijk is voorkomen. Voorts worden zij zindelijk, zoveel mogelijk vrij van stof en voor zover de veiligheid van de arbeidsplaats dat vereist, ordelijk gehouden. | € 900 | |
2 | Regelmatig wordt gecontroleerd of de op de arbeidsplaats ter bescherming van de werknemers aanwezige voorzieningen en genomen maatregelen nog adequaat functioneren. | € 900 | |
3 | Geconstateerde gebreken met betrekking tot de in het tweede lid bedoelde voorzieningen en maatregelen die de veiligheid of gezondheid kunnen beïnvloeden worden zo spoedig mogelijk hersteld. | € 900 | |
3.3 | stabiliteit en stevigheid | ||
1 | Gebouwen en andere opstallen bestaan uit deugdelijk materiaal, zijn van een deugdelijke constructie en verkeren in een zodanige staat, dat er geen gevaar bestaat voor het geheel of gedeeltelijk instorten of omvallen. | € 1.350 | |
2 | De arbeidsplaats is zodanig ingericht, dat de daar aanwezige voorwerpen of stoffen geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid opleveren, door instorten, verschuiven, omvallen of kantelen. | € 1.350 | |
3.4 | elektrische installaties | ||
1 | Elektrische installaties zijn zodanig ontworpen, ingericht, aangelegd, onderhouden en gekenmerkt, dat een veilig gebruik van elektriciteit zo goed mogelijk is gewaarborgd. | € 1.350 | |
2 | In een elektrische installatie zijn doeltreffende maatregelen genomen tegen het gevaar van brand, ontploffing, directe en indirecte aanraking en te dichte nadering. | € 1.350 | |
3 | Van iedere elektrische installatie zijn duidelijke, steeds bijgewerkte schema's beschikbaar alsmede alle overige gegevens die nodig zijn voor een veilig gebruik van de elektrische installatie. | € 45 | |
3.5 | elektrotechnische, bedienings- en andere werkzaamheden aan of nabij een elektrische installatie | ||
1 | Elektrotechnische werkzaamheden en bedieningswerkzaamheden die gevaren kunnen opleveren, worden door deskundige, voldoend onderrichte en daartoe bevoegde werknemers uitgevoerd. | € 900* | |
2 | Een ruimte waarin zich een elektrische installatie voor hoogspanning bevindt waarvan de delen met of onvoldoende zijn beschermd tegen directe of indirecte aanraking dan wel te dichte benadering, wordt slechts betreden in aanwezigheid van een tweede daartoe bevoegd persoon. | € 900* | |
3 | Werkzaamheden aan of in nabijheid van een elektrische installatie worden slechts uitgevoerd, indien de installatie of het gedeelte waaraan of in nabijheid waarvan wordt gewerkt, spanningsloos is. | € 1.350* | |
4 | In aanvulling op het derde lid zijn door de daartoe bevoegde werknemers tevens doeltreffende maatregelen zijn genomen om een gevaarloos verloop van die werkzaamheden te waarborgen. | € 1.350* | |
7 | Werkzaamheden bestaande uit het reinigen van elektrisch materieel in een elektrische installatie voor hoogspanning als bedoeld in artikel 3.5, zesde lid, onder c, worden slechts uitgevoerd, indien:
| € 1.350* | |
Paragraaf 2a | Explosieve atmosferen | ||
3.5b | Samenwerking en coördinatie | ||
2 | In aanvulling op artikel 19, tweede lid, van de wet coördineert de werkgever die verantwoordelijk is voor de arbeidsplaats, bedoeld in het eerste lid, de uitvoering van alle maatregelen inzake veiligheid en gezondheid. | € 900 | |
3.5c | Nadere voorschriften risico-inventarisatie en -evaluatie; explosieveiligheidsdocument | ||
1 | De gevaren in verband met explosieve atmosferen en de bijzondere risico’s die daaruit kunnen voortvloeien, worden in het kader van de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de wet, voor de aanvang van de arbeid en bij iedere belangrijke wijziging, uitbreiding of verbouwing van de arbeidsplaats, de arbeidsmiddelen of het arbeidsproces, in hun geheel beoordeeld en schriftelijk vastgelegd in een explosieveiligheidsdocument. | € 450 | |
2 | Bij de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval rekening gehouden met:
| € 450 | |
3 | Bij de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, worden tevens ruimten in aanmerking genomen die via openingen verbonden zijn of kunnen worden verbonden met ruimten waar explosieve atmosferen kunnen voorkomen. | € 450 | |
4 | In het explosieveiligheidsdocument zijn ten minste vermeld:
| € 225 | |
3.5d | Algemene preventieve maatregelen | ||
1 | Doeltreffende maatregelen zijn genomen om het ontstaan van een explosieve atmosfeer op de arbeidsplaats te voorkomen. | € 2.250 | |
2 | Indien het voorkomen van het ontstaan van een explosieve atmosfeer, gezien de aard van het werk niet mogelijk is, worden in de hieronder aangegeven volgorde de volgende maatregelen genomen:
| € 2.250 | |
3 | In aanvulling op de maatregelen, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt de mogelijkheid tot uitbreiding van een explosie beperkt. | € 2.250 | |
4 | Indien werknemers of anderen door explosieve atmosferen gevaar kunnen lopen, wordt, in aanvulling op het eerste tot en met derde lid, de arbeidsplaats zodanig ingericht dat veilig kan worden gewerkt. | € 900 | |
Indien werknemers of anderen door explosieve atmosferen gevaar kunnen lopen, wordt, in aanvulling op het tweede en derde lid, er op de arbeid passend toezicht, met inbegrip van het gebruik van passende technische middelen, uitgeoefend. De inhoud en de mate van het toezicht is afhankelijk van de uit de beoordeling, bedoeld in artikel 3.5c, eerste lid, gebleken gevaren. | € 900 | ||
5 | Indien uit de beoordeling, bedoeld in artikel 3.5c, eerste lid, is gebleken dat er explosieve atmosferen kunnen voorkomen, worden gebieden waar deze atmosferen kunnen heersen ingedeeld in gevarenzones als bedoeld in bijlage I bij richtlijn nr. 1999/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 december 1999 (PbEG 2000, L 23) betreffende minimumvoorschriften voor de verbetering van de gezondheidsbescherming en van de veiligheid van werknemers die door explosieve atmosferen gevaar kunnen lopen (vijftiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, eerste lid, van richtlijn nr. 89/391/EEG). | € 450 | |
6 | Gevarenzones worden gemarkeerd door middel van waarschuwingsborden die voldoen aan de bepalingen, vastgesteld bij of krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 8. | € 270 | |
3.5e | Maatregelen in gevarenzones | ||
In de gevarenzones, bedoeld in artikel 3.5d, vijfde lid, en met betrekking tot de installaties in gebieden zonder explosiegevaar die vereist zijn voor, of bijdragen tot het explosieveilig gebruik van installaties die zich op plaatsen bevinden waar explosiegevaar heerst, worden in ieder geval de volgende maatregelen genomen: | € 2.250 | ||
a. vrijkomende gassen, dampen, nevels of brandbaar stof die explosiegevaar kunnen doen ontstaan, worden op passende wijze afgevoerd en onschadelijk gemaakt. | |||
b. indien een explosieve atmosfeer meerdere soorten brandbare stoffen bevat, wordt bij de veiligheidsmaatregelen uitgegaan van het grootste mogelijke risico op basis van de beoordeling, bedoeld in artikel 3.5c, eerste lid. | € 2.250 | ||
c. installaties, apparaten, beveiligingssystemen en het installatiemateriaal, worden, met inachtneming van onderdeel e, slechts in gebruik genomen indien uit het explosieveiligheidsdocument op basis van de beoordeling, bedoeld in artikel 3.5c, eerste lid, is gebleken dat aan het gebruik ervan geen explosiegevaar verbonden is. | € 900 | ||
d. onderdeel c is van overeenkomstige toepassing op arbeidsmiddelen en de verbindingsstukken ervan die geen apparaten en beveiligingssystemen zijn als bedoeld in het Warenwetbesluit explosieveilig materieel, indien hun opneming in de installaties aanleiding kan geven tot ontstekingsgevaar. | € 900 | ||
e. voor zover het explosieveiligheidsdocument op basis van de beoordeling, bedoeld in artikel 3.5c, eerste lid, geen andere eisen stelt, worden in de gevarenzones apparaten en beveiligingssystemen gebruikt overeenkomstig de categorieën als bedoeld in het Warenwetbesluit explosieveilig materieel en toegepast volgens de navolgende principes:
| € 2.250 | ||
f. de nodige maatregelen worden getroffen ter voorkoming van verwisseling van installatiemateriaal. | € 900 | ||
g. in gebieden waar een explosieve atmosfeer kan ontstaan wordt aan werknemers werkkleding ter beschikking gesteld die voldoet aan afdeling 1 van hoofdstuk 8 en die door de werknemers bij de arbeid steeds wordt gedragen. | € 675 | ||
h. indien een toestand ontstaat waarin een explosie zich kan gaan voordoen, worden werknemers optisch of akoestisch gewaarschuwd en teruggetrokken. | € 2.250 | ||
i. voor de eerste inbedrijfstelling van een arbeidsplaats en bij iedere belangrijke wijziging, uitbreiding of verbouwing van de arbeidsplaats, arbeidsmiddelen of het arbeidsproces waarbij explosieve atmosferen kunnen voorkomen, wordt de explosieveiligheid van de gehele installatie gecontroleerd door een ter zake deskundig persoon. | € 900 | ||
3.5f | Bijzondere maatregelen | ||
Voor zover uit de resultaten van de beoordeling, bedoeld in artikel 3.5c, eerste lid, hiertoe de noodzaak is gebleken, worden in aanvulling op artikel 3.5e de volgende maatregelen genomen: | |||
a. schriftelijke instructies worden verstrekt met betrekking tot de uitvoering van de arbeid; | € 270 | ||
b. voor de aanvang van arbeid dat gevaar kan opleveren, wordt toestemming verleend door een daartoe bevoegde persoon om deze arbeid te verrichten; | € 270 | ||
c. apparaten en beveiligingssystemen worden, wanneer stroomuitval extra gevaren teweeg kan brengen, onafhankelijk van de rest van de installatie, bij stroomuitval in een veilige bedrijfstoestand gehandhaafd; | € 900 | ||
d. automatisch gestuurde apparaten en beveiligingssystemen die van de voorziene bedrijfsomstandigheden afwijken, worden zonder gevaar manueel uitgeschakeld. Deze ingrepen worden door bevoegde werknemers uitgevoerd; | € 900 | ||
e. indien de noodstopinrichtingen in werking worden gesteld, wordt de opgeslagen energie zo snel en zo veilig mogelijk afgevoerd of geïsoleerd, zodat zij niet langer een bron van gevaar vormt; | € 900 | ||
f. vluchtmiddelen worden beschikbaar en gebruiksklaar gehouden zodat werknemers de gevaarlijke gebieden snel en veilig kunnen verlaten. | € 1.350 | ||
3.6 | vluchtwegen en nooduitgangen | ||
1 | Doeltreffende maatregelen zijn genomen teneinde het voor werknemer mogelijk te maken, indien een toestand ontstaat waarin direct gevaar voor veiligheid en gezondheid aanwezig is, zich snel via de kortst mogelijke weg in veiligheid kan stellen. | € 1.350 | |
2 | Het aantal, de plaats en de afmetingen van de daartoe beschikbare vluchtwegen en nooduitgangen zijn afhankelijk van het gebruik, de uitrusting en de afmetingen van de arbeidsplaatsen alsmede van het maximum aantal werknemers en andere personen dat zich op deze plaatsen kan ophouden. | € 1.350 | |
3.7 | veilig gebruik van vluchtwegen en nooduitgangen | ||
1 | Vluchtwegen en nooduitgangen zijn vrij van obstakels. | € 1.350 | |
2 | Nooduitgangen kunnen te allen tijde worden geopend. | € 1.350 | |
3 | Deuren van nooduitgangen en deuren op het traject van de vluchtwegen zijn op eenvoudige wijze van binnenuit naar buiten toe te openen. | € 270 | |
4 | Schuif- en draaideuren worden niet als nooduitgang gebruikt. | € 270 | |
5 | Vluchtwegen en nooduitgangen die bij het uitvallen van de verlichting slecht zichtbaar zijn, zijn voorzien van een adequate noodverlichting. | € 270 | |
6 | Vluchtwegen, deuren en poorten op het traject van de vluchtwegen, alsmede nooduitgangen zijn gemarkeerd door signalen die voldoen aan het bij of krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 8 bepaalde. | € 270 | |
3.8 | brandmelding en brandbestrijding | ||
1 | In aanvulling op de regelgeving terzake van bedrijfshulpverlening (afdeling 4, hoofdstuk 2, Arbobesluit) zijn op arbeidsplaatsen, afhankelijk van de aard van de te verrichten arbeid en de gevaren en het maximaal aantal werknemers en andere personen dat zich daar bevindt, voldoende passende brandbestrijdingsmiddelen aanwezig. | € 450 | |
2 | Indien nodig moeten, in aanvulling op het eerste lid, branddetectoren en alarmsystemen aanwezig zijn. | € 450 | |
3 | Niet-automatische brandbestrijdingsmiddelen zijn gemakkelijk bereikbaar en gemakkelijk te bedienen. | € 270 | |
4 | Niet automatische brandbestrijdingsmiddelen zijn voorzien van signalering die voldoet aan artikel 8.4. Signalering is duurzaam en op de juiste plaats aangebracht. | € 270 | |
3.9 | noodverlichting | ||
Arbeidsplaatsen waar werknemers bij uitvallen van kunstlicht aan bijzondere gevaren zijn blootgesteld zijn voorzien van adequate noodverlichting. Indien noodverlichting niet mogelijk is, beschikken werknemers over individuele verlichting. | € 675 | ||
3.10 | redden van drenkelingen | ||
Op arbeidsplaatsen waar gevaar bestaat voor verdrinking wordt dit gevaar zoveel mogelijk voorkomen en zijn doelmatige middelen voor het redden van drenkelingen op goed zichtbare plaats beschikbaar. | € 1.350 | ||
3.11 | vloeren, muren en plafonds van arbeidsplaatsen | ||
1 | Vloeren van arbeidsplaatsen zijn zo veel mogelijk vrij van oneffenheden en gevaarlijke hellingen en zijn voorts zo veel mogelijk vast, stabiel en stroef. | € 270 | |
2 | Het oppervlak van vloeren, muren en plafonds van arbeidsplaatsen is zodanig dat deze te behoeve van de hygiëne op de arbeidsplaats kunnen worden schoongemaakt en onderhouden. | € 135 | |
3 | Besloten ruimten waar arbeid wordt verricht zijn rekening houdend met aard van werkzaamheden en te leveren fysieke belasting voldoende thermisch geïsoleerd. | € 135 | |
4 | Transparante of lichtdoorlatende wanden van arbeidsplaatsen zijn voor zover mogelijk in verband met de aard van de arbeidsplaats duidelijk gemarkeerd en van veiligheidsmateriaal vervaardigd, of op een zodanige wijze aangebracht of afgeschermd dat de werknemers niet gewond kunnen raken. | € 270 | |
3.12 | ramen en bovenlichtvoorzieningen van de ruimten | ||
1 | Indien ramen, bovenlichtvoorzieningen en ventilatievoorzieningen geopend en gesloten kunnen worden,
| € 270 | |
2 | Ramen en bovenlichtvoorzieningen kunnen zonder gevaar worden schoongemaakt. | € 270 | |
3.13 | deuren, beweegbare hekken en andere doorgangen | ||
1 | De plaats, het aantal en de afmeting van deuren, beweegbare hekken en andere doorgangen alsmede de materialen waarvan zij zijn vervaardigd, zijn afgestemd op de aard en het gebruik van de arbeidsplaats. | € 270 | |
2 | Op transparante deuren is op ooghoogte een markering aangebracht. | € 270 | |
3 | Afhankelijk van de aard van de arbeidsplaats en de arbeid die daar wordt verricht, zijn klapdeuren transparant of van transparante panelen voorzien. | € 270 | |
4 | Indien deuren of andere doorgangen beschikken over transparante of licht doorlatende oppervlakten, zijn doeltreffende maatregelen genomen om te voorkomen dat werknemers door ongewild contact met die oppervlakten gewond raken. | € 270 | |
5 | Deuren en beweegbare hekken die uit of van hun geleidingen kunnen raken zijn tegen uitlichten of aflopen dan wel tegen vallen geborgd. | € 450 | |
6 | Automatische deuren en hekken functioneren zodanig dat zij geen gevaar opleveren. Ze zijn uitgerust met makkelijk herkenbare beveiligingen, die voorkomen dat werknemers gewond raken. | € 450 | |
7 | Automatische deuren en hekken kunnen met de hand worden geopend, tenzij ze bij een stroomstoring automatisch opengaan. | € 450 | |
8 | In de onmiddellijke nabijheid van deuren, beweegbare hekken of andere doorgangen die hoofdzakelijk voor verkeer van voertuigen of transportmiddelen zijn bestemd, bevinden zich tenzij veilig voor voetgangers afzonderlijke doorgangen voor voetgangers. | € 270 | |
9 | De in het achtste lid bedoelde doorgangen voor voetgangers zijn duidelijk zichtbaar en vrij van obstakels. | € 270 | |
10 | Kettingen of soortgelijke voorzieningen die worden gebruikt om te verhinderen dat een bepaalde ruimte wordt betreden, zijn goed zichtbaar en op doelmatige wijze voorzien van verbods- of waarschuwingsborden. | € 270 | |
3.14 | verbindingswegen | ||
1 | De verbindingswegen op de arbeidsplaats zijn zodanig gelegen en ingericht dat zij op eenvoudige wijze, veilig en overeenkomstig hun bestemming, door voetgangers en voertuigen of transportmiddelen kunnen worden gebruikt. | € 450 | |
2 | Voorkomen wordt dat werknemers die in de nabijheid van de verbindingswegen arbeid verrichten, gevaar lopen. | € 450 | |
3 | De afmeting van de verbindingswegen is afgestemd op het aantal gebruikers en de aard van de arbeid die in het bedrijf of de inrichting wordt verricht. | € 450 | |
4 | Indien op verbindingswegen voorzover het niet op de openbare weg betreft voertuigen of transportmiddelen worden gebruikt, zijn de nodige verkeersregels vastgesteld. | € 450 | |
5 | In gevallen als bedoeld in het vierde lid, is tevens een veilige ruimte voor de voetgangers gewaarborgd of zijn andere doeltreffende maatregelen ter bescherming van de voetgangers genomen. | € 450 | |
6 | De voor voertuigen of transportmiddelen bestemde verbindingswegen zijn gelegen op voldoende afstand van de overige verbindingswegen op de arbeidsplaats. | € 450 | |
7 | Voor zover het gebruik of de inrichting van de arbeidsplaats zulks vereist, zijn de verbindingswegen duidelijk afgebakend. | € 50 | |
3.15 | markering gevaarlijke plaatsen | ||
1 | De plaatsen waar door de aard van het werk gevaar, met inbegrip van valgevaar of gevaar voor vallende voorwerpen voorkomt of waar obstakels met verwijderd kunnen worden, een gevaar voor de veiligheid vormen bij verplaatsing van voertuigen of personen worden duidelijk gemarkeerd door signalen die voldoen aan artikel 8.4. | € 270 | |
2 | Alleen werknemers, die beroepshalve of uit hoofde van hun functie de in het eerste lid bedoelde plaatsen moeten betreden, worden daar toegelaten. | € 450 | |
3.16 | voorkomen valgevaar | ||
1 | bij het verrichten van arbeid waarbij valgevaar bestaat:
| € 2.250 1) | |
3 | Indien de voorzieningen ter voorkoming van valgevaar niet of slechts ten dele kunnen worden aangebracht of indien het aanbrengen of wegnemen daarvan grotere gevaren meebrengt dan de arbeid ter beveiliging waarvan zij zouden moeten dienen, • zijn voldoende sterke en voldoende grote vangnetten op doelmatige plaatsen en wijze aangebracht, of • worden doelmatige veiligheidsgordels met vanglijnen van voldoende sterkte gebruikt, of • worden andere technische middelen toegepast, die eenzelfde mate van beveiliging geven. Daarbij hebben maatregelen gericht op collectieve bescherming de voorkeur boven maatregelen gericht op individuele bescherming. | € 2.250 | |
3.17 | voorkomen gevaar door voorwerpen, producten, vloeistoffen of gassen | ||
Het gevaar te worden getroffen of geraakt door voorwerpen, producten of onderdelen daarvan dan wel vloeistoffen of gassen, of het gevaar bekneld te raken tussen voorwerpen, producten of onderdelen daarvan, wordt voorkomen en indien dat niet mogelijk is zoveel mogelijk beperkt. Artikel 3.16, derde lid, laatste volzin, is van toepassing: maatregelen op collectief niveau hebben de voorkeur boven maatregelen op individueel niveau. | € 2.250 | ||
3.18 | specifieke maatregelen voor roltrappen, rolpaden en laadplatforms | ||
1 | Roltrappen en -paden functioneren veilig en zijn uitgerust met noodzakelijke veiligheidsvoorzieningen, waaronder gemakkelijk herkenbare en toegankelijke noodstopvoorzieningen. | € 1.350 | |
2 | Laadplatforms en -hellingen zijn afgestemd op de afmetingen van te vervoeren ladingen. Zij beschikken over ten minste één uitgang. | € 270 | |
3 | Laadplatforms met lengte van meer dan 50 meter hebben aan beide zijden een uitgang, tenzij dat technisch niet mogelijk is. | € 270 | |
3.19 | afmetingen en luchtvolume van ruimten; bewegingsruimte op de arbeidsplaats | ||
1 | Afmetingen en luchtvolume van de arbeidsplaats zijn zodanig dat de werknemer zonder gevaar voor de veiligheid of de gezondheid zijn arbeid kan verrichten. | € 270 | |
2 | Afmetingen van de arbeidsplaats zijn zodanig dat de werknemer bij het verrichten van zijn arbeid over voldoende bewegingsruimte beschikt. | € 270 | |
3 | Indien in verband met de aard van de arbeid niet over voldoende bewegingsruimte kan worden beschikt, is in de nabijheid een andere open of besloten ruimte met voldoende bewegingsvrijheid voor betrokken werknemers beschikbaar. | € 270 | |
3.20 | ontspanningsruimten | ||
1 | In het bedrijf of de inrichting of in de directe nabijheid is een gemakkelijk toegankelijke ruimte beschikbaar waar werknemers de pauzes kunnen doorbrengen. De ruimte waar werknemers de pauzes kunnen doorbrengen, is daartoe geschikt en afhankelijk van het aantal werknemers, voldoende ruim bemeten en uitgerust met voldoende tafels en stoelen. | € 270 | |
2 | In ontspanningsruimte zijn voldoende maatregelen genomen ter bescherming van niet-rokers tegen hinder van tabaksrook. | € 270 | |
3.21 | nachtverblijven | ||
Voor werknemers die gedurende de tijdsruimte tussen het einde en het begin van de dagelijkse arbeidstijd, in het bedrijf of de inrichting waar zij werkzaam zijn, plegen te verblijven is een nachtverblijf beschikbaar. Een nachtverblijf is adequaat ingericht. Een nachtverblijf is uitsluitend bestemd voor personen van gelijk geslacht. | € 270 | ||
3.22 | kleedruimten | ||
1 | Iedere werknemer beschikt over een plaats om zijn kleding op te hangen. | € 135 | |
2 | Voor werknemers die speciale werkkleding moeten dragen zijn doelmatige voldoende ruime, van stoelen of banken voorziene en naar seksen gescheiden kleedruimten beschikbaar. Deze ruimten zijn zoveel mogelijk in de nabijheid van de open of besloten ruimten waar de arbeid pleegt te worden verricht. | € 270 | |
Natte werkkleding kan zo nodig worden gedroogd. | € 135 | ||
3 | In de kleedruimten kan kleding die werknemers tijdens arbeid niet dragen op doelmatige wijze en afgesloten worden bewaard. | € 135 | |
4 | Indien omstandigheden zulks vereisen kunnen de speciale werkkleding en de persoonlijke kleding van de werknemers gescheiden van elkaar op doelmatige wijze en afgesloten worden bewaard. | € 135 | |
3.23 | wasgelegenheden en douche ruimten | ||
1 | Indien werknemers blootstaan aan vuil of stof is een wasruimte met een voldoende aantal wasbakken aanwezig. De wasbakken zijn functioneel geplaatst en naar seksen gescheiden. De wasbakken beschikken over koud, en zo nodig over warm stromend water. | € 135 | |
2 | Indien werknemers zodanig bloot staan aan vuil, stof of hoge temperaturen dat een reiniging van het lichaam nodig is die meer omvat dan die van handen en gezicht of zulks uit de aard van hun arbeid of de zorg voor de gezondheid voortvloeit, is tevens een doucheruimte met een voldoende aantal douches aanwezig. De doucheruimte is voldoende ruim, doelmatig ingericht en naar seksen gescheiden. De douches beschikken over warm en koud stromend water. | € 270 | |
3 | Indien douche- of wasruimten en de kleedruimten zich met in dezelfde ruimte bevinden, zijn deze onderling gemakkelijk en binnendoor bereikbaar. | € 135 | |
3.24 | toiletten, urinoirs en wasbakken | ||
1 | In een bedrijf of inrichting waar werknemers werkzaam plegen te zijn, is voor de werknemers ten minste één toilet beschikbaar. | € 270 | |
2 | In een bedrijf of inrichting waar 10 of meer werknemers gelijktijdig werkzaam plegen te zijn is voor iedere 15 of minder werknemers van hetzelfde geslacht ten minste één toilet aanwezig. Voor mannen mag voor een deel met urinoirs worden volstaan mits er ten minste één toilet voor iedere 25 of minder mannen aanwezig is. | € 270 | |
3 | De toiletten en urinoirs zijn doelmatig ingericht en goed geventileerd. | € 135 | |
De toiletten en urinoirs bevinden zich in de nabijheid van de ruimten waar de werknemers hun werkzaamheden verrichten. | € 135 | ||
4 | In een bedrijf of inrichting waar 10 of meer werknemers gelijktijdig werkzaam plegen te zijn, zijn de toiletten naar seksen gescheiden. | € 270 | |
5 | In of in de onmiddellijke nabijheid van de ruimten waarin de toiletten en urinoirs zich bevinden zijn voldoende wasbakken aanwezig. De wasbakken zijn doelmatig geplaatst. De wasbakken beschikken over stromend water. | € 270 | |
3.25 | eerstehulpposten | ||
1 | Indien de aard van de arbeid of de daaraan verbonden gevaren dit noodzakelijk maken, zijn in aanvulling op de regelgeving terzake van bedrijfshulpverlening, in het bedrijf of de inrichting voldoende eerstehulpposten aanwezig. | € 270 | |
2 | In de eerstehulpposten zijn duidelijk zichtbare instructies voor eerste hulp bij ongevallen aanwezig. | € 135 | |
3 | In de eerstehulpposten is een alarmnummer duidelijk zichtbaar aangebracht. | € 135 | |
4 | De eerstehulpposten zijn voorzien van de noodzakelijke eerstehulpuitrusting. | € 135 | |
5 | De eerstehulpposten zijn gemakkelijk met brancards bereikbaar. | € 135 | |
6 | De eerstehulpposten en de eerstehulpuitrusting zijn voorzien van een signalering die aan artikel 8.4 voldoet. | € 270 | |
afdeling 2 | aanvullende voorschriften bouwplaatsen | ||
3.27 | algemene vereisten | ||
1 | Een bouwplaats is gemarkeerd en afgebakend. | € 270 | |
2 | Op een bouwplaats is voldoende drinkwater of andere alcoholvrije drank beschikbaar. | € 135 | |
3 | Op een bouwplaats zijn zo nodig faciliteiten voor het bereiden van maaltijden beschikbaar. | € 135 | |
3.28 | stabiliteit en stevigheid | ||
1 | Werkplekken op een bouwplaats die niet op de begane grond zijn gesitueerd, zijn stabiel en stevig, waarbij rekening wordt gehouden met het aantal werknemers dat zich daar bevindt, de maximale belasting en de verdeling daarvan en met externe invloeden. Zo nodig zijn ten behoeve van de stabiliteit doeltreffende bevestigingsmiddelen aangebracht. | € 2.250 1) | |
2 | De stabiliteit en stevigheid worden regelmatig en in ieder geval na iedere relevante verandering van de hoogte of de diepte van de hiervoor bedoelde werkplekken, doeltreffend gecontroleerd. | € 900 | |
3.29 | elektrische installaties en leidingen | ||
1 | Elektrische installaties die voor aanvang van de werkzaamheden reeds op de bouwplaats aanwezig zijn, worden geïdentificeerd, gecontroleerd en duidelijk gekenmerkt. | € 900 | |
2 | Bovengrondse elektriciteitsleidingen worden zoveel mogelijk buiten de bouwplaats om geleid of spanningsloos gemaakt. Indien dat niet mogelijk is worden hekken of waarschuwingsborden geplaatst. | € 1.350 | |
3 | Indien voertuigen onder elektriciteitsleidingen door moeten rijden worden beschermingen onder de leidingen aangebracht. | € 1.350 | |
4 | Ondergrondse elektriciteitsleidingen, leidingen voor andere distributiesystemen en kabels worden voor de aanvang van grondverzetwerkzaamheden geïdentificeerd. | € 900 | |
5 | Doeltreffende maatregelen worden genomen om de gevaren voor de werknemers, verbonden aan beschadiging van ondergrondse leidingen en kabels, zoveel mogelijk te voorkomen. | € 1.350 | |
3.30 | bouwputten, tunnels, uitgravingen,en andere ondergrondse werkzaamheden en grondverzetwerkzaamheden | ||
1 | In een bouwput, een tunnel, bij een uitgraving of andere ondergrondse werkzaamheden worden doeltreffende stut- of taludvoorzieningen aangebracht ter voorkoming van instorting of overstroming. | € 1.350 | |
2 | bij grondverzetwerkzaamheden worden de uitgegraven aarde, het gebruikte materiaal en de daarbij gebruikte voertuigen op veilige afstand van de uitgraving gehouden. Zo nodig wordt rond een uitgraving doeltreffend hekwerk geplaatst. | € 1.350 | |
3.31 | metaal- en betonconstructies, bekistingen en zware prefab-elementen | ||
1 | Metaal-en betonconstructies alsmede onderdelen daarvan, bekistingen, prefab elementen of tijdelijke stutten en schoren worden slechts gemonteerd of gedemonteerd onder toezicht van een speciaal daartoe aangewezen persoon. | € 900 | |
2 | Bekistingen, tijdelijke stutten en schoren kunnen zonder gevaar voor de werknemers de krachten dragen waaraan zij blootstaan. | € 1350 | |
afdeling 3 | aanvullende voorschriften winningsindustrieën in dagbouw, ondergronds of met behulp van boringen | ||
3.33 | schriftelijke voorlichting | ||
1 | Voor iedere arbeidsplaats in de winningsindustrie zijn schriftelijke instructies opgesteld, waarin de regels zijn opgenomen die moeten worden nageleefd om de veiligheid en gezondheid van de werknemers, alsmede het veilig gebruik van de arbeidsmiddelen te garanderen. Deze instructies bevatten tevens aanwijzingen voor het gebruik van de noodapparatuur en de te volgen handelwijze in noodsituaties. | € 270 | |
2 | De instructies zijn op een goed toegankelijke plaats voor de werknemers beschikbaar. | € 135 | |
3.34 | gevaar voor verstikking, bedwelming, vergiftiging, brand en explosie | ||
1 | In zones waar gevaar bestaat voor verstikking, bedwelming of vergiftiging, dan wel brand of explosie bestaat zijn overeenkomstig artikel 4.6 maatregelen genomen om dat gevaar te voorkomen. | € 2.250 | |
2 | De in het eerste lid bedoelde maatregelen moeten zijn opgenomen in het veiligheids- en gezondheidsdocument bedoeld in artikel 2.42, tweede lid. | € 225 | |
3.35 | reanimatie-apparatuur | ||
1 | In aanvulling op de regelgeving terzake van de bedrijfshulpverlening (afdeling 4, hoofdstuk 2), zijn in zones waar gevaar voor verstikking, bedwelming of vergiftiging bestaat doelmatige reanimatieapparaten aanwezig. | € 1.350 | |
2 | Op de arbeidsplaats in de winningsindustrie zijn voldoende werknemers aanwezig die de reanimatieapparaten kunnen bedienen. | € 1.350 | |
3 | De reanimatie apparaten worden doelmatig onderhouden en opgeslagen. | € 270 | |
3.36 | beperken en bestrijden van brand | ||
In aanvulling op de regelgeving terzake van bedrijfshulpverlening worden maatregelen inzake beperking en bestrijden brand in het veiligheids- en gezondsheidsdocument opgenomen. | € 225 | ||
afdeling 3a | aanvullende voorschriften winningsindustrieën in dagbouw | ||
afdeling 3b | aanvullende voorschriften ondergrondse winningsindustrieën | ||
3.37b | Plattegronden en bewegwijzering | ||
1 | Er worden plattegronden gemaakt en regelmatig bijgewerkt, waarop de galerijen en de ontginningswerkzaamheden en alle bekende factoren die van invloed kunnen zijn op de ontginning en de veiligheid daarvan zijn aangegeven op een schaal die een duidelijke voorstelling mogelijk maakt. De plattegronden zijn op de arbeidsplaats aanwezig en worden desgevraagd getoond aan de toezichthouder. De plattegronden zijn gemakkelijk toegankelijk zijn en worden zolang bewaard als met het oog op de veiligheid noodzakelijk is. | € 270 | |
2 | In de galerijen is een bewegwijzering aangebracht, zodat de werknemers zich gemakkelijk kunnen oriënteren. | € 270 | |
3.37c | Uitgangen | ||
1 | Iedere ondergrondse ontginning staat via ten minste twee afzonderlijke uitgangen met de oppervlakte in verbinding. Deze uitgangen zijn degelijk geconstrueerd en gemakkelijk toegankelijk voor de werknemers die ondergrondse werkzaamheden verrichten. | € 1.350 | |
2 | Wanneer voor het gebruik van deze uitgangen een bijzondere krachtsinspanning nodig is, zijn zij uitgerust met mechanische transportmiddelen voor de werknemers. | € 1.350 | |
3.37d | Transportinstallaties | ||
1 | Transportinstallaties worden zodanig aangelegd, gebruikt en onderhouden, dat de veiligheid en de gezondheid van de werknemers die ze besturen of gebruiken, of zich in de nabijheid daarvan ophouden, gewaarborgd is. | € 2.250 | |
2 | Bij vervoer van werknemers met mechanische transportmiddelen wordt gezorgd voor passende voorzieningen en speciale schriftelijke instructies. | € 2.250 | |
3.37e | Ondersteuning en stabiliteit | ||
1 | Zo spoedig mogelijk na het delven worden er ondersteuningen aangebracht, tenzij dit vanwege de stabiliteit van het terrein niet noodzakelijk is voor de veiligheid van de werknemers. Deze ondersteuningen worden volgens schema’s en schriftelijke instructies aangebracht. | € 1.350 | |
2 | Alle voor werknemers toegankelijke werkplekken worden regelmatig op de stabiliteit van het terrein onderzocht. | € 450 | |
3 | Bij het onderhoud van de ondersteuningen wordt rekening gehouden met de uitkomsten van het onderzoek, bedoeld in het tweede lid. | € 450 | |
3.37f | Instortingen en waterdoorbraken | ||
1 | In zones waar zich instortingen of waterdoorbraken kunnen voordoen, wordt een winningsprogramma opgesteld en uitgevoerd dat zoveel mogelijk gericht is op een veilig werksysteem en op de bescherming van de werknemers. | € 1.350 | |
2 | Er worden maatregelen genomen om de zones, bedoeld in het eerste lid, te kunnen herkennen, om de werknemers die in of in de nabijheid van die zones werken te beschermen en om de risico’s te beheersen. | € 1.350 | |
3.37g | Voorkoming van brand en temperatuurstijging | ||
1 | Er worden maatregelen worden genomen om temperatuurstijgingen te voorkomen of vroegtijdig te signaleren. | € 2.250 | |
2 | Het gebruik van brandbare materialen wordt tot het strikt noodzakelijke minimum beperkt. | € 675 | |
3 | De te gebruiken hydraulische vloeistoffen zijn voorzover mogelijk moeilijk ontvlambaar en voldoen aan specificaties en beproevingsvoorwaarden betreffende de brandbaarheid ervan alsmede aan criteria betreffende de hygiëne. Indien de te gebruiken hydraulische vloeistoffen niet aan de in de eerste volzin gestelde eisen voldoen, worden aanvullende maatregelen genomen. | € 1.350 | |
3.37h | Verlichting | ||
In aanvulling op artikel 3.9 beschikt elke werknemer over een voor het werk geschikte lamp. | € 270 | ||
3.37i | Aanwezigheidscontrole | ||
Het werk is zodanig georganiseerd dat op ieder moment kan worden vastgesteld wie er ondergronds is. | € 45 | ||
afdeling 3c | aanvullende voorschriften winningsindustrieën met behulp van boringen | ||
3.37k | Vereisten inrichting mijnbouwinstallaties | ||
1 | In aanvulling op de artikelen 3.2 en 3.3 zijn mijnbouwinstallaties zodanig ontworpen, gebouwd, ingericht, bediend, gecontroleerd en onderhouden dat zij aan de te verwachten omgevingskrachten weerstand kunnen bieden. Zij dienen een constructie en stevigheid te hebben die zijn afgestemd op het gebruik dat ervan wordt gemaakt. Bij dit lid wordt een boetenormbedrag | € 1.350 | |
2 | Op mijnbouwinstallaties worden zo nodig brandbarrières aangebracht met het oog op de afscheiding van zones waar brandrisico bestaat. | € 1.350 | |
3 | Op mijnbouwinstallaties is op een voldoende aantal doelmatig gekozen plaatsen goed drinkwater aanwezig. | € 135 | |
3.37l | Verkeer en vervoer | ||
1 | In aanvulling op artikel 3.14 worden er: | ||
a. doeltreffende maatregelen genomen ter verzekering van een veilig verkeer en vervoer op een mijnbouwinstallatie alsmede van een veilig op en van een mijnbouwinstallatie brengen van materieel, van materialen en van personen; | € 2.250 | ||
In aanvulling op artikel 3.14 worden er: | |||
b. doeltreffende instructies gegeven ter verzekering van een veilig verkeer en vervoer op een mijnbouwinstallatie alsmede van een veilig op en van een mijnbouwinstallatie brengen van materieel, van materialen en van personen. | € 270 | ||
3 | In verband met het veilig gebruik van een helikopterdek op een mijnbouwinstallatie worden werknemers aangewezen, die belast zijn met het toezicht op dit gebruik van het helikopterdek en daartoe over de noodzakelijke vaardigheid en deskundigheid beschikken. | € 900 | |
3.37m | Onderhoud van veiligheidsapparatuur | ||
Doelmatige veiligheidsapparatuur staat steeds gebruiksklaar en wordt in goede staat gehouden. Bij het onderhoud daarvan wordt naar behoren rekening gehouden met de uitgeoefende activiteiten. | € 2.250 | ||
3.37n | Nooduitgangen | ||
1 | Woon- en verblijfruimten op mijnbouwinstallaties hebben op elk niveau ten minste twee afzonderlijke nooduitgangen, die zo ver mogelijk van elkaar zijn gelegen en uitkomen in een veilige zone, een veilig verzamelpunt of een veilig evacuatiestation. | € 1.350 | |
2 | Een machinekamer op een mijnbouwinstallatie heeft tenminste twee tegenover elkaar gelegen uitgangen met voldoende trap- of ladderverbindingen vanaf de vloer van die machinekamer. | € 1.350 | |
3 | In afwijking van artikel 3.7, vierde lid, zijn nooduitgangen op mijnbouwinstallaties voorzien van deuren die op eenvoudige wijze van binnenuit naar buiten toe zijn te openen of indien dit niet mogelijk is, van schuifdeuren. | € 270 | |
3.37p | Gevarenzones | ||
1 | Arbeidsplaatsen waar door de aard van het werk gevarenzones, met inbegrip van valgevaar of gevaar voor vallende voorwerpen, voorkomen, worden zoveel mogelijk uitgerust met voorzieningen die beletten dat werknemers deze zones zonder toestemming betreden. | € 2.250 | |
2 | Er worden doeltreffende maatregelen getroffen om de werknemers die de gevarenzones mogen betreden te beschermen. | € 2.250 | |
3.37q | Afstandsbediening in noodgevallen | ||
1 | Indien de veiligheid en de gezondheid van de werknemers dat vereisen wordt bepaalde apparatuur in geval van nood vanaf geschikte locaties op afstand bediend. | € 900 | |
3 | Ten behoeve van de afstandsbediening, bedoeld in het eerste lid, zijn er controleposten op geschikte locaties die in geval van nood kunnen worden gebruikt, indien nodig met inbegrip van controleposten op veilige verzamelpunten en in evacuatiestations. | € 900 | |
3.37r | Communicatiesystemen | ||
1 | Indien de veiligheid en de gezondheid van de werknemers dat vereisen wordt iedere bemande arbeidsplaats uitgerust met:
| € 1.350 | |
2 | Op mijnbouwinstallaties blijven de systemen, bedoeld in het eerste lid, in geval van nood operationeel. Het luidsprekersysteem wordt aangevuld met communicatiesystemen die niet afhankelijk zijn van kwetsbare stroomvoorzieningsinstallaties. | € 1.350 | |
3 | De voorzieningen voor het slaan van alarm zijn op doelmatige plaatsen aangebracht. | € 1.350 | |
4 | Indien werknemers aanwezig zijn op arbeidsplaatsen die normaliter niet door werknemers bemand zijn, is er een doelmatig communicatiesysteem. | € 1.350 | |
Artikel 3.37s | Verzamelpunten en monsterrol | ||
1 | Indien de veiligheid en de gezondheid van de werknemers dat vereisen worden er verzamelpunten vastgesteld, wordt een monsterrol bijgehouden en worden de hiervoor noodzakelijke maatregelen getroffen. | € 45 | |
2 | Doelmatige maatregelen worden genomen om:
| € 2.250 | |
3 | De maatregelen, bedoeld in het tweede lid, zijn zodanig dat ze de werknemers lang genoeg bescherming bieden om, indien nodig, in alle veiligheid een evacuatie- en reddingsoperatie te kunnen organiseren en uitvoeren. | € 2.250 | |
4 | Indien de veiligheid en de gezondheid van de werknemers dat vereisen, is een van de beschermde plaatsen, bedoeld in het eerste lid, voorzien van afstandbedieningssystemen voor noodgevallen als bedoeld in artikel 3.37q en van een communicatiesysteem als bedoeld in artikel 3.37r, eerste lid, onder c. | € 675 | |
5 | Op een mijnbouwinstallatie wordt voor elk veilig verzamelpunt een lijst opgesteld, bijgehouden en ter plaatse aangeplakt met de namen van de werknemers voor wie dat verzamelpunt is bestemd. | € 45 | |
6 | Een lijst met de namen van de werknemers die in geval van nood speciale taken hebben wordt opgesteld en bijgehouden en op doelmatige plaatsen aangeplakt. De namen van deze werknemers worden eveneens vermeld in de schriftelijke instructies, bedoeld in artikel 3.33. | € 45 | |
3.37t | Reddingsmiddelen | ||
1 | Op een mijnbouwinstallatie zijn voor onmiddellijk gebruik voldoende geschikte middelen voor redding, evacuatie en voor directe ontsnapping in zee in noodgevallen beschikbaar. | € 1.350 | |
2 | Als evacuatie van werknemers moet geschieden langs moeilijke vluchtwegen of via plaatsen waar de lucht niet of mogelijk niet ingeademd kan worden, staat zelfreddingsapparatuur voor onmiddellijk gebruik op de werkplek ter beschikking van de werknemers. | € 1.350 | |
3 | Reddingsmiddelen als bedoeld in het eerste lid voldoen aan de volgende voorschriften:
| € 450 | |
4 | Het materiaal, dat nodig is in geval bij een ongeval vervoer per helikopter plaatsvindt, ligt gebruiksklaar opgeslagen in de onmiddellijke nabijheid van de helikopterlandingsplaats. | € 1.350 | |
3.37u | Beveiliging noodsystemen | ||
Op mijnbouwinstallaties worden branddetectie- en brandbeschermingssystemen, inrichtingen voor brandblussing of branddoving en alarmsystemen afgeschermd tegen ongelukken en wel op zodanige wijze dat hun functies in noodgevallen operationeel blijven. Zo nodig worden dergelijke systemen in dubbele uitvoering aangebracht. | € 1.350 | ||
3.37w | Verblijfsaccomodatie | ||
1 | In aanvulling op artikel 3.21 wordt, wanneer de aard, de omvang en de duur van de werkzaamheden op een mijnbouwinstallatie zulks vereisen, de nodige verblijfsaccommodatie ter beschikking gesteld. | € 270 | |
2 | Leidingen die in geval van lekkage direct gevaar voor de gezondheid kunnen opleveren worden buiten de accommodatie en de hiermee in verbinding staande gangen gehouden. Deze accommodatie: | ||
a. is afdoende beschermd tegen de gevolgen van explosies, binnendringen van rook en gas en het uitbreken en de verbreiding van brand, zoals omschreven in het veiligheids- en gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 2.42; | € 2.250 | ||
b. is beschermd tegen weersomstandigheden en tegen geluids- en stankhinder en ontwikkeling van rookgassen uit andere ruimten, welke gevaarlijk voor de gezondheid kunnen zijn; | € 900 | ||
c. staat niet in rechtstreekse verbinding met besloten ruimten, waarin machines, ketels, tanks, drukvaten en dergelijke zijn opgesteld; | € 900 | ||
d. is afgescheiden van elke werkplek en ligt buiten gevarenzones; | € 900 | ||
e. staat, voorzover het een slaapverblijf betreft, niet in rechtstreekse verbinding met ontspanningsruimten, noch met ruimten voor het bereiden en bewaren van voedsel. | € 900 | ||
3 | De verblijfsaccommodatie is voorzien van voldoende bedden of kooien, rekening houdend met het aantal werknemers dat naar verwachting in de installatie zal slapen. In een slaapverblijf bevinden zich ten hoogste twee slaapplaatsen. | € 270 | |
4 | Elke verblijfsaccommodatie beschikt over voldoende plaats voor het opbergen van kleding en, indien daarin in de regel ten minste tien personen verblijven, een aparte was- en droogruimte. | € 135 | |
3.37x | Kookgelegenheid | ||
Op een bemande mijnbouwinstallatie zijn voor het bereiden en bewaren van voedsel doelmatig ingerichte ruimten aanwezig, welke ruimten voor geen ander doel worden gebruikt. | € 135 | ||
3.37y | Veiligheid en stabiliteit | ||
Tijdens de plaatsing van een mijnbouwinstallatie worden alle noodzakelijke maatregelen genomen om de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te waarborgen. | € 1.350 | ||
3.37 | voorkomen instabiliteit | ||
1 | Telkens voor aanvang van werkzaamheden aan afgravings- of ontginningsfronten boven werkterreinen of verkeerswegen wordt nagegaan of er geen instabiele massa's of rotsblokken zijn. Losse steenblokken worden zo nodig verwijderd. | € 450 | |
2 | Voor het ontstaan van instabiliteit bij het ontginnen van fronten of steenhopen wordt gewaakt. | € 450 | |
afdeling 4 | aanvullende voorschriften benzinestations | ||
3.39 | veiligheidseisen benzinestations | ||
1 | Benzinestations, waarvan de winkel op werkdagen tussen 18.30 u en 06.00 u's avonds, op zondag, op Nieuwjaarsdag, op tweede Paasdag, op Hemelvaartsdag, op tweede Pinksterdag, op eerste Kerstdag, op tweede Kerstdag of op de dag, waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd, geopend is, zijn voorzien van: | ||
a) een inwerpgeldkluis. | € 450 | ||
b) een optische of akoestische alarminstallatie, tenzij het benzinestation is voorzien van een alarminstallatie, welke langs telecommumcatieverbindingen zo nodig een alarmsignaal afgeeft bij een door de minister van justitie toegelaten alarmcentrale. | € 450 | ||
c) een verlichtingsinstallatie welke gedurende ten minste 15 min. na sluiting van het benzinestation dat benzinestation blijft verlichten. | € 450 | ||
2 | Bij benzinestations waar een of meer benzinepompen worden bediend door aldaar werkzame persoon, is de toegangsdeur tot de winkel in het benzinestation ten minste aan de binnenzijde afsluitbaar. | € 450 | |
3 | Bij benzinestations waar geen enkele benzinepomp wordt bediend door een aldaar werkzame persoon, is toegangsdeur tot de winkel in het benzinestation voorzien van een op afstand bedienbaar elektrisch sluitingsmechanisme dat uitsluitend vanuit winkel kan worden bediend. | € 450 | |
3.40 | aanvullende veiligheidseisen voor benzinestations | ||
In aanvulling op artikel 3.39 gelden voor benzinestations, waarvan de winkel tussen 21.00 en 06.00 u geopend is de volgende voorschriften: | |||
a) in de winkel is ten minste een camera aanwezig die is aangesloten op een recorder, welke al dan niet met tijdsintervallen camerabeelden opneemt. | € 450 | ||
b) het benzinestation is voorzien van een alarminstallatie, welke langs telecommunicatieverbindingen zo nodig een alarmsignaal afgeeft bij een door de Minister van Justitie toegelaten alarminstallatie. | € 450 | ||
c) de plaats in de winkel in een benzinestation waar de kassa zich bevindt, is omgeven door kogelwerend en slagvast materiaal dat tenminste voor een deel doorzichtig is. | € 450 | ||
d) op het sluitingstijdstip van het benzinestation zijn tenminste twee aldaar werkzame personen ter plaatse aanwezig. | € 450 | ||
afdeling 5 | bijzondere sectoren en bijzondere categorieën werknemers | ||
3.46 | deskundig toezicht (jeugdigen) | ||
Deskundig toezicht als bedoeld in artikel 1.37 is van toepassing op jeugdige werknemers die:
| € 1.350 | ||
3.48 | rustruimten (zwangere werknemers) | ||
Voor zwangere werknemers en werknemers tijdens de lactatie is een geschikte, af te sluiten besloten ruimte beschikbaar, waarin gelegenheid is of onmiddellijk kan worden gemaakt voor het nemen van rust. In een rustruimte is een deugdelijk, al of niet opvouwbaar bed of een deugdelijke rustbank beschikbaar. | € 270 | ||
hoofdstuk 4 | gevaarlijke stoffen en biologische agentia | ||
afdeling 1 | gevaarlijke stoffen | ||
4.2 | Nadere voorschriften risico-inventarisatie en -evaluatie, beoordelen | ||
1 | Indien werknemers worden of kunnen worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, ongeacht of met deze stoffen daadwerkelijk arbeid wordt of zal worden verricht, worden, in het kader van de ri&e, de aard, mate en duur van die blootstelling beoordeeld teneinde de gevaren of de hinder voor de werknemers te bepalen. | € 450 | |
2 | Met betrekking tot de aard van de blootstelling wordt in ieder geval vastgesteld aan welke gevaarlijke stoffen werknemers worden of kunnen worden blootgesteld, wat de gevaren zijn die aan die stoffen zijn verbonden, in welke situaties blootstelling zich kan voordoen en op welke wijze blootstelling kan plaatsvinden. | € 450 | |
3 | Met betrekking tot de mate van blootstelling wordt in ieder geval vastgesteld wat het blootstellingsniveau op de arbeidsplaats is. Voor het doeltreffend vaststellen van het blootstellingsniveau wordt gebruik gemaakt van bestaande geschikte meetmethodes, tenzij dit niveau door middel van andere methodes doeltreffend kan worden bepaald. | € 450 | |
4 | Voor zover het blootstellingsniveau alleen doeltreffend kan worden vastgesteld door middel van metingen, wordt gebruik gemaakt van een voor het doel van de meting geschikte en genormaliseerde meetmethode. Bij het ontbreken van een genormaliseerde meetmethode wordt de meting uitgevoerd volgens een andere voor het doel geschikte meetmethode. | € 450 | |
5 | Bij de beoordeling bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken:
| € 450 | |
6 | Indien sprake is van verschillende gevaarlijke stoffen, wordt bij de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, de mogelijke versterkende effecten betrokken die gevaarlijke stoffen op elkaar kunnen hebben. | € 450 | |
7 | De beoordeling, bedoeld in het eerste lid, wordt regelmatig herzien, in ieder geval indien gewijzigde omstandigheden of de resultaten van de arbeidsgezondheidskundige onderzoeken, bedoeld in de artikelen 4.10a en 4.10b, hiertoe aanleiding geven. | € 450 | |
4.2a | Nadere voorschriften risico-inventarisatie en -evaluatie, aanvullende registratie | ||
1 | In aanvulling op artikel 4.2 worden met betrekking tot gevaarlijke stoffen die, gelet op de aard van de bedrijvigheid, met enige regelmaat aanwezig zijn of worden toegepast, in de ri&e, voorts de volgende gegevens opgenomen:
| € 225 | |
2 | Indien op de arbeidsplaats in verband met de aard van de werkzaamheden die daar worden uitgevoerd, gevaarlijke stoffen plegen voor te komen die bij of krachtens de Wet milieugevaarlijke stoffen worden ingedeeld in de categorie ‘voor de voortplanting vergiftig’, bedoeld in artikel 34, tweede lid, onder n, van die wet, alsmede stoffen als bedoeld in richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de Europese Economische Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG L 196) die met de waarschuwingszin R64 (‘kan schadelijk zijn via de borstvoeding’) worden gekenmerkt overeenkomstig de criteria in paragraaf 3.2.8 van bijlage VI bij deze richtlijn, worden met betrekking tot die stoffen in de ri&e, tevens de volgende gegevens vermeld:
| € 225 | |
4.2b | zorgvuldigheid, ordelijkheid en zindelijkheid | ||
Indien op de arbeidsplaats gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, wordt de grootst mogelijke zorgvuldigheid, ordelijkheid en zindelijkheid in acht genomen. | € 450* | ||
43 | verpakking en etikettering | ||
2 | Op de verpakking van een stof die krachtens de Wet milieugevaarlijke stoffen bij de aflevering en bij het ter aflevering voorhanden hebben moeten worden geëtiketteerd, worden de aanduidingen die voor die stof bij of krachtens genoemde wet ten behoeve van de aflevering van die stof zijn voorgeschreven, opvallend en goed leesbaar vermeld, met uitzondering van de aanduidingen die betrekking hebben op de categorie ‘milieugevaarlijk’. | € 270 | |
3 | Op de verpakking van een gevaarlijke stof, waarop artikel 34 van de Wet milieugevaarlijke stoffen niet van toepassing is, worden opvallend en goed leesbaar vermeld de naam van de stof en een aanduiding van de aard van het gevaar of de gevaren, verbonden aan die stof. | € 270 | |
4.3a | beperken van blootstelling; algemene preventieve maatregelen | ||
In alle gevallen waarin arbeid wordt verricht waarbij werknemers kunnen worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, worden, in het kader van artikel 3 van de wet, de volgende maatregelen genomen om blootstelling van werknemers te voorkomen of te beperken tot een zo laag mogelijk niveau: | |||
a) de arbeidsprocédés en werkmethoden zijn zodanig ontworpen en georganiseerd dat het risico op blootstelling wordt voorkomen of beperkt; | € 2.250 | ||
b) er wordt gebruik gemaakt van adequate arbeidsmiddelen; | € 2.250 | ||
c) er wordt gebruik gemaakt van adequate voorzieningen bij het uitvoeren van reparatie- of onderhoudswerkzaamheden; | € 2.250 | ||
d) gevaarlijke stoffen zijn in geen grotere hoeveelheid aanwezig en het aantal werknemers dat wordt of kan worden blootgesteld is niet groter dan voor het verrichten van de arbeid strikt noodzakelijk is; | € 2.250 | ||
e) de mate en duur van de blootstelling wordt zoveel mogelijk beperkt; | € 2.250 | ||
f) bij de arbeid zijn de noodzakelijke hygiënische voorzieningen getroffen; | € 2.250 | ||
g) er wordt gebruik gemaakt van doeltreffende middelen voor veilig opslaan, hanteren en vervoeren van stoffen, en | € 2.250 | ||
h) er wordt gebruik gemaakt van doeltreffende middelen voor het veilig verzamelen, opslaan en verwijderen van afvalstoffen. | € 2.250 | ||
4.4 | voorkomen van ongewilde gebeurtenissen | ||
1 | Voor zover uit de resultaten van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, blijkt dat er ten aanzien van aanwezige gevaarlijke stoffen gevaren voor de veiligheid of de gezondheid van de werknemers bestaan, en deze stoffen niet kunnen worden vervangen overeenkomstig artikel 4.9, derde lid, of artikel 4.17, zijn zodanige voorzieningen getroffen, dat het gevaar, dat zich met betrekking tot die stoffen een ongewilde gebeurtenis voordoet, zoveel mogelijk is vermeden. | € 2.250 | |
2 | Bij het verrichten van arbeid met of in aanwezigheid van stoffen als bedoeld in het eerste lid, zijn zodanige voorzieningen getroffen, dat het gevaar dat zich bij die arbeid een ongewilde gebeurtenis voordoet, zoveel mogelijk is vermeden. | € 2.250 | |
3 | Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op het verrichten van arbeid aan, dan wel verwijderen van reservoirs, installaties, verpakkingen of andere zaken waarin zich stoffen dan wel restanten van die stoffen als bedoeld in het eerste lid bevinden. | € 2.250 | |
4 | Voorts zijn zodanige voorzieningen getroffen dat in geval zich een ongewilde gebeurtenis, als bedoeld in het eerste lid, respectievelijk tweede lid voordoet, de gevolgen daarvan zoveel mogelijk worden beperkt. | € 1.350 | |
6 | In ruimten waarin arbeid als bedoeld in het tweede lid, wordt uitgevoerd, zijn stoffen in geen grotere hoeveelheden aanwezig, dan voor de bedrijfsvoering strikt noodzakelijk is. | € 675 | |
7 | In ruimten, als bedoeld in het zesde lid, zijn niet meer werknemers aanwezig dan noodzakelijk is. | € 675 | |
8 | Arbeid met of in de aanwezigheid van stoffen, als bedoeld in het eerste lid, mag slechts worden verricht door personen die in een zodanige lichamelijke en geestelijke toestand verkeren en op het gebied van die arbeid over een zodanige basiskennis beschikken, dat zij voldoende in staat zijn de daaraan verbonden gevaren te onderkennen en te voorkomen. | € 270* | |
4.5 | bijzondere maatregelen ter voorkoming van ongewilde gebeurtenissen | ||
3 | Stoffen die op grond van de Wet milieugevaarlijke stoffen voldoen aan de criteria voor indeling in een of meer van de categorieën. ‘zeer vergiftig’, ‘vergiftig’ en ‘bijtend’, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van die wet, worden afgesloten bewaard zodat zij niet in handen van onbevoegden kunnen geraken. | € 675* | |
4.6 | gevaar voor verstikking, bedwelming, vergiftiging, brand of explosie | ||
3 | Indien op een plaats of in een ruimte waarbij werknemers kunnen worden blootgesteld aan stoffen in een zodanige mate dat daardoor gevaar bestaat voor verstikking, bedwelming of vergiftiging dan wel brand of explosie, direct gevaar ontstaat, worden doeltreffende maatregelen worden genomen zodat de werknemers, die deze plaats of deze ruimte hebben betreden, deze terstond kunnen verlaten. Indien dat niet mogelijk is en het toch noodzakelijk is om die plaats of die ruimte te betreden, dan mag dit alleen indien arbeidsmiddelen worden gebruikt die het desbetreffende gevaar niet zelf kunnen veroorzaken, alsmede persoonlijke beschermingsmiddelen beschikbaar worden gesteld en gebruikt. Zo nodig worden de werknemers die de plaats of de ruimte moeten betreden permanent van buitenaf geobserveerd. Voor dit feit kan een werknemer uitsluitend worden beboet voor het niet gebruiken van de ter beschikking gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen. | € 2.250* | |
4.6a | maatregelen bij ongewilde gebeurtenissen | ||
1 | Voor zover uit de resultaten van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, blijkt dat er gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van de werknemers bestaat, zijn in aanvulling op afdeling 4 van hoofdstuk 2 doeltreffende procedures opgesteld die in werking treden indien zich een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.4, eerste, respectievelijk tweede lid voordoet. | € 900 | |
2 | De procedures, bedoeld in het eerste lid, worden opgenomen in de ri&e. | € 135 | |
3 | Op grond van de procedures, bedoeld in het eerste lid, zijn zodanige technische of organisatorische maatregelen genomen, dat wanneer zich een ongewilde gebeurtenis voordoet de gevolgen hiervan zoveel mogelijk worden beperkt. | € 2.250 | |
4 | Ter naleving van het derde lid worden in ieder geval de volgende maatregelen genomen: | € 1.800 | |
a. er worden onmiddellijk doeltreffende maatregelen genomen om de gevolgen van een ongewilde gebeurtenis zoveel mogelijk te beperken en wordt zo spoedig mogelijk zorg gedragen voor het herstel van de veilige toestand; | € 270 | ||
b. de werknemers worden onverwijld ingelicht over de ongewilde gebeurtenis en wordt er zorg voor gedragen dat zij zich verwijderen uit de getroffen zone; | € 2.250 | ||
c. betreden uitsluitend de werknemers of andere personen, belast met het uitvoeren van de noodzakelijke herstelwerkzaamheden, met gebruik van doeltreffende middelen en persoonlijke beschermingsmiddelen, de getroffen zone. Deze werknemers en andere personen zijn niet langer dan strikt noodzakelijk voor het herstel van de veilige toestand in de desbetreffende zone aanwezig; | € 900 | ||
d. zijn in aanvulling op afdeling 4 van hoofdstuk 2 doeltreffende waarschuwings- en andere communicatiesystemen beschikbaar ten behoeve van de signalering van een toegenomen risico voor de veiligheid en gezondheid en die voldoen aan het bepaalde bij of krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 8; | € 270 | ||
e. voorkomen wordt dat anderen dan de personen, bedoeld in onderdeel c., de getroffen zone betreden. | |||
6 | De werkgever zorgt ervoor dat bedrijfshulpverleners en de hulpverleningsorganisaties, bedoeld in artikel 2.16, alsmede de deskundigen, genoemd in artikel 13 van de wet, en de deskundigen of arbodiensten, genoemd in de artikelen 14 en 14a van de wet, desgewenst kennis kunnen nemen van de maatregelen, bedoeld in het vierde lid. | € 45 | |
7 | De informatie over de maatregelen, bedoeld in het zesde lid, omvat in ieder geval:
| € 45 | |
4.7 | veiligheid aan, op of in tankschepen | ||
2 | De werkzaamheden aan tankschepen, bestaande uit het schoonmaken, onderhouden, herstellen of verbouwen, het geheel of gedeeltelijk slopen, waarbij gevaar bestaat voor brand, explosie, vergiftiging, verstikking of bedwelming worden op veilige wijze verricht door of onder toezicht van een persoon die beschikt over voldoende deskundigheid. | € 900* | |
3 | Bij ministeriële regeling worden werkzaamheden aangewezen, die uitsluitend worden verricht, indien een gasdeskundige vooraf de gevaren voor de veiligheid en gezondheid van de werknemers heeft beoordeeld en een verklaring heeft afgegeven die voldoet aan een bij ministeriële regeling vast te stellen model. | € 2.250 | |
4 | Een gasdeskundige als bedoeld in het derde lid, is in het bezit van een certificaat van vakbekwaamheid gasdeskundige, dat is afgegeven door de minister van SZW of een certificerende instelling. | € 900* | |
5 | Het certificaat van vakbekwaamheid gasdeskundige of een afschrift daarvan is op de arbeidsplaats aanwezig en wordt desgevraagd getoond aan de toezichthouder. | € 45* | |
4.8 | ontplofbare stoffen | ||
1 | Arbeid waarbij voor demolitie, zijnde het springen van objecten of materialen, of voor onderhoud, gebruik wordt gemaakt van stoffen die op grond van de Wet milieugevaarlijke stoffen voldoen aan de criteria voor indeling in de categorie “ontplofbaar”, bedoeld in artikel 34, tweede lid, onder a, van die wet, wordt verricht volgens een vooraf opgesteld springplan of bij de verkenning naar, opsporing of winning van delfstoffen, een vooraf opgesteld programma. De inhoud van het springplan of programma bevat een deugdelijke beschrijving van de uit te voeren werkzaamheden, de daaraan verbonden gevaren en de wijze waarop deze gevaren zoveel mogelijk voorkomen of beperkt zullen worden. | € 900 | |
2 | Demolitie- en onderhoudswerkzaamheden als bedoeld in het eerste lid worden verricht door of onder voortdurend toezicht van een persoon die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid springmeester met betrekking tot de soort arbeid die wordt verricht dat is afgegeven door Onze Minister of een certificerende instelling. | € 900* | |
3 | Werkzaamheden bestaande uit het springen van materialen ten behoeve van de opsporing of winning van delfstoffen als bedoeld in het eerste lid worden verricht door personen die in het bezit zijn van een getuigschrift van schietmeester dat is afgegeven door Onze Minister of een door Onze Minister daartoe aangewezen instelling. | € 900* | |
4 | Het springplan of programma, bedoeld in het eerste lid, het certificaat van vakbekwaamheid springmeester, bedoeld in het tweede lid, dan wel het getuigschrift van schietmeester, bedoeld in het derde lid of een afschrift daarvan zijn op de arbeidsplaats beschikbaar en worden desgevraagd getoond aan de toezichthouder. | € 45* | |
4.8a | professioneel vuurwerk | ||
1 | Arbeid waarbij professioneel vuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit tot ontbranding wordt gebracht, ten behoeve daarvan ter plaatse wordt opgebouwd, geînstalleerd, gemonteerd, geassembleerd, dan wel na ontbranding verwijderd, wordt verricht volgens een vooraf opgesteld werkplan, dat een deugdelijke beschrijving bevat van de uit te voeren werkzaamheden, de daaraan verbonden gevaren en de wijze waarop deze gevaren zoveel mogelijk voorkomen of beperkt zullen worden. | € 2.250 | |
2 | De arbeid, bedoeld in het eerste lid, alsmede arbeid bestaande uit het bewerken van professioneel vuurwerk in een inrichting als bedoeld in artikel 3.2.1 van het Vuurwerkbesluit, wordt verricht door of onder voortdurend toezicht van een persoon, die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid professioneel vuurwerk dat is afgegeven door de minister van SZW of een certificerende instelling. | € 900* | |
3 | Het in het eerste onderscheidenlijk tweede lid bedoelde werkplan en certificaat van vakbekwaamheid of een afschrift daarvan zijn op de arbeidsplaats aanwezig en worden desgevraagd getoond aan de toezichthouder. | € 45* | |
4.8b | grenswaarden | ||
3 | Bij overschrijding van een wettelijke grenswaarde, worden, met inachtneming van artikel 4.9, onverwijld doeltreffende maatregelen genomen om de concentratie terug te brengen tot beneden die waarde. | € 2.250 | |
4 | Zolang de maatregelen, bedoeld in het derde lid, nog niet volledig ten uitvoer zijn gelegd of niet tot een doeltreffende bescherming leiden, wordt de arbeid alleen voortgezet, indien doeltreffende maatregelen zijn genomen om schade aan de gezondheid van de werknemers te voorkomen. | € 2.250 | |
4.9 | arbeidshygiënisch strategie | ||
1 | Voor zover uit de resultaten van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, blijkt dat er gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van de werknemers bestaat dan wel dat er sprake is van hinder voor deze, zijn doeltreffende maatregelen genomen om te voorkomen dat de werknemers bij hun arbeid kunnen worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen in zodanige mate, dat hun veiligheid in gevaar kan worden gebracht, of dat schade kan worden toegebracht aan hun gezondheid of aan de werknemers hinder kan worden veroorzaakt. | € 2.250 | |
2 | Ter naleving van het eerste lid zijn zodanige technische of organisatorische maatregelen genomen, dat het gevaar voor blootstelling zoveel mogelijk bij de bron daarvan wordt voorkomen of teruggebracht tot een niveau waarop geen schade aan de gezondheid kan optreden of waarbij aan de werknemers zo weinig mogelijk hinder wordt veroorzaakt. | € 2.250 | |
3 | Voor zover dit redelijkerwijs mogelijk is worden bij de toepassing van het tweede lid gevaarlijke stoffen vervangen door stoffen waarbij de werknemers, gelet op de eigenschappen van die stoffen, de aard van de arbeid, de werkmethoden en de werkomstandigheden, niet of minder gevaar voor hun veiligheid of gezondheid worden blootgesteld of waarbij aan de werknemers zo weinig mogelijk hinder wordt veroorzaakt. | € 2.250 | |
4 | Voor zover het op doeltreffende wijze voorkomen van blootstelling door het nemen van de maatregel, bedoeld in het derde lid, redelijkerwijs niet mogelijk is, vindt voor de toepassing van het tweede lid, voor zover dit redelijkerwijs mogelijk is, de productie en het gebruik van gevaarlijke stoffen plaats in een gesloten systeem. | € 2.250 | |
5 | Voor zover het op doeltreffende wijze voorkomen van blootstelling door het nemen van maatregelen als bedoeld in het derde of vierde lid redelijkerwijs niet mogelijk is en de blootstelling wordt veroorzaakt doordat de lucht op plaatsen, waar werknemers in verband met de arbeid verblijven, wordt verontreinigd door die stoffen, wordt de verontreinigde lucht op doeltreffende wijze afgevoerd. | € 2.250 | |
6 | Voor zover het op doeltreffende wijze voorkomen van blootstelling door het nemen van maatregelen als bedoeld in het tweede lid redelijkerwijs niet mogelijk is en de blootstelling op andere wijze dan in het vijfde lid bedoeld wordt veroorzaakt, worden in aanvulling op de maatregelen, bedoeld in artikel 4.3a, maatregelen genomen om blootstelling van werknemers te beperken tot een zo laag mogelijk niveau als redelijkerwijs uitvoerbaar is door zoveel mogelijk mens en bron te scheiden. | € 2.250 | |
7 | Voor zover het op doeltreffende wijze afvoeren van de verontreinigde lucht, bedoeld in het vijfde lid, in verband met de aard van de arbeid of met de werkomstandigheden redelijkerwijs niet mogelijk is, worden de maatregelen, bedoeld in het zesde lid, genomen. | € 2.250 | |
8 | Indien het redelijkerwijs niet mogelijk is om de blootstelling van werknemers te voorkomen of te beperken tot een voldoende laag niveau door middel van de in het zesde of zevende lid bedoelde maatregelen, worden aan de werknemers die worden of kunnen worden blootgesteld, persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking gesteld. Voor dit feit kan een werknemer uitsluitend worden beboet voor het niet gebruiken van de ter beschikking gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen. | € 2.250* | |
9 | Indien de werkzaamheden worden verricht met gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen overeenkomstig het achtste lid, mag dit niet blijvend op deze wijze geschieden en wordt de duur van het dragen daarvan voor ieder van deze werknemers tot het strikt noodzakelijke beperkt. | € 900 | |
4.10 | ventilatie | ||
1 | Indien op grond van artikel 4.9, vijfde lid, verontreinigde lucht wordt afgevoerd, is gelijktijdig voldoende toevoer van nietverontreinigde lucht gewaarborgd. | € 1.350 | |
4.10a | onderzoek | ||
1 | Iedere werknemer die voor de eerste keer wordt belast met werkzaamheden die blijkens de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, gevaren kunnen opleveren voor de veiligheid of gezondheid, wordt, in aanvulling op artikel 18 van de wet, in de gelegenheid gesteld om vóór de aanvang van die werkzaamheden een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan. | € 45 | |
2 | Indien bij een werknemer een aandoening wordt geconstateerd die het gevolg zou kunnen zijn van blootstelling aan gevaarlijke stoffen, worden werknemers, die op soortgelijke wijze zijn blootgesteld, tussentijds in de gelegenheid gesteld een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan. | € 45 | |
4 | Een werknemer als bedoeld in het eerste lid wordt geïnformeerd over de wijze waarop hij na beÎindiging van de blootstelling in de gelegenheid wordt gesteld een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan. | € 45 | |
4.10b | onderzoek en biologische grenswaarden | ||
1 | Iedere werknemer die wordt of kan worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen waarvoor een biologische grenswaarde als bedoeld in artikel 4.8b, tweede lid, is vastgesteld, wordt in de gelegenheid gesteld om een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan:
| € 45 | |
2 | Het onderzoek als bedoeld in het eerste lid omvat onder meer een onderzoek naar het gehalte van de betreffende stof in het bij de biologische grenswaarde, bedoeld in artikel 4.8b, tweede lid, vastgestelde biologische medium. | € 45 | |
4.10c | uitvoering en inhoud van onderzoek | ||
2 | Aan de deskundige persoon, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, of de arbodienst worden alle gegevens ter beschikking gesteld die nodig zijn om de blootstelling van de werknemers aan gevaarlijke stoffen te kunnen beoordelen en te kunnen adviseren over de periodiciteit en inhoud van de arbeidsgezondheidskundige onderzoeken, de te nemen preventieve maatregelen of persoonlijke beschermende maatregelen. | € 45 | |
4.10d | dossiers en registratie | ||
4 | De resultaten van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek worden in passende vorm geregistreerd en voor iedere werknemer tot ten minste 40 jaar na beëindiging van diens blootstelling aan gevaarlijke stoffen bewaard, evenals de lijst van werknemers, bedoeld in artikel 4.15, en het register van blootgestelde werknemers, bedoeld in artikel 4.53, eerste lid. | € 45 | |
5 | In geval de werkzaamheden in het bedrijf of de inrichting van de werkgever gedurende de termijn van 40 jaar, bedoeld in het vierde lid, worden gestaakt, worden de in het vierde lid bedoelde documenten overgedragen aan de toezichthouder. | € 45 | |
4.10e | voorlichting en onderricht | ||
1 | Aan werknemers die arbeid verrichten waarbij gevaar bestaat voor blootstelling aan gevaarlijke stoffen wordt voorlichting en onderricht gegeven, waarbij ten minste aandacht wordt besteed aan:
| € 270 | |
3 | De wijze van voorlichting en onderricht is afgestemd op de resultaten van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2. | € 270 | |
4 | De voorlichting en het onderricht worden geactualiseerd indien gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding geven. | € 270 | |
afdeling 2 | aanvullende voorschriften kankerverwekkende of mutagene stoffen en kankerverwekkende processen | ||
4.13 | nadere voorschriften inventarisatie en evaluatie | ||
Indien arbeid wordt verricht waarbij werknemers als gevolg van hun werk worden of kunnen worden blootgesteld aan kankerverwekkende of mutagene stoffen of kankerverwekkende processen, worden met betrekking tot deze stoffen of processen die, gelet op de aard van de bedrijvigheid, met enige regelmaat aanwezig zijn of worden toegepast, in ieder geval de volgende gegevens opgenomen in de ri&e:
| € 225 | ||
4.15 | lijst van werknemers | ||
1 | Er wordt een lijst bijgehouden van werknemers die belast zijn met werkzaamheden die, blijkens de beoordeling bedoeld in artikel 4.2 gevaar opleveren voor de veiligheid en de gezondheid, onder vermelding van de blootstelling die zij hebben ondergaan, voorzover hierover gegevens beschikbaar zijn. | € 45 | |
2 | Iedere werknemer heeft recht op inzage in de gegevens die in voornoemde lijst met betrekking tot hem zijn opgenomen. | € 45 | |
4.16 | grenswaarden | ||
2 | Bij overschrijding van een grenswaarde worden, met inachtneming van de artikelen 4.17 en 4.18, onverwijld doeltreffende maatregelen genomen om die concentratie terug te brengen tot beneden die waarde. | € 2.250 | |
3 | Zolang de maatregelen, bedoeld in het tweede lid nog niet volledig ten uitvoer zijn gelegd of niet tot een doeltreffende bescherming leiden, mag de arbeid alleen worden voortgezet, indien doeltreffende maatregelen zijn genomen om schade aan gezondheid van werknemers te voorkomen. | € 2.250 | |
4.17 | voorkomen van blootstelling; vervangen | ||
Zodanige technische en organisatorische maatregelen zijn genomen dat het gevaar van blootstelling van werknemers aan kankerverwekkende of mutagene stoffen en kankerverwekkende processen zoveel mogelijk bij de bron daarvan wordt voorkomen, met name door kankerverwekkende of mutagene stoffen en kankerverwekkende processen - voorzover dit technisch uitvoerbaar is - te vervangen door stoffen of processen waarbij de werknemers, gelet op de eigenschappen van die stoffen of processen, de aard van de arbeid, de werkmethoden en de werkomstandigheden, niet of minder aan gevaar voor hun veiligheid of gezondheid worden blootgesteld. | € 2.250 | ||
4.18 | voorkomen of beperken van blootstelling | ||
1 | Als uit beoordeling (artikel 4.2, eerste lid) blijkt dat er gevaar voor de gezondheid van werknemers bestaat en dat het op doeltreffende wijze voorkomen van blootstelling door het nemen van maatregelen als bedoeld in artikel 4.17 technisch niet uitvoerbaar is, wordt het gevaar van blootstelling, voorzover dit technisch uitvoerbaar is, bij de bron daarvan voorkomen of teruggebracht tot een niveau waarop geen schade aan de gezondheid kan optreden, met name door de productie en het gebruik van kankerverwekkende of mutagene stoffen of kankerverwekkende processen plaats te doen vinden in een gesloten systeem. | € 2.250 | |
2 | Indien het voorkomen van blootstelling of het terugbrengen van blootstelling tot een niveau waarop geen schade aan de gezondheid kan optreden als bedoeld in het eerste lid technisch niet uitvoerbaar is, worden kankerverwekkende of mutagene stoffen op doeltreffende wijze aan de bron verwijderd, onder meer door plaatselijke afvoer van de lucht, zo nodig aangevuld door algemene ventilatie waarbij gelijktijdig voldoende toevoer van niet-verontreinigde lucht is gewaarborgd, zonder dat hierbij gevaar ontstaat voor de volksgezondheid en het milieu. | € 2.250 | |
3 | Indien de in het tweede lid bedoelde maatregelen technisch niet uitvoerbaar zijn, worden maatregelen genomen om blootstelling van werknemers te beperken tot een zo laag mogelijk niveau als technisch uitvoerbaar is door zoveel mogelijk mens en bron te scheiden. | € 2.250 | |
4 | Indien het technisch niet uitvoerbaar is om blootstelling van werknemers te voorkomen of te beperken tot een voldoende laag niveau door middel van de in het derde lid bedoelde maatregelen, worden aan de werknemers die worden of kunnen worden blootgesteld persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking gesteld. Voor dit feit kan een werknemer uitsluitend worden beboet voor het niet gebruiken van de ter beschikking gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen. | € 2.250* | |
5 | Indien de werkzaamheden worden verricht met gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen overeenkomstig het vierde lid, mag dit niet blijvend op deze wijze geschieden en wordt de duur van het dragen daarvan voor ieder van deze werknemers tot het strikt noodzakelijke beperkt. | € 900 | |
4.19 | beperken van blootstelling | ||
In alle gevallen waarin arbeid wordt verricht waarbij werknemers als gevolg van hun werk kunnen worden blootgesteld aan kankerverwekkende of mutagene stoffen of kankerverwekkende processen, worden de volgende maatregelen genomen om blootstelling van werknemers te voorkomen of te beperken tot een zo laag mogelijk niveau: | |||
a) de werknemers die worden of kunnen worden blootgesteld zijn voldoende vertrouwd met de aard van hun werkzaamheden en hebben voldoende kennis van gevaren die aan de blootstelling zijn verbonden en van de voorzieningen die zijn getroffen of door hen moeten worden getroffen om die gevaren te voorkomen of te beperken | € 900* | ||
b) voorkomen wordt dat gevarenzones worden betreden door anderen dan de werknemers of andere personen die zones in verband met hun arbeid moeten betreden | € 675 | ||
c) gevarenzones worden gemarkeerd door middel van waarschuwings- en veiligheidssignalen als bedoeld in artikel 8.4 | € 270 | ||
d) gebruikt wordt gemaakt van doeltreffende middelen voor veilig opslaan, hanteren en vervoeren van kankerverwekkende of mutagene stoffen door gebruik van hermetisch gesloten en duidelijk zichtbaar gemaakte houders | € 2.250 | ||
e) gebruik wordt gemaakt van doeltreffende middelen voor het veilig verzamelen, opslaan en verwijderen van afvalstoffen, met inbegrip van het gebruik van hermetisch gesloten en duidelijk zichtbaar gekenmerkte houders. | € 2.250 | ||
4.20 | hygiënische beschermingsmaatregelen | ||
1 | Zones zijn ingericht waar de werknemers zonder gevaar voor blootstelling kunnen eten en drinken. | € 675 | |
2 | Indien de kans op blootstelling bestaat wordt aan werknemers werkkleding ter beschikking gesteld die voldoet aan de artikelen 8.1, 8.2 en 8.3 en die door de werknemers bij de arbeid steeds wordt gedragen. | € 675* | |
3 | In aanvulling op artikel 3.22 wordt de werkkleding op een andere plaats opgeborgen dan de overige kleding. | € 675* | |
4 | In aanvulling op artikel 3.23 zijn voor de werknemers doelmatige wasgelegenheden en doucheruimten beschikbaar. | € 675 | |
5 | Persoonlijke beschermingsmiddelen worden volgens instructie op de daartoe aangewezen plaats bewaard en na ieder gebruik gecontroleerd. | € 675* | |
Voor de feiten in dit artikel kan een werknemer uitsluitend worden beboet voor het niet gebruiken van de ter beschikking gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen. | |||
4.23 | uitvoering en inhoud van arbeidsgezondheidskundig onderzoek | ||
2 | De deskundige persoon, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, of de arbodienst heeft recht op inzage in de lijst van blootgestelde werknemers die zijn belast met werkzaamheden met blootstelling aan kankerverwekkende of mutagene stoffen en kankerverwekkende processen (o.b.v. artikel 4.15). Hem staan voorts alle gegevens ter beschikking die hij nodig heeft om de blootstelling te kunnen beoordelen en te kunnen adviseren over de periodiciteit en de inhoud van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek, de te nemen preventieve maatregelen of persoonlijk beschermende maatregelen. | € 45 | |
4.24 | Dossiers en registratie | ||
4 | De resultaten van arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 4.22 worden in passende vorm geregistreerd. | € 45 2) | |
Deze gegevens worden voor iedere werknemer tot ten minste 40 jaar na beëindiging van diens blootstelling aan kankerverwekkende stoffen of processen bewaard. | € 45 2) | ||
De in artikel 4.15 bedoelde lijst van aan kankerverwekkende stoffen blootgestelde werknemers, wordt voor iedere werknemer tot ten minste 40 jaar na beëindiging van diens blootstelling aan kankerverwekkende stoffen of processen bewaard. | € 45 2) | ||
Het in artikel 4.53, eerste lid, bedoelde register voor blootstelling aan asbeststof, wordt voor iedere werknemer tot ten minste 40 jaar na beëindiging van diens blootstelling aan asbest bewaard. | € 45 2) | ||
5 | In geval de werkzaamheden in het bedrijf of de inrichting van de werkgever gedurende de termijn van 40 jaar, bedoeld in artikel 4.24, vierde lid, worden gestaakt, worden de bedoelde documenten overgedragen aan de Arbeidsinspectie. | € 45 2) | |
afdeling 4 | benzeen en gechloreerde koolwaterstoffen | ||
4.36 | verbod van benzeen en gechloreerde koolwaterstoffen | ||
2 | Indien van benzeen of van een product waarvan het gehalte aan benzeen meer dan één volumeprocent bedraagt gebruik wordt gemaakt anders dan als oplos-, reinigings-, of verdunningsmiddel, wordt dit zoveel mogelijk uitgevoerd in een gesloten systeem. | € 2.250 | |
3 | Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van tetrachloorkoolstof, pentachloorethaan en 1,1,2,2-tetrachloorethaan, alsmede ten aanzien van een product waarvan het gehalte aan één van de vorengenoemde stoffen meer dan één volumeprocent bedraagt. | € 2.250 | |
afdeling 5 | aanvullende voorschriften asbest | ||
4.45 | voorkomen of beperken van blootstelling | ||
1 | De concentratie van asbeststof in de lucht word zo laag mogelijk gehouden. | € 2.250 | |
2 | Ter naleving van het eerste lid worden de volgende maatregelen genomen: | * | |
a. gebouwen, installaties en uitrustingen die dienen voor het toepassen of het bewerken van asbest of van asbesthoudende producten worden zoveel mogelijk vrij van stof gehouden; | * | ||
b. asbest als grondstof wordt opgeborgen en vervoerd in een daartoe geschikte en gesloten verpakking; | * | ||
c. afvalstoffen, ontstaan als gevolg van het toepassen of bewerken van asbest of van asbesthoudende producten, worden zo spoedig mogelijk verzameld en afgevoerd in een daartoe geschikte en gesloten verpakking, voorzien van een etiket met de duidelijke en goed leesbare vermelding dat de inhoud daarvan asbest bevat; | * | ||
d. bij het uitvoeren van reparatie- of onderhoudswerkzaamheden worden geen elektrisch of pneumatisch aangedreven verspanende werktuigen met een toerental hoger dan 100 omwentelingen per minuut of met een lineaire zaagsnelheid groter dan 25 meter per minuut gebruikt. Voor het ten laste leggen van één of meer van deze onderdelen wordt het boetenormbedrag bij het eerste lid gehanteerd (€ 2.250). | |||
4.45a | bijzondere bepalingen asbesthoudende grond | ||
1 | Indien de handelingen, bedoeld in artikel 5, onderdelen e en f, van het Productenbesluit asbest betrekking hebben op asbesthoudende grond, worden deze werkzaamheden begeleid door een persoon die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid arbeidshygiëne of veiligheidskunde als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid. | € 900 | |
2 | 2. Indien de handelingen, bedoeld in het eerste lid, in de buitenlucht plaatsvinden, wordt na het beëindigen van deze handelingen een visuele inspectie uitgevoerd op de aanwezigheid van asbest teneinde vast te stellen dat de concentratie asbest niet hoger is dan honderd milligram per kilogram droge stof als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van het Productenbesluit asbest. | € 450 | |
4.46 | grenswaarde | ||
1 | De concentratie van asbeststof in de lucht mag de grenswaarde van 0,30 vezel per kubieke centimeter, vastgesteld, berekend of gemeten over een referentieperiode van 8 uur, niet overschrijden. | € 2.250 | |
2 | Bij overschrijding van deze grenswaarde worden zo spoedig mogelijk doeltreffende maatregelen genomen om de concentratie terug te brengen tot beneden die waarde. | € 2.250 | |
3 | Nadat de maatregelen zijn genomen wordt de concentratie gemeten overeenkomstig artikel 4.50, tweede lid. | € 450 | |
5 | Zolang genomen maatregelen om de concentratie terug te brengen nog niet volledig ten uitvoer zijn gelegd of niet tot een doeltreffende bescherming leiden, mag arbeid op de betreffende arbeidsplaats alleen worden voortgezet indien betrokken werknemers doeltreffend zijn beschermd tegen blootstelling aan asbeststof. | € 2.250* | |
4.47 | gevallen waarin overschrijding grenswaarde kan worden verwacht | ||
1 | Indien, gelet op de aard van de werkzaamheden, overschrijding van de in artikel 4.46, eerste lid, genoemde grenswaarde kan worden verwacht en technische maatregelen ter beperking van de blootstelling van de werknemers redelijkerwijs niet uitvoerbaar zijn, mag tot het verrichten van deze werkzaamheden slechts worden overgegaan, indien doeltreffende maatregelen ter bescherming van de betrokken werknemers zijn genomen. | € 2.250* | |
3 | Tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, behoren in ieder geval: | * | |
a) het ter beschikking stellen van persoonlijke beschermingsmiddelen, waarbij de duur van het dragen daarvan tot het strikt noodzakelijke wordt beperkt; b) het aanbrengen van waarschuwingsborden die voldoen aan het bij of krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 8 bepaalde, ter aanduiding dat een overschrijding van de in artikel 4.46, eerste lid, genoemde grenswaarde kan worden verwacht. | |||
Voor dit feit kan een werknemer uitsluitend worden beboet voor het niet gebruiken van de ter beschikking gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen. Indien uitsluitend onderdeel 3b) ten laste wordt gelegd, geldt een boetenormbedrag van € 270. In andere gevallen wordt het boetenormbedrag bij het eerste lid gehanteerd (€ 2.250). | |||
4.49 | melding | ||
1 | Aan de toezichthouder wordt schriftelijk gemeld:
| € 900 | |
2 | Indien het voornemen bestaat om in de gegevens, bedoeld in het eerste lid, belangrijke wijzigingen aan te brengen, wordt dit voornemen schriftelijk aan de toezichthouder gemeld. | € 900 | |
4.50 | nadere voorschriften risico-inventarisatie en -evaluatie | ||
1 | De concentratie van asbeststof in de lucht waaraan de werknemers in verband met de arbeid worden blootgesteld, wordt, in het kader van de ri&e, ten minste eenmaal in de drie maanden door middel van het nemen van monsters gemeten en voorts telkens wanneer zich een verandering in de werkmethoden en de omstandigheden van de blootstelling voordoet. Deze frequentie mag worden teruggebracht tot eenmaal per jaar, indien er geen verandering in de werkmethoden en de omstandigheden van de blootstelling heeft plaatsgevonden en uit de twee opeenvolgende voorafgaande metingen is gebleken dat de concentratie van asbeststof in de lucht niet meer bedroeg dan helft van de in artikel 4.46 genoemde grenswaarde. | € 450 | |
2 | De metingen en monsterneming worden uitgevoerd volgens een bij ministeriële regeling vast te stellen methode ofwel een andere methode indien deze gelijkwaardige resultaten oplevert. | € 450 | |
4 | De metingen, bedoeld in het eerste lid, worden regelmatig volgens een tevoren opgesteld plan uitgevoerd, waarbij de monsterneming representatief is voor de blootstelling van de werknemers aan asbeststof. | € 450 | |
7 | De monsterneming wordt zodanig uitgevoerd dat hetzij door meting hetzij door berekening, gewogen in de tijd, de blootstelling van werknemers aan asbeststof kan worden vastgesteld die representatief is voor een referentieperiode van 8 uur. | € 450 | |
8 | Het nemen van monsters wordt uitgevoerd door personeel dat daarvoor de vereiste deskundigheid bezit. | € 900 | |
9 | De daaropvolgende monsteranalyse wordt uitgevoerd in laboratoria die adequaat toegerust zijn voor deze analyse, alsmede ervaring hebben met de vereiste identificatietechnieken. | € 900 | |
4.51 | hygiënische beschermingsmaatregelen | ||
1 | De werkkleding mag uitsluitend buiten het bedrijf of de inrichting worden gebracht indien dit geschiedt met het doel deze te laten reinigen in daartoe adequaat uitgeruste wasserijen. | € 675* | |
2 | In gevallen, als bedoeld in het eerste lid, wordt de werkkleding in daartoe geschikte en gesloten verpakking vervoerd. | € 675* | |
3 | Wanneer beschermende uitrusting wordt verstrekt, wordt deze op een daartoe aangewezen plaats bewaard en na ieder gebruik gecontroleerd en gereinigd. Defecte uitrusting mag niet worden gebruikt. | € 675* | |
4.52 | arbeidsgezondheidskundig onderzoek | ||
1 | Zolang de blootstelling aan asbeststof duurt, worden, in aanvulling op artikel 4.10a, derde lid, de betrokken werknemers ten minste éénmaal in de drie jaar opnieuw in gelegenheid gesteld om een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 4.10a te ondergaan. | € 45 | |
3 | Indien het resultaat van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek, bedoeld in artikel 4.10a, daartoe aanleiding geeft, worden doeltreffende maatregelen genomen om schade voor de gezondheid van de betrokken werknemer door blootstelling aan asbeststof te voorkomen. | € 2.250 | |
4 | Aan de deskundige persoon, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, of de arbodienst wordt inzage gegeven in gegevens die in het register, bedoeld in artikel 4.53, zijn vermeld. | € 45 | |
4.53 | registratie | ||
1 | Van iedere werknemer die in verband met de arbeid wordt blootgesteld aan asbeststof wordt aantekening gehouden in een register, waabij de aard en de duur van de arbeid alsmede de mate van de blootstelling worden vermeld. | € 45 | |
2 | Iedere werknemer wordt in kennis gesteld van zijn persoonlijke gegevens in het register. | € 45 | |
4.54 | Slopen en verwijderen asbest en crocidoliet | ||
2 | Voordat wordt aangevangen met de uitvoering van de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, zijn de locatie, de datum en het tijdstip waarop deze werkzaamheden zullen worden verricht, tijdig gemeld aan een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 24 van de wet. | € 900 | |
3 | Voordat wordt aangevangen met de uitvoering van de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt respectievelijk worden het aanwezige asbest of crocidoliet dan wel de aanwezige asbesthoudende producten of crocidoliethoudende producten verwijderd, voorzover dit redelijkerwijs uitvoerbaar is, behalve wanneer dit voor de werknemers een groter gevaar voor de veiligheid en gezondheid zou inhouden. | € 2.250* | |
4 | Er worden maatregelen genomen om de plaats van de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, af te schermen van de overige binnenruimten alsmede van de buitenlucht. | € 2.250 | |
5 | In afwijking van artikel 4.45, tweede lid, onderdeel d, kunnen bij het uitvoeren van de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, elektrisch of pneumatisch aangedreven verspanende werktuigen worden gebruikt met een toerental hoger dan 100 omwentelingen per minuut of met een lineaire zaagsnelheid groter dan 25 meter per minuut, indien deze zijn voorzien van een afzuigsysteem of een andere voorziening, zodanig dat de concentratie van asbeststof of crocidolietstof in de lucht, bedoeld in artikel 4.55a, tweede lid, niet wordt overschreden. | € 2.250 | |
4.54a | Asbestinventarisatie | ||
1 | Voordat een handeling als bedoeld in artikel 4.54, eerste lid, onderdeel a, b of d, wordt aangevangen, wordt de aanwezigheid van asbest of asbesthoudende producten dan wel crocidoliet of crocidoliethoudende producten volledig geïnventariseerd en worden de resultaten hiervan opgenomen in een inventarisatierapport. | € 900 | |
3 | De inventarisatie en het inventarisatierapport, bedoeld in het eerste lid, worden uitgevoerd, onderscheidenlijk opgesteld, door een bedrijf dat in het bezit is van een certificaat voor asbestinventarisatie dat is afgegeven door Onze Minister of een certificerende instelling. | € 900 | |
4 | Een afschrift van het inventarisatierapport wordt verstrekt aan het bedrijf, bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, die de handeling, bedoeld in artikel 4.54, eerste lid, onderdeel a, b, of d, verricht. | € 45 | |
5 | Het certificaat of een afschrift daarvan is op de arbeidsplaats aanwezig en wordt desgevraagd getoond aan een ambtenaar als bedoeld in artikel 24 van de wet. | € 45 | |
4.54c | Uitzonderingen maatregelen | ||
5 | De uitvoering van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 4.54b, met uitzondering van de werkzaamheden, bedoeld in de onderdelen a en e, vindt plaats overeenkomstig een deugdelijke schriftelijke werkmethode, die is gebaseerd op een doeltreffende beoordeling van het blootstellingsniveau en zodanige beheersmaatregelen bevat dat blootstelling zoveel mogelijk wordt voorkomen. | € 2.50 | |
6 | De werkmethode, bedoeld in het vijfde lid, of een afschrift daarvan is op de arbeidsplaats aanwezig en wordt desgevraagd getoond aan een ambtenaar als bedoeld in artikel 24 van de wet. | € 45 | |
4.54d | Asbestverwijdering | ||
1 | De handelingen, bedoeld in artikel 4.54, eerste lid, met uitzondering van de handelingen, bedoeld in artikel 4.54b, worden verricht volgens een vooraf opgesteld werkplan als bedoeld in artikel 4.55 door een bedrijf dat in het bezit is van een certificaat asbestverwijdering, dat is afgegeven door Onze Minister of een certificerende instelling. | € 2.50 | |
2 | Bij een bedrijf als bedoeld in het eerste lid is in ieder geval een persoon als bedoeld in het derde lid werkzaam. | € 900 | |
3 | De handelingen, bedoeld in het eerste lid, worden verricht door of onder voortdurend toezicht van een persoon die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid voor het toezicht houden op het verwijderen van asbest en crocidoliet, dat is afgegeven door Onze Minister of een certificerende instelling. | € 900* | |
4 | Voorzover de handelingen, bedoeld in het eerste lid, mede worden verricht door een andere persoon dan de persoon, bedoeld in het derde lid, is deze andere persoon in het bezit van een certificaat van vakbekwaamheid voor het verwijderen van asbest en crocidoliet, dat is afgegeven door Onze Minister of een certificerende instelling. | € 900* 2 | |
5 | Voordat wordt aangevangen met de handelingen, bedoeld in het eerste lid, is het bedrijf, bedoeld in het eerste lid, in het bezit van een afschrift van een inventarisatierapport als bedoeld in artikel 4.54a, eerste lid. | € 45 | |
6 | De certificaten, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, of afschriften daarvan en een afschrift van het inventarisatierapport, bedoeld in artikel 4.54a, eerste lid, zijn op de arbeidsplaats aanwezig en worden desgevraagd getoond aan een ambtenaar als bedoeld in artikel 24 van de wet. | € 45 | |
4.55 | Werkplan | ||
1 | Voordat wordt aangevangen met de handelingen, bedoeld in artikel 4.54, eerste lid, met uitzondering van de handelingen, bedoeld in artikel 4.54b, onderdelen a tot en met h, wordt door de werkgever van het bedrijf, bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, een schriftelijk werkplan opgesteld dat doeltreffende, op de specifieke situatie van de betreffende arbeidsplaats toegespitste, maatregelen bevat ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de betrokken werknemers. | € 900 | |
3 | Indien een inventarisatierapport als bedoeld in artikel 4.54a, eerste lid, is opgesteld, worden de resultaten hiervan opgenomen in het werkplan. | € 900 | |
4 | In het werkplan worden de volgende gegevens opgenomen: a. een beschrijving van de maatregelen, bedoeld in de artikelen 4.3a, aanhef en onderdeel d, 4.6a, vierde lid, onderdelen b, c en e, en vijfde lid, 4.18, 4.19, aanhef en onderdelen b en c, 4.20, eerste tot en met vierde lid, 4.45, eerste en tweede lid, onderdelen a, c en d, 4.47, derde lid, 4.51 en 4.54, derde en vierde lid; b. een beschrijving van de aard, duur en plaats van de werkzaamheden alsmede van de werkmethode; c. een beschrijving van de werktuigen, machines, toestellen en overige hulpmiddelen die bij de werkzaamheden worden gebruikt; d. de naam van de personen, bedoeld in artikel 4.54d, derde en vierde lid. | € 900 | |
5 | De handelingen, bedoeld in het eerste lid, worden overeenkomstig het opgestelde werkplan uitgevoerd. | € 2.250 | |
6 | Het werkplan of een afschrift daarvan is op de arbeidsplaats aanwezig en wordt desgevraagd getoond aan een ambtenaar als bedoeld in artikel 24 van de wet. | € 45 | |
4.55a | Eindbeoordeling | ||
1 | Na reiniging van de arbeidsplaats, bedoeld in artikel 4.54, eerste lid, onderdeel c, met uitzondering van de handelingen, bedoeld in artikel 4.54b, onderdeel b tot en met i, wordt, voordat met andere werkzaamheden een aanvang wordt gemaakt, op de desbetreffende arbeidsplaats in een binnenruimte een eindbeoordeling uitgevoerd waarbij de monsterneming wordt uitgevoerd door een persoon als bedoeld in artikel 4.50, achtste lid, en de monsteranalyse door een laboratorium als bedoeld in artikel 4.50, negende lid. | € 900 | |
2 | De eindbeoordeling, bedoeld in het eerste lid, betreft een visuele inspectie gevolgd door een eindmeting, teneinde vast te stellen of de concentratie van asbeststof en crocidolietstof in de lucht niet hoger is dan 0,01 vezel per cm3. | € 450 | |
3 | Na het reinigen van de arbeidsplaats, bedoeld in artikel 4.54, eerste lid, onderdeel c, met uitzondering van de handelingen, bedoeld in artikel 4.54b, onderdeel b tot en met i, en na het opruimen van stoffen of producten, bedoeld in artikel 4.54, eerste lid, onderdeel d, is, voordat met andere werkzaamheden een aanvang wordt gemaakt, op de betreffende arbeidsplaats in de buitenlucht een visuele inspectie uitgevoerd waarbij is vastgesteld dat de aanwezigheid van asbest of crocidoliet niet meer visueel waarneembaar is door een bedrijf dat daartoe adequaat is toegerust. | € 450 | |
4.56 | crocidoliet | ||
2 | De concentratie van crocidolietstof in de lucht waaraan de werknemers - in verband met het uitvoeren van laboratoriumonderzoek, het maken van aanboringen of het uitvoeren van reparatie- of onderhoudswerkzaamheden aan en het ten behoeve van doorvoer naar een andere EER-lidstaat in voorraadhouden van crocidoliet en crocidoliethoudende producten alsmede op de opslag en verwerking van crocidoliethoudend afval - worden blootgesteld, mag de grenswaarde van 0,1 vezel per kubieke centimeter, vastgesteld, berekend of gemeten over een referentieperiode van 8 uur, niet overschrijden. | € 2.250 | |
3 | De bij de werkzaamheden vrijgekomen crocidoliethoudende materialen mogen niet worden opgeslagen tezamen met crocidolietvrije materialen en worden zo spoedig mogelijk verzameld en afgevoerd overeenkomstig artikel 4.45, tweede lid, onder c. | € 2.250* | |
4.57 | voorlichting en onderricht | ||
1 | Aan werknemers die arbeid verrichten waarbij gevaar voor blootstelling aan asbeststof of crocidolietstof bestaat , wordt overeenkomstig een schriftelijk plan doeltreffende voorlichting en onderricht gegeven over:
| € 270 | |
2 | Aan werknemers die asbest(producten), dan wel crocidoliet(producten) slopen of verwijderen wordt in aanvulling op het eerste lid, overeenkomstig een schriftelijk plan, doeltreffende voorlichting en doeltreffend onderricht gegeven over aan voornoemde werkzaamheden verbonden gevaren voor de gezondheid en over de wijze waarop die gevaren zoveel mogelijk kunnen worden beperkt. | € 270 | |
afdeling 6 | specifieke gezondheidsschadelijke stoffen | ||
4.61 | zandstraalverbod | ||
3 | Het ontzanden mag slechts plaatsvinden in voor dat doel bestemde gesloten toestellen of ruimten. | € 1.350* | |
4 | Het bij het ontzanden ontstane stof moet op doelmatige wijze worden afgezogen, uit de luchtstroom afgescheiden en verzameld. | € 1.350* | |
5 | De bij het ontzanden afgezogen lucht mag niet worden afgevoerd naar een ruimte waarin personen moeten verblijven. | € 1.350* | |
afdeling 6a | vluchtige organische stoffen | ||
4.62b | voorkomen van blootstelling; vervangen | ||
Ten aanzien van bij ministeriële regeling aangewezen werkzaamheden wordt het gevaar van blootstelling van werknemers aan vluchtige organische stoffen zoveel mogelijk voorkomen door vluchtige organische stoffen te vervangen door onschadelijke of minder schadelijke stoffen of door producten die vluchtige organische stoffen bevatten te vervangen door bij ministeriële regeling ten aanzien van die werkzaamheden aangewezen producten. | € 2.250 | ||
afdeling 7 | loodwit | ||
4.79 | schriftelijke voorlichting | ||
Aan werknemers die met loodhoudende materialen of producten schilderwerk verrichten, dat niet op grond van artikel 4.78 is verboden, wordt, in aanvulling op artikel 4.10e, schriftelijk en adequaat voorlichtingsmateriaal verschaft over de bij die werkzaamheden in acht te nemen voorzorgsmaatregelen. | € 270 | ||
4.80 | wasgelegenheden en doucheruimten | ||
In aanvulling op artikel 3.23, zijn voor de werknemers die werkzaamheden verrichten, bestaande uit het aanbrengen of verwijderen van loodhoudende materialen of producten, doelmatige wasgelegenheden en doucheruimten beschikbaar. | € 675 | ||
afdeling 9 | biologische agentia | ||
4.85 | nadere voorschriften risico-inventarisatie en -evaluatie | ||
Indien een werknemer een gerede kans loopt aan een of meer specifiek bij zijn arbeid voorkomende of naar verwachting voorkomende biologische agentia te worden blootgesteld, wordt, in het kader van de ri&e, de aard, de mate en de duur van de blootstelling beoordeeld teneinde het gevaar voor de werknemer te beperken. Deze beoordeling geschiedt met inachtneming van met name:
| € 450 | ||
4.86 | gevolgen categorie-indeling | ||
3 | In alle, niet in artikel 4.86, eerste en tweede lid bedoelde gevallen, wordt bij de arbeid de grootst mogelijke zorgvuldigheid, ordelijkheid en zindelijkheid in acht genomen en worden de noodzakelijke hygiÎnische voorzieningen getroffen. | € 450* | |
4.87 | voorkomen of beperken van de blootstelling | ||
1 | Doeltreffende maatregelen worden genomen om te voorkomen dat werknemers tijdens hun arbeid kunnen worden blootgesteld aan biologische agentia in een zodanige mate dat schade kan worden toegebracht aan hun veiligheid of gezondheid. | € 2.250 | |
2 | Ter naleving van het eerste lid worden zodanige technische of organisatorische maatregelen genomen, dat het gevaar voor blootstelling aan biologische agentia zoveel mogelijk bij de bron daarvan wordt voorkomen, waaronder mede is begrepen het toepassen van agentia waarbij werknemers, gelet op de eigenschappen van die agentia, de aard van de arbeid, de werkmethoden en de werkomstandigheden, aan zo min mogelijk gevaar voor hun veiligheid en gezondheid worden blootgesteld. | € 2 250 | |
3 | Voor zover het op doeltreffende wijze voorkomen van blootstelling door het nemen van maatregelen als bedoeld in het tweede lid redelijkerwijs niet mogelijk is, worden de gevaren verbonden aan deze blootstelling zoveel als redelijkerwijs mogelijk is beperkt. | € 2 250 | |
4 | Ter uitvoering van het derde lid worden ten minste de volgende maatregelen genomen: a) de duur van de kans op blootstelling wordt zoveel mogelijk beperkt b) het aantal werknemers dat gevaar loopt aan een of meer biologische agentia te worden blootgesteld is niet groter dan voor het verrichten van de arbeid strikt noodzakelijk is c) er worden collectieve beschermingsmaatregelen genomen, en wanneer dit geen of geen afdoende bescherming biedt, worden persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking gesteld | * | |
d) bij de arbeid wordt de grootst mogelijke ordelijkheid en zindelijkheid betracht om te voorkomen, dan wel de kans te beperken dat een of meer biologische agentia buiten de arbeidsplaats terecht komen | * | ||
e) biologische agentia worden zodanig bewaard en vervoerd en afvalstoffen worden op zodanige wijze verzameld, opgeslagen en verwijderd, zo nodig na passende behandeling en voorzien van een deugdelijk opschrift, dat de kans op blootstelling zoveel mogelijk wordt voorkomen, alsmede wordt voorkomen dat zij in handen van onbevoegden kunnen geraken f) indien noodzakelijk en technisch mogelijk wordt onderzoek gedaan naar de aanwezigheid op de werkplek van biologische agentia buiten de eerste fysieke omhulling g) op de arbeidsplaats is een doeltreffende schriftelijke werkinstructie voor de werknemers voorhanden, waarvan ten minste deel uitmaken de bij arbeid in acht te nemen procedures, waaronder een regeling voor het veilig omgaan met en het vervoeren van biologische agentia binnen het bedrijf of de inrichting, alsmede een doeltreffend noodplan voor het geval zich ongevallen of incidenten met biologische agentia voordoen. | |||
Voor het feit onder d) kan een werknemer uitsluitend worden beboete voor het niet gebruiken van de ter beschikking gesteld persoonlijke beschermingsmiddelen. | |||
Bij ten laste legging te hanteren boetenormbedragen:
In alle andere gevallen wordt het boetenormbedrag bij het derde lid gehanteerd (€ 2.250). | |||
Voor het feit onder c) kan een werknemer uitsluitend worden beboet voor het niet gebruiken van de ter beschikking gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen. | |||
4.88 | veiligheidssignalering | ||
De plaatsen waar arbeid met biologische agentia wordt verricht, worden duidelijk afgebakend en gemarkeerd met een signaal dat voldoet aan artikel 8.4. | € 270 | ||
4.89 | hygiënische beschermingsmaatregelen | ||
1 | Op plaatsen waar gevaar bestaat voor blootstelling aan biologische agentia mag niet worden gerookt noch mag daar voedsel of drank worden genuttigd. | € 675* | |
2 | Werkkleding die voldoet aan artikelen 8.1, 8.2 en 8.3, wordt aan de werknemers ter beschikking gesteld en wordt bij de arbeid gedragen. Voor dit feit kan een werknemer uitsluitend worden beboete voor het niet gebruiken van de ter beschikking gesteld persoonlijke beschermingsmiddelen. | € 675* | |
3 | In aanvulling op artikel 3.23 zijn voor de werknemers doelmatige sanitaire voorzieningen beschikbaar met inbegrip van douches, oogdouches en huidantiseptica. | € 675 | |
4 | Indien aan de werknemer persoonlijke beschermingsmiddelen worden verstrekt, worden deze op een daartoe aangewezen plaats bewaard en na ieder gebruik gecontroleerd en gereinigd. | € 675* | |
5 | In aanvulling op artikel 3.22 worden de werkkleding en andere persoonlijke beschermingsmiddelen waarin of waarop zich biologische agentia bevinden of kunnen bevinden, op een ander plaats opgeborgen dan de overige kleding. | € 675 | |
6 | De in het vijfde lid bedoelde werkkleding en andere persoonlijke beschermingsmiddelen worden uitsluitend buiten het bedrijf of de inrichting gebracht indien dit geschiedt met het doel deze te laten reinigen, ontsmetten of vernietigen. | € 675 | |
7 | IIn gevallen, bedoeld in het zesde lid, worden de werkkleding en andere persoonlijke beschermingsmiddelen in een daartoe geschikte en gesloten verpakking vervoerd. | € 675 | |
4.90 | Registratie | ||
1 | In een register wordt bijgehouden welke werknemers arbeid met biologische agentia van categorie 3 en 4 verrichten. | € 225 | |
2 | In dit register wordt tevens per werknemer geregistreerd welke werkzaamheden hij heeft verricht en, voor zover dit te bepalen is, aan welk biologisch agens of welke biologische agentia hij als gevolg van deze werkzaamheden of als gevolg van een incident of ongeval, is of mogelijkerwijs is blootgesteld. | € 45 | |
3 | Het in het eerste lid bedoelde register wordt ten minste tien jaar na de laatste blootstelling of mogelijke blootstelling bewaard. | € 45 | |
4 | Het register wordt een navenant langere tijd, doch niet meer dan veertig jaar na de laatste blootstelling bewaard, in geval een werknemer is blootgesteld of mogelijk is blootgesteld aan een biologisch agens dat infecties tot gevolg kan hebben die:
| €45 | |
5 | Iedere werknemer heeft recht op inzage in de hem betreffende gegevens uit het register. | € 45 | |
6 | Aan de deskundige persoon, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, of de arbodienst wordt desgevraagd inzage verschaft in het register. | € 45 | |
4.91 | onderzoek en vaccins | ||
1 | Iedere werknemer die arbeid verricht met biologische agentia wordt in aanvulling op artikel 18 van de wet, in de gelegenheid gesteld bij de aanvang van die arbeid een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan. | € 45 | |
2 | Iedere werknemer die een infectie of ziekte heeft opgelopen als gevolg van blootstelling aan een biologisch agens, wordt - in aanvulling op het eerste lid - tussentijds in de gelegenheid gesteld een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan. | € 45 | |
3 | Iedere werknemer die aan eenzelfde biologisch agens is blootgesteld als gevolg waarvan een andere werknemer een infectie of ziekte heeft opgelopen, wordt - in aanvulling op het eerste lid - tussentijds in de gelegenheid gesteld een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan. | € 45 | |
5 | Indien het resultaat van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek daartoe aanleiding geeft, worden doeltreffende maatregelen genomen om schade voor de gezondheid van de betrokken werknemer door blootstelling aan biologische agentia te voorkomen. | € 2.250 | |
6 | Voor zover mogelijk worden aan iedere werknemer die nog niet immuun is voor de biologische agentia waaraan hij is of waarschijnlijk zal worden blootgesteld, doeltreffende vaccins ter beschikking gesteld. Daarbij wordt bijlage VII bij EU-richtlijn nr. 2000/54/EG in acht genomen. | € 675 1) | |
10 | Iedere werknemer wordt geïnformeerd over de wijze waarop hij na beëindiging van de blootstelling in de gelegenheid wordt gesteld een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan. | € 45 | |
4.94 | kennisgeving | ||
1 | Ten minste 30 dagen voordat voor de eerste maal arbeid met één of meer biologische agentia van categorie 2, 3 of 4 wordt verricht, wordt hiervan een schriftelijke kennisgeving aan de toezichthouder verzonden. | € 900 | |
3 | Met inachtneming van het eerste lid wordt tevens kennis gegeven van arbeid met ieder volgend nieuw biologisch agens van categorie 3 en ieder volgend biologisch agens van categorie 4. | € 900 | |
5 | De in dit artikel bedoelde kennisgeving wordt opnieuw gedaan indien er in de procédés of procedures veranderingen hebben plaatsgevonden die gevolgen kunnen hebben voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers, waardoor eerdere kennisgevingen zijn achterhaald. | € 900 | |
4.95 | ongevallen of incidenten | ||
De toezichthouder wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte gesteld van ieder ongeval of incident dat zich heeft voorgedaan en heeft geleid of mogelijkerwijs heeft geleid tot het vrijkomen van één of meer biologische agentia van categorie 3 of 4. | € 900 | ||
4.96 | overdracht gegevens | ||
In geval de werkgever de werkzaamheden beëindigt, worden het in artikel 4.90 bedoelde register en de resultaten van het in artikel 4.91 bedoelde arbeidsgezondheidskundig onderzoek - in geval deze bij de werkgever berusten - overgedragen aan de toezichthouder. | € 45 | ||
4.97 | gezondheidszorg en diergeneeskunde | ||
1 | In aanvulling op artikel 4.85 wordt bij de ri&e van gevaren, verbonden aan andere dan microbiologisch diagnostische arbeid in de gezondheidszorg en in de diergeneeskunde, aandacht besteed aan:
| € 225 | |
2 | Bij de in het eerste lid bedoelde arbeid worden ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de betrokken werknemers doeltreffende maatregelen genomen. Deze bestaan in ieder geval uit:
| € 270 | |
4.98 | beschermingsmaatregelen | ||
In isolatieafdelingen met patiënten of dieren die besmet zijn of mogelijkerwijs besmet zijn met biologische agentia van categorie 3 of 4 worden passende beschermingsmaatregelen als bedoeld in bijlage V, kolom A, bij EU-richtlijn nr. 2000/54/EG, getroffen. | € 2.250 | ||
4.99 | beheersingsniveaus laboratoria en ruimten voor proefdieren | ||
1 | In laboratoria en in ruimten waarin zich dieren bevinden die opzettelijk zijn besmet met biologische agentia van de categorie 2, 3 of 4 dan wel dieren die drager zijn of mogelijk zouden kunnen zijn van biologische agentia van een van deze categorieÎn, worden afhankelijk van de inventarisatie en evaluatie, als bedoeld in artikel 4.85, tenminste respectievelijk de beheersingsniveaus 2, 3 en 4 van bijlage V bij EU-richtlijn nr. 2000/54/EG in acht genomen. | € 2.250 | |
2 | Indien in de in het eerste lid bedoelde laboratoria arbeid wordt verricht met materiaal waarvan het onzeker is of zich hierin biologische agentia van categorie 2, 3 of 4 bevinden en de arbeid niet is gericht op het werken met biologische agentia, wordt ten minste beheersingsniveau 2 van bijlage V bij EU-richtlijn nr. 2000/54/EG, in acht genomen. | € 2.250 | |
4.100 | beheersingsniveaus industriële procédés | ||
1 | In geval biologische agentia van de categorie 2, 3 of 4 worden gebruikt in industriële procédés, worden, afhankelijk van de resultaten van de inventarisatie en evaluatie, bedoeld in artikel 4.85, ten minste respectievelijk de beheersingsniveaus 2, 3,en 4 van bijlage VI bij EU-richtlijn nr. 2000/54/EG, in acht genomen. Van industriële procédés is sprake indien de arbeid is gericht op het werken met biologische agentia van categorie 2, 3 of 4 in reactorvaten van tien liter of meer. | € 2.250 | |
4.101 | beheersingsniveau van niet in bijlage III bij de richtlijn genoemde biologische agentia | ||
Indien arbeid als bedoeld in de artikelen 4.99 en 4.100 wordt verricht met biologische agentia die niet op grond van bijlage III bij EU-richtlijn nr. 2000/54/EG in één van de in artikel 4.84, derde lid, bedoelde categorieën zijn ingedeeld, maar waarvan wel aanwijzingen bestaan dat deze agentia naar verwachting dienen te worden ingedeeld in categorie 3 of 4, wordt ten minste beheersingsniveau 3 van bijlage V respectievelijk VI bij EU-richtlijn nr. 2000/54/EG, in acht genomen. | € 2.250 | ||
4.102 | voorlichting en onderricht | ||
Aan werknemers die arbeid verrichten als bedoeld in artikel 4.86, eerste en tweede lid, wordt voorlichting en onderricht gegeven, waarbij ten minste aandacht wordt besteed aan:
| € 270 | ||
afdeling 10 | bijzondere sectoren en bijzondere categorieën werknemers | ||
4.106 | deskundig toezicht bij arbeid met gevaarlijke stoffen (jeugdigen) | ||
Jeugdige werknemers die:
| € 1.350 | ||
4.111 | nadere voorschriften inventarisatie en evaluatie (thuiswerkers) | ||
Met betrekking tot de in artikel 4.110, onder a), genoemde stoffen, met uitzondering van stoffen die uitsluitend voldoen aan de krachtens de artikelen 34, derde lid en 39 van de Wet milieugevaarlijke stoffen vastgestelde criteria voor indeling in de categorie ‘milieugevaarlijk’ wordt in het kader van de ri&e in ieder geval vastgesteld aan welke stoffen thuiswerkers worden of kunnen worden blootgesteld en wat de gevaren zijn die aan die stoffen zijn verbonden. | € 225 | ||
4.112 | verpakking en etikettering (thuiswerkers) | ||
2 | Op verpakking van een stof als bedoeld in artikel 4.112, eerste lid, worden de aanduidingen, welke voor die stof op grond van het voldoen aan de criteria voor indeling in de categorieÎn, genoemd in artikel 4.110, onder a), ten behoeve van de aflevering van die stof bij of krachtens Wet milieugevaarlijke stoffen zijn voorgeschreven, opvallend en goed leesbaar vermeld, met uitzondering van de aanduidingen die betrekking hebben op de categorie ‘milieugevaarlijk’. | € 270 | |
4.113 | arbeidshygiënisch regime (thuiswerkers) | ||
Doeltreffende maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat thuiswerkers bij hun arbeid kunnen worden blootgesteld aan stoffen in zodanige mate, dat schade kan worden toegebracht aan hun gezondheid of dat aan thuiswerkers hinder kan worden veroorzaakt. | € 2.250 | ||
4.114 | brandbestrijdingsmiddelen (thuiswerkers) | ||
Indien met brandgevaarlijke stoffen wordt gewerkt, zijn in aanvulling op de regelgeving inzake de bedrijfshulpverlening, aan de thuiswerker deugdelijke en doelmatige middelen voor het blussen of doven van een brand ter beschikking gesteld. | € 675 | ||
4.115 | voorkomen, beperken van ongewilde gebeurtenissen (thuiswerkers) | ||
1 | Indien stoffen aanwezig zijn, die gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van thuiswerkers kunnen opleveren, zijn zodanige voorzieningen getroffen dat het gevaar, dat zich met betrekking tot die stoffen een ongewilde gebeurtenis voordoet, zoveel mogelijk is vermeden. | € 2.250 | |
2 | Bij het verrichten van arbeid met stoffen als bedoeld in het eerste lid zijn zodanige voorzieningen getroffen, dat het gevaar, dat zich bij die arbeid een ongewilde gebeurtenis voordoet, zoveel mogelijk is vermeden. | € 2.250 | |
3 | Voorts zijn in aanvulling op de bedrijfshulpverlening zodanige voorzieningen getroffen dat in geval zich een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in het eerste respectievelijk tweede lid voordoet, de gevolgen daarvan zoveel mogelijk worden beperkt. | € 1.800 | |
Hoofdstuk 5 | fysieke belasting afdeling 1 fysieke belasting | ||
5.2 | voorkomen gevaren | ||
De arbeid wordt zodanig georganiseerd, de arbeidsplaats wordt zodanig ingericht, een zodanige productie en werkmethode wordt toegepast of zodanige hulp middelen en persoonlijke beschermingsmiddelen, worden gebruikt, dat de fysieke belasting geen gevaren met zich kan brengen voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemer. | € 1 800 | ||
5.3 | beperken gevaren en risico-inventarisatie en -evaluatie | ||
1 | Voor zover de in artikel 5.2 bedoelde gevaren redelijkerwijs met kunnen worden voorkomen, wordt de arbeid zodanig georganiseer, wordt de arbeidsplaats zodanig ingericht, wordt een zodanige productie en werkmethode toegepast en worden zodanige hulpmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen, gebruikt dat die gevaren zoveel als redelijkerwijs mogelijk is worden beperkt. | € 1 800 | |
2 | bij de uitvoering hiervan worden in het kader van de ri&e bedoeld inartikel 5 Arbowet 1998, van de met inachtneming van bijlage l bij de Richtlijn nummer 90/269/EEG, de veiligheids- en gezondheidsaspecten van de fysieke belasting beoordeeld, waarbij met name gelet wordt op de kenmerken van de last, de vereiste lichamelijke inspanning, de kenmerken van de werkomgeving en de eisen van de taak. | € 225 | |
5.4 | zitgelegenheid | ||
1 | Aan een werknemer die arbeid verricht, welke geheel of gedeeltelijk zittend kan worden uitgevoerd, is daartoe een doelmatige zitgelegenheid ter beschikking gesteld. | € 270 | |
2 | Aan werknemers die arbeid verrichten, welke staande moeten worden uitgevoerd, doch waarbij het arbeidsproces hun toelaat van tijd tot tijd te gaan zitten, is een voldoende aantal doelmatige zitgelegenheden ter beschikking gesteld. | € 270 | |
5.5 | voorlichting | ||
1 | Aan werknemers die arbeid verrichten waarbij sprake is van het handmatig hanteren van lasten wordt doeltreffende voorlichting en onderricht gegeven over: a) de wijze waarop lasten moeten wordan gehanteerd b) de aan het handmatig hanteren van lasten verbonden gevaren voor hun veiligheid en gezondheid en de te nemen maatregelen om deze gevaren zoveel mogelijk te beperken. | € 270 | |
2 | Aan de werknemers als bedoeld in artikel 5.5, eerste lid, wordt adequate informatie verstrekt over het gewicht van de te hanteren last en, wanneer het gewicht van de last niet gelijk verdeeld is, over het zwaartepunt of de zwaarste kant van die last. | € 270 | |
afdeling 2 | beeldschermwerk | ||
5.9 | inventarisatie en evaluatie | ||
1 | in de ri&e als bedoeld in artikel 5 Arbowet 1998,moet specifieke aandacht worden besteed aan de gevaren voor het gezichtsvermogen en die van de fysieke en psychische belasting als gevolg van arbeid aan een beeldscherm. | €225 | |
2 | Op basis van de uitkomsten van de inventarisatie als bedoeld in artikel 5.9, eerste lid moeten doeltreffende maatregelen worden genomen om de desbetreffende gevaren te ondervangen, rekening houdend met de gevolgen van die gevaren en de onderlinge samenhang daartussen. | € 900 | |
5.10 | dagindeling van de arbeid | ||
De arbeid aan een beeldscherm is zodanig georganiseerd dat deze arbeid telkens na ten hoogste twee achtereenvolgende uren wordt afgewisseld door andersoortige arbeid of door een rusttijd, zodanig dat de belasting van het verrichten van de arbeid aan een beeldscherm wordt verlicht. | € 270 | ||
5.11 | maatregelen met betrekking tot de bescherming van de ogen en het gezichtsvermogen van de werknemers | ||
1 | ledere werknemer die voor de eerste keer belast wordt met arbeid aan een beeldscherm wordt, in aanvulling opartikel 18 Arbowet 1998in de gelegenheid gesteld om voor aanvang van die arbeid een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan. Dit onderzoek heeft in ieder geval betrekking op de ogen en het gezichtsvermogen. | € 45 | |
2 | De werknemer wordt opnieuw in de gelegenheid gesteld een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 5.11, eerste lid, te ondergaan, indien zich bij hem gezichtsstoornissen voordoen die het gevolg kunnen zijn van arbeid aan een beeldscherm. | € 45 | |
3 | Indien de resultaten van de arbeidsgezondheidskundige onderzoeken als bedoeld in artikel 5.11, eerste en tweede lid, dit vereisen, wordt de betrokken werknemer in de gelegenheid gesteld een oftalmologisch onderzoek te ondergaan. | € 45 | |
4 | Indien resultaten van de onderzoeken als hedoeld in artikel 5.11, eerste tot en met het derde lid, dit vereisen en normale oogcorrectiemiddelen niet kunnen worden gebruikt, worden aan de betrokken werknemer speciale, met de desbetreffende arbeid verband houdende oogcorrectiemiddelen verstrekt. | € 135 | |
afdeling 3 | bijzondere sectoren en bijzondere categorieën werknemers werkplekvoorzieningen (thuiswerkers) | ||
5.15 | werkplekvoorzieningen (thuiswerkers) | ||
1 | De arbeidsplaats van een thuiswerker is zodanig ingericht dat de arbeid zoveel mogelijk zittend op ergonomisch verantwoorde wijze kan worden verricht. Daartoe zijn een doelmatige zitgelegenheid en een doelmatig werkblad of een doelmatige werktafel ter beschikking gesteld. | € 270 | |
hoofdstuk 6 | fysische factoren | ||
afdeling 1 | klimaat | ||
6.1 | binnen en buitenklimaat | ||
1 | Het klimaat op de arbeidsplaats mag geen schade aan de gezondheid van werknemers veroorzaken. | € 270 | |
2 | Het klimaat op de arbeidsplaats moet zo behaaglijk en gelijkmatig zijn als redelijkerwijs mogelijk. Daarbij wordt rekening gehouden met de aard van de werkzaamheden die door de werknemers wordt verricht en de fysieke belasting die het gevolg is van die werkzaamheden. | € 135 | |
3 | Hinderlijke tocht op de arbeidsplaats moet worden vermeden tenzij dat redelijker wijs niet kan worden gevergd. | € 135 | |
4 | Als door het klimaat op de arbeidsplaats toch schade aan de gezondheid kan ontstaan, worden persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking gesteld. Indien persoonlijke beschermingsmiddelen schade aan de gezondheid niet kunnen voorkomen, wordt de duur van de arbeid in zodanige mate beperkt of wordt de arbeid met een zodanige frequentie afgewisseld door een tijdelijk verblijf op een plaats waar een klimaat heerst dat geen schade aan de gezondheid kan ontstaan. Voor dit feit kan een werknemer uitsluitend worden beboet voor het met gebruiken van de ter beschikking gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen. | € 270* | |
6.2 | luchtverversing | ||
1 | Op de arbeidsplaats moet voldoende niet- verontreinigde lucht aanwezig zijn. | € 270 | |
2 | Luchtverversingsinstallaties moeten altijd bedrijfsklaar zijn. | € 270 | |
3 | Luchtverversingsinstallaties moeten zijn voorzien van een controlesysteem dat storingen in de installatie signaleert voor zover dat noodzakelijk is voor de gezondheid van de werknemers. | € 270 | |
afdeling 2 | verlichting | ||
6.3 | daglicht en kunstlicht | ||
1 | Arbeidsplaatsen en directe toegangen daartoe moeten gedurende de aanwezigheid van de werknemers voldoende en doelmatig verhcnt zijn door daglicht en/of kunstlicht. | € 270 | |
2 | Het kunstlicht moet zodanig zijn aangebracht dat gevaar voor ongevallen is voorkomen. | € 270 | |
3 | De kleur van het kunstlicht mag de waarneming van veiligheids en gezondheidssignalering als bedoeld in artikel 8.4 met wijzigen of beïnvloeden. | € 135 | |
6.4 | daglicht | ||
1 | In een uitwendige scheidingsconstructie van een besloten ruimte waar overdag door iemand gemiddeld meer dan twee uur arbeid wordt verricht, zijn doorzichtige lichtopeningen aangebracht waardoor daglicht kan toetreden. Het gezamenlijk oppervlak van de lichtopeningen bedraagt ten minste 1/20 van het vloeroppervlak van die ruimte. | € 270 | |
6.5 | weren van zonlicht | ||
In een besloten ruimte waar arbeid wordt verricht moet rechtstreeks invallend zonlicht kunnen worden geweerd. | € 270 | ||
afdeling 3 | Lawaai | ||
6.7 | Nadere voorschriften risico-inventarisatie en -evaluatie, beoordelen en meten | ||
1 | In het kader van de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de wet, worden de lawaainiveaus waaraan de werknemers zijn blootgesteld, beoordeeld en, indien nodig, gemeten teneinde te bepalen waar en in welke mate werknemers aan de in artikel 6.8 vastgestelde niveaus van schadelijk lawaai kunnen worden blootgesteld. | € 450 | |
2 | De beoordeling en de meting worden, in aanvulling op artikel 5 van de wet, volgens een schriftelijk vastgelegd tijdschema periodiek uitgevoerd door de deskundigen, genoemd in artikel 13 van de wet, of de deskundigen of arbodiensten, genoemd in de artikelen 14 en 14a van de wet, en in ieder geval opnieuw uitgevoerd, indien de omstandigheden ingrijpend zijn gewijzigd, er redenen zijn om aan te nemen dat de uitgevoerde beoordeling of meting onjuist is of wanneer de resultaten van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek, bedoeld in artikel 6.10, eerste tot en met derde lid, dit nodig maken. Bij de beoordeling van de meetresultaten wordt rekening gehouden met de meetonzekerheden, die zijn vastgesteld volgens de bij het meten gangbare praktijk. | € 450 | |
3 | De bij de meting gebruikte methoden en apparaten zijn op de desbetreffende omstandigheden afgestemd. Met name wordt daarbij gelet op de kenmerken van het te meten lawaai, de duur van de blootstelling, de omgevingsfactoren en de kenmerken van de meetapparatuur. De gebruikte methoden en apparaten zijn geschikt om te bepalen of de in artikel 6.8, derde, vierde, zevende, negende en tiende lid, vastgestelde niveaus van schadelijk lawaai al dan niet worden overschreden. Wanneer gebruik wordt gemaakt van steekproeven zijn die representatief voor de persoonlijke blootstelling van een werknemer. | € 450 | |
4 | Bij de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval aandacht besteed aan: a. het niveau, de aard en de duur van de blootstelling, met inbegrip van eventuele blootstelling aan impulsgeluid; b. de in artikel 6.8, derde, vierde, zevende en negende lid vastgestelde actiewaarden en de in artikel 6.8, tiende lid, vastgestelde grenswaarden voor de blootstelling; c. de mogelijke gevolgen voor de gezondheid en veiligheid van werknemers die tot bijzonder gevoelige risicogroepen behoren; d. voorzover dit technisch uitvoerbaar is, de mogelijke gevolgen voor de veiligheid en de gezondheid van werknemers van de wisselwerking tussen lawaai en werkgerelateerde ototoxische stoffen en tussen lawaai en trillingen; e. de mogelijke indirecte gevolgen voor de veiligheid en de gezondheid van werknemers van de wisselwerking tussen lawaai en waarschuwingssignalen of andere geluiden waarop dient te worden gelet teneinde het risico op ongelukken te verkleinen; f. de informatie over de lawaai-emissie die door de fabrikanten van de arbeidsmiddelen is verstrekt; g. het bestaan van alternatieve arbeidsmiddelen die ontworpen zijn om de lawaai-emissie te verminderen; h. de voortzetting van de blootstelling aan lawaai buiten normale werktijd onder verantwoordelijkheid van de werkgever; i. uit arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 6.10, eerste tot en met derde lid, verkregen relevante informatie, met inbegrip van gepubliceerde informatie, voorzover dat mogelijk is; j. de beschikbaarheid van individuele gehoorbeschermers met voldoende dempende werking. | € 450 | |
6 | De resultaten van de op grond van dit artikel uitgevoerde beoordelingen en metingen worden in passende vorm geregistreerd en bewaard, zodat latere raadpleging mogelijk is. . | € 45 | |
8 | De risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in het eerste lid, wordt adequaat gedocumenteerd en vermeldt de ingevolge de artikelen 6.8, 6.9 en 6.11 genomen maatregelen. | € 45 | |
6.8 | Maatregelen ter voorkoming of beperking van de blootstelling | ||
1 | Ter voorkoming of beperking van de blootstelling aan lawaai worden zodanige technische of organisatorische maatregelen genomen dat de risico’s van blootstelling worden weggenomen aan de bron of tot een minimum beperkt, waarbij rekening wordt gehouden met de technische vooruitgang en de beschikbaarheid van maatregelen. | € 1.800 | |
2 | Bij het voorkomen of beperken van de blootstelling, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval rekening gehouden met: a) alternatieve werkmethoden die leiden tot minder blootstelling aan lawaai; b) de keuze van de juiste arbeidsmiddelen, rekening houdend met het te verrichten werk, die zo weinig mogelijk lawaai maken, met inbegrip van de mogelijkheid om de werknemers te laten beschikken over arbeidsmiddelen die een beperking van de blootstelling aan lawaai tot doel of als gevolg hebben; c) het ontwerp en de indeling van de werkplek en de arbeidsplaats; d) een doeltreffende voorlichting en doeltreffend onderricht om de werknemers te leren hoe arbeidsmiddelen juist te gebruiken teneinde de blootstelling aan lawaai tot een minimum te beperken; e) technische maatregelen ter beperking van lawaai: i) beperking van het luchtgeluid, bijvoorbeeld door afscherming, omkasting of afdekking met geluidsabsorberend materiaal; ii) beperking van het constructiegeluid, bijvoorbeeld door demping of isolatie; f) passende onderhoudsprogramma’s voor de arbeidsmiddelen, de werkplek en de systemen op de werkplek; g) de organisatie van de werkzaamheden, met het oog op een beperking van het lawaai: i) beperking van de duur en intensiteit van de blootstelling; ii) passende werkschema’s met voldoende rustpauzes. | € 1.800 | |
3 | Als de dagelijkse blootstelling aan lawaai hoger is dan 85 dB(A) of de piekgeluidsdruk hoger is dan 140 Pa, worden op basis van de beoordeling en meting, bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, met inachtneming van de maatregelen, bedoeld in het tweede lid, in het kader van het plan van aanpak, bedoeld in artikel 5 van de wet technische of organisatorische maatregelen vastgesteld en uitgevoerd om de blootstelling tot een minimum te beperken. | € 1.800 | |
4 | Werkplekken waar de dagelijkse blootstelling aan lawaai hoger kan zijn dan 85 dB(A) of de piekgeluidsdruk hoger kan zijn dan 140 Pa, worden duidelijk aangegeven door middel van passende signaleringen en doelmatig afgebakend. Indien dit technisch uitvoerbaar is en het risico van blootstelling dit rechtvaardigt, wordt de toegang ertoe beperkt. | € 270 | |
5 | De blootstelling aan lawaai in ontspanningsruimten als bedoeld in artikel 3.20 en nachtverblijven als bedoeld in artikel 3.21 wordt beperkt tot een niveau dat verenigbaar is met de functie van de ruimten en de omstandigheden waarin zij worden gebruikt. | € 270 | |
6 | De maatregelen, bedoeld in het eerste tot en met vijfde lid, worden afgestemd op de behoeften van werknemers die behoren tot bijzonder gevoelige risicogroepen. | € 450 | |
7 | In gevallen waarin de dagelijkse blootstelling aan lawaai hoger is dan 80 dB(A) of de piekgeluidsdruk hoger is dan 112 Pa, worden aan de werknemers passende, naar behoren aangemeten, individuele gehoorbeschermers ter beschikking gesteld. De individuele gehoorbeschermers voorkomen het risico van gehoorbeschadiging of brengen dit risico tot een minimum terug. | € 1 800 | |
9 | Als de dagelijkse blootstelling aan lawaai 85 dB(A) of hoger is of de piekgeluidsdruk 140 Pa of hoger is worden de individuele gehoorbeschermers door de werknemers gebruikt. | € 900* | |
10 | De dagelijkse blootstelling aan lawaai, rekening houdend met de dempende werking van de door de werknemer gedragen individuele gehoorbeschermers, mag in geen geval hoger zijn dan 87 dB(A) of de piekgeluidsdruk mag in geen geval hoger zijn dan 200 Pa. | € 1.800 | |
11 | Als ondanks de maatregelen, bedoeld in het eerste tot en met zevende en negende lid, wordt vastgesteld dat de dagelijkse blootstelling aan lawaai, rekening houdend met de dempende werking van de door de werknemer gedragen individuele gehoorbeschermers, hoger is dan de in het tiende lid vastgestelde grenswaarden worden: a. onmiddellijk maatregelen genomen om de blootstelling terug te brengen tot een niveau beneden die grenswaarden; b. de oorzaken van de overmatige blootstelling vastgesteld en c. de maatregelen, bedoeld in het eerste tot en met zevende en negende lid, aangepast om herhaling te voorkomen. | € 1.800 | |
6.9 | Weekgemiddelde | ||
In gevallen waarin werknemers in verband met het uitvoeren van bijzondere taken moeten verblijven op een werkplek waar de dagelijkse blootstelling aan lawaai per werkdag aanmerkelijk verschilt en naleving van de verplichtingen, genoemd in artikel 6.8, derde, vierde, zevende, negende, tiende en elfde lid, redelijkerwijs niet gevergd kan worden, wordt in genoemde artikelleden in plaats van ‘de dagelijkse blootstelling aan lawaai’ gelezen ‘de wekelijkse blootstelling aan lawaai’. In dat geval bedraagt de wekelijkse blootstelling, rekening houdend met de dempende werking van de door de werknemer gedragen individuele gehoorbeschermers, niet meer dan 87 dB(A) en worden doeltreffende maatregelen genomen om het aan deze activiteiten verbonden risico tot een minimum te beperken. | € 1 800 | ||
6.10 | Audiometrisch onderzoek | ||
1 | Als uit de resultaten van de beoordeling en meting, bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, blijkt dat er voor een werknemer een gezondheidsrisico bestaat, wordt deze werknemer, in aanvulling op artikel 18 van de wet, in de gelegenheid gesteld een arbeidsgezondheidskundig onderzoek in de vorm van een audiometrisch onderzoek te ondergaan. | € 45 | |
2 | Iedere werknemer waarbij de dagelijkse blootstelling aan lawaai hoger is dan 85 dB(A) of de piekgeluidsdruk hoger is dan 140 Pa wordt in de gelegenheid gesteld om periodiek een arbeidsgezondheidskundig onderzoek in de vorm van een audiometrisch onderzoek te ondergaan. | € 45 | |
3 | Iedere werknemers waarbij de dagelijkse blootstelling aan lawaai hoger is dan 80 dB(A) of de piekgeluidsdruk hoger is dan 112 Pa wordt in de gelegenheid gesteld om periodiek een arbeidsgezondheidskundig onderzoek in de vorm van een audiometrisch onderzoek te ondergaan, indien uit de beoordeling en meting, bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, blijkt dat er een gezondheidsrisico bestaat. | € 45 | |
4 | Het audiometrische onderzoek, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid, is gericht op een vroegtijdige diagnose van een eventuele achteruitgang van het gehoor ten gevolge van lawaai en op behoud van het gehoor. | € 45 | |
5 | De deskundige persoon, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, of de arbodienst houdt van iedere werknemer die een audiometrisch onderzoek als bedoeld in het eerste tot en met derde lid, heeft ondergaan, een persoonlijk medisch dossier bij, dat een samenvatting bevat van de uitslagen van het audiometrisch onderzoek, bedoeld in het eerste tot en met derde lid. | € 45 | |
6 | De persoonlijke medische dossiers worden in een zodanige vorm bewaard dat zij later, met inachtneming van het medisch beroepsgeheim, kunnen worden geraadpleegd. | € 45 | |
7 | Iedere werknemer heeft recht op inzage in het hem betreffende medisch dossier. | € 45 | |
8 | Een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de wet ontvangt desgevraagd een exemplaar van de medische dossiers, bedoeld in het vijfde lid. | € 45 | |
6.10a | Maatregelen bij gehoorbeschadiging | ||
1 | Als bij een audiometrisch onderzoek als bedoeld in artikel 6.10, eerste tot en met derde lid, bij een werknemer een aantoonbare gehoorbeschadiging wordt vastgesteld, beoordeelt de deskundige persoon, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, of een specialist, als de deskundige persoon dat noodzakelijk acht, of de beschadiging vermoedelijk het gevolg is van blootstelling aan lawaai op het werk. | € 45 | |
2 | Als wordt vastgesteld dat de gehoorbeschadiging is veroorzaakt door blootstelling aan lawaai op het werk, dan: a. wordt de beoordeling en de meting, bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, opnieuw uitgevoerd; b. worden de maatregelen ter voorkoming of beperking van de blootstelling, bedoeld in artikel 6.8, herzien; c. wordt bij het nemen van maatregelen ter voorkoming of beperking van de blootstelling als bedoeld in artikel 6.8, met inbegrip van het toewijzen van ander werk zonder blootstellingsrisico, rekening gehouden met het advies van de deskundige persoon, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, of de daartoe aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de wet en d. wordt iedere werknemer die op soortgelijke wijze is blootgesteld in de gelegenheid gesteld tussentijds opnieuw een arbeidsgezondheidskundig onderzoek in de vorm van een audiometrisch onderzoek te ondergaan. | € 450 | |
6.11 | Voorlichting en onderricht | ||
Aan werknemers die worden blootgesteld aan een dagelijkse blootstelling aan lawaai van 80 dB(A) of hoger en een piekgeluidsdruk van 112 Pa of hoger worden doeltreffende voorlichting en doeltreffend onderricht gegeven over: a. de aard van de risico’s die voortvloeien uit blootstelling aan lawaai; b. de genomen maatregelen, bedoeld in artikel 6.8, om de risico’s, bedoeld onder a, te voorkomen of tot een minimum te beperken; c. de actiewaarden, bedoeld in artikel 6.8, derde, vierde, zevende en negende lid, en de grenswaarden, bedoeld in artikel 6.8, tiende lid; d. de resultaten van de beoordeling en meting van de lawaainiveaus waaraan de werknemers zijn blootgesteld, bedoeld in artikel 6.7, eerste en tweede lid, en een uitleg van de betekenis en mogelijk daaraan verbonden risico’s; e. het juiste gebruik van individuele gehoorbeschermers; f. hoe signalen van gehoorbeschadiging zijn op te sporen en kunnen worden gemeld; g. de omstandigheden waarin werknemers recht hebben op arbeidsgezondheidskundig onderzoek en het doel van dit onderzoek en h. veilige werkmethoden om de blootstelling aan lawaai tot een minimum te beperken. | € 270 | ||
afdeling 4 | straling | ||
6.12 | toestellen | ||
1 | Toestellen die schadelijke niet-ioniserende elektromagnetische straling kunnen uitzenden moeten van deugdelijk materiaal en constructie zijn en in goede staat verkeren. | € 1.800 | |
2 | De in het eerste lid bedoelde toestellen moeten zich in een zodanige ruimte bevinden en moeten voorts zodanig zijn opgesteld of afgeschermd, dat bij het in werking zijn daarvan gezondheidsschade zoveel mogelijk wordt voorkomen. | € 1.800 | |
3 | Indien bij het in werking zijn van een toestel als bedoeld in het eerste lid, het gevaar voor gezondheidsschade ondanks de naleving van de voorschriften, bedoeld in het eerste en tweede lid, niet of niet geheel kan worden voorkomen, moeten zodanige maatregelen worden genomen dat gezondheidsschade zoveel mogelijk wordt voorkomen. | € 1.800 | |
4 | Indien de in het derde lid bedoelde maatregelen gezondheidsschade niet of niet voldoende kunnen voorkomen, dan moeten persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking worden gesteld. | € 1.800 | |
5 | De persoonlijke beschermingsmiddelen moeten door de werknemers bij de arbeid worden gebruikt. | € 900* | |
afdeling 5 | werken onder overdruk | ||
6.14 | Geschiktheid | ||
Duikarbeid, caissonarbeid en overige arbeid onder overdruk moeten worden verricht door een persoon die in een zodanige lichamelijke en geestelijke toestand verkeert, dat hij in staat is de gevaren, die zijn verbonden aan de door hem te verrichten arbeid, te onderkennen en zo mogelijk te voorkomen of te beperken. | € 270* | ||
6.14a | Arbeidsgezondheidskundig onderzoek | ||
1 | Personen, die worden belast met het verrichten van duikarbeid, caissonarbeid en overige arbeid onder overdruk worden voor de aanvang van die arbeid onderworpen aan een arbeidsgezondheidskundig onderzoek, dat gericht is op de bijzondere gevaren voor de gezondheid, waaraan zij bij de uitoefening van die arbeid kunnen blootstaan. | € 900 | |
2 | Na een periode van ten hoogste twaalf maanden na het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt het arbeidsgezondheidskundig onderzoek herhaald en vervolgens telkens met een tussenperiode van ten hoogste twaalf maanden sinds het voorafgaande onderzoek. | € 900 | |
3 | Het arbeidsgezondheidskundig onderzoek, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt uitgevoerd door een arts, die in het bezit is van een certificaat duikerarts, dat is afgegeven door Onze Minister of een certificerende instelling. | € 900 | |
5 | Een persoon verricht slechts duikarbeid, caissonarbeid of overige arbeid onder overdruk indien uit het arbeidsgezondheidskundig onderzoek blijkt, dat het verrichten van die arbeid op medische gronden toelaatbaar is. Indien uit de uitslag van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek blijkt dat het verrichten van duikarbeid, caissonarbeid of overige arbeid onder overdruk slechts onder de daarin aangegeven beperkende voorschriften toelaatbaar is, worden deze voorschriften in acht genomen. | € 2.250 | |
6.15 | veiligheidsmaatregelen | ||
1 | Indien duikarbeid, caissonarbeid en overige arbeid onder overdruk worden verricht, is met inachtneming van de stand van de techniek en rekening houdende met de specifiek te verrichten arbeid: | € 270 | |
a) nabij de plaats waar de arbeid wordt verricht een deugdelijke schriftelijke werkinstructie aanwezig die ten minste de door de werknemers te treffen veiligheidsvoorzieningen alsmede de noodprocedures bevat. | |||
b) aan de werknemers deugdelijk materiaal dat in goede staat verkeert en voldoende ademgas van goede kwaliteit ter beschikking gesteld. | €2 250* | ||
c) nabij de plaats waar de arbeid wordt verricht een daartoe opgeleid persoon aanwezig is die de werknemers adequaat medisch begeleiden kan. | € 900* | ||
d) nabij de plaats waar de arbeid wordt verricht een adequate eerste-hulp uitrusting aanwezig. | € 2 250 | ||
2 | De opgeleide persoon als bedoeld in artikel 6.15, eerste lid onder c, kan terstond in contact treden met een arts als bedoeld in artikel 6.14a, derde lid. | € 900 | |
6.15a | Certificering duik- en caissonsystemen | ||
1 | Duik- en caissonsystemen met hun toebehoren die na te zijn vervaardigd, ingrijpend te zijn hersteld of gewijzigd, voor de eerste maal in gebruik worden genomen, worden op hun goede staat onderzocht en beproefd. | € 900 | |
2 | Voorts worden de systemen met toebehoren, bedoeld in het eerste lid, op hun goede staat onderzocht en beproefd zo dikwijls dit ter waarborging van een veilig gebruik van de systemen redelijkerwijs noodzakelijk is en in ieder geval ten minste eenmaal per jaar. | € 900 | |
3 | Onderzoekingen en beproevingen als bedoeld in het eerste en tweede lid worden uitgevoerd door Onze Minister of een certificerende instelling. | € 900 | |
6.16 | duikarbeid | ||
1 | Duikarbeid wordt verricht door een of meer duikers, bijgestaan door een reserveduiker en een ploegleider. | € 2 250* | |
2 | De reserveduiker mag alleen duikarbeid verrichten in het kader van verlenen van hulp en het redden van in moeilijkheden geraakte duikers. Bij het gebruik van een duikklok is de reserveduiker in de klok aanwezig; | € 900* | |
3 | De ploegleider is in het bezit van een certificaat duikploegleider, dat is afgegeven door Onze Minister of een certificerende instelling; | € 900* | |
5 | Een ieder die duikarbeid heeft verricht, houdt hiervan aantekening in een persoonlijk duiklogboek. In dit logboek moet in elk geval worden aangetekend:
| € 45* | |
6 | De duikers en de reserveduiker moeten in het bezit zijn van een certificaat duikarbeid met betrekking tot de soort arbeid die zij verrichten, dat is afgegeven door de minister van SZW of een certificerende instelling. | € 900* | |
7 | Indien duikarbeid wordt verricht is de persoon, bedoeld in artikel 6.15, eerste lid, onder c, in het bezit van een certificaat duikmedische begeleiding, dat is afgegeven door de minister van SZW of een certificerende instelling. | € 900* | |
8 | Het certificaat duikploegleider, het certificaat duikarbeid en het certificaat duikmedische begeleiding, bedoeld in het derde respectievelijk het zesde en zevende lid; of afschriften daarvan moeten op de arbeidsplaats aanwezig zijn en desgevraagd aan de toezichthouder worden getoond. | € 45* | |
6.17 | Melding duikarbeid | ||
1 | Duikarbeid die wordt verricht:
| € 900 | |
2 | Indien de periode tussen de opdracht tot het verrichten van duikarbeid als bedoeld in het eerste lid en de uitvoering ervan wegens het onvoorziene en spoedeisende karakter van de duikarbeid korter is dan vijf werkdagen, dan wordt de duikarbeid zo spoedig mogelijk bij de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, gemeld. | € 900 | |
3 | De schriftelijke melding, bedoeld in het eerste lid, gaat in geval van duikarbeid ten behoeve van de ondergrondse winningsindustrie of de winningsindustrie die delfstoffen wint met behulp van boringen, vergezeld van informatie over de veiligheids- en gezondheidsrisico’s van de duiklocatie. | € 45 | |
6.18 | compressiekamer duikarbeid | ||
1 | Bij de plaats waar duikarbeid in water wordt verricht op een diepte van meer dan 15 m of in een andere vloeistof onder een hogere druk dan 1,5. 105 Pa boven de atmosferische druk, is een geschikte compressiekamer, voorzien van een personen- en medicijnsluis, aanwezig. | € 2.250 | |
2 | Onverminderd het eerste lid is bij de plaats waar duikarbeid wordt verricht een compressiekamer aanwezig indien de reistijd tussen de duiklocatie en de dichtsbijzijnde behandelfaciliteit met compressiekamer meer dan 2 uur bedraagt. | € 2.250 | |
3 | De compressiekamer bedoeld in het eerste lid:
| € 2.250 | |
4 | Een compressiekamer als bedoeld in het eerste lid, moet op de juiste wijze worden gebruikt. | € 2.250* | |
6.19 | caissonarbeid | ||
1 | Caissonarbeid moet door ten minste 2 personen worden verricht. | € 2.250* | |
2 | De toezichthouder moet ten minste 30 dagen voor aanvang van caissonarbeid schriftelijk in kennis worden gesteld, onder overlegging van een deugdelijk werkplan. | € 900 | |
3 | Een caisson wordt gebouwd, geïnstalleerd, aangepast of gedemonteerd onder toezicht van een speciaal daarvoor aangewezen persoon. | € 900 | |
4 | Caissons moeten regelmatig worden geïnspecteerd door een speciaal daarvoor aangewezen persoon. | € 900 | |
6.20 | compressiekamer caissonarbeid | ||
1 | Bij de plaats waar caissonarbeid wordt verricht onder een hogere druk dan 1,5.105 Pa boven de atmosferische druk, is een geschikte compressiekamer, voorzien van een personenen medicijnsluis, aanwezig. | € 2.250 | |
2 | Onverminderd het eerste lid is bij de plaats waar caissonarbeid wordt verricht een compressiekamer aanwezig indien de reistijd tussen die plaats en de dichtstbijzijnde behandelfaciliteit met compressiekamer meer dan 2 uur bedraagt. | € 2.250 | |
3 | De compressiekamer, bedoeld in het eerste lid:
| € 2.250 | |
4 | Een compressiekamer als bedoeld in het eerste lid moet op de juiste wijze worden gebruikt. | € 2.250* | |
afdeling 5a | aanvullende voorschriften ondergrondse winningsindustrieën | ||
6.20b | Ventilatie | ||
1 | Alle normaal toegankelijke ondergrondse werkterreinen worden behoorlijk geventileerd. Door middel van een permanente ventilatie, wordt met een voldoende veiligheidsmarge, gezorgd voor een atmosfeer:
| € 2.250 | |
2 | Indien de natuurlijke ventilatie niet aan het eerste lid voldoet wordt de hoofdventilatie door een of meer mechanische ventilatoren verzorgd. Er worden maatregelen getroffen om een constante en continue ventilatie te garanderen. De onderdruk van de hoofdventilatoren wordt voortdurend gecontroleerd. Er is een automatische alarmering voor het geval de hoofdventilatoren onverwacht uitvallen. | € 2.250 | |
3 |
| € 45 | |
4 | Er wordt een plattegrond gemaakt en regelmatig bijgewerkt met alle nuttige gegevens van het ventilatiesysteem. De plattegrond is op de arbeidsplaats aanwezig en wordt desgevraagd getoond aan de toezichthouder. | € 45 | |
6.20c | Verlichting | ||
In afwijking van de artikelen 6.3 en 6.4 zijn de werkplekken voor zover mogelijk voorzien van voldoende kunstmatige verlichting voor de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers. De verlichtingsinstallaties zijn zodanig aangebracht dat het type verlichting geen ongevallenrisico voor de werknemers oplevert. | € 270 | ||
afdeling 5b | Aanvullende voorschriften winningsindustrieën met behulp van boringen | ||
6.20e | Verlichting | ||
Verlichtingsinstallaties zijn zodanig ontworpen dat operationele bedieningsruimten, vluchtwegen, inschepingszones en gevaarlijke zones gedurende de aanwezigheid van de werknemers verlicht zijn. | € 270 | ||
afdeling 6 | bijzondere sectoren en bijzondere categorieën werknemers | ||
6.30 | daglicht en kunstlicht (thuiswerkers) | ||
1 | Op de arbeidsplaats van een thuiswerker moeten de nodige voorzieningen voor een doelmatige kunstverlichting aanwezig zijn. | € 270 | |
hoofdstuk 7 | arbeidsmiddelen en specifieke werkzaamheden | ||
afdeling 2 | algemene voorschriften | ||
7.3 | geschiktheid arbeidsmiddelen | ||
1 | Bij de keuze van de arbeidsmiddelen die de werkgever overweegt ter beschikking te stellen, wordt rekening gehouden met de uit de ri&e als bedoeld inartikel 5 Arbowet 1998,gebleken: ● specifieke kenmerken van de arbeid ● omstandigheden waaronder deze worden verrichten ● op de arbeidsplaats al bestaande gevaren ● de gevaren die daaraan zouden kunnen worden toegevoegd door het gebruik van de desbetreffende arbeidsmiddelen. | € 900 | |
2 | Om te voorkomen dat het gebruik van arbeidsmiddelen gevaren voor de veiligheid en gezondheid van de werknemers oplevert, worden de arbeidsmiddelen die op de arbeidsplaats ter beschikking van de werknemers worden gesteld, uitsluitend gebruikt voor het doel, op de wijze en op de plaats waarvoor zij zijn ingericht en bestemd. | € 900 | |
3 | De arbeidsmiddelen, bedoeld in het tweede lid, moeten voorst geschikt zijn voor het uit te voeren werk of daartoe behoorlijk zijn aangepast. | € 900 | |
4 | Voor zover het redelijkerwijs niet mogelijk is de gevaren bij het gebruik van de arbeidsmiddelen te voorkomen, moeten zodanige maatregelen worden getroffen dat gevaren zoveel mogelijk worden beperkt. | € 900 | |
7.4 | deugdelijkheid arbeidsmiddelen en ongewilde gebeurtenissen | ||
1 | Een arbeidsmiddel moet uit deugdelijk materiaal bestaan. | € 2.250 | |
2 | Een arbeidsmiddel moet van deugdelijke constructie zijn. | € 2.250 | |
3 | Een arbeidsmiddel is zodanig geplaatst of ingericht dat het gevaar van verschuiven, omvallen, kantelen, oververhitting brand ontploffen, blikseminslag en directe of indirecte aanraking met elektriciteit zoveel mogelijk is voorkomen. | € 2.250 | |
4 | Het gevaar getroffen te worden door ongewild in beweging of vrijkomende voorwerpen, producten, vloeistoffen of gassen wordt voorkomen en indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperkt. Maatregelen gericht op collectieve bescherming hebben de voorrang boven maatregelen gericht op individuele bescherming. | € 2.250 | |
7.4a | keuringen | ||
1 | Een arbeidsmiddel waarvan de veiligheid afhangt van de wijze van installatie moet na de installatie en voordat het voor de eerste maal in gebruik wordt genomen, worden gekeurd op de juiste wijze van installatie en goed en veilig functioneren. | € 900 | |
2 | Een arbeidsmiddel als bedoeld in het eerste lid, moet voorts na elke montage op een nieuwe locatie of een nieuwe plek worden gekeurd op de juiste wijze van installatie en goed en veilig functioneren. | € 900 | |
3 | Een arbeidsmiddel dat onderhevig is aan invloeden die leiden tot verslechtering welke aanleiding kunnen geven tot het ontstaan van gevaarlijke situaties wordt, zo dikwijls dit ter waarborging van de goede staat noodzakelijk is, gekeurd, waarbij het zo nodig wordt beproefd. | € 900 | |
4 | Een arbeidsmiddel dat onderhevig is aan invloeden als bedoeld in het derde lid, moet worden gekeurd, waarbij het zo nodig wordt beproefd, telkens wanneer zich uitzonderlijke gebeurtenissen hebben voorgedaan die schadelijke gevolgen kunnen hebben voor de veiligheid van het arbeidsmiddel. Als uitzonderlijke gebeurtenissen worden in ieder geval aangemerkt: natuurverschijnselen, veranderingen aan het arbeidsmiddel, ongevallen met het arbeidsmiddel en langdurige buitengebruikstelling van het arbeidsmiddel. | € 900 | |
5 | Keuringen worden uitgevoerd door een deskundige natuurlijke persoon rechtspersoon of instelling. | € 900 | |
6 | Schriftelijke bewijsstukken van de uitgevoerde keuringen moeten op de arbeidsplaats aanwezig zijn en moeten desgevraagd worden getoond aan de toezichthouder. | € 45 | |
7.5 | montage, demontage, onderhoud, reparatie en reiniging van arbeidsmiddelen | ||
1 | De nodige maatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat arbeidsmiddelen tijdens de gehele gebruiksduur door toereikend onderhoud in een zodanige staat worden gehouden, dat gevaar voor de veiligheid en gezondheid van de werknemers zoveel mogelijk is voorkomen. | € 2.250 | |
2 | Onderhouds-, reparatie- en schoonmaakwerkzaamheden aan een arbeidsmiddel mogen slechts worden uitgevoerd wanneer dit is uitgeschakeld en drukloos of spanningsloos is gemaakt. Indien dit niet mogelijk is dan moeten doeltreffende maatregelen worden genomen om die werkzaamheden veilig te kunnen uitvoeren. | € 2.250* | |
3 | Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op productie- en afstelwerkzaamheden met of aan een arbeidsmiddel. | € 2.250* | |
4 | Een bij een arbeidsmiddel behorend onderhoudsboek moet goed worden bijgehouden. | € 45 | |
5 | Montage en demontage van een arbeidsmiddel vindt op veilige wijze plaats, met inachtneming van de eventuele aanwijzingen van de fabrikant. | € 2 250 | |
7.6 | deskundigheid werknemers | ||
1 | Met betrekking tot arbeidsmiddelen waarvan het gebruik een specifiek gevaar voor de veiligheid van de werknemers kan opleveren, blijft het gebruik voorbehouden aan werknemers die met het gebruik belast zijn. | € 900 | |
2 | Werknemers die belast zijn met ombouwen, onderhouden, repareren of reinigen van arbeidsmiddelen als bedoeld in het eerste lid moeten daartoe een specifieke deskundigheid en ervaring bezitten. | € 900 | |
7.7 | veiligheidsvoorzieningen in verband met bewegende delen van arbeidsmiddelen | ||
1 | Indien bewegende delen van een arbeidsmiddel gevaar opleveren, moeten zij van zodanige schermen of beveiligingsinrichtingen zijn voorzien, dat het gevaar zoveel mogelijk wordt voorkomen. | € 2250 | |
2 | De schermen of beveiligingsinrichtingen moeten stevig zijn uitgevoerd. | € 2 250 | |
3 | De schermen of beveiligingsinrichtingen mogen geen bijzondere gevaren opleveren. | € 2 250 | |
4 | De schermen of beveiligingsinrichtingen mogen met eenvoudig kunnen worden genegeerd of buiten werking worden gesteld. | € 2 250 | |
5 | De schermen of beveiligingsinrichtingen moeten op voldoende afstand van de gevaarlijke zone van het arbeidsmiddel zijn aangebracht. | € 2 250 | |
6 | De schermen of beveiligingsminrichtingen moeten het zicht op de arbeid zo min mogelijk belemmeren. | € 2 250 | |
7 | Schermen of beveiligingsinrichtmgen van arbeidsmiddelen, moeten op een zodanige wijze zijn aangebracht dat de noodzakelijke onderhouds- en reparatiewerkzaamheden op veilige wijze kunnen worden uitgevoerd. Daarbij moet zoveel mogelijk worden voorkomen dat de schermen of beveiligingsinrichtingen moeten worden gedemonteerd. | € 2250 | |
7.8 | verlichting | ||
Werk- en onderhoudspunten van een arbeidsmiddel moeten - in aanvulling op artikel 6.3 - voldoende en doelmatig zijn verlicht. | € 900 | ||
7.9 | hoge en lage temperatuur | ||
Zoveel als mogelijk moet worden voorkomen dat werknemers in de onmiddellijke nabijheid kunnen komen van een arbeidsmiddel of een onderdeel daarvan met een zeer hoge of zeer lage temperatuur. Indien dat niet mogelijk is, dan moeten doeltreffende maatregelen zijn getroffen om aanraking te voorkomen. | € 2.250 | ||
7.10 | alarmsignalen | ||
Alarmsignalen van een arbeidsmiddel moeten gemakkelijk en duidelijk waarneembaar en als zodanig goed herkenbaar zijn. Deze alarmsignalen moeten voldoen aan de algemene vereisten van veihgheids-en gezondheidssignalering als bedoeld in artikel 8.4. | € 270 | ||
7.11 | loskoppelen arbeidsmiddel | ||
1 | Een arbeidsmiddel moet over duidelijk herkenbare voorzieningen beschikken, waarmee het van zijn krachtbronnen moet kunnen worden losgekoppeld. | € 2.250 | |
2 | Het na loskoppeling opnieuw aansluiten van een arbeidsmiddel op een krachtbron mag geen gevaar opleveren voor de werknemers. | € 2.250 | |
7.11a | voorlichting | ||
1 | Een bij een arbeidsmiddel behorende gebruiksaanwijzing moet in begrijpelijke vorm ter kennis worden gebracht van de betrokken werknemers. | € 45 | |
2 | Indien het gebruik of de aanwezigheid van arbeidsmiddelen in de onmiddellijke werkomgeving gevaren voor de werknemers kunnen opleveren, moeten zij hierop worden gewezen, ook indien de werknemers van deze middelen geen rechtstreeks gebruik maken. | € 45 | |
afdeling 3 | arbeidsmiddelen met een bedieningssysteem | ||
7.13 | bedieningssystemen | ||
1 | Een bedieningssysteem van een arbeidsmiddel moet veilig zijn. | € 900 | |
2 | Een bedieningssysteem van een arbeidsmiddel mag ook bij onopzettelijke handelingen geen gevaar opleveren voor werknemers. | € 900 | |
3 | Bij de keuze van een bedieningssysteem moet rekening worden gehouden met defecten, storingen en belastingen die bij het gebruik kunnen worden verwacht. | € 900 | |
4 | Een bedieningssysteem moet duidelijk zichtbaar en herkenbaar zijn en is daartoe waar nodig, op passende wijze van functionele aanduidingen voorzien. | € 900 | |
5 | Een bedieningssysteem moet zich zoveel mogelijk buiten de gevaarlijke zone van een arbeidsmiddel bevinden. | € 900 | |
6 | De plaats van het bedieningssysteem van een arbeidsmiddel mag geen extra gevaren opleveren voor werknemers. | € 900 | |
7 | Indien een arbeidsmiddel in werking kan worden gesteld of kan worden gestopt op een plaats waar dat arbeidsmiddel met geheel kan worden gezien, dan moet om de betrokken werknemers te beschermen, telkens tijdig voor het inwerkingstellen of stoppen van dat arbeidsmiddel een signaal worden gegeven dat voldoet aan de algemene vereisten van veiligheids- en gezondheidssignalering als bedoeld in artikel 8.4. | € 900* | |
7.14 | in werking stellen van arbeidsmiddelen | ||
1 | Een arbeidsmiddel mag uitsluitend in werking worden gesteld door een opzettelijk verrichte handeling met een daarvoor bestemd bedieningssysteem. | € 2.250 | |
7.15 | stopzetten van arbeidsmiddelen | ||
1 | Een arbeidsmiddel kan op veilige wijze worden stopgezet met een daarvoor bestemd bedieningssysteem. Een bedieningssysteem stopt naar gelang het gevaar hetzij het gehele arbeidsmiddel hetzij onderdelen daarvan, zodanig dat het arbeidsmiddel in een veilige toestand is. | € 2.250 | |
2 | Wanneer een arbeidsmiddel of onderdelen daarvan zijn stopgezet, moet de energietoevoer naar het arbeidsmiddel of de onderdelen daarvan die het gevaar veroorzaken zijn onderbroken. | € 2.250 | |
3 | De opdracht tot het stopzetten van een arbeidsmiddel of een onderdeel daarvan kan niet worden opgeheven door een opdracht tot starten ervan. | € 2.250 | |
7.16 | noodstopvoorziening | ||
Een arbeidsmiddel moet beschikken over een noodstopvoorziening, indien dit met het oog op de gevaren van dat arbeidsmiddel en de normale tijd die nodig is om dat arbeidsmiddel stop te zetten noodzakelijk is. | € 2.250 | ||
afdeling 4 | aanvullende voorschriften specifieke arbeidsmiddelen en werkzaamheden | ||
7.17a | uitrusting mobiele arbeidsmiddelen | ||
(dit gehele artikel is tot 5 december 2002 niet van toepassing op mobiele arbeidsmiddelen die reeds op 5 december 1998 ter beschikking stonden van de werknemers.) | |||
1 | Mobiele arbeidsmiddelen waarop een of meer personen kunnen worden vervoerd, moeten zodanig zijn uitgerust dat het gevaar voor deze personen tijdens het vervoer zoveel mogelijk wordt beperkt. | € 2250 | |
2 | Mobiele arbeidsmiddelen, met uitzondering van heftrucks, waarmee een of meer personen kunnen worden vervoerd, moeten zodanig zijn uitgerust dat onder de feitelijke gebruiksomstandigheden de gevaren als gevolg van het kantelen of omvallen van het mobiele arbeidsmiddel zoveel mogelijk worden beperkt door: a) een beschermingsconstructie die verhindert dat het mobiele arbeidsmiddel zich meer dan een kwartslag kan bewegen of b) een constructie die ervoor zorgt dat er rond de te vervoeren personen voldoende vrije ruimte voorhanden is, wanneer het mobiele arbeidsmiddel zich meer dan een kwartslag kan bewegen, of c) andere voorzieningen met een gelijk veiligheidsniveau | € 2.250 | |
4 | Indien het gevaar bestaat dat de te vervoeren personen bij kanteling of omslaan bekneld kunnen raken tussen de delen van het mobiele arbeidsmiddel en de grond, dan moet een systeem zijn geïnstalleerd waarmee zij kunnen worden tegengehouden. | € 2.250 | |
5 | Heftrucks waarmee een of meer personen kunnen worden vervoerd, zijn zodanig uitgerust, dat het gevaar van kantelen of de gevolgen daarvan zoveel mogelijk worden beperkt door: a) een bestuurderscabine, of b) een inrichting die verhindert dat de heftruck kantelt, of c) een inrichting die ervoor zorgt dat, indien de heftruck kantelt, er voor de te vervoeren personen voldoende vrije ruimte is tussen de grond en bepaalde delen van de heftruck, of d) een inrichting op elke zitplaats van de heftruck, waarmee de op de truck aanwezige personen zich op de zitplaats kunnen vastzetten, of e) andere voorzieningen met een gelijk veiligheidsniveau. | € 2.250 | |
6 | Indien het onverhoeds blokkeren van onderdelen voor de energieoverbrenging tussen het mobiele arbeidsmiddel en zijn hulpstukken of aanhangers specifieke gevaren kan opleveren, dan moet het arbeidsmiddel uitgerust zijn met een voorziening die deze blokkering verhindert. | ||
Indien een dergelijke blokkering niet kan worden verhinderd, moeten zodanige maatregelen zijn genomen dat de gevaren zoveel mogelijk worden beperkt. | € 2.250 | ||
7 | Mobiele arbeidsmiddelen moeten zijn voorzien van middelen voor de bevestiging van onderdelen voor de energieoverbrenging, wanneer deze onderdelen vervuild of beschadigd kunnen raken doordat zij over de grond slepen. | € 900 | |
7.17b | uitrusting mobiele arbeidsmiddelen met eigen aandrijving | ||
(dit artikel is - met uitzondering van het tweede lid onder b en g) - tot 5 december 2002 niet van toepassing op mobiele arbeidsmiddelen die reeds op 5 december 1998 ter beschikking stonden van de werknemers.) | |||
2 | Mobiele arbeidsmiddelen moeten zijn uitgerust met: | ||
a) voorzieningen om te vermijden dat zij door onbevoegden in werking kunnen worden gesteld. | € 900 | ||
b) een inrichting die automatisch verhindert dat het mobiele arbeidsmiddel, indien dit middel elektrisch wordt aangedreven onverhoeds in beweging kan komen wanneer de bestuurder het middel verlaat of heeft verlaten. | € 900 | ||
c) doeltreffende voorzieningen ter beperking van de gevolgen van een eventuele botsing, indien verschillende op rails rijdende arbeidsmiddelen tegelijkertijd worden verplaatst. | € 2.250 | ||
d) een rem- en stopvoorziening. | € 2.250 | ||
e) een nood voorziening, voorzover die om veiligheidsredenen noodzakelijk is welke voorziening bij het uitvallen van het hoofdsysteem van de rem- en stopvoorziening het mobiele arbeidsmiddel door gemakkelijk toegankelijke besturingsorganen of door automatische systemen het mobiele arbeidsmiddel kan afremmen en tot stilstand brengen. | € 2.250 | ||
f) doeltreffende hulpmiddelen die toereikend zicht voor de bestuurder mogelijk maken indien het directe gezichtsveld van hem ontoereikend is om de veiligheid van personen te waarborgen. | € 2.250 | ||
g) deugdelijke voorzieningen waarmee signalen kunnen worden gegeven die voldoen aan algemene vereisten van veiligheids- en gezondheidssignalering als bedoeld in artikel 8.4. | € 900 | ||
3 | Indien mobiele arbeidsmiddelen's nachts of op donkere plaatsen worden gebruikt zijn zij voorzien van een verlichtingsinstallatie die is aangepast aan het uit te voeren werk en die de werknemers voldoende veiligheid biedt. | € 900 | |
4 | Indien mobiele arbeidsmiddelen, hun aanhangers, of ladingen brandgevaar voor personen kunnen opleveren, zijn zij voorzien van doeltreffende brandbestrijdingsmiddelen, tenzij de arbeidsplaats hiermee op voldoende korte afstand van deze arbeidsmiddelen, hun aanhangers of ladingen is uitgerust. | € 450 | |
5 | Indien mobiele arbeidsmiddelen op afstand worden bediend, komen zij automatisch tot stilstand wanneer zij het controlegebied verlaten. | € 2.250 | |
6 | Indien mobiele arbeidsmiddelen op afstand worden bediend en onder normale gebruiksomstandigheden werknemers kunnen aan- of klemrijden, zijn zij uitgerust met voorzieningen die bescherming tegen deze gevaren bieden, tenzij er andere geschikte voorzieningen aanwezig zijn om het gevaar van aanrijdingen te beperken. | € 2.250 | |
7.17c | gebruik mobiele arbeidsmiddelen | ||
1 | Mobiele arbeidsmiddelen met een eigen aandrijving worden bediend door werknemers die daartoe een specifieke deskundigheid beschikken. | € 900 | |
2 | Het meerijden van werknemers op mobiele arbeidsmiddelen met eigen aandrijving is slechts toegestaan op speciaal daartoe ingerichte veilige plaatsen. | € 2.250* | |
3 | Indien tijdens de verplaatsing van een arbeidsmiddel als bedoeld in het tweede lid, werkzaamheden worden uitgevoerd wordt de snelheid van het arbeidsmiddel zo nodig aangepast. | € 2.250* | |
4 | Met een mobiel arbeidsmiddel worden niet meer personen en wordt niet meer gewicht aan goederen tegelijk vervoerd dan een veilig gebruik toelaat. | € 2.250* | |
5 | Indien een mobiel arbeidsmiddel zich binnen een werkzone waar werknemers zich kunnen bevinden, beweegt worden doeltreffende verkeersregels vastgesteld. | € 450 | |
6 | Doeltreffende organisatorische maatregelen worden genomen om te voorkomen dat zich werknemers bevinden in de werkzone van mobiele arbeidsmiddelen met eigen aandrijving. | € 450 | |
7 | Indien voor de goede uitvoering van de werkzaamheden de aanwezigheid van werknemers in een werkzone als bedoeld in het zesde lid, is vereist, worden doeltreffende maatregelen genomen om te voorkomen dat zij door het mobiele arbeidsmiddel gewond raken. | € 450 | |
8 | Met een verbrandingsmotor uitgeruste mobiele arbeidsmiddelen worden op de arbeidsplaats niet gebruikt, tenzij is gezorgd voor voldoende schone lucht. | € 2.250* | |
9 | Een mobiel arbeidsmiddel wordt niet eerder door de bestuurder worden verlaten dan nadat is voorkomen dat het onverhoeds in beweging komt. | € 900* | |
7.17d | personentransport over water | ||
Bij transport van werknemers over water worden doeltreffende maatregelen getroffen om de veiligheid van deze werknemers te waarborgen. | € 900 | ||
7.18 | Hijs- en hefwerktuigen | ||
(het vierde en vijfde lid van dit artikel zijn tot 5 december 2002 niet van toepassing op mobiele arbeidsmiddelen die reeds op 5 december 1998 ter beschikking stonden van de werknemers.) | |||
1 | Een hijs- of hefwerktuig is op of nabij de bedieningsplaats voorzien van een goed leesbare aanduiding die voor elke gebruikelijke configuratie van dat werktuig de toegelaten bedrijfslast vermeldt. | € 270 | |
2 | Een hijs- of hefwerktuig wordt, behalve ten behoeve van beproeving, met zwaarder belast dan de toegelaten bedrijfslast of bedrijfslasten noch zwaarder dan een veilig gebruik toelaat. | € 2.250* | |
3 | hijs- en hefwerktuigen worden bediend door personen die daartoe een specifieke deskundigheid bezitten. | € 900 | |
4 | Een hijs- of hefwerktuig dat niet is bestemd of ingericht voor het hijsen of heffen van personen en waarbij de kans aanwezig is op foutief gebruik, wordt voorzien van een goed leesbare waarschuwing tegen personenvervoer. | € 270 | |
5 | hijs- of hefwerktuigen worden zodanig opgesteld dat het gevaar wordt beperkt dat de lasten de werknemers raken, dan wel ongewild op gevaarlijke wijze uit hun baan of in een vrije val raken of losraken. | € 2.250* | |
6 | Doeltreffende maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat werknemers zich niet ophouden onder hangende lasten. | € 2.250* | |
7 | Hangende lasten worden met verplaatst boven niet beschermde werkplekken waar zich in de regel werknemers bevinden. | € 2.250* | |
8 | Indien bij toepassing van de maatregelen als bedoeld in artikel 7.18, zesde en zevende lid, het goede verloop van de werkzaamheden niet kan worden gegarandeerd, worden passende procedures vastgesteld en toegepast om de veiligheid van de betrokken werknemers te waarborgen. | € 900* | |
7.18a | hijs- en hefwerktuigen voor niet-geleide lasten | ||
2 | Wanneer twee of meer hijs- en hefwerktuigen zodanig op een werkplek worden geïnstalleerd of gemonteerd dat hun werkgebieden elkaar overlappen, worden doeltreffende maatregelen genomen om botsingen tussen de lasten of delen van deze werktuigen te voorkomen. | € 2.250* | |
3 | Bij het gebruik van een mobiel hijs- of hefwerktuig worden doeltreffende maatregelen genomen om te vermijden dat het werktuig kantelt, ongewild in beweging komt of wegglijdt. | € 2.250* | |
4 | Er wordt op toegezien dat maatregelen, bedoeld in het derde lid, naar behoren worden uitgevoerd. | € 900 | |
5 | Wanneer de bediener van een hijs- of hefwerktuig noch rechtstreeks noch door middel van informatieverstrekkende hulpmiddelen de volledige baan van de last kan volgen, wordt een werknemer aangewezen die met de bediener in verbinding staat om hem te leiden. | € 900 | |
6 | Voorts worden verdere organisatorische maatregelen genomen om ongewilde botsingen van de last te voorkomen. | € 900 | |
7 | Wanneer lasten met de hand worden vast- of losgemaakt, zijn de werkzaamheden zodanig georganiseerd dat de werknemer deze handelingen veilig kan verrichten en hierover direct of indirect controle behoudt. | € 900 | |
8 | Alle handelingen voor het hijsen of heffen worden correct gepland teneinde de veiligheid van de werknemers te garanderen. | € 135 | |
9 | De handelingen, bedoeld in het achtste lid, worden onder doeltreffend toezicht uitgevoerd. | € 900 | |
10 | Met name indien een last gelijktijdig wordt gehesen of geheven door twee of meer hijs- of hefwerktuigen, wordt een procedure vastgesteld en toegepast om een goede coördinatie van de handelingen van de bedieners te waarborgen. | € 270* | |
11 | Indien hijs- of hefwerktuigen bij het geheel of gedeeltelijk uitvallen van de energietoevoer de tasten met meer kunnen houden, zijn doeltreffende maatregelen genomen om te vermijden dat werknemers aan de daarmee gepaard gaande gevaren worden blootgesteld. | € 2.250 | |
12 | Op lasten, bedoeld in het elfde lid, wordt voortdurend toezicht gehouden, tenzij: ● de toegang tot de gevarenzone wordt verhinderd en ● de lasten volkomen veilig zijn vastgemaakt en worden vastgehouden. | € 900 | |
13 | In de open lucht gebruikte hijs-en hefwerktuigen worden stilgelegd zodra de weersomstandigheden zodanig verslechteren dat de bedrijfsveiligheid in gevaar komt en de werknemers aan gevaren worden blootgesteld. In dit geval worden doeltreffende beschermingsmaatregelen genomen, in het bijzonder om te verhinderen dat het hijs- of hefwerktuig kantelt. | € 2250* | |
7.18b | hijs- en hefwerktuigen voor personen | ||
(dit gehele artikel is tot 5 december 2002 niet van toepassing op mobiele arbeidsmiddelen die reeds op 5 december 1998 ter beschikking stonden van de werknemers.) | |||
1 | In aanvulling op de artikelen 7.18 en 7.18a, moeten hijs- en hefwerktuigen, die zijn bestemd en ingericht voor het hijsen of heffen van personen, met zodanige voorzieningen zijn uitgerust dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat: a) het hijs- of hef platform voor personen naar beneden valt b) personen van dit platform vallen c) een persoon, die van het hijs- of hefwerktuig gebruik maakt, wordt verpletterd, beklemd raakt of wordt aangestoten, in het bijzonder als gevolg van een onopzettelijk contact met een voorwerp. | € 2.250 | |
2 | Een hijs- of hefwerktuig als bedoeld in het eerste lid, heeft voorts een zodanige voorziening, dat bij een mankement aan het werktuig de veiligheid van personen die zich op het hijs- of hefplatform voor personen bevinden, zoveel mogelijk is gewaarborgd en dat hun bevrijding mogelijk is. | € 2.250 | |
3 | Indien het gevaar, bedoeld in het eerste lid, onder a, om redenen in verband met de terreinomstandigheden en het hoogteverschil met behulp van een veiligheidsvoorziening kan worden vermeden, dan moet in de ophanging van het platform een geschikte kabel, ketting of een andere voorziening met een verhoogde veiligheidscoëfficiënt worden toegepast. | € 2.250 | |
4 | In het geval, bedoeld in het derde lid, moet de goede staat van de in de ophanging toegepaste kabel, ketting of andere voorziening elke werkdag worden gecontroleerd. | € 900 | |
7.20 | hijs- en hefgereedschap | ||
1 | Hijs- en hefgereedschap moet worden gekozen op grond van te hanteren lasten, de aanslagpunten, de haakvoorziening en de weersomstandigheden, daarbij rekening houdend met de wijze van aanslaan van de last en het te gebruiken hijs- of hefwerktuig. | € 2250 | |
2 | Hijs- en hefgereedschap, anders dan touwwerk of staalkabels, moet zijn voorzien van een goed leesbare aanduiding die de werklast vermeldt. | € 270 | |
3 | Samengesteld hijs- en hefgereedschap moet duidelijk zijn gemarkeerd om de gebruiker in staat te stellen de kenmerken ervan te kennen. | € 270 | |
4 | Hijs- en hefgereedschap mag, behalve ten behoeve van beproeving, met zwaarder worden belast dan de werklast of dan een veilig gebruik toelaat. | € 2.250* | |
5 | Hijs- en hefgereedschap moet zodanig zijn opgeslagen dat het met kan worden beschadigd of aangetast. | € 900 | |
6 | Hijs- en hefgereedschap moet, ten minste eenmaal per jaar, door een deskundige natuurlijke persoon, rechtspersoon of instelling op zijn goede staat worden onderzocht waarbij het zo nodig beproefd. Deze persoon of instelling moet over de daarvoor benodigde uitrusting beschikken. | € 900 | |
7 | In aanvulling op het zesde lid moet kettingwerk, afhankelijk van de materiaalsoort, zo dikwijls als voor een veilig gebruik nodig is, aan een voor het betrokken materiaal geschikte warmtebehandeling worden onderworpen. | € 900 | |
8 | De warmtebehandeling, bedoeld in het zevende lid, moet worden uitgevoerd door een deskundige natuurlijke persoon, rechtspersoon of instelling die beschikt over de daarvoor benodigde uitrusting. | € 900 | |
9 | Bewijsstukken van onderzoeken, beproevingen en warmte behandelingen van hijs- en hefgereedschap als bedoeld in artikel 7.20, zesde en zevende lid, moeten op de arbeidsplaats aanwezig zijn en moeten desgevraagd worden getoond aan de toezichthouder. | € 45 | |
7.21 | Werkzaamheden in liftschachten | ||
1 | Indien zich in een schacht twee of meer liften bevinden, dan moeten afdoende technische maatregelen worden genomen teneinde te voorkomen dat personen bij werkzaamheden in de schacht aan een van de liften, getroffen kunnen worden door onderdelen van een naastliggende lift. | € 2.250* | |
2 | Indien geen afdoende technische maatregelen kunnen worden genomen, teneinde te voorkomen dat personen bij werkzaamheden in de schacht aan een van de liften, getroffen kunnen worden door onderdelen van een naastliggende lift, dan moet de naastliggende lift worden stilgezet. | € 2.250 | |
7.22 | Vervoer van personen in werkbakken | ||
1 | Met een hijs- of hefwerktuigen dat uitsluitend is bestemd en ingericht voor het vervoer van goederen, mogen in plaats van of tezamen met goederen geen personen worden vervoerd. | € 2.250* | |
2 | Het eerste lid is niet van toepassing op het vervoer van personen met behulp van een werkbak ten behoeve van het vanuit die werkbak verrichten van incidentele werkzaamheden van korte duur op moeilijk bereikbare plaatsen, indien toepassing van andere meer geëigende middelen om die plaatsen te bereiken grotere gevaren zou meebrengen dan het vervoer van personen met behulp van een werkbak als vorenbedoeld, of de toepassing van zodanige middelen redelijkerwijs niet kan worden gevergd.. | * | |
3 | In geval van toepassing van het tweede lid, gelden de volgende voorschriften: a) de werkbak, bedoeld in het tweede lid, moet zodanig zijn vervaardigd, ingericht, toegerust, bevestigd en in een zodanige staat van onderhoud verkeren, alsmede zodanig worden gebruikt dat gevaar voor veiligheid en gezondheid van de werknemers zoveel mogelijk wordt voorkomen of beperkt; b) het hijs- of hefwerktuig moet voldoende zijn toegerust om in combinatie met een werkbak te kunnen worden gebruikt; c) de bedieningsplaats van een hijs- of hefwerktuig moet permanent zijn bemand; d) de werknemers die met een hijs- of hefwerktuig worden gehesen of geheven moeten over een doeltreffend communicatiemiddel beschikken; e) er moeten doeltreffende voorzieningen zijn getroffen om de werknemers bij gevaar te kunnen evacueren. | * | |
Voor het ten laste leggen van één of meer van deze onderdelen, wordt het boetenormbedrag bij het eerste lid gehanteerd (€ 2.250,–). | |||
7.24 | Toegang tot het schip | ||
1 | In aanvulling op artikel 3.2 is de toegang tot een ruim van een schip of dek uitsluitend toegestaan door een vaste trap of, indien dit niet mogelijk is, door een vaste ladder of klampen of voetopeningen van geschikte afmetingen, van voldoende sterkte en van behoorlijke constructie dan wel door andere deugdelijke toegangsmiddelen. | € 900* | |
2 | Indien het redelijkerwijs mogelijk is, moeten de toegangsmiddelen als bedoeld in artikel 7.24, eerste lid, tot een ruim van een schip of dek gescheiden zijn van luikopeningen. | € 900 | |
7.25 | Luiken | ||
1 | Luiken die met behulp van hijs-of hefwerktuigen worden geplaatst of verwijderd, moeten zijn uitgerust met goed toegankelijke en geschikte bevestigingen voor het vastmaken van hijsgereedschap. | € 900 | |
2 | Indien luiken niet onderling verwisselbaar zijn, dan moeten zij duidelijk zijn gemerkt om aan te geven tot welke ruimopening alsmede op welke plaats zij behoren. | € 270 | |
3 | Motorisch of hydraulisch bediende luiken en overige motorisch of hydraulisch aangedreven scheepsuitrusting mogen uitsluitend worden geplaatst of verwijderd door een daartoe bevoegd persoon. | € 900 | |
4 | De in het derde lid bedoelde luiken en scheepsuitrusting mogen uitsluitend worden geplaatst of verwijderd indien dit op veilige wijze kan gebeuren. | € 900 | |
5 | Luikopeningen die niet zijn uitgerust met een doelmatig luikhoofd, moeten worden gesloten dan wel anderszins worden beveiligd zodra de laad- en loswerkzaamheden zijn beëindigd. | € 900 | |
6 | Luiken mogen niet worden geplaatst of verwijderd als er in het ruim onder de luikopening wordt gewerkt. | € 2.250* | |
7 | Luiken die met afdoende tegen verplaatsing zijn geborgd, moeten worden verwijderd voordat met laad- en loswerkzaamheden wordt begonnen. | € 900 | |
7.26 | Verwerken van goederen of materialen | ||
1 | Het opslaan of overslaan, laden of lossen, stuwen of anderszins verwerken van goederen of materialen op de kade, in loodsen of in het schip moet op veilige en ordelijke wijze geschieden, rekening houdend met de aard van die goederen of materialen en de verpakking daarvan. | € 2250 | |
2 | Tijdens het opslaan of overslaan, laden of lossen, stuwen of anderszins verwerken van goederen of materialen op de kade, in loodsen of in het schip, mogen lasten met worden opgelicht of neergelaten tenzij zij op veilige wijze aan het hijs- of hefwerktuig zijn aangeslagen of anderszins zijn bevestigd. | € 2.250 | |
7.27 | Tuigplannen en bind- of hijsmiddelen | ||
1 | Voor het veilig tuigen van laadbomen en het bijbehorende gerei moeten aan boord van het schip tuigplannen en alle daarop betrekking hebbende gegevens aanwezig zijn. De tuigplannen moeten desgevraagd worden getoond aan de toezichthouder. | € 45 | |
2 | Voor eenmalig gebruik bestemde bind- of hijsmiddelen mogen niet opnieuw worden gebruikt. | € 2.250 | |
7.28 | Containers | ||
Tijdens het laden en lossen van containers moeten deugdelijke middelen aanwezig zijn die de veiligheid van de werknemers bij het aanbrengen of verwijderen van de sjorringen van de containers waarborgen. | € 900 | ||
7.29 | Hijs- en hefwerktuigen en hijs- en hefgereedschappen aan boord vanschepen | ||
2 | Hijs- en hefwerktuigen met inbegrip van de daarbij behorende hulpstukken, onderdelen, bevestigingspunten, verankeringen en steunen, en hijs- en hefgereedschappen op schepen, moeten voordat zij voor de eerste maal in gebruik worden genomen, doelmatig worden beproefd en op goede staat worden onderzocht. | € 900 | |
3 | Werktuigen en gereedschappen als bedoeld in het tweede lid, moeten na elke belangrijke wijziging of herstelling die van invloed kan zijn op de veiligheid, doelmatig worden beproefd en op hun goede staat onderzocht. | € 900 | |
4 | Werktuigen en gereedschappen als bedoeld in het tweede lid, moeten, afhankelijk van de feitelijke belasting, regelmatig doch in ieder geval ten minste eenmaal per 5 jaar doelmatig worden beproefd en op hun goede staat worden onderzocht. | € 900 | |
5 | Hijs- en hefwerktuigen en hijs- en hefgereedschappen op schepen moeten, afhankelijk van feitelijke belasting, regelmatig doch in ieder geval ten minste eenmaal per jaar op hun goede staat worden onderzocht. | € 900 | |
6 | Hijs- en hefgereedschappen op schepen moeten afhankelijk van het gebruik regelmatig op hun goede staat worden gecontroleerd. | € 900 | |
7 | Beproevingen en onderzoeken als bedoeld in het tweede tot en met het vierde lid, moeten worden uitgevoerd door de minister van SZW of een certificerende instelling. | € 450 | |
8 | Onderzoeken en controles als bedoeld in het vijfde en zesde lid, moeten worden uitgevoerd door een deskundige natuurlijke persoon, een rechtspersoon of instelling. | € 450 | |
10 | Aan boord van ieder schip moet een register van hijs- en hefwerktuigen en hijs- en hefgereedschappen worden bijgehouden volgens een bij ministeriële regeling vastgesteld model, waarin de op grond van het artikel 7.29, negende lid afgegeven certificaten van beproeving en onderzoek moeten worden opgenomen. Het register moet desgevraagd worden getoond aan de toezichthouder. In het register moet worden opgenomen: a) de bedrijfslast of bedrijfslasten van de hijs- en hefwerktuigen b) de werklast van de hijs- en hefgereedschappen c) de tijdstippen en het resultaat van de in artikel 7.29. tweede tot en met vijfde lid, bedoelde beproevingen en onderzoeken d) de tijdstippen en het resultaat van de in artikel 7.29, zesde lid, bedoelde controles, indien bij de desbetreffende controles een defect is geconstateerd. | € 45 | |
7.30 | gewichtsaanduiding op zware voorwerpen | ||
1 | Stukken of voorwerpen die ten minste 1.000 kilogram bruto wegen en die met een schip worden vervoerd, moeten aan de buitenzijde op een duidelijke en duurzame wijze zijn voorzien van een aanduiding van het gewicht van die stukken of voorwerpen. | € 270 | |
afdeling 5 | aanvullende voorschriften voor bouwplaatsen | ||
7.32 | bedienen van torenkranen, mobiele kranen en funderingsmachines | ||
1 | Een torenkraan, mobiele kraan of funderingsmachine die behoort tot een bij ministeriële regeling omschreven categorie, mag slechts worden bediend door een persoon die:
| € 900* 1) | |
2 | Het certificaat van vakbekwaamheid als bedoeld in het eerste lid, of een afschrift daarvan moet op de arbeidsplaats aanwezig zijn en desgevraagd worden getoond aan de toezichthouder. | € 45* | |
7.33 | ladders en trappen | ||
1 | Ladders en trappen moeten voldoende sterk en stijf zijn. | € 2.250 | |
2 | Ladders en trappen moeten stabiel zijn opgesteld en zo nodig zijn vastgezet en van een voldoende lengte zijn om in alle standen waarin zij worden gebruikt, een stevige steun voor handen en voeten te bieden. | € 2.250 | |
7.34 | steigers | ||
1 | Het opbouwen, wijzigen en afbreken van steigers moet onder toezicht van een terzake deskundig persoon plaatsvinden. | € 900 | |
2 | De veiligheid van de constructie van een steiger moet regelmatig door een ter zake deskundig persoon worden gecontroleerd, doch in ieder geval:
| € 900 | |
3 | Een steiger mag niet worden overbelast. Lasten moeten zo gelijkmatig mogelijk over een steiger worden verdeeld. | € 2.250 | |
4 | Verrijdbare steigers moeten zijn beveiligd tegen ongewilde verplaatsingen. | € 2.250 | |
7.35 | grondverzet- en materiaalverladingsmachines | ||
1 | Bestuurders en bedieners van grondverzet- en materiaalverladingsmachines moeten een daartoe specifieke deskundigheid bezitten. | € 900 | |
2 | Om te voorkomen dat grondverzet- en materiaalverladingsmachines ongewild in uitgravingen of in het water terechtkomen moeten doeltreffende maatregelen worden getroffen. | € 900 | |
afdeling 5a | aanvullende voorschriften winningsindustrieën in dagbouw, ondergronds of met behulp van boringen | ||
7.36b | Arbeidsmiddelen | ||
1 | Bij de keuze, de installatie, de ingebruikneming, de werking en het onderhoud van werktuigbouwkundige en elektrotechnische apparatuur wordt rekening gehouden met de veiligheid en gezondheid van de werknemers. | € 900 | |
2 | Wanneer de apparatuur zich bevindt in een zone waar brand- of explosiegevaar als gevolg van de ontbranding van gassen, dampen of vluchtige vloeistoffen bestaat of kan bestaan, is zij aangepast aan gebruik in een dergelijke zone. Indien nodig wordt zij voorzien van afdoende beschermingsmiddelen en systemen ter beveiliging bij defecten. | € 900 | |
3 | De mechanische apparatuur en installaties bezitten de nodige sterkte, zijn vrij van zichtbare gebreken en geschikt voor het gebruik waarvoor zij zijn bestemd. De elektrotechnische apparatuur en installaties hebben de nodige kracht en vermogen voor het gebruik waarvoor zij zijn bestemd. | € 900 | |
4 | Er wordt een doelmatig plan opgesteld voor het systematisch inspecteren, het onderhouden en, in voorkomend geval, het beproeven van de apparatuur en installaties. | € 225 | |
Onderhoud, inspectie en beproeving van enig onderdeel van de apparatuur en installaties wordt uitgevoerd door een daartoe aangewezen deskundig persoon. Bij dit onderdeel wordt een boetenormbedrag opgenomen van € 900. Er worden doelmatige inspectie- en beproevingsrapporten opgesteld en naar behoren bijgehouden. | € 45 | ||
5 | In aanvulling op artikel 7.16 zijn hijs- en hefwerktuigen die in de winningsindustrie met behulp van boringen worden gebruikt, voorzien van een doelmatige inrichting, waardoor het dalen van de last te allen tijde kan worden stopgezet, zo nodig de snelheid van het dalen kan worden geregeld en onverhoeds dalen van de last wordt belet. | € 2.250 | |
afdeling 6 | bijzondere sectoren en bijzondere categorieën werknemers | ||
7.39 | deskundig toezicht (jeugdigen) | ||
Jeugdige werknemers die:
mogen deze arbeid slechts verrichten indien het deskundig toezicht zodanig is georganiseerd dat de gevaren die aan deze werkzaamheden zijn verbonden kunnen worden voorkomen. Indien dat niet mogelijk mogen deze werkzaamheden niet door jeugdige werknemers worden verricht. | € 1 350 | ||
7.41 | arbeidsmiddelen (thuiswerkers) | ||
1 | De voor thuiswerk benodigde arbeidsmiddelen moeten zijn voorzien van een doelmatige afscherming voorzover zij gevaar voor personen opleveren. | € 2.250 | |
2 | De voor thuiswerk benodigde arbeidsmiddelen met een bedieningssysteem moeten, zo dicht mogelijk bij de plaats van de persoon die het arbeidsmiddel bedient, voorzien zijn van een zodanige inrichting dat dit arbeidsmiddel afzonderlijk, veilig en met zekerheid kan worden stilgezet en met dan opzettelijk weer in beweging kan worden gebracht. | € 2.250 | |
3 | De bij thuiswerk benodigde arbeidsmiddelen moeten op de juiste wijze worden onderhouden en zo nodig gerepareerd. | € 900 | |
7.42 | elektrische apparatuur thuiswerkers | ||
1 | Aan de bij thuiswerk benodigde arbeidsmiddelen met een bedieningssysteem welke gevaren van elektrische aard met zich brengen, moeten doeltreffende beveiligingen zijn aangebracht, waarvan de werking zoveel mogelijk onafhankelijk is van degene die dat arbeidsmiddel bedient. | € 900 | |
2 | Indien het in verband met de thuiswerkzaamheden noodzakelijk is dat elektrische apparatuur moet worden aangesloten of anderszins leidingen of kabels moeten worden aangelegd, dan moet dit op de juiste wijze gebeuren opdat daarvan door de thuiswerker veilig gebruik kan worden gemaakt. | € 900 | |
hoofdstuk 8 | persoonlijke beschermingsmiddelen en veiligheids- en gezondheidssignalering | ||
afdeling 1 | persoonlijke beschermingsmiddelen | ||
8.1 | algemene vereisten persoonlijk beschermingsmiddel | ||
1 | Een door de werkgever aan de werknemer ter beschikking gesteld persoonlijk beschermingsmiddel, is in overeenstemming met de betreffende bepalingen inzake ontwerp en constructie op het gebied van de veiligheid en gezondheid, bedoeld in het Warenwetbesluit persoonlijke beschermingsmiddelen. Dit uitsluitend voorzover bedoeld persoonlijk beschermingsmiddel onder het toepassingsgebied van genoemd besluit valt. | € 45 | |
2 | In alle gevallen moet een persoonlijk beschermingsmiddel:
| € 450 | |
3 | Indien verschillende gevaren het tegelijkertijd dragen van meer dan één persoonlijk beschermingsmiddel noodzakelijk maken, zijn deze persoonlijke beschermingsmiddelen op elkaar afgestemd en blijven zij doelmatig tegen het betreffende gevaar of de betreffende gevaren. | € 450 | |
4 | De keuze van het persoonlijk beschermingsmiddel en de wijze waarop dit gebruikt moet worden, met name wat betreft de duur van het dragen, worden bepaald afhankelijk van:
Voor dit feit kan een werknemer uitsluitend worden beboet voor het niet gebruiken van de ter beschikking gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen. | ||
5 | Een persoonlijk beschermingsmiddel is in beginsel bestemd voor gebruik door één persoon. Indien de omstandigheden vereisen dat een persoonlijk beschermingsmiddel door meer dan één persoon gebruikt wordt, worden doeltreffende maatregelen genomen, opdat een dergelijk gebruik geen gezondheids- of hygiëneproblemen oplevert voor de onderscheiden gebruikers. Voor dit feit kan een werknemer worden beboet voor het niet gebruiken of niet zindelijk houden van de ter beschikking gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen. | € 450* | |
6 | Om het bepaalde in artikel 8.1, tweede, derde en vierde lid, te kunnen toepassen, zijn adequate gegevens over ieder persoonlijk beschermingsmiddel in het bedrijf of de inrichting beschikbaar en worden zonodig doorgegeven. | € 45 | |
7 | Persoonlijke beschermingsmiddelen worden slechts voor de beoogde doeleinden gebruikt. | € 450* | |
8 | Persoonlijke beschermingsmiddelen worden overeenkomstig de gebruiksaanwijzing gebruikt. | € 450* | |
8.2 | keuze persoonlijk beschermingsmiddel | ||
Alvorens een persoonlijk beschermingsmiddel te kiezen, maakt de werkgever in het kader van de ri&e als bedoeld in artikel 5 Arbowet 1998,een beoordeling van de uitrusting die hij voornemens is ter beschikking te stellen, teneinde na te gaan in hoeverre deze voldoet aan de in artikel 8.1 eerste, tweede en derde lid, gestelde voorwaarden. Deze beoordeling omvat:
| € 225 | ||
8.3 | beschikbaarheid en gebruik persoonlijke beschermingsmiddelen | ||
1 | Indien gevaar voor de veiligheid en gezondheid van een werknemer op de arbeidsplaats aanwezig is of kan ontstaan, zijn voor de werknemers die aan dat gevaar blootstaan of kunnen blootstaan persoonlijke beschermingsmiddelen in voldoende aantal beschikbaar. Voor dit feit kan een werknemer uitsluitend worden beboet voor het niet gebruiken van de ter beschikking gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen. | € 450 | |
2 | In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, wordt ervoor gezorgd dat de werknemers ter beschikking gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen dragen. | € 450 | |
3 | Persoonlijke beschermingsmiddelen worden onderhouden, gerepareerd en zindelijk gehouden. Voor dit feit kan een werknemer uitsluitend worden beboet voor het niet zindelijk houden van de ter beschikking gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen. | € 450* | |
4 | Ten behoeve van het goed functioneren van persoonlijke beschermingsmiddelen vinden de noodzakelijke vervangingen daarvan plaats. | € 450 | |
afdeling 2 | veiligheids- en gezondheidssignalering | ||
8.4 | algemene vereisten veiligheids- en gezondheidssignalering | ||
1 | Ter voorkoming of beperking van gevaren voor de veiligheid en gezondheid van werknemers, moet de werkgever ervoor zorgen dat, indien de gevaren op de arbeidsplaats of de gevaren van een arbeidsmiddel daartoe aanleiding geven, doeltreffende veiligheids- of gezondheidssignalering aanwezig is. | € 270 | |
hoofdstuk 9 | verplichtingen, strafbare feiten, beboetbare feiten, bestuursrechtelijke bepalingen en overgangs- en slotbepalingen | ||
afdeling 4 | overgangs- en slotbepalingen | ||
9.36 | trekkerarbeid jeugdigen op openbare weg | ||
1 | Jeugdigen die arbeid verrichten bestaande in het op de openbare weg besturen van trekkers en het in rechtstreeks verband daarmee aan- of afkoppelen van aanhangwagens of werktuigen, moeten in aanvulling op artikel 7.39 onder a. in het bezit zijn van een certificaat van vakbekwaamheid, dat is afgegeven door een door de minister van SZW daartoe aangewezen instelling. | € 9002) |
artikel | lid | beboetbare feiten | boete normbedrag |
hoofdstuk 3 | bouwproces en winningsindustrieën met behulp van boringen | ||
Paragraaf 3.2 | winningsindustrieën met behulp van boringen | ||
3.4 | Vastlegging veiligheids- en gezondheidszorgsysteem | ||
1 | Het veiligheids- en gezondheidszorgsysteem wordt schriftelijk vastgelegd. | € 900 | |
2 | In de beschrijving van het veiligheids- en gezondheidszorgsysteem wordt aangegeven wat de onderdelen van dit systeem inhouden en hoe de samenhang is tussen deze onderdelen. | € 225 | |
3.5 | Doorlichting veiligheidsen gezondheidszorgsysteem | ||
1 | Het veiligheids- en gezondheidszorgsysteem wordt regelmatig doorgelicht op basis van internationaal erkende normen voor het doorlichten van zorgsystemen. | € 225 | |
2 | De aard en de frequentie van de doorlichting wordt zodanig gekozen dat de doeltreffendheid van het veiligheids- en gezondheidszorgsysteem telkens na een periode van drie jaar kan worden bepaald. | € 225 | |
3.11 | Toezenden gegevens | ||
1 | Het voorontwerprapport, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, onder a, wordt voorafgaand aan de aanvraag om een vergunning, bedoeld in de artikelen 8.1 van de Wet milieubeheer en 40 van de Mijnbouwwet, in tweevoud toegezonden aan de toezichthouder. | € 900 | |
2 | Het gedetailleerd ontwerp, opstarten en gebruik, bedoeld in artikel 3.8, eerste en tweede lid, wordt acht weken voor het in gebruik nemen van een mijnbouwwerk in tweevoud toegezonden aan de toezichthouder. | € 900 | |
3 | Het addendum gebruik, bedoeld in artikel 3.8, eerste en tweede lid, wordt voor de eerste maal vijf jaar na toezending van het gedetailleerd ontwerp, opstarten en gebruik en vervolgens eenmaal in de vijf jaar in tweevoud toegezonden aan de toezichthouder. | € 450 | |
4 | Het addendum grote wijzigingen, bedoeld in artikel 3.8, eerste en tweede lid, wordt acht weken voor de aanvang van het aanbrengen van de wijzigingen in tweevoud toegezonden aan de toezichthouder. | € 450 | |
5 | Het addendum verlaten en verwijderen, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, wordt acht weken voor het verlaten van een mijnbouwwerk of het verwijderen van een vast opgestelde mijnbouwinstallatie in tweevoud toegezonden aan de toezichthouder. | € 450 | |
3.12 | Toezenden van het veiligheids- en gezondheidsdocument voor werkzaamheden | ||
1 | Het veiligheids- en gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 3.7, wordt vier weken voor de aanvang van de werkzaamheden in tweevoud toegezonden aan de toezichthouder. | € 900 | |
2 | Dit veiligheids- en gezondheidsdocument gaat vergezeld van het werkprogramma, bedoeld in artikel 74 van het Mijnbouwbesluit indien het de volgende werkzaamheden betreft:
| ||
Voor het ten laste leggen van een of meer van deze onderdelen wordt het boetenormbedrag bij het eerste lid gehanteerd (€ 900). | |||
3 | In afwijking van het eerste lid wordt de informatie, bedoeld in artikel 3.9, onderdeel c, op verzoek van de toezichthouder, in tweevoud aan hem toegezonden. | € 900 | |
3.13 | Naleving veiligheids- en gezondheidsdocument | ||
1 | De werkgever die verantwoordelijk is voor het mijnbouwwerk, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, gaat na of het veiligheids- en gezondheidsdocument, met uitzondering van het voorontwerprapport, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, onder a, wordt nageleefd. | € 900 | |
2 | De werkgever die verantwoordelijk is voor het mijnbouwwerk, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, beoordeelt regelmatig en systematisch de naleving en de doeltreffendheid van het veiligheids- en gezondheidsdocument. | € 900 | |
3 | Indien de resultaten van de beoordeling, bedoeld in het tweede lid, daartoe aanleiding geven, herziet de werkgever die verantwoordelijk is voor de arbeidsplaats het veiligheidsen gezondheidsdocument. De herziene delen van het veiligheids- en gezondheidsdocument worden, alvorens het gewijzigde veiligheids- en gezondheidsdocument wordt uitgevoerd, in tweevoud toegezonden aan de toezichthouder. | € 225 | |
hoofdstuk 4 | gevaarlijke stoffen | ||
paragraaf 4.1 | veiligheid aan op of in tankschepen | ||
4.3 | veiligheidsmaatregelen gevaarlijke stoffen tankschepen | ||
Indien zich bij of als gevolg van het verrichten van de werkzaamheden, bedoeld inartikel 4.7, eerste lid, Arbobesluit (tankschepen) gevaarlijke gassen concentreren en deze door onvoldoende luchtbeweging met snel genoeg worden verdund of afgevoerd, worden maatregelen getroffen om deze concentraties te beperken. Indien dit met in voldoende mate mogelijk is, worden de tankdeksels gesloten en de desbetreffende werkzaamheden gestaakt. | € 2.250 | ||
4.4 | schoonmaken | ||
1 | Alvorens werknemers de schoon te maken ruimten betreden, is vastgesteld dat zulks zonder gevaar voor de veiligheid en gezondheid kan geschieden. | € 2.250 | |
2 | Een schoon te maken ruimte mag met worden betreden zolang als gevolg van werkzaamheden in een aangrenzende ruimte de temperatuur van de schotten aanmerkelijk hoger kan worden dan de omgevingstemperatuur. | € 2.250 | |
3 | Een schoon te maken ruimte mag met worden betreden zolang in een aangrenzende ruimte een explosief mengsel aanwezig is en deze ruimte niet is gesloten. | € 2.250 | |
4 | Tijdens het schoonmaken worden aan dek en in de ladingzone geen andere werkzaamheden verricht dan die welke verband houden met het schoonmaken. | € 900 | |
4.5 | onderzoek | ||
Tijdens het schoonmaken wordt zo dikwijls als dit nodig is, onderzocht of als gevolg van vrijkomende vloeistoffen, gassen of dampen gevaar voor brand, ontploffing, bedwelming, verstikking of vergiftiging ontstaat. | € 900 | ||
4.6 | voorkomen gevaren | ||
1 | Het schoonmaken van K1-, K3- en KT-ruimten is erop gericht de concentratie van gassen en dampen onder de onderste explosiegrens te houden of op veilige wijze tot onder die grens terug te brengen. Indien tijdens het schoonmaken een gassamenstelling optreedt, welke gevaar oplevert voor een ontploffing, wordt de duur van deze toestand zo kort mogelijk gehouden. Indien het schoonmaken geschiedt met gebruikmaking van inert gas, wordt dit op zodanige wijze uitgevoerd, dat een ontplofbaar mengsel niet kan ontstaan. | € 2.250 | |
2 | Het schoonmaken van K1-, K3-, KT- en T-ruimten moet zo worden uitgevoerd, dat binnen en buiten die ruimten naar redelijke verwachting geen gevaar voor bedwelming, verstikking of vergiftiging kan ontstaan. Indien het schoonmaken geschiedt met gebruikmaking van inert gas, wordt dit op zodanige wijze uitgevoerd, dat een ontplofbaar mengsel niet kan optreden. | € 2.250 | |
4.7 | veiligheidsvoorwaarden | ||
1 | Het schoonmaken van K1-, K3- of KT-ruimten aan boord van K1-, K3-, KT-schepen geschiedt slechts indien binnen een afstand van 25 meter van de ladingzone geen vuur aanwezig is noch naar redelijke verwachting vuur kan ontstaan. | € 2.250 | |
2 | Het schoonmaken van K1-, K3-of KT-ruimten aan boord van K1-, K3-, KT-schepen geschiedt slechts indien binnen een afstand van 25 meter van de ladingzone er geen gevaar is van vonkvorming of ontstekingsgevaar door elektrostatische ladingen. | € 2250 | |
3 | Het schoonmaken van K1-, K3- of KT-ruimten aan boord van K1-, K3-, KT-schepen geschiedt slechts indien binnen een afstand van 25 meter van de ladingzone niet gerookt wordt. | € 2.250 | |
4 | Het schoonmaken van K1-, K3-of KT-ruimten aan boord van K1-, K3-, KT-schepen geschiedt slechts indien binnen een afstand van 25 meter van de ladingzone er geen onbevoegden kunnen komen. | € 2.250 | |
5 | De landingstanks in de gehele landingszone van K1-, K3-en KT-schepen worden niet geopend dan nadat aan lid 1 t/m 4 van artikel 4.7 wordt voldaan. | € 2.250 | |
6 | De landingstanks in de gehele landingszone van T-schepen worden niet geopend dan nadat aan het vierde lid van artikel 4.7 wordt voldaan. | € 2.250 | |
4.9 | onderhouden, verbouwen, herstellen en slopen | ||
1 | Het onderhouden, verbouwen, herstellen en slopen van K1-, K3-, KT- of T-schepen vindt slechts plaats nadat een onderzoek, uitgevoerd overeenkomstig de bij artikel 4.10 gestelde regels heeft plaatsgevonden en in verband met dit onderzoek een volledig en correct ingevulde veiligheids- en gezondheidsverklaring is uitgereikt aan de werkgever die de onderhouds-, herstellings-, verbouwings- of sloopwerkzaamheden zal uitvoeren. | € 900 2) | |
2 | Het onderhouden, verbouwen, herstellen en slopen van K1-, K3-, KT- of T-schepen vindt voorts slechts plaats voor zover die werkzaamheden en de ruimten waarin deze worden uitgevoerd, zijn vermeld in de in artikel 4.9, eerste lid, bedoelde veiligheids- en gezondheidsverklaring als zijnde toegestaan. | € 900 2) | |
3 | Een veiligheids- en gezondheidsverklaring als bedoeld in het eerste lid van artikel 4.9 wordt bij een gasdeskundige aangevraagd. | € 900 | |
4.11 | werken met vuur zonder veiligheids- en gezondheidsverklaring | ||
Werk met vuur boven dan wel in een deel van de ladingzone aan een K1- of KT-schip dat met veilig voor vuur is, als bedoeld in artikel 4.10, derde lid, onder c, en waarbij in afwijking van artikel 4.9 met de daartoe vereiste veiligheids- en gezondheidsverklaring is uitgereikt is alleen dan toegestaan indien:
| € 2.250 | ||
4.12 | werken met vuur zonder veiligheids- en gezondheidsverklaring, binnen 25 meter van de ladingzone | ||
1 | Binnen 25 meter van de ladingzone op een K1- of KT-schip dat met veilig voor vuur is als bedoeld in artikel 4.10, derde lid onder c en waarvoor, in afwijking van artikel 4.9 met de daartoe vereiste veiligheids- en gezondheidsverklaring is uitgereikt, is de aanwezigheid van vuur alleen dan toegestaan indien door een gasdeskundige voor de aanvang van de werkzaamheden een verklaring is afgegeven waaruit blijkt dat de ladingzone veilig voor mensen is als bedoeld in artikel 4.10 derde lid onder b. | € 2.250 | |
2 | Binnen 25 meter van de ladingzone op een K1- of KT-schip dat met veilig voor vuur is als bedoeld in artikel 4.10, derde lid onder c en waarvoor, in afwijking van artikel 4.9 niet de daartoe vereiste veiligheids- en gezondheidsverklaring is uitgereikt is de aanwezigheid van vuur alleen dan toegestaan indien:
| € 2.250 | |
4.13 | melding werkzaamheden | ||
Indien de situaties, bedoeld in de artikelen 4.11 en 4.12 zich voordoen ontvangt de toezichthouder voor de aanvang van de werkzaamheden een volledig en juist ingevuld meldingsformulier volgens het in bijlage IVB bij de Arboregeling vastgestelde model. | € 900 | ||
paragraaf 4.4 | wettelijke grenswaarden | ||
4.19 | gevaarlijke stoffen | ||
2 | De resultaten van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid Arbobesluit worden voor elke stof waarvoor een wettelijk grenswaarde is vastgesteld, getoetst aan die grenswaarde. De toetsing vindt plaats volgens een voor dat doel geschikte genormaliseerde methode. | € 450 | |
4.20 | kankerverwekkende en mutagene stoffen | ||
2 | De resultaten van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van het besluit, worden voor elke stof waarvoor een wettelijke grenswaarde is vastgesteld, getoetst aan die grenswaarde. De toetsing vindt plaats volgens een voor dat doel geschikte genormaliseerde methode. | € 450 | |
4.20a | meetfrequentie en analyse van lood in de lucht | ||
1 | In het kader van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, van het besluit wordt de concentratie van lood in de lucht om de drie maanden gemeten. Er kan worden volstaan met éénmaal per jaar meten, indien er geen verandering in de werkmethoden en de omstandigheden van de blootstelling plaatsvindt, en
| € 450 | |
2 | De bepaling van de concentratie van lood in de lucht, zoals bedoeld in het eerste lid, geschiedt met behulp van de atomaire arbsorptiespectrometrie of een andere analysemethode, die gelijkwaardige resultaten oplevert. | € 450 | |
4.20b | controle van lood in het bloed | ||
1 | In het kader van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, van het besluit worden de werknemers ten minste tweemaal per jaar in de gelegenheid gesteld tot het meten van het loodgehalte in het bloed. | € 450 | |
3 | Het loodgehalte in het bloed als bedoeld in artikel 4.10b, tweede lid, van het besluit wordt gemeten met behulp van de atomaire absorptiespectrometrie of een andere gelijkwaardige methode. | € 450 | |
4 | De resultaten van de meting, bedoeld in het eerste lid, worden getoetst aan de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.19a. De toetsing vindt plaats volgens een voor dat doel geschikte genormaliseerde methode. | € 450 | |
5 | Het arbeidsgezondheidskundig onderzoek, bedoeld in artikel 4.10b, eerste lid, onder c, van het besluit, wordt de werknemers ten minste éénmaal per jaar aangeboden. | € 450 | |
paragraaf 4.5 | meetmethodes asbest | ||
4.22 | monsterneming | ||
Monsters worden genomen uit de individuele ademzone van de werknemers dat wil zeggen binnen een halve bol met een straal van 300 millimeter frontaal voor het gezicht en gemeten vanaf het midden van een lijn, die de oren verbindt. | € 450 | ||
4.23 | te gebruiken materialen | ||
Bij monsterneming wordt gebruik gemaakt van:
| € 450 | ||
4.24 | vezeltelling | ||
1 | De voor de vezeltelling te gebruiken binoculaire microscoop heeft de volgende kenmerken:
| € 450 | |
2 | De microscoop wordt aan het begin van de dag van gebruik opgesteld volgens de voorschriften van de fabrikant, waarbij de waarnemingsgrens wordt gecontroleerd aan de hand van een fase-contrast-proefplaatje. De codes op de AIA-proef-glaasjes of op de blokken op het HSE/NLP/Mark 2 proefglaasje zijn bij gebruik volgens de door de fabrikant aangegeven wijze zichtbaar tot aan code 5 respectievelijk blok 5. | € 450 | |
4.25 | voorschriften bij telling | ||
Telling van de vezels op het filter bedoeld in artikel 4.24, vindt plaats volgens de onderstaande voorschriften:
| € 450 | ||
4.26 | berekening | ||
1 | Het gemiddelde aantal vezels per graticulezone wordt berekend door het aantal getelde vezels te delen door het aantal onderzochte graticulezones. De bijdrage tot het tellen als gevolg van vlekken op het filter en verontreiniging wordt beneden 3 vezels per 100 graticulezones gehouden en wordt gemeten met behulp van blancofilters. | € 450 | |
2 | De concentratie van vezels in de lucht is (het gemiddeld aantal vezels per graticulezone x de gehele blootgestelde zone van het filter)/(graticulezone x doorgeleid luchtvolume). | € 450 | |
paragraaf 4.7 | bijzondere voorschriften asbest | ||
4.30 | uitzonderingen slopen | ||
7 | De volgende werkzaamheden, vinden plaats volgens een deugdelijke werkmethode, gebaseerd op een doeltreffende beoordeling van het blootstellingsniveau en beheersmaatregelen die blootstelling zoveel mogelijk voorkomen:
| € 2.250 | |
hoofdstuk 5 | beeldschermarbeid | ||
5.1 | apparatuur en meubilair | ||
Apparatuur en meubilair, in gebruik bij het verrichten van beeldschermwerk, voldoen aan ergonomische eisen, waarbij in ieder geval in acht wordt genomen dat: a) de tekens op het beeldscherm voldoende scherp, duidelijk van vorm en voldoende groot zijn, met voldoende afstand tussen de tekens en de regels. | € 45 | ||
b) het beeld op het scherm stabiel is. | € 45 | ||
c) de luminantie van of het contrast tussen de tekens en de achtergrond gemakkelijk door de gebruiker is bij te stellen. | € 45 | ||
d) het beeldscherm vrij te plaatsen en gemakkelijk verstelbaar en kantelbaar is. | € 45 | ||
e) het beeldscherm vrij is van voor de gebruiker hinderlijke glans en spiegelingen. | € 45 | ||
f) het toetsenbord hellend kan worden geplaatst en geen geheel vormt met het beeldscherm. | € 45 | ||
g) er voor het toetsenbord voldoende ruimte is voor handen en armen van de gebruiker. | € 45 | ||
h) het toetsenbord een mat oppervlak heeft. | € 45 | ||
i) de indeling van het toetsenbord en de vorm van de toetsen zijn gericht op vergemakkelijking van het gebruik. | € 45 | ||
j) de symbolen op de toetsen voldoende contrastrijk zijn en vanuit een normale werkhouding voldoende leesbaar. | € 45 | ||
k) de werktafel of het werkvlak een comfortabele houding van de gebruiker mogelijk maakt en een reflectiearm oppervlak heeft, voldoende groot is en een flexibele opstelling van beeldscherm, toetsenbord, documenten en accessoires mogelijk maakt. | € 45 | ||
i) een voor het werk noodzakelijke documenthouder stabiel en regelbaar is, en zodanig geplaatst dat oncomfortabele hoofd- en oogbewegingen tot een minimum zijn beperkt. | € 45 | ||
5.2 | inrichting van de werkplek | ||
De omgeving waarin het beeldschermwerk wordt verricht en de inrichting van de werkplek voldoen aan ergonomische eisen, waarbij in ieder geval in acht wordt genomen dat: | |||
a) de verlichting van de werkruimte zorgt voor voldoende licht en een passend contrast tussen beeldscherm en omgeving, rekening houdende met de aard van het werk en de visuele behoeften van de gebruiker. | € 45 | ||
b) mogelijke verblinding en hinderlijke reflecties op de werkplek worden vermeden. | € 45 | ||
c) er geen directe verblinding en hinderlijke reflecties op het beeldscherm optreden. | € 45 | ||
d) de ramen zijn uitgerust met passende instelbare helderheidswering om de intensiteit van het licht dat op de werkplek valt te verminderen. | € 45 | ||
e) het geluid dat de apparatuur voortbrengt geen verstoring van de aandacht en het gesproken woord veroorzaakt. | € 45 | ||
f) de apparatuur geen voor de werknemers hinderlijke warmte voortbrengt. | € 45 | ||
g) de vochtigheidsgraad steeds toereikend is. | € 45 | ||
5.3 | programmatuur | ||
De programmatuur die wordt gebruikt bij het verrichten van beeldschermwerk voldoet aan ergonomische eisen, waarbij in ieder geval in acht wordt genomen dat: | |||
a) de programmatuur is aangepast aan de te verrichten taak. | € 45 | ||
b) de programmatuur gemakkelijk te gebruiken en aan te passen is aan het kennis- en ervaringsniveau van de gebruiker. | € 45 | ||
c) er zonder medeweten van de gebruiker geen gebruik wordt gemaakt van een kwantitatief of kwalitatief controlemechanisme. | € 45 | ||
d) de systemen de gebruiker gegevens verschaffen over de werking ervan. | € 45 | ||
e) de systemen de informatie zichtbaar maken in een vorm en een tempo die zijn aangepast aan de gebruiker. | € 45 | ||
hoofdstuk 8 | veiligheids- en gezondheidssignalering | ||
8.2 | permanente signalering | ||
1 | De signalering met betrekking tot een verbod, een waarschuwing en een gebod, alsmede de signalering met betrekking tot de lokalisatie en de identificatie van reddings- of hulpmiddelen geschiedt permanent door middel van borden. | € 270 | |
2 | De signalering voor de lokalisatie en identificatie van brandbestrijdingsmateriaal geschiedt permanent door middel van borden of een veiligheidsdeur. | € 270 | |
3 | De signalering op recipiënten en leidingen geschiedt op de in artikel 8.5 voorgeschreven wijze. | € 270 | |
4 | De signalering van gevaren van stoten tegen obstakels en van vallen van personen geschiedt permanent door middel van een veiligheidskleur of borden. | € 270 | |
5 | De markering van verkeerswegen geschiedt permanent door middel van een veiligheidskleur. | € 270 | |
8.3 | occasionele signalering | ||
1 | De signalering van gevaarlijke gebeurtenissen, de oproep van personen voor een specifieke actie, alsmede de dringende evacuatie van personen geschiedt occasioneel, door middel van een lichtsignaal, een akoestisch signaal of een mondelinge mededeling. | € 270 | |
2 | Het leiden van personen die handelingen verrichten waarbij een gevaar bestaat, geschiedt occasioneel door middel van hand- of armseinen of mondelinge mededelingen. | € 270 | |
8.4 | vrije keuze van signalering | ||
3 | De doeltreffendheid van een signalering mag niet in het gedrang worden gebracht door de aanwezigheid van een andere signalering of van andere factoren die de zicht- of hoorbaarheid verstoren, een slecht ontwerp, een ontoereikend aantal, een slechte plaatsing, een slechte staat of een slechte werking van de signaleringsmiddelen of signaleringsvoorzieningen. | € 270 | |
8.5 | gebruik van kleuren | ||
Voor zover signalering geschiedt door middel van een veiligheidskleur wordt:
| € 270 | ||
8.6 | noodinstallatie | ||
Signaleringen die een energiebron behoeven, zijn voorzien van een noodinstallatie voor het geval dat deze energiebron uitvalt, behalve indien het te signaleren gevaar ophoudt te bestaan bij het uitvallen van de energie. | € 270 | ||
8.7 | controle licht- en geluidssignalen | ||
1 | De licht- en geluidssignalen zijn voor de ingebruikneming op hun goede werking en reële doeltreffendheid gecontroleerd. Die controle wordt nadien voldoende vaak herhaald. | € 270 | |
2 | Een licht- of geluidssignaal geeft bij inwerkingstelling het begin van een actie aan, de duur ervan is zo lang als de actie vereist. | € 270 | |
3 | De licht- en geluidssignalen worden na ieder gebruik onmiddellijk opnieuw in werking gesteld. | € 270 | |
8.8 | bescherming specifieke werknemers | ||
Indien de betrokken werknemers een beperkt gehoor- of gezichtsvermogen hebben, onder meer door het dragen van individuele beschermende uitrusting, dienen adequate aanvullende maatregelen of vervangingsmaatregelen te worden genomen. | € 450 | ||
8.9 | algemene eisen veiligheidsborden | ||
1 | De pictogrammen waarvan veiligheidsborden zijn voorzien, zijn zo eenvoudig mogelijk en voor het begrip overbodige details worden weggelaten. | € 270 | |
2 | De borden zijn gemaakt van materiaal met een zo groot mogelijke schokvastheid en weerbestendigheid. | € 270 | |
3 | De borden bezitten dusdanige afmetingen en kleur- en lichttechnische eigenschappen dat zij goed zichtbaar en gemakkelijk te begrijpen zijn. | € 270 | |
8.13 | aanbrengen van signalering op reservoirs | ||
De signalering bedoeld in artikel 8.12 wordt aangebracht op de zichtbare zijden in de vorm van hard materiaal, zelfklevend materiaal of verf. | € 270 | ||
8.14 | plaatsing op reservoirs | ||
1 | Indien gevaarssymbolen of gevaarsbenamingen als omschreven in de in artikel 8.12 onder a of b bedoelde richtlijnen op reservoirs en leidingen aangebracht worden, voldoen deze aanduidingen aan de artikelen 8.9, tweede lid, en 8.11. | € 270 | |
2 | De op leidingen gebruikte gevaarssymbolen en gevaarsbenamingen worden zichtbaar en voldoende herhaald aangebracht in de nabijheid van de meest gevaarlijke plaatsen, zoals kleppen en aansluitingspunten. | € 270 | |
8.15 | signalering bij opslag gevaarlijke stoffen | ||
1 | De signalering van plaatsen, lokalen of afgesloten ruimten die worden gebruikt voor de opslag van aanzienlijke hoeveelheden gevaarlijke stoffen geschiedt door een passend waarschuwingsbord als bedoeld in artikel 8.10 of door gevaarssymbolen en gevaarsbenamingen als bedoeld in artikel 8.12 tenzij, rekening houdend met artikel 8.9, derde lid, wat de afmeting betreft, de gevaarssymbolen en gevaarsbenamingen van de afzonderlijke verpakkingen of op de reservoirs ter zake volstaan. | € 270 | |
2 | De in het eerste lid bedoelde borden of gevaarssymbolen en gevaarsbenamingen worden bij de opslagruimte of op de toegangsdeur tot de opslagruimte geplaatst. | € 270 | |
8.16 | wijze van gebruik lichtsignalen | ||
Rekening houdend met de gebruiksomstandigheden veroorzaakt het door een signaal uitgezonden licht een aan de omgeving aangepast lichtcontrast dat niet tot verblinding mag leiden maar voldoende zichtbaar is. | € 270 | ||
8.17 | uniformiteit | ||
1 | Het lichtoppervlak dat een signaal uitzendt, is uniform van kleur of bevat een pictogram op een bepaalde achtergrond. | € 270 | |
2 | De uniforme kleur voldoet aan artikel 8.3. | € 270 | |
3 | Wanneer het signaal een pictogram bevat, voldoet dit aan artikel 8.10. | € 270 | |
8.18 | bijzondere lichtsignalen | ||
1 | Wanneer een voorziening een continu en een onderbroken signaal kan uitzenden wordt het onderbroken signaal gebruikt om ten opzichte van het continue signaal aan te geven dat het gaat om een situatie die een groter gevaar inhoudt of waarbij de gewenste of verplichte interventie of actie met grotere spoed moet worden uitgevoerd. | € 270 | |
2 | Wanneer een onderbroken lichtsignaal wordt gebruikt in plaats of ter completering van een geluidssignaal, is de code van het signaal identiek. | € 270 | |
3 | Een voorziening om een lichtsignaal uit te zenden in geval van groot gevaar, wordt speciaal in het oog gehouden of uitgerust met een reservelamp. | € 270 | |
8.19 | vereisten geluidssignalen | ||
1 | Een geluidssignaal:
| € 270 | |
8.10 | soorten borden | ||
1 | Verbodsborden kenmerken zich door een ronde vorm, een zwart pictogram op witte achtergrond, rode rand en balk die van links naar rechts over het pictogram loopt onder een hoek van 45º ten opzichte van de horizontale lijn, waarbij de rode kleur ten minste 35% van het oppervlak van het bord beslaat. | € 270 | |
2 | Waarschuwingsborden kenmerken zich door een driehoekige vorm, een zwart pictogram op gele achtergrond en een zwarte rand, waarbij de gele kleur ten minste 50% van het oppervlak van het bord beslaat. | € 270 | |
3 | Gebodsborden kenmerken zich door een ronde vorm wit pictogram op blauwe achtergrond, de blauwe kleur beslaat ten minste 50% van het oppervlak van net bord. | € 270 | |
4 | Reddingsborden kenmerken zich door een rechthoekige of vierkante vorm, wit pictogram op groene achtergrond waarbij de groene kleur ten minste 50% van het oppervlak van het bord beslaat. | € 270 | |
5 | Borden in verband met het brandbestrijdingsmateriaal kenmerken zich door een rechthoekige of vierkante vorm en een wit pictogram op rode achtergrond, waarbij de rode kleur ten minste 50% van het oppervlak van het bord beslaat. | € 270 | |
6 | De in bijlage XIA van de Arboregeling opgenomen borden worden gebruikt in de daarbij vermelde situaties. | € 270 | |
8.11 | plaatsing van borden | ||
1 | De borden worden, rekening houdend met eventuele obstakels, op passende hoogte en op een passende plaats ten opzichte van het gezichtsveld geïnstalleerd hetzij bij de toegang tot een zone waar een algemeen risico bestaat hetzij in de onmiddellijke nabijheid van een bepaald risico of het te signaleren object, en wel op een goed verlichte en gemakkelijk toegankelijke en zichtbare plaats. | € 270 | |
2 | bij slechte natuurlijke verlichtingsomstandigheden worden fluorescerende kleuren, reflecterende materialen of kunstlicht gebruikt. | € 270 | |
3 | Een bord wordt verwijderd zodra de situatie die de aanwezigheid ervan rechtvaardigt, niet meer bestaat. | € 270 | |
reservoirs gevaarlijke stoffen 8.12 | |||
1 | Reservoirs die gebruikt worden bij werkzaamheden met dan wel de opslag van:
| € 270 | |
2 | Het tweede lid van artikel 8.12 is niet van toepassing op reservoirs die worden gebruikt bij werkzaamheden van korte duur of die vaak wisselen van inhoud, mits er toereikende alternatieve maatregelen worden genomen, met name op het gebied van voorlichting of opleiding, die hetzelfde beschermingsniveau garanderen. | € 270 | |
2 | Wanneer een voorziening een geluidssignaal met een variabele en een vaste frequentie kan uitzenden, wordt de variabele frequentie gebruikt om ten opzichte van de vaste frequentie aan te geven dat het gaat om een situatie die een groter gevaar inhoudt of waarbij de gewenste of verplichte interventie of actie met grotere spoed moet worden uitgevoerd. | € 270 | |
3 | Het geluid van een ontruimingssignaal is continu. | € 270 | |
8.20 | algemene vereisten inzake de mondelinge mededeling | ||
1 | De mondelinge mededeling vindt plaats tussen een spreker of zender en één of meer toehoorders, en wel in de vorm van korte teksten, woordgroepen of afzonderlijke woorden, eventueel gecodeerd. | € 270 | |
2 | De mondelinge boodschappen zijn zo kort, eenvoudig en duidelijk mogelijk. | € 270 | |
3 | De mondelinge mededeling is direct door middel van gebruik van de menselijke stem of indirect door middel van de menselijke stem of spraaksynthese verspreid door een middel ad hoc. | € 270 | |
8.21 | gebruikte taal | ||
De betrokken personen kennen de gebruikte taal zodanig dat zij de boodschap correct kunnen uitspreken en begrijpen en zich al naar gelang van de boodschap op passende wijze kunnen gedragen op het vlak van de veiligheid of de gezondheid. | € 270 | ||
8.22 | algemene vereisten inzake hand- en armseinen | ||
1 | Een hand- of armsein is precies en eenvoudig en bestaat uit een breed gebaar. | € 270 | |
2 | Het gelijktijdig gebruik van beide armen verloopt symmetrisch en geeft slechts een enkel signaal weer. | € 270 | |
8.23 | seingever | ||
1 | De seingever geeft met behulp van hand- en armseinen besturingsinstructies door aan de ontvanger van de seinen. | € 270 | |
2 | De seingever wijdt zijn aandacht uitsluitend aan het geven van de besturingsinstructies en de veiligheid van de werknemers die zich in de nabijheid bevinden. | € 270 | |
3 | De seingever kan de gehele besturingsoperatie zien, zonder daarbij door de handeling gehinderd te worden. | € 270 | |
4 | Wanneer niet aan de in het derde lid, genoemde voorwaarden kan worden voldaan, worden een of meer bijkomende seingevers ingeschakeld. | € 270 | |
8.24 | ontvanger van seinen | ||
De ontvanger van de seinen zet de in uitvoering zijnde transportbeweging stil om nieuwe instructies te vragen, wanneer hij de ontvangen orders niet met de nodige veiligheidsgaranties kan uitvoeren. | € 270 | ||
8.25 | kenbaarheid seingever | ||
De seingever is makkelijk herkenbaar voor de ontvanger van de seinen. | € 270 | ||
8.26 | voorkomen onduidelijkheid seinen | ||
De in bijlage XIB van de Arboregeling opgenomen hand- en armseinen, worden gebruikt in de daarbij vermelde situaties, waarbij deze geen afbreuk doen aan het gebruik van andere van toepassing zijnde codes, met name in bepaalde bedrijvigheidssectoren, waarmee dezelfde handelingen worden aangeduid. | € 270 | ||
8.27 | signalering van obstakels en gevaarlijke plaatsen | ||
1 | De signalering van gevaar door stoten tegen obstakels, door vallende voorwerpen of personen, geschiedt door middel van geel, afgewisseld met zwart, of rood, afgewisseld met wit, binnen de bebouwde zones van het bedrijf of de inrichting waartoe de werknemer in het kader van zijn werk toegang heeft. | € 270 | |
2 | De gele en zwarte of rode en witte banden worden onder een hoek van circa 45º aangebracht en hebben ongeveer dezelfde afmetingen. | € 270 | |
8.28 | afstemming signalering op opstakel of gevaarlijke plaats | ||
De afmetingen van de signalering houden rekening met de afmeting van het gesignaleerde obstakel of de gesignaleerde gevaarlijke plaats. | € 270 | ||
8.29 | vereisten inzake markering van verkeerswegen | ||
1 | Wanneer de bescherming van de werknemers dat vereist, worden de verkeerswegen op de arbeidsplaats voor voertuigen duidelijk door doorlopende strepen met een goed zichtbare kleur aangegeven. | € 270 | |
2 | Bij het aanbrengen van de strepen wordt rekening gehouden met de nodige veiligheidsafstanden tussen de voertuigen die er kunnen rijden en elk voorwerp dat zich in de nabijheid en tussen de voetgangers en de voertuigen kan bevinden. | € 270 |
behorend bij beleidsregel 33 Arbowet 1998
Toelichting op inhoud en gebruik van de lijst
In de lijst van ernstige beboetbare feiten zijn werkzaamheden en situaties benoemd die ernstig gevaar (kunnen) opleveren voor personen.
Indien een dergelijke werkzaamheid of situatie wordt geconstateerd, dan zal in de meeste gevallen worden overgegaan tot stilleging van werk zoals bedoeld in artikel 28 van de Arbowet 1998. Volgens artikel 28 is de Arbeidsinspectie bevoegd te bevelen dat:
- –
personen niet mogen blijven in door de inspecteur aangewezen plaatsen, of dat,
- –
door de inspecteur aangewezen werkzaamheden worden gestaakt, indien naar zijn of haar redelijk oordeel dat verblijf of die werkzaamheden ernstig gevaar opleveren voor personen. Een inspecteur zal dit bevel pas intrekken als dit gevaar is weggenomen.
De formuleringen in de lijst zijn over het algemeen in een directe actieve vorm gesteld, zoals: "het werken op ..., het gebruiken van... en het blootstellen aan...
Indien de feiten zoals geformuleerd ook daadwerkelijk door een inspecteur worden geconstateerd, dan is er sprake van "heterdaad". Behalve het geven van een bevel tot stilleging, zegt de inspecteur direct een boete aan.
Treft de inspecteur situaties aan die naar zijn redelijk oordeel zouden kunnen leiden tot ernstige feiten zoals geformuleerd in de lijst, terwijl er op het moment van constateren met wordt gewerkt, dan is deze bevoegd om op basis van artikel 28 Arbowet 1998 te bevelen dat werkzaamheden met mogen worden aangevangen zolang het potentiële gevaar aanwezig is.
In dergelijke situaties wordt echter geen boete aangezegd.
Vooral de werkgever zal op het met naleven van de ernstige beboetbare feiten worden aangesproken. Indien ook werknemers een ernstig beboetbaar feit ten laste kan worden gelegd, dan is dit in de lijst aangegeven. De Arbeidsinspectie zal hier overigens zeer terughoudend mee omgaan en indien aan de orde veelal in combinatie met ook een ten laste legging aan de werkgever.
In de lijst worden eenduidige en van de situatie afhankelijke ernstige beboetbare feiten onderscheiden bij eenduidige feiten is altijd sprake van ernstig gevaar voor personen, indien een dergelijk feit in een werksituatie aan de orde is. Deze feiten kennen veelal een concrete normering In het geval van situatie afhankelijke feiten hoeft met altijd ernstig gevaar te bestaan voor personen bij overtreding van het feit op zich. De ernst van het gevaar hangt af van de aard van het werk, het proces of het type arbeidsmiddel dat wordt gebruikt. Een inspecteur zal dit ter plekke moeten vaststellen.
Bijvoorbeeld het volgende beboetbare feit uit de lijst. ‘Het onderhouden, repareren en reinigen van arbeidsmiddelen die ingeschakeld zijn en onder druk of elektrische spanning staan’. Als onderhoud aan een draaiende machine gebeurt op een plek waar pertinent geen knel-, plet- snij- of ander ernstig gevaar aan de orde is, dan is er geen sprake van een ernstig beboetbaar feit. Indien het onderhoud op een plek gebeurt waar de kans levensgroot aanwezig is dat handen subiet worden afgehakt is er sprake van ernstig gevaar en zal het werk direct worden stilgelegd en een boete worden aangezegd.
Ter bevordering van het uniform handelen van inspecteurs, geeft de Arbeidsinspectie in inspectie-projecten zo mogelijk de omstandigheden aan wanneer in een betreffende (sub)bedrijfstak sprake kan zijn van dergelijke situatie afhankelijke feiten.
In de lijst worden de situatie afhankelijke feitenonderscheiden van de andere door een T vooraan in de kantlijn. Dit uitroepteken staat voor de zinsnede ‘waarbij sprake is van ernstig gevaar voor personen’.
Ten aanzien van de feiten waar een asterisk (*) achter de tekst is geplaatst, kan ook een werknemer worden beboet, indien deze op grond van de desbetreffende bepalingen:
- a.
de ter beschikking gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen en hulpmiddelen niet overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften gebruikt en zindelijk houdt (zie artikel 9.3, eerste lid, Arbobesluit, junctoartikel 11, aanhef en onder a en b, Arbowet 1998 of
- b.
de betreffende voorschriften en verboden niet naleeft (zie artikel 9 3, tweede lid, Arbobesluit).
Het niet of onjuist gebruiken van ter beschikking gestelde noodzakelijke beveiligingen of persoonlijke beschermingsmiddelen door een werknemer, waardoor ernstig gevaar bestaat voor de werknemer zelf of voor andere personen dan de werknemer.*
! Het werken op, aan of in de nabijheid van wegen waarbij ernstig gevaar bestaat voor aanrijden.1)
(artikel 3.2, lid 1, Arbobesluit)
Het werken in gebouwen, waarvan wanden, vloeren, plafonds of installaties in zodanige staat verkeren, dat ernstig gevaar bestaat voor instorten, verschuiven, omvallen of kantelen.
(artikel 3.3, lid 1, Arbobesluit)
Het werken op plaatsen, waar ernstig gevaar bestaat voor instorten verschuiven, omvallen of kantelen van opgeslagen voorwerpen en stoffen.
(artikel 3.3, lid 2, Arbobesluit)
Het aanwezig zijn van met afgeschermde, direct aanraakbare spanningvoerende delen met een spanning hoger dan 50 volt bij wisselspanning of 120 volt bij zuivere gelijkspanning.
(artikel 3.4, lid 2, Arbobesluit)
Het verrichten van werkzaamheden aan of in de nabijheid van onder spanning staande elektrische installaties toestellen of leidingen met een spanning van hoger dan 50 volt bij wisselspanning of 120 volt bij zuivere gelijkspanning zonder het treffen van de nodige veiligheidsmaatregelen.*
(artikel 3.5, lid 3, Arbobesluit)
! Het ontbreken van doeltreffende maatregelen om het ontstaan van een explosieve atmosfeer op de arbeidsplaats te voorkomen.
(artikel 3.5d, lid 1, Arbobesluit)
! Het niet nemen van de volgende maatregelen in de hieronder aangegeven volgorde, indien het voorkomen van het ontstaan van een explosieve atmosfeer, gezien de aard van het werk, niet mogelijk is:
- a.
de ontsteking van explosieve atmosferen wordt voorkomen, waarbij rekening wordt gehouden met elektrostatische ontladingen die van werknemers of de arbeidsplaats als ladingsdrager of ladingsproducent kunnen uitgaan;
- b.
de schadelijke gevolgen van een explosie worden beperkt;
(artikel 3.5d, lid 2, Arbobesluit)
! Het ontbreken van de volgende maatregelen in de gevarenzones, bedoeld in artikel 3.5d, vijfde lid, en met betrekking tot de installaties in gebieden zonder explosiegevaar die vereist zijn voor, of bijdragen tot het explosieveilig gebruik van installaties die zich op plaatsen bevinden waar explosiegevaar heerst:
- a.
vrijkomende gassen, dampen, nevels of brandbaar stof die explosiegevaar kunnen doen ontstaan, worden op passende wijze afgevoerd en onschadelijk gemaakt;
- b.
indien een explosieve atmosfeer meerdere soorten ontvlambare of brandbare gassen, dampen, nevels of stoffen bevat, wordt bij de veiligheidsmaatregelen uitgegaan van het grootste mogelijke risico;
(artikel 3.5e, onder a. en b, Arbobesluit)
! Het in de gevarenzones niet gebruiken en toepassen van apparaten en beveiligingssystemen overeenkomstig de categorieën als bedoeld in het Warenwetbesluit explosieveilig materieel volgens de navolgende principes:
- 1º.
gevarenzone 0 of 20: categorie 1- apparatuur;
- 2º.
gevarenzone 1 of 21: categorie 1- of categorie 2-apparatuur;
- 3º.
gevarenzone 2 of 22: categorie 1-, categorie 2- of categorie 3-apparatuur;
(artikel 3.5e, onder e, Arbobesluit)
Het werken op arbeidsplaatsen waar een doeltreffende vluchtweg ontbreekt of is geblokkeerd en waarbij ernstig gevaar bestaat op brand, explosie of plotselinge blootstelling aan gevaarlijke stoffen.
(artikel 3.6, lid 1, en artikel 3.7, lid 1, Arbobesluit)
! Het werken op hoogten van meer dan 2.50 meter waarbij geen of onvoldoende voorzieningen zijn getroffen tegen vallen.
(artikel 3.16, lid 1, Arbobesluit)
N.B.! Indien het valgevaar gepaard gaat met risicoverhogende omstandigheden zoals het gevaar te vallen op of langs uitstekende delen de aanwezigheid van verkeer, het vallen in water e.d., dan kan er, afhankelijk van de toename van het risico ook bij geringere werkhoogte sprake zijn van een ernstig feit.
Het werken op hoogten van meer dan 2.50 meter waarbij geen of onvoldoende voorzieningen zijn getroffen tegen de gevolgen van vallen.
(artikel 3.16, lid 3, Arbobesluit)
Het zodanig ingericht zijn van een arbeidsplaats dat daardoor ernstig gevaar bestaat getroffen of geraakt te worden door voorwerpen, producten of onderdelen daarvan dan wel vloeistoffen of gassen, of bekneld te raken tussen voorwerpen, producten of onderdelen daarvan1).
! Het toepassen van een laadplatform dat met is afgestemd op de te vervoeren lading.
(artikel 3.18, lid 2, Arbobesluit)
Het werken op hoogten van meer dan 2.50 meter op instabiele en onvoldoende stevige werkplekken op bouwplaatsen.
(artikel 3.28, lid 1, Arbobesluit)
Het werken op een bouwplaats indien bovengrondse elektriciteitsleidingen niet omgeleid zijn of spanningsloos zijn gemaakt of, indien dit niet mogelijk is, hekken of waarschuwingsborden ontbreken.
(artikel 3.29, lid 2, Arbobesluit)
Het werken op bouwplaatsen waarbij ernstig gevaar bestaat voor personen als gevolg van beschadiging van ondergrondse elektriciteitsleidingen en -kabels.
(artikel 3.29, lid 5, Arbobesluit)
Het werken in bouwputten, tunnels, bij uitgravingen of andere ondergrondse werkzaamheden waarbij onvoldoende stut- of taludvoorzieningen zijn getroffen tegen instortings- of overstromingsgevaar.
(artikel 3.30, lid 1, Arbobesluit)
Het bij grondverzetwerkzaamheden niet op veilige afstand houden van de uitgegraven aarde, gebruikte materialen en voertuigen, waardoor werknemers ernstig gevaar lopen bedolven te worden.
(artikel 3.30, lid 2, Arbobesluit)
Onvoldoende draagkrachtige bekistingen, tijdelijke stutten of schoren op een bouwwerkplek waardoor werknemers ernstig gevaar lopen bekneld te raken of bedolven te worden.
(artikel 3.31, lid 2, Arbobesluit)
Het zonder beschermingsmaatregelen betreden van of werken in zones in de winningsindustrie in dagbouw, ondergronds, of met behulp van boringen, waar gevaar bestaat voor verstikking, bedwelming, vergiftiging, brand of explosie.
(artikel 3.34, lid 1, Arbobesluit)
Het ontbreken van twee afzonderlijke uitgangen in verbinding met de oppervlakte bij een ondergrondse ontginning.
(artikel 3.37c, lid 1, Arbobesluit)
Het niet zo spoedig mogelijk na het delven ondersteuningen aanbrengen, terwijl dit vanwege de instabiliteit van het terrein noodzakelijk is voor de veiligheid van de werknemers.
(artikel 3.37e, lid 1, Arbobesluit)
Het in een machinekamer op een mijnbouwinstallatie ontbreken van twee tegenover elkaar gelegen uitgangen met voldoende trap- of ladderverbindingen vanaf de vloer.
(artikel 3.37n, lid 2, Arbobesluit)
! Het ontbreken van maatregelen of voorzieningen bij aanwezigheid van kankerverwekkende of mutagene stoffen waarbij ernstig gevaar bestaat voor plotselinge blootstelling.
! Het ontbreken van maatregelen of voorzieningen bij aanwezigheid van gevaarlijke stoffen waardoor ernstig gevaar bestaat voor brand of explosie of gezondheidsbedreigende blootstelling aan gevaarlijke stoffen, dampen en gassen.
(artikel 4.4, lid 1, Arbobesluit)
! Onvoldoende of onjuiste maatregelen of voorzieningen bij het werken met gevaarlijke stoffen waardoor ernstig gevaar bestaat voor brand of explosie of gezondheidsbedreigende blootstelling aan gevaarlijke stoffen, dampen en gassen.
(artikel 4.4, lid 2 Arbobesluit)
! Onvoldoende of onjuiste maatregelen of voorzieningen bij het werken aan reservoirs, installaties, verpakkingen e.d. met gevaarlijke stoffen waardoor ernstig gevaar bestaat voor brand of explosie of gezondheidsbedreigende blootstelling aan gevaarlijke stoffen, dampen en gassen bestaat.
(artikel 4.4, lid 3, Arbobesluit)
Het schoonmaken, onderhouden, verbouwen, herstellen en slopen van K1-, K3-, KT- of T-schepen, zonder veiligheids- en gezondheidsverklaring van een gasdeskundige.
(artikel 4.7, lid 3 Arbobesluit)
! Het niet werken volgens een vooraf opgesteld werkplan, als bedoeld in Bijlage VB van de Arbeidsomstandighedenregeling, met betrekking tot opbouw, installeren, monteren, assembleren, danwel verwijderen na ontbranding, van professioneel vuurwerk.
(artikel 4.8a, lid 2, Arbobesluit)
Het blootstellen van werknemers aan concentraties van stoffen in de inademingslucht van meer dan twee maal de bestuurlijke MAC-waarde of wettelijke grenswaarde (vast te stellen over de blootstellingsperiode(n) waarop deze waarden betrekking hebben) of van meer dan de ceilingwaarde.
(artikel 4.9, lid 1, juncto artikel 4.8b, lid 3, Arbobesluit)
Het werken met stoffen als bedoeld in beleidsregel 4.9 -1 onder 2, 3 en 4, en beleidsregel 4.18 -1 onder 3, 4 en 5, waarbij direct contact met huid en ogen mogelijk is en kan leiden tot ernstige schade aan de gezondheid.
(artikel 4.9, lid 1, juncto artikel 4.18, lid 1, Arbobesluit)
Het blootstellen van werknemers aan concentraties van kankerverwekkende en mutagene stoffen in de inademingslucht boven de wettelijke grenswaarde.
(artikel 4.16, lid 2, Arbobesluit)
Het niet zo laag mogelijk houden van de concentratie van asbeststof in de lucht, door1):
- –
het niet verzamelen en verpakken van asbesthoudende afvalstoffen in voor asbest geschikte verpakking*,
- –
het niet spoedig verzamelen en verpakken van asbesthoudende afvalstoffen in geschikte, gesloten en gekenmerkte verpakking*, of
- –
het gebruik van elektrisch of pneumatisch aangedreven verspanende werktuigen met een toerental > 100 wentelingen per minuut of een lineaire zaagsnelheid > 25 meter per minuut bij het repareren of onderhouden van asbesthoudende producten.*
(artikel 4.45, lid 1, Arbobesluit, juncto lid 2, juncto artikel 4.54, lid 5)
Het blootstellen van werknemers aan concentraties van asbest in de inademingslucht boven de grenswaarde van 0,3 vezel per kubieke centimeter, vastgesteld, berekend of gemeten over een referentieperiode van acht uur.
(artikel 4.46, lid 1, Arbobesluit)
N.B. Bij werkzaamheden, zoals bedoeld in artikel 4.54 Arbobesluit (slopen/verwijderen/reinigen/opruimen asbest en crocidoliet), wordt uitgegaan van overschrijding van de wettelijke grenswaarde.
! Het niet verwijderen van het aanwezige asbest of crocidoliet dan wel de aanwezige asbesthoudende of crocidoliethoudende producten, voordat wordt aangevangen met het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van bouwwerken of objecten waarin asbest of asbesthoudende producten dan wel crocidoliet of crocidoliethoudende producten is of zijn verwerkt.
(artikel 4.54, lid 3, Arbobesluit)
Het niet nemen van maatregelen om de plaats van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 4.54, eerste lid, Arbobesluit, af te schermen van de overige binnenruimten alsmede van de buitenlucht.
(artikel 4.54, lid 4, Arbobesluit)
Het bij slopen en verwijderen van asbest of crocidoliet of van producten die deze stoffen bevatten, met behulp van elektrisch of pneumatisch aangedreven verspanende werktuigen met een toerental > 100 wentelingen per minuut of een lineaire zaagsnelheid > 25 meter per minuut,
- –
niet toepassen van afzuiging met filterinstallatie van dit werktuig; of
- –
het visueel waarnemen van stof in de lucht bij het toepassen van dit werktuig
(artikel 4.54, lid 5, Arbobesluit, juncto artikel 4.55a, lid 2).
Het bij slopen, verwijderen, reinigen en opruimen van asbest of crocidoliet of van producten die deze stoffen bevatten niet conform het werkplan uitvoeren van de maatregelen ter bescherming van de veiligheid en gezondheid van de betrokken werknemers.
(artikel 4.55, lid 1 en 5, Arbobesluit)
N.B. Als een werkplan ontbreekt of onvolledig is, wordt gehandhaafd op basis van de in artikel 4.55 lid 4 onder a genoemde artikelen. Overtreding daarvan wordt bij het slopen en verwijderen, reinigen en opruimen van asbest of crocidoliet of van producten die deze stoffen bevatten, altijd aangemerkt als een ernstig beboetbaar feit
Het na reiniging van de arbeidsplaats niet op de desbetreffende arbeidsplaats in een binnenruimte uitvoeren van een eindbeoordeling, waarbij de monsterneming wordt uitgevoerd door een persoon als bedoeld in artikel 4.50, lid 8, Arbobesluit, en de monsteranalyse door een laboratorium als bedoeld in artikel 4.50, lid 9, Arbobesluit.
(artikel 4.55a, lid 1, Arbobesluit)
Het bij de eindbeoordeling bedoeld in artikel 4.55a, lid 1, Arbobesluit, niet uitvoeren van een visuele inspectie gevolgd door een eindmeting, om vast te stellen of de concentratie van asbeststof en crocidolietstof in de lucht niet hoger is dan 0,01 vezel per cm3.
(artikel 4.55a, lid 2, Arbobesluit)
Het na het reinigen van de arbeidsplaats, bedoeld in artikel 4.54, lid 1, onderdeel c, Arbobesluit, en na het opruimen van stoffen of producten, bedoeld in artikel 4.54, lid 1, onderdeel d, Arbobesluit, op de desbetreffende arbeidsplaats in de buitenlucht geen visuele inspectie uitvoeren met vaststelling dat de aanwezigheid van asbest of crocidoliet niet meer visueel waarneembaar is door een bedrijf dat daartoe adequaat is toegerust.
(artikel 4.55a, lid 3, Arbobesluit)
Het blootstellen van werknemers aan concentraties van crocidolietstof in de inademingslucht boven de grenswaarde van 0,1 vezel per kubieke centimeter, vastgesteld, berekend of gemeten over een referentieperiode van acht uur.1)
(artikel 4.56, lid 2. Arbobesluit)
N.B.Bij werkzaamheden, zoals bedoeld in artikel 4.54 Arbobesluit (slopen asbest en crocidoliet), wordt uitgegaan van overschrijding van de wettelijke grenswaarde.
Het niet spoedig verzamelen en verpakken van crocidoliethoudende afvalstoffen.*
(artikel 4.56, lid 3, Arbobesluit)
Het verzamelen en verpakken van crocidoliethoudende afvalstoffen in voor crocidoliet ongeschikte verpakking.1)
(artikel 4.56, lid 3, Arbobesluit)
Het ontzanden van gietstukken, door middel van stralen, buiten de voor dat doel bestemde gesloten toestellen of ruimten.*
(artikel 4.61, lid 3, Arbobesluit)
Het bij ontzanden van gietstukken, door middel van stralen, afvoeren van afgezogen lucht naar ruimtes waar personen moeten verblijven.*
(artikel 4.61, lid 5, Arbobesluit)
Het blootstellen van werknemers aan biologische agentia waarbij ernstig gevaar bestaat voor schade aan de gezondheid.
(artikel 4.87, lid 1, Arbobesluit)
Het blootstellen van thuiswerkers aan concentraties van stoffen in de inademingslucht aan meer dan twee maal de bestuurlijke MAC-waarde of wettelijke grenswaarde (vast te stellen over de bloot-stellingsperiode(n) waarop deze waarden betrekking hebben) of aan meer dan de ceilingwaarde.
Het door thuiswerkers werken met stoffen als bedoeld in beleidsregel 4.9-1 onder 2, 3 en 4, waarbij direct contact met huid en ogen mogelijk is en kan leiden tot ernstige schade aan de gezondheid.
! Onvoldoende of onjuiste maatregelen of voorzieningen bij thuiswerk met gevaarlijke stoffen waardoor ernstig gevaar bestaat voor brand of explosie of gezondheidsbedreigende blootstelling aan gevaarlijke stoffen, dampen en gassen.
(artikel 4.115, lid 2, Arbobesluit)
! Het verrichten van werkzaamheden zonder individuele gehoorbescherming in situaties waarbij de dagelijkse blootstelling aan lawaai 85 dB(A) of hoger is, of de piekgeluidsdruk 140 Pa of hoger is.
(artikel 6.8, lid 9, Arbobesluit)
(artikel 6.23, lid 8, Arbobesluit: voorschrift voor zeeschepen en luchtvaartuigen).
! Het verrichten van werkzaamheden in situaties waarbij de dagelijkse blootstelling aan lawaai, rekening houdend met de dempende werking van de door de werknemer gedragen individuele gehoorbeschermers, hoger is dan 87 dB(A) of de piekgeluidsdruk hoger is dan 200 Pa.
(artikel 6.8, lid 10, Arbobesluit)
! Het blootstellen van werknemers aan trillingen boven de grenswaarde voor blootstelling, bedoeld in artikel 6.11 a, tweede lid, onderdeel a, en derde lid, onderdeel a Arbobesluit.
(artikel 6.11c, lid 2, Arbobesluit)
! Het niet onverwijld treffen van maatregelen om de blootstelling terug te brengen tot onder de grenswaarde voor blootstelling, bij overschrijding van de grenswaarde voor blootstelling aan trillingen, bedoeld in artikel 6.11 a, tweede lid, onderdeel a, en derde lid, onderdeel a Arbobesluit.
(artikel 6.11c, lid 3 onder a, Arbobesluit)
! Het niet onderzoeken van de oorzaak van de overschrijding bij overschrijding van de grenswaarde voor blootstelling aan trillingen, bedoeld in artikel 6.11 a, tweede lid, onderdeel a, en derde lid, onderdeel a Arbobesluit.
(artikel 6.11c, lid 3 onder b, Arbobesluit)
! Het niet aanpassen van de beschermings- en preventiemaatregelen om te voorkomen dat de grenswaarde opnieuw wordt overschreden bij overschrijding van de grenswaarde voor blootstelling aan trillingen, bedoeld in artikel 6.11 a, tweede lid, onderdeel a, en derde lid, onderdeel a Arbobesluit.
(artikel 6.11c, lid 3 onder c, Arbobesluit)
! Het verrichten van duikarbeid, caissonarbeid of overige arbeid onder overdruk zonder dat aan de beperkende voorschriften volgend uit een arbeidsgezondheidskundig onderzoek wordt voldaan.
(artikel 6.14a, lid 5, Arbobesluit)
Het niet aan werknemers ter beschikking stellen van materiaal dat in deugdelijke staat verkeert en van voldoende ademgas van goede kwaliteit.
(artikel 6.15, lid 1, Arbobesluit)
Het verrichten van duikarbeid zonder te worden bijgestaan door een reserveduiker.
(artikel 6.16, lid 1 Arbobesluit)
Het verrichten van duikwerkzaamheden op een diepte van 15 meter (of bij een druk van 1,5 maal 105 Pascal) of meer waarbij geen geschikte compressiekamer aanwezig is.
(artikel 6.18 lid 1, Arbobesluit)
Het ontbreken van een compressiekamer bij het verrichten van duikwerkzaamheden op een locatie waarbij de reistijd naar de dichtstbijzijnde behandelfaciliteit met compressiekamer meer dan twee uur bedraagt.
(artikel 6.18, lid 2, Arbobesluit)
Het door één persoon verrichten van caissonarbeid.*
(artikel 6.19, lid 1, Arbobesluit)
Het verrichten van caissonwerkzaamheden onder een druk van meer dan 1,5 maal 105 Pascal zonder een geschikte compressiekamer.
(artikel 6.20, lid 1, Arbobesluit)
Het ontbreken van een compressiekamer bij het verrichten van caissonarbeid op een locatie waarbij de reistijd naar de dichtstbijzijnde behandelfaciliteit met compressiekamer meer dan twee uur bedraagt.
(artikel 6.20, lid 2, Arbobesluit)
! Het gebruiken van arbeidsmiddelen op een andere wijze of plaats dan waarvoor zij zijn ingericht en bestemd.
(artikel 7.3, lid 2, Arbobesluit)
! Het niet of onvoldoende treffen van beschermende maatregelen bij het gebruik van een arbeidsmiddel, waardoor ernstig gevaar bestaat voor persoonlijk letsel.
(artikel 7.3, lid 4, Arbobesluit)
Het zodanig geplaatst of ingericht zijn van een arbeidsmiddel dat daardoor ernstig gevaar bestaat voor verschuiven, omvallen, kantelen, oververhitting, brand, ontploffen, blikseminslag of directe of indirecte aanraking met elektriciteit.
(artikel 7.4, lid 3, Arbobesluit)
Het zodanig geplaatst of ingericht zijn van een arbeidsmiddel dat daardoor ernstig gevaar bestaat getroffen of geraakt worden door voorwerpen, producten of onderdelen daarvan dan wel vloeistoffen of gassen, of bekneld te raken tussen voorwerpen, producten of onderdelen daarvan.
(artikel 7.4, lid 4, Arbobesluit)
! Het onderhouden, repareren en reinigen van arbeidsmiddelen die ingeschakeld zijn en onder druk of elektrische spanning staan.*
(artikel 7.5, lid 2, Arbobesluit)
! Het afstellen van arbeidsmiddelen die ingeschakeld zijn en onder druk of elektrische spanning staan.*
(artikel 7.5, lid 3, Arbobesluit)
! Het op met veilige wijze (de)monteren van arbeidsmiddelen.
(artikel 7.5, lid 5, Arbobesluit)
! Het ontbreken of onjuist toepassen van voorgeschreven beveiligingen en afschermingen, alsmede het overbruggen dan wel buiten werking stellen van noodzakelijke beveiligingen van arbeidsmiddelen.
(artikel 7.7, lid 1, Arbobesluit)
! Het kunnen aanraken van (onderdelen van) arbeidsmiddelen met een zeer hoge of lage temperatuur.
! Het loskoppelen en opnieuw aansluiten van een arbeidsmiddel van en op een krachtbron.
(artikel 7.11, lid 2, Arbobesluit)
! Het ontbreken van een noodstopvoorziening op arbeidsmiddelen waarbij dit noodzakelijk is.
! Het vervoeren van personen met een mobiel arbeidsmiddel dat daartoe met is uitgerust.
(artikel 7.17a, lid 1 Arbobesluit)
! Het gebruik van mobiele arbeidsmiddelen (m.u.v. heftrucks) waarmee personen kunnen worden vervoerd zonder beschermingsconstructies ter voorkoming van kantelen of de gevolgen daarvan.
(artikel 7.17a, lid 2 Arbobesluit)
! Het gebruik van heftrucks waarmee personen kunnen worden vervoerd zonder beschermingsconstructies ter voorkoming van kantelen of de gevolgen daarvan.
(artikel 7.17a, lid 5, Arbobesluit)
! Het ontbreken van een rem- en stopvoorziening, alsmede een noodstop voorziening voorzover deze noodzakelijk is, op een mobiel arbeidsmiddel met eigen aandrijving.
(artikel 7.17b, lid 2, Arbobesluit)
! Het meerijden op mobiele arbeidsmiddelen met eigen aandrijving zonder speciaal daartoe ingerichte veilige plaatsen.*
(artikel 7.17c, lid 2, Arbobesluit)
! Het zwaarder belasten van een hijs- of hefwerktuig, dan de toegelaten bedrijfslast of dan een veilig gebruik toelaat.*
(artikel 7.18, lid 2, Arbobesluit)
Het zodanig opgesteld zijn van hijs- en hefwerktuigen, dat daardoor ernstig gevaar bestaat dat lasten werknemers kunnen raken.*
(artikel 7.18, lid 5, Arbobesluit)
! Het zich bevinden van werknemers onder hangende lasten.*
(artikel 7.18, lid 6, Arbobesluit)
Het zodanig gebruik van een mobiel hijs- of hefwerktuig dat daardoor ernstig gevaar bestaat voor kantelen, ongewild in beweging komen of wegglijden.*
(artikel 7.18a, lid 3, Arbobesluit)
! Het gebruik van hijs- en hefwerktuigen in slechte weersomstandigheden.*
(artikel 7.18a, lid 13, Arbobesluit)
! Het hijsen of heffen van personen op een onbeveiligd platform.
(artikel 7.18b, lid 1, Arbobesluit)
! Het overbelasten van laad- en losgerei met meer dan 10%.*
(artikel 7.20, lid 4, Arbobesluit)
Het ontbreken van technische of organisatorische maatregelen, indien zich in een schacht twee of meer liften bevinden, om te voorkomen dat personen bij werkzaamheden aan een van de liften, getroffen worden door een naastliggende lift.
(artikel 7.21, lid 1, Arbobesluit)
Het niet stilzetten van de naastgelegen lift tijdens werkzaamheden in een liftschacht waarbij gevaren veroorzaakt door deze lift niet zijn tegengegaan.*
(artikel 7.21, lid 2, Arbobesluit)
! Het vervoeren van personen met een hijs- of hefwerktuig, dat daarvoor niet is bestemd of ingericht.*
(artikel 7.22, lid 1, Arbobesluit)
Het vervoer van personen in een werkbak waarbij sprake is van:
- -
een onveilige of ondeugdelijke werkbak of
- -
een daartoe onvoldoende toegerust hijs- of hefwerktuig of
- -
de bedieningsplaats van het hijs- en hefwerktuig niet permanent bemand is.*
(artikel 7.22, lid 3, Arbobesluit)
! Het hijsen of heffen van luiken van schepen zonder dat deze daartoe geschikte bevestigingen hebben voor het vastmaken van hijsgereedschap.
(artikel 7.25, lid 1, Arbobesluit)
Het plaatsen of verwijderen van luiken op schepen terwijl in het ruim onder de luikopening wordt gewerkt.*
(artikel 7.25, lid 6, Arbobesluit)
! Het laden en lossen van schepen zonder dat luiken die niet afdoende tegen verplaatsing kunnen worden geborgd, verwijderd zijn.
(artikel 7.25, lid 7, Arbobesluit)
! Het opnieuw gebruiken van voor eenmalig gebruik bestemde bind- of hijsmiddelen.
(artikel 7.27, lid 2, Arbobesluit)
Het niet aanwezig zijn van middelen zodat werknemers bij het aanbrengen of verwijderen van sjorringen van containers aan ernstig gevaar worden blootgesteld.
! Het gebruik van ladders of trappen die onvoldoende sterk en stijf zijn.
(artikel 7.33, lid 1, Arbobesluit)
Het werken op onstabiel opgestelde ladders of trappen.
(artikel 7.33, lid 2, Arbobesluit)
! Het werken op ladders of trappen van onvoldoende lengte, waardoor stevige steun voor handen en voeten ontbreekt.
(artikel 7.33, lid 2, Arbobesluit)
Het werken op een overbelaste steiger.
(artikel 7.34, lid 3, Arbobesluit)
Het werken op verrijdbare steigers die niet zijn beveiligd tegen ongewilde verplaatsing.
(artikel 7.34, lid 4, Arbobesluit)
Het ontbreken van een noodstopvoorziening op hijs- en hefwerktuigen die in de winningsindustrie met behulp van boringen worden gebruikt.
(artikel 7.36b, lid 5, Arbobesluit).
Het verrichten van trekkerarbeid, het werken met wilde, giftige of andere dieren die gevaar opleveren, het industrieel slachten of werken onder tempodwang door jeugdige werknemers zonder toezicht.
! Het ontbreken of het onjuist toepassen van voorgeschreven beveiligingen, alsmede het overbruggen dan wel buiten werking stellen van noodzakelijke beveiligingen aan arbeidsmiddelen in thuiswerksituaties.
(artikel 7.41. lid 1, Arbobesluit)
! Het niet ter beschikking stellen van doeltreffende persoonlijke beschermingsmiddelen aan werknemers bij werkzaamheden, waardoor ernstig gevaar bestaat voor veiligheid of gezondheid van betrokken werknemers.
behorend bij beleidsregel 33 Arbowet 1998
Het ontbreken van een schriftelijke risico-inventarisatie en -evaluatie.
(artikel 5, lid 1, Arbowet 1998)
! Het onvoldoende toezien op de naleving van instructies en voorschriften bij werkzaamheden waaraan risico's voor werknemers zijn verbonden.
(artikel 8, lid 4, Arbowet 1998)
Het niet (onverwijld) melden van een ernstig ongeval.
(artikel 9, lid 1, Arbowet 1998)
Het ontbreken van adequaat deskundig toezicht op jeugdige werknemers 2)
(artikel 1.37, lid 1 Arbobesluit)
Het ontbreken van adequaat deskundig toezicht op jeugdige werknemers om specifieke gevaren voor jeugdige werknemers te voorkomen.2)
(artikel 1.37, lid 2 Arbobesluit)
Het aanvangen met werkzaamheden op een bouwplaats zonder schriftelijke kennisgeving aan de Arbeidsinspectie over de voorgenomen totstandbrenging van het bouwwerk.2)
(artikel 2.26, lid 1, Arbobesluit)
Het ontbreken van een veiligheids- en gezondheidsplan ten aanzien van bouwwerken zoals gedefinieerd in het Arbobesluit.
(artikel 2.27, lid 1, Arbobesluit)
Het ontbreken van een veiligheids- en gezondheidsplan ten aanzien van werkzaamheden verricht in de winningsindustrie in dagbouw.
(artikel 2.42, lid 2, Arbobesluit)
Het ontbreken van een systeem van werkvergunningen voor de uitvoering van gevaarlijke werkzaamheden en voor de uitvoering van gewoonlijk ongevaarlijke werkzaamheden die in combinatie met andere werkzaamheden ernstige risico’s met zich mee kunnen brengen bij winningsindustrieën in dagbouw.
(artikel 2.42a, lid 1, Arbobesluit)
Het niet beschikbaar en gebruiksklaar houden van vluchtmiddelen zodat werknemers de gevaarlijke gebieden snel en veilig kunnen verlaten.
(artikel 3.5f, onder f, Arbobesluit)
Het ontbreken van deskundig toezicht op het gebruik van het helikopterdek op een mijnbouwinstallatie.
(artikel 3.37l, lid 3, Arbobesluit)
Het ontbreken van communicatiesystemen op een bemande arbeidsplaats in de winningsindustrie met behulp van boringen.
(artikel 3.37r, lid 1, Arbobesluit)
Het ontbreken van verzamelpunten en het niet bijhouden van een monsterrol in de winningsindustrie met behulp van boringen.
(artikel 3.37s, lid 1, Arbobesluit)
Het bij een veilig verzamelpunt op een mijnbouwinstallatie ontbreken van een lijst met de namen van de werknemers voor wie dat verzamelpunt is bestemd.
(artikel 3.37s, lid 5, Arbobesluit)
Het in de winningsindustrie met behulp van boringen ontbreken van een lijst met de namen van de werknemers die in geval van nood speciale taken hebben.
(artikel 3.37s, lid 6, Arbobesluit)
Het ontbreken van voldoende geschikte reddingsmiddelen op een mijnbouwinstallatie.
(artikel 3.37t, lid 1, Arbobesluit)
Het ontbreken van deskundig toezicht op jeugdige werknemers die arbeid verrichten waarbij gevaar voor instorting bestaat.2)
(artikel 3.46, sub a, Arbobesluit)
Het ontbreken van deskundig toezicht op jeugdige werknemers die arbeid verrichten aan, met of in de directe nabijheid van een hoogspanningsinstallatie.2)
(artikel 3.46, sub b, Arbobesluit)
Na een onvoorziene toename van het blootstellingsniveau aan kankerverwekkende of mutagene stoffen, er niet voor gezorgd hebben dat werknemers uit de gevarenzone zijn verwijderd.
(artikel 4.6a, lid 4, Arbobesluit)
Het niet hebben voorkomen dat andere werknemers dan die welke herstelwerkzaamheden in een gevarenzone met verhoogd blootstellingsniveau aan kankerverwekkende of mutagene stoffen moeten verrichten, deze zone betreden.
(artikel 4.6a, lid 4, Arbobesluit)
Het verrichten van onderzoek naar de veiligheid aan, op of in tankschepen door een persoon die niet beschikt over het certificaat van vakbekwaamheid gasdeskundige.*
(artikel 4.7, lid 4, Arbobesluit)
Gebruik van springstoffen zonder dat hierop voortdurend toezicht plaatsvindt door een persoon die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid springmeester.*
(artikel 4.8, lid 2, Arbobesluit)
Het verrichten van werkzaamheden bestaande uit het springen van materialen ten behoeve van de opsporing of winning van delfstoffen door personen die niet in het bezit zijn van een getuigschrift van schietmeester*
(artikel 4.8, lid 3, Arbobesluit)
Het niet door een gecertificeerd persoon toezicht houden op opbouw, installeren, monteren, assembleren, dan wel verwijderen na ontbranding, van professioneel vuurwerk.
(artikel 4.8a, lid 2 Arbobesluit)
Het niet door een gecertificeerd persoon toezicht houden op het bewerken van professioneel vuurwerk in een inrichting als bedoeld in artikel 3.2.1 van het Vuurwerkbesluit
(artikel 4.8a, lid 2 Arbobesluit)
Het niet begeleiden door een gecertificeerde arbeidshygiënist of veiligheidskundige van het afgraven, opslaan, vervoeren, ter beschikking stellen of reinigen van asbesthoudende grond.
(artikel 4.45a, lid 1, Arbobesluit)
Het gebruik van asbest of asbesthoudende producten zonder dit (volledig) schriftelijk te hebben gemeld aan de Arbeidsinspectie.
(artikel 4.49, lid 1, Arbobesluit)
Wijzigingen in het gebruik van asbest niet schriftelijk hebben gemeld aan de Arbeidsinspectie.
(artikel 4.49, lid 2, Arbobesluit)
Het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van bouwwerken of objecten waarin asbest of asbesthoudende producten dan wel crocidoliet of crocidoliethoudende producten zijn verwerkt zonder (tijdige) melding aan de Arbeidsinspectie.
(artikel 4.54, lid 2, Arbobesluit)
Het verwijderen van asbest of asbesthoudende producten dan wel crocidoliet of crocidoliethoudende producten uit bouwwerken of objecten zonder (tijdige) melding aan de Arbeidsinspectie.
(artikel 4.54, lid 2, Arbobesluit)
Het reinigen van de arbeidsplaats na het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van bouwwerken of objecten waarin asbest of asbesthoudende producten danwel crocidoliet of crocidoliethoudende producten zijn verwerkt of na het verwijderen van asbest of asbesthoudende producten danwel crocidoliet of crocidoliethoudende producten uit bouwwerken of objecten zonder (tijdige) melding aan de Arbeidsinspectie.
(artikel 4.54, lid 2, Arbobesluit)
Het opruimen van asbest of asbesthoudende producten danwel crocidoliet of crocidoliethoudende producten die ten gevolge van een incident zijn vrijgekomen zonder (tijdige) melding aan de Arbeidsinspectie.
(artikel 4.54, lid 2, Arbobesluit)
Het voorafgaand aan een handeling als bedoeld in artikel 4.54, eerste lid, onderdeel a, b of d, Arbobesluit, niet beschikken over een inventarisatierapport waarin de resultaten zijn neergelegd van de inventarisatie van de aanwezigheid van asbest en asbesthoudende producten dan wel crocidoliet of crocidoliethoudende producten.
(artikel 4.54a, lid 1, Arbobesluit)
Het niet conform een deugdelijke schriftelijke werkmethode, gebaseerd op een doeltreffende beoordeling van het blootstellingsniveau, uitvoeren van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 4.54b Arbobesluit.
(artikel 4.54c, lid 5, Arbobesluit)
Het verrichten van de handelingen bedoeld in artikel 4.54, eerste lid, Arbobesluit door een bedrijf dat niet in het bezit is van een certificaat voor asbestverwijdering.
(artikel 4.54d, lid 1, Arbobesluit)
Het niet beschikken over een vooraf opgesteld schriftelijk werkplan, overeenkomstig artikel 4.55 Arbobesluit, bij het verrichten van de handelingen bedoeld in artikel 4.54, eerste lid, Arbobesluit.
(artikel 4.54d, lid 1, Arbobesluit)
Het bij een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf niet werkzaam zijn van een persoon die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid voor het toezicht houden op het verwijderen van asbest en crocidoliet.
(artikel 4.54d, lid 2, Arbobesluit)
Het verrichten van de handelingen bedoeld in artikel 4.54, eerste lid, Arbobesluit zonder voortdurend toezicht van (of niet door) een persoon die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid voor het toezicht houden op het verwijderen van asbest en crocidoliet.*
(artikel 4.54d, lid 3, Arbobesluit)
Het mede verrichten van de handelingen bedoeld in artikel 4.54, eerste lid, Arbobesluit door een persoon die niet in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid voor het verwijderen van asbest en crocidoliet.*
(artikel 4.54d, lid 4, Arbobesluit)3
Het voorafgaand aan een handeling bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, Arbobesluit, niet beschikken over een afschrift van het inventarisatierapport als bedoeld in artikel 4.54a, eerste lid, Arbobesluit.
(artikel 4.54d, lid 5, Arbobesluit)
Het niet beschikken over een, overeenkomstig artikel 4.55 Arbobesluit opgesteld, schriftelijk werkplan door de werkgever van het bedrijf, bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, Arbobesluit, voordat wordt aangevangen met de handelingen, bedoeld in artikel 4.54, eerste lid, Arbobesluit.
(artikel 4.55, lid 1, Arbobesluit)
Het werken met producten die niet voldoen aan de criteria genoemd in artikel 4.32a, lid 3 tot en met 6, Arboregeling bij werkzaamheden waarvoor dit op grond van artikel 4.32a, lid 1, Arboregeling (lijmen en verven in binnensituaties), niet is toegestaan.
Het werken met producten die niet voldoen aan de criteria genoemd in artikel 4.32b, lid 2 tot en met 4, Arboregeling bij werkzaamheden waarvoor dit op grond van artikel 4.32b, lid 1, Arboregeling (offset drukken), niet is toegestaan.
Het werken met producten die niet voldoen aan de criteria genoemd in artikel 4.32c, lid 2 en 3, Arboregeling bij werkzaamheden waarvoor dit op grond van artikel 4.32c, lid 1, Arboregeling (zeefdrukken), niet is toegestaan.
Het werken met producten die niet voldoen aan de criteria genoemd in artikel 4.32d, lid 2, Arboregeling bij werkzaamheden waarvoor dit op grond van artikel 4.32d, lid 1, Arboregeling (illustratiediepdrukken), niet is toegestaan.
Het werken met producten die niet voldoen aan het criterium genoemd in artikel 4.32e, lid 3, Arboregeling bij werkzaamheden waarvoor dit op grond van artikel 4.32e, lid 2, Arboregeling (verpakkingsdiepdrukken en flexodrukken), niet is toegestaan.
Het werken met producten die niet voldoen aan het criterium genoemd in artikel 4.32f, lid 4, Arboregeling bij werkzaamheden waarvoor dit op grond van artikel 4.32f, lid 2, Arboregeling (herstellen van autoschade), niet is toegestaan.
Het werken met producten die niet voldoen aan het criterium genoemd in artikel 4.32g, lid 3, Arboregeling bij werkzaamheden waarvoor dit op grond van artikel 4.32g, lid 2, Arboregeling (coating timmerwerk in binnensituaties), niet is toegestaan.
Het voor de eerste maal werken met biologische agentia van de 2e , 3e of 4e categorie, zonder (tijdige en volledige) schriftelijke kennisgeving aan de Arbeidsinspectie.
(artikel 4.94, lid 1, Arbobesluit)
Het werken met een nieuw biologisch agens van de 3e of 4e categorie, zonder (tijdige en volledige) schriftelijke kennisgeving aan de Arbeidsinspectie.
(artikel 4.94, lid 3, Arbobesluit)
Het werken met biologische agentia van de 2e , 3e of 4e categorie na veranderingen in procédés of procedures met mogelijke gevolgen voor veiligheid en gezondheid, zonder dit opnieuw te hebben gemeld aan de Arbeidsinspectie.
(artikel 4.94, lid 5, Arbobesluit)
Het niet (tijdig en schriftelijk) hebben gemeld aan de Arbeidsinspectie van een ongeval of incident dat (mogelijkerwijs) heeft geleid tot het vrijkomen van een of meer biologische agentia van de 3e of 4e categorie.
Het ontbreken van deskundig toezicht op jeugdige werknemers ter voorkoming van specifieke gevaren bij het werken met gevaarlijke stoffen of gassen of artikelen die ontplofbare stoffen bevatten.2)
Het voor de aanvang van de arbeid uitvoeren van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek door een arts, die niet in het bezit is van een certificaat duikerarts.
(artikel 6.14a, lid 3, Arbobesluit)
Het optreden als duikploegleider zonder in het bezit te zijn van een certificaat duikploegleider.
(artikel 6.16, lid 3, Arbobesluit)
Het duiken zonder in het bezit te zijn van het certificaat duikarbeid.*
(artikel 6.16, lid 6, Arbobesluit)
Het verrichten van duikarbeid zonder de aanwezigheid van een persoon die in het bezit is van een certificaat duikmedische begeleiding.*1)
(artikel 6.16, lid 7, Arbobesluit)
Het uitvoeren van duikarbeid:
- a.
op een diepte groter dan 9 meter;
- b.
bij een stroomsnelheid groter dan 0,5 meter per seconde;
- c.
met voorgenomen decompressie;
- d.
met een ademgas anders dan lucht;
- e.
over een periode langer dan een week, of
- f.
ten behoeve van de ondergrondse winningsindustrie, of ten behoeve van de winningsindustrie die delfstoffen wint met behulp van boringen, zonder (tijdige) melding aan de toezichthouder.
(artikel 6.17, lid 1, Arbobesluit)
Het verrichten van caissonarbeid zonder de Arbeidsinspectie daarvan (tijdig en schriftelijk) in kennis te stellen, onder overlegging van een deugdelijk werkplan.
(artikel 6.19, lid 2, Arbobesluit)
Het werken met mobiele arbeidsmiddelen met eigen aandrijving, zonder dat de bedieners daartoe specifieke deskundigheid bezitten.
(artikel 7.17c, lid 1, Arbobesluit)
N.B. uitsluitend aan de orde indien criteria bestaan (en in projecten zijn aangegeven) wanneer en in welke situatie er sprake is van dit feit.
Het niet door een certificerende instelling laten onderzoeken en beproeven van hijs- of hefwerktuigen en hijs- of hefgereedschappen aan boord van schepen, die gebruikt worden bij het laden en lossen.
(artikel 7.29, lid 7, Arbobesluit)
Het aan boord van een schip met aanwezig zijn of niet bijhouden van een register van hijs- of hefwerktuigen en hijs- of hefgereedschappen.1)
(artikel 7.29, lid 10, Arbobesluit)
Het bedienen van een torenkraan, mobiele kraan of mobiele hei-installatie als bedoeld in artikel 7.6 Arboregeling, door een persoon die niet in het bezit is van een certificaat van bekwaamheid.
(artikel 7.32, lid 1, Arbobesluit)
! Het onvoldoende er voor zorgen dat werknemers aan hen beschikbaar gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen (juist) gebruiken, waardoor ernstig gevaar bestaat voor veiligheid of gezondheid van betreffende werknemers.
(artikel 8.3, lid 2, Arbobesluit)
Het op de openbare weg besturen van een trekker en het in rechtstreeks verband daarmee aan- of afkoppelen van aanhangwagens of werktuigen door een jeugdige werknemer die niet in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid.1)
(artikel 9.36, lid 1, Arbobesluit)
Het niet tijdig aan de toezichthouder toezenden van het gedetailleerd ontwerp, opstarten en gebruik, bedoeld in artikel 3.8, eerste en tweede lid, Arboregeling.
(artikel 3.11, lid 2, Arboregeling)
Het niet tijdig aan de toezichthouder toezenden van het veiligheids- en gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 3.7 Arboregeling.
Toelichting op inhoud en gebruik van de lijst
Er bestaat een aantal beboetbare feiten in de Arbeidsomstandighedenwet 1998, het Arbeidsomstandighedenbesluit en de Arbeidsomstandighedenregeling dat niet tot de categorie ernstige beboetbare feiten kan worden gerekend, maar waarvoor bij niet naleving toch een directe sanctie moet worden opgelegd en in een aantal gevallen ook (direct) maatregelen moeten worden getroffen.
Het gaat hierbij om feiten met betrekking tot:
- ●
het ontbreken van vakbekwaamheid / bevoegdheid van werknemers om bepaalde - in de regelgeving omschreven - in potentie risicovolle werkzaamheden te verrichten;
- ●
het nagelaten hebben van bepaalde risicoverminderende handelingen en/of maatregelen in risicovolle situaties;
- ●
het nagelaten hebben van verplichte meldingen aan de Arbeidsinspectie;
- ●
bepaalde onmisbare basisvoorzieningen.
Dergelijke feiten die enerzijds de onveiligheid van werknemers vergroten en anderzijds het werk van de Arbeidsinspectie ernstig belemmeren leiden tot het direct corrigeren van werkgevers. In voorkomende gevallen wordt direct overgegaan tot het aanzeggen van een boete.
De lijst van direct beboetbare feiten (direct boete) is op voorhand niet limitatief. De lijst kan worden uitgebreid met feiten waarvan het politiek maatschappelijk, beleidsmatig of inhoudelijk nodig wordt geacht deze direct door middel van een boete aan te pakken. Zo zijn er ten behoeve van de mijnbouwsector twee direct beboetbare feiten op grond van de artikelen 3.11, tweede lid, en 3.12, eerste lid, van de Arbeidsomstandigenregeling, toegevoegd, aangezien het hier om onmisbare basisvoorzieningen voor de mijnbouwsector gaat.
Ten aanzien van de met een asterisk (*) gemarkeerde feiten kan ook een werknemer worden beboet, indien deze de betreffende verplichting(en) niet naleeft.
STOFNAAM | CASNUMMER | KOOKPUNT | METING | WAARDE | GRENSWAARDE |
(°C) | |||||
ACETON | 67-64-1 | 56 | LCLO IHL-RAT | 64000 ppm 4h | GEEN |
ACETONCYAANHYDRINE | 75-86-5 | 95 | LC50 IHL-RAT | 0,85 g/m31h | 3000 |
ACROLEINE | 107-02-8 | 53 | LC50 tHL-RAT | 109,7 mg/m31h | 300 |
ACRYLONITRIL | 107-13-1 | 77 | LC50 IHL-RAT 1h | 3g/m3<C< 5g/m3 | GEEN |
ACRYLZUUR | 79-10-7 | 142 | LCLO IHL-RAT | 6000 ppm 5h | GEEN |
ADIPONITRIL | 111-69-3 | 295 | LC50 IHL-RAT | 1710 mg/m34h | GEEN |
ALDICARB | 116-06-3 | n.v.t. | LD50 ORL-RAT | 1 mg/kg | 1 |
ALLYLALCOHOL | 107-18-6 | 97 | 0 RAT bij 1h | conc. 2,7 g/m3 | GEEN |
ALLYLAMINE | 107-11-9 | 53 | 0 RAT bij 1h | conc. 2,8 g/m3 | GEEN |
AMMONIAK | 7664-41-7 | –33 | LC50 IHL-RAT | 11590 mg/m3 1h | 3000 |
ARSEENPENTOXYDE | 1303-28-2 | vast 1) | 0 RAT bij 1h | conc. 0,46 g/m3 | GEEN |
ARSEENTRIOXIDE | 1327-53-3 | vast 1) | 0 RAT bij 1h | conc. 0,84 g/m3 | GEEN |
ARSEENWATERSTOF | 7784-42-1 | –55 | LC50 IHL-RAT | 369 mg/m31h | 30 |
ATRAZINE | 1912-24-9 | vast 1) | LC50 IHL-RAT | 5200 mg/m34h | GEEN |
AZIJNZUUR | 64-19-7 | 118 | LCLO IHL-RAT | 16000 ppm 4h | GEEN |
AZIJNZUUR ANHYDRIDE | 108-24-7 | 140 | LCLO IHL-RAT | 1000 ppm 4h | GEEN |
AZINFOS-METHYL | 86-50-0 | vast 1) | LC50 IHL-RAT | 69 mg/m31h | 300 |
BENZEEN | 71-43-2 | 80 | LC50 IHL-RAT | 10000 ppm 7h | GEEN |
BLAUWZUUR | 74-90-8 | 26 | LC50 IHL-RAT | 163 mg/m31h | 100 |
BROOM | 77826-95-6 | 58 | 0 RAT bij 1h | max. C: 9,1 g/m3 | GEEN |
BROOMWATERSTOF | 10035-10-6 | –67 | LC50 IHL-RAT | 2858 ppm 1h | 3000 |
BUTANOL/ISO | 78-83-1 | 108 | LCLO IHL-RAT | 8000 ppm 4h | GEEN |
BUTANOL/N- | 71-36-3 | 118 | LC50 IHL-RAT | 8000 ppm 4h | GEEN |
BUTYLACETAAT/ISO | 110-19-0 | 105 | LCLO IHL-RAT | 8000 ppm 4h | GEEN |
BUTYLACRYLAAT/ISO | 141-32-2 | >100 | LCLO IHL-RAT | 2000 ppm 4h | GEEN |
BUTYLACRYLAAT/N- | 141-32-2 | 146 | LCLO IHL-RAT | 1000 ppm 4h | GEEN |
BUTYLAMINE/1- | 109-73-9 | 78 | LCLO IHL-RAT | 4000 ppm 4h | GEEN |
BUTYLHYDROPEROXIDE/T. | 75-91-2 | >50 | LC50 IHL-RAT | 500 ppm 4h | GEEN |
CHLOOR | 7782-50-5 | –34 | LC50 IHL-RAT | 293 ppm 1h | 300 |
CHLOORACETYLCHLORIDE | 79-04-9 | 105 | LCLO IHL-RAT | 1000 ppm 4H | GEEN |
CHLOORFENVINFOS | 470-90-6 | >100 | LC50 IHL-RAT | 1,15 g/m31h | 10000 |
CHLOROFORM | 67-66-3 | 61 | LCLO IHL-RAT | 8000 ppm 4h | GEEN |
CHLOROPREEN/2- | 126-99-8 | 59 | LCLO IHL-RAT | 2280 ppm 4h | GEEN |
CHROOMZUUR | 7738-94-5 | >100 | LC50 IHL-RAT | 0,35 g/m31h | 1000 |
CUMEEN | 98-82-8 | 152 | LC50 IHL-RAT | 8000 ppm 4h | GEEN |
CYANOGEN | 460-19-5 | –21 | LC50 IHL-RAT | 350 ppm 1h | 300 |
DICHLOORETHAAN/1.2 | 107-06-2 | 84 | LCLO IHL-RAT | 1000 ppm 4h | GEEN |
DICHLOORETHAAN/1.1- | 75-34-3 | 57 | 0 RAT bij 8h | conc. 4000 ppm | GEEN |
DICHLOORETHEEN/1.1- | 75-35-4 | 32 | LCLO IHL-RAT | 10000 ppm 24h | GEEN |
DICHLOORPROPAAN/1.2- | 78-87-5 | 96 | LCLO IHL-RAT | 2000 ppm 4h | GEEN |
DICHLOORVOS | 62-73-7 | n.v.t. | LC50 IHL-RAT | 15 mg/m3 4H | 1 |
DIELDRIN | 60-57-1 | n.v.t. | LC50 IHL-RAT | 3,8 mg/m3 1h | 1 |
DIETHYL-S-ETHYLTHIOMETHYLTHIOFOSFAAT/O.O | 2600-69-3 | n.v.t. | LD50 ORL-RAT | 250 μg/kg | 1 |
DIETHYL-S-ETHIONYLMETHYLFOSFORTHIAAT/O.O- | 2588-05-8 | n.v.t. | LD50 ORL-RAT | 1 mg/kg | 1 |
DIETHYLAMINE | 109-89-7 | 56 | LC50 IHL-RAT | 4000 ppm 4h | GEEN |
DIFLUORETHEEN/1.1. | 75-38-7 | –74 | LC50 IHL-RAT | 128000 ppm 4h | GEEN |
DIMEFOX | 115-26-4 | n.v.t. | LD50 ORL-RAT | 1 mg/kg | 1 |
DIMETHYLSULFAAT | 77-78-1 | > 100 | LC50 IHL-RAT | 27 mg/m31h | 100 |
DIOXAAN/1.4- | 123-91-1 | 101 | LC50 IHL-RAT | 46 g/m3 2h | GEEN |
DIPHENYLMETHAAN-DIISOCYANAAT (PREPOLYMEER) | 101-68-8 | > 100 | LC50 IHL-RAT 1h | 980 mg/m3LC50<1960 mg/m3 | 10000 |
EPICHLOORHYDRINE | 106-89-8 | 118 | LC50 IHL-RAT | 500 ppm 4h | GEEN |
EPOXYPROPAAN/1.2- | 75-56-9 | 34 | 0 RAT bij 1h | conc. 19,4 g/m3 | GEEN |
ETHER | 60-29-7 | 35 | LC50 IHL-RAT | 73000 ppm 2,5h | GEEN |
ETHYLACETAAT | 141-78-6 | 77 | LC50 IHL-RAT | 1600 ppm 8h | GEEN |
ETHYLACRYLAAT | 140-88-5 | 99 | LCLO IHL-RAT | 1000 ppm 4h | GEEN |
ETHYL BENZEEN | 100-41-4 | 136 | LCLO IHL-RAT | 4000 ppm 4h | GEEN |
ETHYLCHLOORFORMIAAT | 541-41-3 | 93 | LC50 IHL-RAT | 145 ppm 1h | 3000 |
ETHYLEENDIAMINE | 107-15-3 | 118 | LC50 IHL-RAT | 4000 ppm 8h | GEEN |
ETHYLEENIMINE (gepolymeriseerd !!) | 151-56-4 | 55 | 0 RAT bij 1h | max. C. 91 mg/m3 | GEEN |
ETHYLEENOXYDE | 75-21-8 | 11 | LC50 IHL-RAT | 10,95 g/m31h | 3000 |
ETHYL FORMIAAT | 109-94-4 | 54 | LCLO IHL-RAT | 8000 ppm 4h | GEEN |
FLUOR | 7782-41-4 | –188 | LC50 IHL-RAT | 185 ppm 1h | 30 |
FORMALDEHYDE | 50-00-0 | –21 | LC50 IHL-RAT 1h | 600<LC50<1000 | 300 |
FOSFINE | 7803-51-2 | –88 | LC50 IHL-RAT | 361 mg/m31h | 30 |
FOSFORZUUR | 7664-38-2 | >100 | 0 RAT bij 1h | max. C.: 0,84 g/m3 | GEEN |
FOSGEEN | 75-44-5 | 8 | LC50 IHL-RAT | 38 mg/m31h | 3 |
FURAN | 110-00-9 | 31 | LC50 IHL-RAT | 120 mg/m31h | 100 |
ISOFORON | 78-59-1 | 215 | LCLO IHL-RAT | 1840 ppm 4h | GEEN |
KOOLMONOXIDE | 630-08-0 | –191 | LC50 IHL-RAT | 0,60 vol% 1h | 3000 |
MDI (PREPOLYMEER) | 101-68-8 | > 100 | LC50 IHL-RAT 1h | 980 mg/m3LC50<1960 mg/m3 | 10000 |
MESITYLOXIDE | 141-79-7 | 130 | LCLO IHL-RAT | 1000 ppm 4h | GEEN |
METHANOL | 67-56-1 | 65 | LC50 IHL-RAT | 64000 ppm 4h | GEEN |
METHYLACRYLAAT | 96-33-3 | 80 | LCLO IHL-RAT | 1000 ppm 4h | GEEN |
METHYLAMINE | 74-89-5 | –6,3 | 20% RAT bij 1h | conc. 19,9 g/m3 | GEEN |
METHYLBROMIDE | 74-83-9 | 4 | LC50 IHL-RAT | 7,3 g/m3 1h | 3000 |
METHYLCHLOORFORMIAAT | 79-22-1 | 71 | LC50 IHL-RAT | 88 ppm 1h | 300 |
METHYLETHYLKETON | 78-93-3 | 80 | LCLO IHL-RAT | 2000 ppm 4h | GEEN |
METHYLISOCYANAAT | 624-83-9 | n.v.t. | LC50 IHL-RAT | 5 ppm/4h | 1 |
METHYLMERCAPTAAN | 74-93-1 | 6 | LC50 IHL-RAT | 4,72 g/m3 1h | 3000 |
MEVINFOS | 7786-34-7 | >100 | LC50 IHL-RAT | 14 ppm 1h | 1000 |
MONOCROTOFOS | 6923-22-4 | 125 | LC50 IHL-RAT | 162 mg/m31h | 3000 |
MORFOLINE | 110-91-8 | 128 | LC50 IHL-RAT | 8000 ppm 8h | GEEN |
NATRIUMSELENIET | 10102-18-8 | vast 1) | LC50 IHL-RAT | 0,26 g/m3 1h | 3000 |
NONAAN | 111-84-2 | 151 | LC50 IHL-RAT | 3200 ppm 4h | GEEN |
OXAMYL | 23135-22-0 | >100 | LC50 IHL-RAT | 170 mg/m3 1h | 3000 |
OZON | 10028-15-6 | n.v.t. | LC50 IHL-RAT | 4,8 ppm 4h | 1 |
PARALDEHYDE | 123-63-7 | 124 | LCLO IHL-RAT | 2000 ppm 4h | GEEN |
PARATHION | 56-38-2 | 375 | LC50 IHL-RAT | 210 mg/m3 1h | 1000 |
PARATHION-METHYL | 298-00-0 | vast 1) | LC50 IHL-RAT | 0,2 - 0,26 g/m3 1h | 3000 |
PENTABORAAN | 19624-22-7 | n.v.t. | LC50 IHL-RAT | 7 ppm 4h | 1 |
PHORAAT | 298-02-0 | n.v.t. | LD50 ORL-RAT | 1 mg/kg | 1 |
PICOLINE/2- | 109-06-8 | 129 | LCLO IHL-RAT | 4000 ppm 4h | GEEN |
POLY CHLOORDIBENZOFURANEN 2,3,4,7,8 PENTA | 57117-31-4 | LD50 ORL RAT | 916 μg/kg | 1 | |
POLY CHLOORDIBENZODIOXINEN (EQ.TCDD) 2,3,7,8 TETRA | 1746-01-6 | LD50 ORL RAT | 20 μg/kg | 1 | |
PROMURIT | 5836-73-7 | n.v.t. | LD50 ORL-RAT | 0,28 mg/kg | 1 |
PROPAANTHIOL/N | 107-03-9 | 67 | LC50 IHL-RAT | 7300 ppm 4h | GEEN |
PROPANAL | 123-38-6 | 49 | LCLO IHL-RAT | 8000 ppm 4h | GEEN |
PROPANOL | 71-23-8 | 97 | LCLO IHL-RAT | 4000 ppm 4h | GEEN |
PROPYLACETAAT/ISO | 108-21-4 | 89 | LCLO IHL-RAT | 32000 ppm 4h | GEEN |
PROPYLACETAAT/N | 109-60-4 | 102 | LCLO IHL-RAT | 8000 ppm 4h | GEEN |
PROPYLALCOHOL/ISO | 67-63-0 | 82 | LC50 IHL-RAT | 16000 ppm 4h | GEEN |
PROPYLEENIMINE | 75-55-8 | 10% rat bij 1h | conc. 2,4 g/m3 | GEEN | |
PROPYLEENOXIDE | 75-56-9 | 34 | 0 rat bij 1h | conc. 19,4 g/m3 | GEEN |
PYRIDINE | 110-86-1 | 115 | LC50 IHL-RAT | 4000 ppm 4h | GEEN |
SELEENWATERSTOF | 7783-07-5 | –41 | LC50 IHL-RAT | 0,18 g/m3 1h | 30 |
SILICIUMTETRACHLORIDE | 10026-04-7 | 58 | LC50 IHL-RAT | 8000 ppm 4h | GEEN |
STIKSTOFDIOXYDE | 10102-44-0 | –21 | LC50 IHL-RAT | 220 mg/m3 1h | 30 |
STIKSTOFMONOXIDE | 10102-43-9 | –152 | LC50 IHL-RAT | 924 mg/m3 1h | 300 |
STIKSTOFTRIFLUORIDE | 7783-54-2 | –129 | LC50 IHL-RAT | 6700 ppm 1h | GEEN |
STYREEN | 100-42-5 | 146 | LCLO IHL-RAT | 5000 ppm 8h | GEEN |
SULFURYLFLUORIDE | 2699-79-8 | –55 | LC50 IHL-RAT | 3020 ppm 1h | 3000 |
TCDD | 1746-01-6 | n.v.t. | LD50 ORL-RAT | 22,5 μg/kg | 1 |
TEPP | 107-49-3 | n.v.t. | LD50 ORL-RAT | 0,5 mg/kg | 1 |
TETRACHLOORKOOLSTOF | 56-23-5 | 77 | LCLO IHL-RAT | 4000 ppm 4h | GEEN |
TETRAETHYLLOOD | 78-00-2 | >100 | LCLO IHL-RAT | 850 mg/m3 1h | 10000 |
TETRAHYDROFURAAN | 109-99-9 | 66 | LC50 IHL-RAT | 24000 ppm 2h | GEEN |
TOLUEEN | 108-88-3 | 111 | LCLO IHL-RAT | 4000 ppm 4h | GEEN |
TOLUEENDIISOCYANAAT (TDI) | 584-84-9 | > 100 | LC50 IHL-RAT | 480 mg/m3 1h | 1000 |
TRICHLOORETHEEN | 79-01-6 | 87 | LCLO IHL-RAT | 8000 ppm 4h | GEEN |
TRICHLOORMETHAAN | 67-66-3 | 61 | LCLO IHL-RAT | 8000 ppm 4h | GEEN |
TRICHLOORPROPAAN/1.1.1- | 7789-89-1 | 107 | LCLO IHL-RAT | 8000 ppm 4h | GEEN |
TRICHLOORPROPAAN/1.1.2- | 598-77-6 | 140 | LC50 IHL-RAT | 2000 ppm 4h | GEEN |
TRICHLOORPROPAAN/1.2.3- | 96-18-4 | 157 | LCLO IHL-RAT | 1000 ppm 4h | GEEN |
TRICHLOORPROPEEN/1.2.3- | 96-19-5 | 142 | LCLO IHL-RAT | 500 ppm 4h | GEEN |
TRIETHYLAMINE | 121-44-8 | 90 | LCLO IHL-RAT | 1000 ppm 4h | GEEN |
TRIETHYLEENMELAMINE | 51-18-3 | n.v.t. | LD50 ORL-RAT | 1 mg/kg | 1 |
TRIMETHYLBENZEEN/1.3.5- | 108-67-8 | 165 | LC50 IHL-RAT | 24 g/m34h | GEEN |
TRIMETHYLORTH.FORMIAAT | 149-73-5 | >100 | LCLO IHL-RAT | 5000 ppm 4h | GEEN |
VINYLACETAAT | 108-05-4 | 72 | LCLO IHL-RAT | 4000 ppm 4h | GEEN |
WATERSTOFCYANIDE | 74-90-8 | 26 | LC50 IHL-RAT | 163 mg/m3 | 100 |
WATERS-TOFFLUORIDE | 7664-39-3 | 20 | LC50 IHL-RAT | 1276 ppm 1h | 300 |
WATERSTOFPEROXYDE | 7724-84-1 | >100 | LC50 IHL-RAT | 2000 mg/m34h | GEEN |
XYLEEN | 1330-20-7 | 138 | LC50 IHL-RAT | 5000 ppm 6h | GEEN |
ZOUTZUUR(GAS) | 7647-01-0 | –85 | LC50 IHL-RAT | 3124 ppm 1h | 3000 |
ZUURSTOFDICHLORIDE | 7783-41-7 | –145 | LC50 IHL-RAT | 136 ppm 1h | 30 |
ZWAVELDIOXYDE | 7446-09-5 | –10 | LC50 IHL-RAT | 5,14 g/m3 1h | 3000 |
ZWAVELKOOLSTOF | 75-15-0 | 46 | 0 rat bij 1h | max. C: 20,5 g/m3 | GEEN |
ZWAVELWATERSTOF | 7783-06-4 | –60 | LC50 IHL-RAT | 898 mg/m3 1h | 300 |
ZWAVELZUUR | 7664-93-9 | 280 | LC50 IHL-RAT | 3,6 g/m3 1h | GEEN |
Stofnaam | Grenswaarde (kg) |
Acetylcyciohexaansulfonylperoxide ( 12% < watergehalte < 82%) | 5000 |
Ammoniumnitraat (zuiverheid > 90%, brandbaar materiaal < 0.2%) | 3000 |
Ammoniumnitraat (brandbaar materiaal > 0.2%) | 3000 |
Ammoniumperchloraat (met deeltjes < 45 micron) | 4000 |
Ammoniumpicraat (watergehalte < 10%) | 1000 |
Azodiisobutyronitril | 5000 |
Celluloid | 1000 |
Cettulosenitraat | 1000 |
Chloorperoxybenzoëzuur /3- (3-chloorbenzoëzuur < 82% ) | 4000 |
Cyclohexanonperoxiden (watergehalte <10%) | 3000 |
Cycloniet (watergehaite >15%, offlegmatiseermiddel >10%) | 800 |
Cyclotetramethyleen tetranitramine (watergeh. >15% offleg. >10%) | 800 |
Cyclotrimethyleentrinitramine (watergeh. >15% offleg. > 10%) | 800 |
Diazodinitrofenol (gehalte water/alcohol > 40%) | 2000 |
Dibarnsteenzuurperoxide | 4000 |
Dibenzoylperoxide (zuiverheid > 52%) | 3000 |
Dibenzylperoxydicarbonaat (watergehalte < 13%) | 4000 |
Dicyclohexylperoxydicarbonaat | 5000 |
Diglyceroltetranitraat | 900 |
Diisopropylperoxydicarbonaat | 3000 |
Dimethyl-2,5-di-(tertiairbutylperoxy)hexyn /2.5- | 3000 |
Dimethyl-2,5-di-(benzoytperoxy)hexaan /2.5- | 3000 |
Dimethyl-2.5-dihydroperoxyhexaan/2.5-Watergehalte< 18%) | 2000 |
Dinitroaniline /2,4- | 1000 |
Dinitrobenzeen | 1000 |
Dinitrofenol (watergehalte < 15%) | 1000 |
Dinitrototueen /2.4- of2.6- | 1000 |
Di-n-propyiperoxydicarbonaat | 3000 |
Dioxyethylnitramine dinitraat | 900 |
Di-sec-butylperoxydicarbonaat | 3000 |
Di-(tertiaiiibutyiperoxy)cyclohexaan /1.1- | 3000 |
Di-(tertiairbutylperoxy)ftalaat | 3000 |
Ethanolamine dinitraat | 1000 |
Ethyl 3.3-di-(tertiairbutylperoxy)butyraat | 3000 |
Etheendiaminedinitraat | 1000 |
Etheendinitramine | 900 |
Etheenglycoldinitraat | 700 |
Ethylnitraat | 1000 |
Glyceroldinitraat | 900 |
Gtyceroltrinitraat (1 tot 10% in alcohol) | 900 |
Guanidininitraat | 2000 |
Hexamethyleentetraaminedinitraat | 1000 |
Hexamethyleentriperoxidediamine | 900 |
Hexanitrodifënytamine | 900 |
Hexanitrodipentaerytriet | 800 |
Heyanitroethaan | 1000 |
Hexanitrostilbeen | 900 |
Hexatonal | 600 |
Hydrazinenitraat | 1000 |
Hydrazineperchloraat | 1000 |
Kwikfulminaat (watergehalte >20%) | 3000 |
Loodazide (watergehalte >20%) | 4000 |
Loodstyfnaat (watergehalte >20%) | 3000 |
Mannitothexanitraat (water/atcohol gehalte > 40%) | 1000 |
Methylaminenitraat | 1000 |
Methylnitraat | 800 |
Methyltrimethytolmethaan trinitraat | 900 |
Nitroethaan | 1000 |
Nitroethaanpropaandioldinitraat | 1000 |
Nitroguanidine (watergehalte >=20%) | 2000 |
Nitroguanidine (watergehalte <20%) | 1000 |
Nitroisobutylglyceroltrinitraat | 600 |
Nitromethaan | 1000 |
Nitropropaan/2- | 1000 |
Nitroureum | 2000 |
Octoliet (77% Octogeen, 23% TNT; watergehalte <15%) | 800 |
Pentaerytraat tetranitraat (PETN) (wasgehalte > 7%) | 800 |
Pentaervtraat tetranitraat (PETN) (watergeh. >25% offleg.mid >15%) | 900 |
Pentolite (mengsel TNT/PETN) (watergehalte < 15%) | 800 |
Rookzwak buskruit | 1000 |
Tetramethylcyclopentanontetranitraat | 1000 |
Tetranitroaniline | 800 |
Tetranitrocarbazool | 1000 |
Tetranitromethaan | 1000 |
Tetrazeen | 2000 |
Triaminotrinitrobenzeen | 2000 |
Triethyleenglycoldinitraat | 3000 |
Triethytaminenitraat | 1000 |
Trinitroaniline | 900 |
Trinitroanisool | 1000 |
Trinitrobenzeen (watergehalte < 35%) | 900 |
Trinitrobenzoëzuur | 1000 |
Trinitroerytriet | 800 |
Trinitrofenetol | 1000 |
Trinitrofenol (watergehalte < 30%) | 9oo |
Trinitrofenol (watergehalte >= 3o%) | 1000 |
Trinitrofenylethylnitramine 2.4.6- | 900 |
Trinitrofenylmethylnitramine | 900 |
Trinitroftaleen | 1000 |
Trinitro-m-cresol | 1000 |
Trinitrophenoxyethytnitraat | 900 |
Trinitroesorcine | 1000 |
Trinitrotolueen | 1000 |
Trinitroxyleen | 1000 |
Tritonat | 600 |
Ureumnitraat | 2000 |
Zilverazide | 2000 |
Zwart kruit | 2000 |
Stofnaam | Grenswaarde (kg) |
1,1-Di-(tert-amylperoxy)cyclohexaan (≤ 82%) [Type C] | 5000 |
1,1-Di-(tert-butylperoxy)-3,3,5-trimethylcyclohexaan [Type B] | 3000 |
1,1-Di-(tert-butylperoxy)-3,3,5-trimethylcyclohexaan [Type C] | 5000 |
1,1-Di-(tert-butylperoxy)ftalaat | 3000 |
1,2-Dimethyl-5-nitroimidazol | 2300 |
1,4,3,6-Dianhydrosorbitol-2,5-dinitraat | 1000 |
1,4,3,6-Dianhydrosorbitol-2-nitraat | 2500 |
1,4,3,6-Dianhydrosorbitol-5-nitraat | 2000 |
1-Hydroxybenzotriazol | 5000 |
2-(4,4-Dimethyl-2,5-dioxooxazolidin-1-yl)-2’-chloor-5’-(2-(2,4-di-tert-pentylfenoxy) butyramide)-4,4-dimethyl-3-oxovaleranilide | 3000 |
2,2’,4,4’-Tetranitrodifenylamine | 1300 |
2,2’-Dimethyl-2,2’-azodipropionitriel | 3000 |
2,2-Di-(tert-butylperoxy)butaan (< 52%) [Type C] | 5000 |
2,2-Dibroom-2-nitroethanol | 2000 |
2,2-Dihydroperoxypropaan (≤ 27%) [Type B] | 3000 |
2,4- of 2,6-Dinitrotolueen | 1300 |
2,4,6-Trinitrofenylmethylnitramine | 800 |
2,4-Dinitroaniline | 1300 |
2,4-Dinitrofenylhydrazine | 1000 |
2,5-Dimethyl-2,5-di-(2-ethylhexanoylperoxy)hexaan (≤ 100%) [Type C] | 5000 |
2,6-Dinitroaniline | 1300 |
2-Amino-4,6-dinitrofenol (watergehalte < 20%) | 1500 |
2-Amino-4,6-dinitrofenol (watergehalte ≥ 20%) | 1900 |
2-Broom-2-nitropropaan-1,3-diol | 2000 |
2-Broom-2-nitropropaan-1,3-diol | 5000 |
2-Diazo-1-naftol-4-sulfochloride (Type B) | 3000 |
2-Diazo-1-naftol-5-sulfochloride | 3000 |
2-Nitropropaan3 | 5000 |
3,3,6,6,9,9-Hexamethyl-1,2,4,5-tetraoxacyclononaan (>52-100%) [Type B] | 3000 |
3,4-Dihydro-3-hydroxy-4-oxo-1,2,3-benzotriazine | 3000 |
3,5-Dinitro-2-chloorbenzoëzuur | 1500 |
3-Azidosulfonylbenzoëzuur | 3000 |
3-Methyl-4-(pyrolidine-1-yl)benzeendiazoniumtetrafluorboraat (Type C) | 5000 |
3-Nitrobenzeen-sulfonylhydrazide | 1700 |
4-Chloor-2-methylbenzeendiazoniumzinkchloride | 5000 |
4-Dimethylaminobenzeendiazonium-3-carboxy-4-hydroxybenzeensulfonaat | 3000 |
4-Dimethylaminobenzeendiazoniumzinkchloride | 5000 |
4-Morpholinobenzeendiazoniumzinkchloride | 5000 |
5-(Methylpyridyl-2-methyl)-4-hydroxy-2-nitroaminopyrimidine | 5000 |
5-Mercaptotetrazol-1-azijnzuur | 1000 |
5-Nitrobenzotriazol | 1000 |
5-Tert-butyl-2,4,6-trinitro-m-xyleen | 2000 |
Ammoniumdichromaat | 3000 |
Ammoniumnitraat (brandbaar materiaal>0,2%) | 2000 |
Ammoniumnitraat (zuiverheid>90%, brandbaar materiaal ≤0,2%) | 3000 |
Ammoniumperchloraat (met deeltjes <45 micron) | 2000 |
Ammoniumperchloraat (met deeltjes ≥45 micron) | 3000 |
Ammoniumpicraat (watergehalte <10%) | 1000 |
Ammoniumpicraat (watergehalte ≥10%): | 1100 |
Autoreactieve stof Type A in Afdeling 4.1 van de VN transportclassificatie | 1000 |
Autoreactieve stof Type B in Afdeling 4.1 van de VN transportclassificatie | 3000 |
Autoreactieve stof Type C in Afdeling 4.1 van de VN transportclassificatie | 5000 |
Azidoacetonitriel1 | 120 |
Azodicarbonamide-formulering (Type B) | 3000 |
Azodicarbonamide-formulering (Type C) | 5000 |
Bariumazide (watergehalte ≥50%) | 4000 |
Benzeen-1,3-disulfohydrazide | 3000 |
Butaandizuurperoxide (> 72-100%) [Type B] | 3000 |
Calciumiodoxybenzoaat | 3000 |
Celluloid | 1500 |
Cellulosenitraat | 1000 |
Chloordinitrobenzeen | 1000 |
Cyclotetramethyleentetranitramine (watergehalte < 15%, of flegmatiseermiddel < 10%) | 700 |
Cyclotetramethyleentetranitramine (watergehalte ≥ 15%, of flegmatiseermiddel ≥ 10%) | 800 |
Cyclotrimethyleentrinitramine (Cycloniet): watergehalte < 15%, of flegmatiseermiddel. < 10% | 700 |
Cyclotrimethyleentrinitramine (watergehalte ≥ 15%, of flegmatiseermiddel ≥ 10%) | 800 |
Di-(2-ethylhexyl)peroxydicarbonaat (> 77-100%) [Type C] | 5000 |
Di-(2-fenoxyethyl)peroxydicarbonaat (> 85-100%) [Type B] | 3000 |
Di-(2-methylbenzoyl)peroxide (≤ 87%, water-nat) [Type B] | 3000 |
Di-(4-tert-butylcyclohexyl)peroxydicarbonaat (≤ 100%) [Type C] | 5000 |
Di-2,4-dichloorbenzoylperoxide (≤ 77%, water-nat) [Type B] | 3000 |
Di-4-chloorbenzoylperoxide (≤ 77%, water-nat) [Type B] | 3000 |
Diazodinitrofenol (water- of water-/alcoholgehalte ≥ 40% | 1500 |
Diazodinitrofenol1 | 90 |
Dichlooracetyleen | 3000 |
Didecanoylperoxide (≤ 100%) [Type C] | 5000 |
Diethyleenglycoldinitraat (≥ 25% flegmatiseermiddel) | 900 |
Diethyleenglycoldinitraat1 | 70 |
Diglyceroltetranitraat | 700 |
Diisobutyrylperoxide (> 32-52%) [Type B] | 3000 |
Dilooizuurperoxide | 4000 |
Dinitrobenzeen | 1000 |
Dinitrofenol (watergehalte < 15%) | 1300 |
Dinitrofenol (watergehalte ≥ 15%) | 1500 |
Dinitrofenolzouten (watergehalte < 15%) | 1300 |
Dinitrofenolzouten (watergehalte ≥15%) | 1500 |
Dinitroglycoluril (DINGU) | 1000 |
Dinitro-o-cresol | 1500 |
Dinitroresorcinol (watergehalte < 15%) | 1300 |
Dinitroresorcinol (watergehalte ≥15%) | 1500 |
Dinitrosobenzeen | 2000 |
Dioxyethylnitraminedinitraat | 700 |
Dipicrylsulfide (watergehalte < 10%) | 900 |
Dipicrylsulfide (watergehalte ≥ 10%) | 1000 |
Erythritoltetranitraat | 700 |
Ethanolaminedinitraat | 800 |
Etheendiaminedinitraat | 800 |
Etheendinitramine | 800 |
Etheenglycoldinitraat | 600 |
Ethyl-3,3-bis(tert-pentylperoxy)butyraat | 3000 |
Ethylnitraat | 800 |
Ethylnitriet | 1000 |
Flitspoeder | 1000 |
Glyceroldinitraat | 700 |
Glyceroltrinitraat (1 tot 10% in alcohol)2 | 5000 |
Glyceroltrinitraat (met ≥ 40% niet-vluchtig flegmatiseermiddel) | 1000 |
Glyceroltrinitraat1 | 60 |
Guanidinenitraat | 1300 |
Guanylnitrosaminoguanylideenhydrazine (watergehalte ≥ 30%) | 1400 |
Guanylnitrosaminoguanylideenhydrazine1 | 100 |
Hexamethyleentetraminedinitraat | 1400 |
Hexamethyleentriperoxidediamine | 900 |
Hexanitrodifenylamine | 900 |
Hexanitrodipentaerythriet | 800 |
Hexanitroethaan | 1000 |
Hexanitrostilbeen | 900 |
Hexatonal | 600 |
Hexoliet (watergehalte < 15%) | 800 |
Hexoliet (watergehalte ≥ 15%) | 1000 |
Hydrazinenitraat | 700 |
Hydrazineperchloraat | 800 |
Hydrazinetrinitromethaan | 1000 |
Iodoxybenzeen | 3000 |
Kwikfulminaat (water- of water-/alcoholgehalte ≥ 20%) | 2500 |
Kwikfulminaat1 | 200 |
Kwikoxycyanide | 2000 |
Lithiumazide | 2000 |
Loodazide (water- of water-/alcoholgehalte ≥ 20%) | 2500 |
Loodazide1 | 200 |
Loodstyfnaat (water- of water-/alcoholgehalte ≥ 20%) | 3000 |
Loodstyfnaat1 | 250 |
Mannitolhexanitraat (water- of water-/alcoholgehalte ≥40%) | 1000 |
Mannitolhexanitraat1 | 60 |
Methyl-3-(2-quinoxalinylmethyleen)carbazaat-N1,N4-dioxide | 5000 |
Methylaminenitraat | 900 |
Methylethylketonperoxide(s) (≤ 52%) [Type B] | 3000 |
Methylnitraat | 600 |
Methyltrimethylolmethaantrinitraat | 700 |
N,N’-Dinitroso-N,N’-Dimethyloxamide | 1200 |
N,N’-Dinitroso-N,N’-dimethyltereftalimide (Type C) | 5000 |
N,N’-Dinitrosopentamethyleentetramine (Type C) | 5000 |
Natriumdinitro-o-cresolaat (watergehalte < 15%) | 1500 |
Natriumdinitro-o-cresolaat (watergehalte ≥ 15%) | 1800 |
Natriumpicramaat ( watergehalte < 20%) | 1500 |
Natriumpicramaat ( watergehalte ≥ 20%) | 1900 |
N-Benzylpyridiniumperchloraat | 1700 |
n-Butyl-4,4-di-(tert-butylperoxy)valeraat (> 52-100%) [Type C] | 5000 |
Nitroethaan | 1000 |
Nitroethaanpropaandioldinitraat | 600 |
Nitroguanidine (watergehalte < 20%) | 1000 |
Nitroguanidine (watergehalte ≥ 20%) | 1300 |
Nitroisobutylglyceroltrinitraat | 600 |
Nitromethaan | 800 |
Nitropolystyreen (13,6% stikstof) | 5000 |
Nitrosomethylureum | 2000 |
Nitrotriazolon | 1000 |
Nitroureum4 | 1000 |
Octoliet (77% Octogeen, 23% TNT; watergehalte < 15%) | 800 |
Octoliet (77% Octogeen, 23% TNT; watergehalte ≥ 15%) | 1000 |
Octonal | 800 |
Organisch peroxide Type A van Afdeling 5.2 van de VN transportclassificatie | 1000 |
Organisch peroxide Type B van Afdeling 5.2 van de VN transportclassificatie | 3000 |
Organisch peroxide Type C van Afdeling 5.2 van de VN transportclassificatie | 5000 |
Pentaeryrthriettetranitraat (PETN) gedesensibiliseerd met = 7% was | 700 |
Pentaeryrthriettetranitraat (PETN) watergehalte ≥ 25% of gedesensibiliseerd met ≥ 15% flegmatiseermiddel | 800 |
Pentaeryrthriettetranitraat (PETN)1 | 600 |
Pentoliet (mengsel TNT/PETN) (watergehalte < 15%) | 800 |
Pentoliet (mengsel TNT/PETN) (watergehalte ≥15%) | 1000 |
Professioneel vuurwerk: UN nr 0333, classificatie 1.1G | 1000 (NEQ)8 |
Professioneel vuurwerk: overige soorten | 2000 (NEQ)8 |
Propylnitraat | 1300 |
Rookzwak buskruit | 800 |
tert-Amylperoxy-3,5,5-trimethylhexanoaat (< 100%) [Type B] | 3000 |
tert-Amylperoxybenzoaat (≤ 100%) [Type C] | 5000 |
tert-Amylperoxypivalaat (≤ 77%) [Type C] | 5000 |
tert-Butylhydroperoxide (> 79-90%) [Type C] | 5000 |
tert-Butylmonoperoxyftalaat (≤ 100%) [Type B] | 3000 |
tert-Butylmonoperoxymaleaat [Type B] | 3000 |
tert-Butylmonoperoxymaleaat [Type C] | 5000 |
tert-Butylperoxy-2-ethylhexanoaat (> 52-100%) [Type C] | 5000 |
tert-Butylperoxy-2-methylbenzoaat (≤ 100%) [Type C] | 5000 |
tert-Butylperoxyacetaat [Type B] | 3000 |
tert-Butylperoxyacetaat [Type C] | 5000 |
tert-Butylperoxybenzoaat (> 77-100%) [Type C] | 5000 |
tert-Butylperoxydiethylacetaat (≤ 100%) [Type C] | 5000 |
tert-Butylperoxyisopropylcarbonaat (≤ 77%) [Type C] | 5000 |
tert-Butylperoxypivalaat (> 67-77%) [Type C] | 5000 |
Tetramethylcyclopentanontetranitraat | 800 |
Tetraminepalladium(II)nitraat (Type C) | 5000 |
Tetranitroaniline | 700 |
Tetranitrocarbazol | 1300 |
Tetranitromethaan5 | 3000 |
Tetrazeen (water- of water-/alcoholgehalte ≥ 30%) | 2000 |
Tetrazeen1 | 170 |
Tetrazol-1-azijnzuur | 1000 |
Triaminoguanidinenitraat | 900 |
Triaminotrinitrobenzeen | 1500 |
Triethylaminonitraat | 1000 |
Triethyleenglycoldinitraat6 | 900 |
Trilithium-4-hydroxy-3-(4-(2-methoxy-4-(3-sulfonaatfenylazo)fenylazo)-3-methyl-phenylazo)-6-(3-sulfonaataniline)nafthaleen-2-sulfonaat | 3000 |
Trinatrium-(2-((3-(6-(2-chloor-5-sulfonaat)aniline-4-(3-carboxypyridine)-1,3,5-triazine-2-ylamino)-2-oxide-5-sulfonaatfenylazo)fenylmethylazo)-4-sulfonaatbenzoaat)koper-(3-))hydroxide | 3000 |
Trinitroaniline | 1000 |
Trinitroanisol | 900 |
Trinitrobenzeen (watergehalte < 30%) | 900 |
Trinitrobenzeen (watergehalte ≥ 30%) | 1300 |
Trinitrobenzeensulfonzuur | 1000 |
TrinitrobenzoÎzuur (watergehalte < 30%) | 1000 |
TrinitrobenzoÎzuur (watergehalte ≥ 30%) | 1300 |
Trinitrochloorbenzeen | 1000 |
Trinitrofenetol | 1300 |
Trinitrofenol (watergehalte < 30%) | 900 |
Trinitrofenol (watergehalte ≥ 30%) | 1300 |
Trinitrofenoxyethylnitraat | 800 |
Trinitrofenylethylnitramine | 900 |
Trinitrofluorenon | 1000 |
Trinitro-m-cresol | 1000 |
Trinitronaftaleen | 1300 |
Trinitroresorcinol (water- of water-/alcoholgehalte < 20%) | 1000 |
Trinitroresorcinol (water- of water-/alcoholgehalte ≥ 20%) | 1300 |
Trinitrotolueen (watergehalte < 30%) | 1000 |
Trinitrotolueen (watergehalte ≥30%) | 1400 |
Trinitroxyleen | 1100 |
Tritonal | 800 |
Ureumnitraat (watergehalte < 20%)7 | 1000 |
Ureumnitraat (watergehalte ≥ 20%) | 1300 |
Ureumwaterstofperoxide | 3000 |
Zetmeelnitraat (watergehalte < 20%) | 1000 |
Zetmeelnitraat (watergehalte ≥ 20%) | 1300 |
Zilverazide1 | 200 |
Zilverpicraat (watergehalte ≥ 30%) | 1300 |
Zirconiumpicramaat (watergehalte < 20%) | 1500 |
Zirconiumpicramaat (watergehalte ≥ 20%) | 1900 |
Zouten van picrinezuur | 900 |
Zwart buskruit | 2000 |
NB In de berekening van bovenstaande grenswaarden is een extra correctiefactor van 0,1 toegepast voor stoffen die zeer gevoelig zijn voor mechanische prikkels of die extra gevaarlijk zijn door hun giftigheid.
behorend bij beleidsregel 4.2 -1 Arbobesluit
Verklaring van de gebruikte letters en aanduidingen
Om eenduidige identificatie te vergemakkelijken is bij elke stof het zogenoemde CAS nummer opgenomen, dat wil zeggen het nummer waaronder de stof door de "Chemical Abstract" Service is geregistreerd.
Maximale aanvaardeconcentratie - Tijdgewogen gemiddelde. Voor een aantal stoffen is naast de maximale aanvaarde concentratie bij een blootstellingsduur tot 8 uur per dag tevens een grenswaarde vastgesteld voor een kortdurende blootstelling van ten hoogste 15 minuten.
Deze aanduiding is toegepast bij stoffen waarvan de bestuurlijke grenswaarde (MAC-waarde) een ceilingwaarde (of plafondwaarde) is. Een ceilingwaarde geeft aan dat overschrijding van deze concentratie in alle gevallen moet worden voorkómen.
Stoffën die relatiefgemakkelijk doorde huid kunnen worden opgenomen, hetgeen een substantiële bijdrage kan betekenen aan de totale inwendige blootstelling, hebben in de lijst een H-aanduiding. Bij deze stoffen moeten naast maatregelen tegen inademing ook adequate maatregeten ter voorkoming van huidcontact worden genomen.
Voorstoffen die ook als deeltjes/aerosolen kunnen voorkomen geldt dat de MAC-waarde betrekking heeft op de deeltjes bemonsterd als "inhaleerbaar stof", tenzij anders vermeld. Voor nadere definiëring van inhaleerbaar en respirabel stofen meetaspecten hiervan wordt verwezen naar NEN-norm NEN-EN 481:94 "Werkplekatmosfeer Definitie van de deeltjesgrootteverdeling voor het meten van in de lucht zwevende deeltjes".
De hieronder vermelde grenswaarden gelden bij een temperatuur van 20 °C en een druk van 101,3 kPa.
Naam van de stof | CAS nr. | MAC-waarde TGG 8 uur mg/m3 | C | MAC-waarde TGG 15 min. mg/m3 | H |
Aceetaldehyde | 75-07-0 | 180 | |||
Aceetamide | 60-35-5 | 25 | |||
Acetofenon | 98-86-2 | 49 | |||
Aceton | 67-64-1 | 1210 | 2420 | ||
Acetonitril | 75-05-8 | 70 | |||
o-Acetylsalicylzuur | 50-78-2 | 5 | |||
Acrylatdehyde | 107-02-8 | 0,05 | 0,12 | ||
Acrylzuur | 79-10-7 | 5,9 | |||
Adipinezuur | 124-04-9 | 5 | |||
Adiponitril | 111-69-3 | 8,8 | |||
Aldrin | 309-00-2 | 0,25 | H | ||
Allylalcohol | 107-18-6 | 4,8 | 12,1 | H | |
Altylpropyldisulfide | 2179-59-1 | 12 | |||
Aluminium1 | 7429-90-5 | 10 | |||
Aluminium (in water oplosbare zouten) | 2 | ||||
Aluminiumoxide1 | 134-28-1 | 10 | |||
Aluminium pyro-poeders | 5 | ||||
2-Aminoethanol | 141-43-5 | 2,5 | 7,6 | H | |
Amitrol | 61-82-5 | 0,2 | |||
Ammoniak | 7664-41-7 | 14 | 36 | ||
Ammonium-perfluoroctanoaat | 3825-26-1 | 0,01 | H | ||
Ammoniumsulfamidaat | 7773-06-0 | 10 | |||
p-Anisidine | 29191-52-4 | 0,5 | H | ||
Antimoon en -verbindingen (als Sb) | 7440-36-0 | 0.5 | |||
Arsine | 7784-42-1 | 0,2 | |||
Asfaltrook (bitumineus) | 8052-42-4 | 5 | |||
Atrazine | 1912-24-9 | 5 | |||
Azinfos-methyl | 86-50-0 | 0,2 | H | ||
Azijnzuuranhydride910 | 108-24-7 | 2,5 | 10 | ||
Azobisisobutyronitril (AIBN) 1718 | 78-76-1 | 0,24 | |||
Azodicarbonamide | 123-77-3 | 1 | 3 | ||
Banumen oplosbare -verbindingen (als Ba) | 7440-39-3 | 0.5 | |||
Bariumsulfaat | 7727-43-7 | 1,54 | |||
4 | |||||
Benomyl | 17804-35-2 | 10 | |||
p-Benzeendiamine | 106-50-3 | 0.1 | H | ||
m-Benzeendiamine | 108-45-2 | 0.1 | |||
Benzeen-1,2,4-tncarbonzuur-1,2-anhydride | 552-30-7 | – | 0,04 | ||
p-Benzochinon | 106-51-4 | 0,4 | |||
p-tert-Benzoëzuur | 98-73-7 | 24 | |||
Berylliumaluminiumsilicaat | 1302-52-9 | 0,002 | |||
Bifenyl | 92-52-4 | 1 | |||
Bifenyl/fenylether-mengsel | 7 | ||||
Bis(2,3-epoxypropyl)ether | 2238-07-5 | 0,5 | |||
Boriumtribromide | 10294-33-4 | 10 | C | ||
Boriumtrifluoride | 7637-07-2 | 0,2 | |||
Bromacil | 314-40-9 | 10 | |||
Bromoform | 75-25-2 | 5 | H | ||
Broom | 7726-95-6 | 0,7 | |||
Broomchloormethaan | 74-97-5 | 1050 | |||
Broomethaan | 74-96-4 | 22 | 4421 | H | |
Broompentafluoride | 7789-30-2 | 0,7 | |||
Broomtrifluormethaan | 75-63-8 | 6100 | |||
Broomwaterstof | 10035-10-6 | – | 6,7 | ||
n-Butaan | 106-97-8 | 1430 | |||
2-Butanol | 78-92-2 | 450 | |||
2-Butanon21 | 78-93-3 | 1180 | H | ||
Butaanthiol | 109-79-5 | 1,5 | |||
2-trans-Butenal | 123-73-9 | 6 | |||
2-Butoxyethanol | 111-76-2 | 100 | 246 | H | |
2-Butoxyethylacetaat | 112-07-2 | 135 | 333 | H | |
n-Butylacetaat20 | 123-86-4 | 480 | |||
sec-Butylacetaat | 105-46-5 | 48022 | |||
n-Butylacrylaat911 | 141-32-2 | 11 | 53 | ||
n-Butylchloorformiaat | 592-34-7 | 5,6 | |||
tert-Butylchromaat (als CrO3) | 1189-85-1 | 0,1 | C | H | |
p-tert-Butylfenol | 98-54-4 | 0,5 | |||
n-Butylglycidylether (BGE) | 2426-08-6 | 135 | |||
Calciumcyanamide | 156-62-7 | 0,5 | |||
Calciumoxide | 1305-78-8 | 5 | |||
Calciumsulfaat1 | 10101-41-4 | 1023 | |||
Captan | 133-06-2 | 5 | |||
Carbaryl | 63-25-2 | 5 | |||
Carbofuraan | 1563-66-2 | 0,1 | |||
Chlooraceetaldehyde | 107-20-0 | 3 | C | ||
2-Chlooracetofenon | 532-27-4 | 0,1 (inhaleerbare fractie) | 0,3 | ||
Chlooraceton | 78-95-5 | 3,8 | H | ||
Chlooracetylchloride | 79-04-9 | 0,2 | |||
Chloorbenzeen | 108-90-7 | 46 | |||
o-Chloorbenzilydeenmalonitril (OCBM) | 2698-41-1 | 0,02 (inhaleerbare fractie) | |||
Chloordaan | 57-74-9 | 0,5 | H | ||
Chloorbifenyl (42% Cl) | 53469-21-9 | 1 | H | ||
Chloorbifenyl (54% Cl) | 11097-69-1 | 0,5 | H | ||
2-Chloorethanol | 107-07-3 | 3 | C | H | |
p-Chloor-m-cresol | 59-50-7 | 3 | |||
3-Chloorpropeen | 107-05-1 | 3 | |||
2-Chloorpropionzuur | 598-78-7 | 0,44 | H | ||
Chloorpyrifos | 2921-88-2 | 0,2 | H | ||
2-Chloortolueen | 95-49-8 | 2 | |||
Chromylchloride | 14977-61-8 | 0,15 | |||
CrufomaatR | 299-86-5 | 5 | |||
Cumeen | 98-82-8 | 100 | 250 | H | |
Cyaanwaterstof | 74-90-8 | 1 | 10 | H | |
Cyanamide | 420-04-2 | 2 | |||
Cyaniden (als CN) | 1 | 10 | H | ||
Cyclohexaan21 | 110-82-7 | 1750 | |||
1,3-Cyclopentadieen | 542-92-7 | 200 | |||
Cyhexatin | 13121-70-5 | 5 | |||
Decaboraan | 17702-41-9 | 0,3 | H | ||
Demeton | 8065-48-3 | 0,1 | H | ||
(Di)Ammoniumperoxidisulfaat (als S2O8) | 7727-54-0 | 1 | |||
Diazinon | 333-41-5 | 0,1 | H | ||
Dibenzoylperoxide | 94-36-0 | 5 | |||
Diboraan | 19287-45-7 | 0,1 | |||
Diboriumtrioxide | 1303-86-2 | 10 | |||
1,2-Dibroom-2,2-dichloorethyldimethylfosfaat | 300-76-5 | 0,02 | |||
Dibroomdifluormethaan | 75-61-6 | 860 | |||
2-N-Dibutylaminoethanol | 102-81-8 | 3,5 | H | ||
Dibutylfenylfosfaat | 2528-36-1 | 3,5 | H | ||
Dichlooracetyleen | 7572-29-4 | 0,4 | C | ||
1,2-Dichloorbenzeen | 95-50-1 | 122 | 300 | H | |
1,4-Dichloor-2-buteen | 764-41-0 | 0,025 | H | ||
1,1-Dichloorethaan21 | 75-34-3 | 800 | |||
1,2-Dichloorethaan21 | 107-06-2 | 14 | |||
1,2-Dichloorethyleen | 540-59-0 | 790 | |||
Dichloorethylether | 111-44-4 | 30 | H | ||
2,4-Dichloorfenoxy-azijnzuur | 94-75-7 | 10 | |||
1,2-Dichloorpropaan | 78-87-5 | 350 | |||
1,3-Dichloorpropeen | 542-75-6 | 5 | |||
2,2-Dichloorpropionzuur | 75-99-0 | 6 | |||
Dichloorvos | 62-73-7 | 1 | H | ||
Dicrotofos | 141-66-2 | 0,01 | H | ||
Dicyclopentadieen | 77-73-6 | 3 | |||
Dieldrin | 60-57-1 | 0,25 | H | ||
Diethylamine | 109-89-7 | 15 | H | ||
2-Diethytaminoethanol | 100-37-8 | 9,6 | H | ||
Diethyleenglycoldimethylether | 11-96-6 | 27 | |||
Diethyleenglycolethyletheracetaat9 | 112-15-2 | 110 | 220 | ||
Diethyleenglycolmonobutyletheracetaat | 124-17-4 | 130 | 250 | ||
Diethylether | 60-29-7 | 308 | 616 | ||
Difosforpentasulfide | 1314-80-3 | 1 | |||
Diisopropylamine | 108-18-9 | 5 | |||
Diisopropylether | 108-20-3 | 1050 | 210021 | ||
Diisopropylfenylisocyanaat | 28178-42-9 | 0,04 | |||
(Di)Kaliumperoxidisulfaat (als S2O8) | 7727-21-1 | 1 | |||
N,N-Dimetnylacetamide | 127-19-5 | 36 | 72 | H | |
Dimethylaminoethanol | 108-01-0 | 7,4 | 22 | ||
N,N-Dimethylaniline | 121-69-7 | 5 | H | ||
Dimethylether | 115-10-6 | 950 | 1500 | ||
N,N-Dimethylethylamine | 598-56-1 | 6 | |||
Dimethylformamide21 | 68-12-2 | 30 | H | ||
2,6-Dimethylheptanon-4 | 108-83-8 | 150 | |||
Dimethylsulfoxide | 67-68-5 | 150 | H | ||
Dinatriumdisulfiet | 7681-57-4 | 5 | |||
(Di)Natriumperoxidisulfaat (als S2O8) | 7775-27-1 | 1 | |||
Dinatriumtetraboraten | |||||
anhydraat | 1330-43-4 | 1 | |||
decahydraat (borax) | 1303-96-4 | 5 | |||
pentahydraat | 11130-12-4 | 1 | |||
Dinitrobenzeen (alle isomeren) | 25154-54-5 | 1 | H | ||
3,5-Dinitro-o-toluamide | 148-01-6 | 5 | |||
Dioxathion | 78-34-2 | 0,2 | |||
Dipropyleenglycolmethylether | 34590-94-8 | 300 | |||
Diquat dibromide | 85-00-7 | 0,5 | |||
Disulfiram | 97-77-8 | 1 | |||
Disyston | 298-04-4 | 0,02 | |||
2,6-Di-tert-butyl-p-cresol | 128-37-0 | 10 | |||
Diuron | 330-54-1 | 10 | |||
1,3-Divinylbenzeen | 108-57-6 | 50 | |||
Dyfonate | 944-22-9 | 0.1 | |||
Endosulfan | 115-29-7 | 0,1 | H | ||
Endrin | 72-20-8 | 0,1 | H | ||
Enfluraan | 13838-16-9 | 575 | |||
1,2-Epoxy-4-epoxyethylcyclohexaan | 106-87-6 | 60 | |||
Ethaan-1,2-diol (damp) | 107-21-1 | 52 | 104 | H | |
Ethaan-1,2-diol (druppels) | 107-21-1 | 10 | |||
Ethanol | 64-17-5 | 1000 | |||
Ethion | 563-12-2 | 0,4 | H | ||
2-Ethoxyethanol | 110-80-5 | 19 | 3821 | H | |
2-Ethoxyethylacetaat | 111-15-9 | 27 | H | ||
Ethylbenzeen21 | 100-41-4 | 430 | H | ||
Ethylchloorformiaat | 541-41-3 | 4,4 | |||
Ethyl(2-)cyaanacrylaat9 | 7085-85-0 | – | 1,5 | ||
Ethyleen9 | 74-85-1 | 330 | 1200 | ||
Ethyleendinitraat | 628-96-6 | 0,3 | H | ||
Ethyleenglycolisopropyletheracetaat | 19234-20-9 | 60 | 120 | H | |
2-Ethylhexanol9 | 104-76-7 | 270 | – | ||
2-Ethylhexylchloorformiaat | 24468-13-1 | 7,9 | |||
Ethylideennorborneen | 16219-75-3 | 25 | C | ||
4,4`-(2-Ethyl-2-nitro-1,3-propandiyl)bismorfoline (20 gew.-%) en 4-(2-nitrobutyl)morfoline (70 gew.-%) mengsel3)3 | 1854-23-5; 2224-44-4 | 0,6 | |||
Ethyl-p-nitrofenylthiobenzeenfosfenaat | 2104-64-5 | 0,1 | H | ||
Fenamifos | 22224-92-6 | 0,1 | H | ||
Fenchloorfos | 299-84-3 | 10 | |||
Fenothiazine | 92-84-2 | 2 (inhaleerbare fractie) | |||
2-Fenoxy-ethanol | 122-99-6 | 110 | |||
Fensulfothion | 115-90-2 | 0,1 | |||
Fenthion | 55-38-9 | 0,1 | |||
Fenylfosfine | 638-21-1 | 0,25 | C | ||
2-Fenylpropeen | 98-83-9 | 20 | |||
Ferbam | 14484-64-1 | 10 | |||
Foraat | 298-02-2 | 0,02 | H | ||
Formaldehyde | 50-00-0 | 1,5 | 3 | ||
Fosfor, geel | 7723-14-0 | 0,1 | |||
Fosforpentachloride | 10026-13-8 | 1 | |||
Fosforpentoxide912 | 1314-56-3 | 1 | 5 | ||
Fosfortrichloride | 7719-12-2 | 1,5 | |||
Fosforyltrichloride | 10025-87-3 | 0,6 | |||
Fosforzuur | 7664-38-2 | 1 | 2 | ||
Fosgeen | 75-44-5 | 0,08 | 0,4 | ||
2-Furaldehyde | 98-01-1 | 8 | |||
Furfurylalcohol | 98-00-0 | 20 | 200 | H | |
Gehydrogeneerde terfenylen | 61788-32-7 | 5 | |||
Glas (stof)1 | 10 | ||||
Glutaaraldehyde (al dan niet geactiveerd) | 111-30-8 | 0,25 | C | ||
Glycerol (nevel)1 | 56-81-5 | 10 | |||
Glyceroltrinitraat | 55-63-0 | 0,5 | H | ||
Grafiet (alle vormen m.u.v. vezels) | 7782-42-5 | 24 | |||
Hafnium | 7440-58-6 | 0,5 | |||
Halothaan5 | 151-67-7 | 4023 | |||
Heptachloor | 76-44-8 | 0,05 | H | ||
Heptachloorepoxide | 1024-57-3 | 0,05 | H | ||
Hexaan (alle isomeren m.u.v. n-Hexaan) | |||||
2,2-Dimethylbutaan | 75-83-2 | 720 | |||
2,3-Dimethylbutaan | 79-29-8 | 720 | |||
2-Methylpentaan | 107-83-5 | 720 | |||
3-Methylpentaan | 96-14-0 | 720 | |||
n-Hexaan21 | 110-54-3 | 180 | |||
1,6-Hexaandiamine | 124-09-4 | 2,3 | |||
Hexachloorbutadieen | 87-68-3 | 0,24 | |||
Hexachloorcyclopentadieën | 77-47-4 | 0,01 | |||
Hexachloorethaan | 67-72-1 | 10 | H | ||
Hexahydro-1,3,5-trinitro-1,3,5-triazine | 121-82-4 | 1,5 | H | ||
Hydrochinon | 123-31-9 | 2 | |||
4-Hydroxy-4-methylpentanon-2 | 123-42-2 | 120 | H | ||
2-Hydroxypropylacrylaat | 999-61-1 | 3 | H | ||
2,2,-Iminodiethanol | 111-42-2 | 2 | H | ||
2,2,-lminodi(ethylamine) | 111-40-0 | 4 | H | ||
Indium en-verbindingen (als In) | 7440-74-6 | 0,1 | |||
Isobutylacetaat | 110-19-0 | 48022 | |||
N-Isopropylaniline | 768-52-5 | 0,5 | |||
Isopropylchloorformiaat | 108-23-6 | 5 | |||
Jodium | 7553-56-2 | 1 | C | ||
Jodoform | 75-47-8 | 3 | |||
Joodmethaan | 74-88-4 | 10 | H | ||
Kaliumcyanide | 151-50-8 | 2,4 | 24 | H | |
Kalksteen1 | 1317-65-3 | 10 | |||
Kaoline1 | 1332-58-7 | 10 | |||
Katoenstof (ruwe) | 0,2 | ||||
KathonR mengsel | 55965-84-9 | 0,2 | |||
Kobalt (stofen rook)(als Co) | 7440-48-4 | 0,02 | |||
Kobaltcarbonyl (als Co) | 10210-68-1 | 0,1 | |||
Kobalthydrocarbonyl (als Co) | 16842-03-8 | 0,1 | |||
Kolenstof | 24 | ||||
Kooldioxide | 124-38-9 | 9000 | |||
Koper (rook) | 7440-50-8 | 0,2 | |||
Koper (stof) | 7440-50-8 | 1 | |||
Lasrook | 5 | ||||
Lithiumhydride | 7580-67-8 | 0,025 | |||
LPG (Liquified Petroleum Gas) | 1800 | ||||
Magnesiumcarbonaat1 | 546-93-0 | 10 | |||
Malathion | 121-75-5 | 10 | H | ||
Maleïnezuuranhydride | 108-31-6 | 0,4 | |||
Mercaptobenzothiazol | 149-30-4 | 4 | |||
Methacrylzuur | 79-41-4 | 70 | |||
Methanol | 67-56-1 | 260 | 52021 | H | |
Methomyl | 16752-77-5 | 2,5 | H | ||
2-Methoxyazijnzuur | 625-45-6 | 19 | |||
Methoxychloor | 72-43-5 | 10 | |||
4-Methoxyfenol | 150-76-5 | 5 | |||
2-Methoxypopanol-117 | 1589-47-5 | 19 | |||
2-Methoxy-propylacetaat17 | 70657-70-4 | 28 | |||
Methylacetaat | 79-20-9 | 100 | |||
Methylacetyleen/propadieenmengsel (MAPP-gas) | 1800 | ||||
Methylacrylnitril | 126-98-7 | 3 | H | ||
Methylamine | 74-89-5 | 6,4 | 19 | ||
N-Methylaniline | 100-61-8 | 2 | |||
3-Methylbutanol-1 | 123-51-3 | 100 | |||
Methylchlooracetaat | 96-34-4 | 5 | |||
Methyl-2-cyaanacrylaat913 | 137-05-3 | – | 1,4 | ||
Methylcyclohexaan | 108-87-2 | 1600 | |||
Methylcyclohexanol2 | 25639-42-3 | 235 | |||
Methyldemeton | 8022-00-2 | 0,5 | H | ||
2-Methyl-4,6-dinitrofenol | 534-52-1 | 0,2 | H | ||
Methyleen-bis(4-cyclohexyl -isocyanaat) | 5124-30-1 | 0,11 | C | H | |
Methylformiaat | 107-31-3 | 250 | 500 | ||
Methylisocyanaat | 624-83-9 | 0,05 | H | ||
2-Methylpentaan-2,4-diol | 107-41-5 | 125 | C | ||
4-Methytpentanol-2 | 108-11-2 | 100 | H | ||
2-Methytpropanol-1 | 78-83-1 | 150 | |||
2-Methylpropanol-2 | 75-65-0 | 300 | 60021 | ||
N-Methyl-2-pyrrolidon (damp) | 872-50-4 | 80 | |||
Methyl-S-demeton | 919-86-8 | 0,01 | H | ||
Methylstyreen | 25013-15-4 | 50 | H | ||
N-Methyl-1N,2,4,6-tetranitroaniline | 479-45-8 | 1,5 | H | ||
Metribuzine | 21087-64-9 | 5 | |||
Mevinfos | 7786-34-7 | 0,1 | H | ||
Mierezuur | 64-18-6 | 9 | |||
Molybdeen (in wateroplosbare verbindingen) (als Mo) | 7439-98-7 | 5 | |||
Molybdeen (in wateronoplosbare verbindingen) (als Mo) | 7439-98-7 | 10 | |||
Monochloorazijnzuur | 79-11-8 | 4 | H | ||
Monocrotophos | 6923-22-4 | 0,02 | |||
Monomethylhydrazine | 60-34-4 | 0,35 | C | H | |
Morfoline914 | 110-91-8 | 36 | 72 | H | |
Naftaleen915 | 91-20-3 | 50 | 80 | ||
a-Naftylthioureum | 86-88-4 | 0.3 | |||
Natriumazide | 26628-22-8 | 0,1 | 0,3 | H | |
Natriumbisulfiet | 7631-905 | 5 | |||
Natriumcyanide | 143-33-9 | 1,8 | 18 | H | |
Natriumdiethyldithiocarbamaat | 148-18-5 | 2 | |||
Natrium-2 -(2,4 -dichloorfenoxy) -ethylsulfaat | 136-78-7 | 10 | |||
Natriumfluoracetaat | 62-74-8 | 0,05 | H | ||
Natriumpyrithion | 3811-732; 15922-78-8 | 1 | |||
Nicotine | 54-11-5 | 0,5 | H | ||
Nikkel6 (in water oplosbare verbindingen (als Ni) | 0,1 | ||||
4-Nitroaniline | 100-01-6 | 6 | H | ||
Nitrobenzeen | 98-95-3 | 5 | H | ||
4-(2-Nitrobutyl)-morfoline (70% gew.-%) | 2224-44-4 | 0,6 | |||
en 4,4'-(2-ethyl-2-nitro-1,3-propandiyl)bismorfoline (20 gew.%) mengsel3 | 1854-23-5 | ||||
p-Nitrochloorbenzeen | 100-00-5 | 1 | H | ||
Nitroethaan | 79-24-3 | 60 | |||
Nitromethaan | 75-52-5 | 50 | |||
1-Nitropropaan | 108-03-2 | 90 | |||
m-Nitrotolueen | 99-08-1 | 6 | H | ||
n-Nonaan | 111-84-2 | 1050 | |||
n-Octaan | 111-65-9 | 1450 | |||
2-n-Octyl-2,3-dihydro-isothia-zol-3-on | 26530-20 | 0,05 | |||
Olienevel (minerale olie) | 5 | ||||
Oxaalzuur | 144-62-7 | 1 | |||
Oxalonitril | 460-19-6 | 2023 | |||
Ozon | 10028-15-6 | 0,1207 | |||
Paraquat | 1910-42-5 | 0,1 | |||
Parathion | 56-38-2 | 0,1 | H | ||
Parathionmethyl | 298-00-0 | 0,2 | H | ||
Pentaboraan | 19624-22-7 | 0,01 | |||
Pentachloorethaan | 76-01-7 | 40 | |||
Pentachloorfenol | 87-86-5 | 0,06 | H | ||
Pentachloornitrobenzeen | 82-68-8 | 0,5 | |||
2-Pentanon | 107-87-9 | 700 | |||
Perfluoriso-butyleen | 382-21-8 | 0,082 | C | ||
Perliet1 | 8075-36-3 | 10 | |||
Perliet (< 0,7% kwarts) 10 (inhaleerbare fractie) | 93763-70-3 | 5 (respirabele fractie) | |||
Picloram | 1918-02-1 | 10 | |||
Piperazine9 | 110-85-0 | 0,1 | 0,3 | ||
Platina | 7440-06-4 | 1 | |||
Platina (in water oplosbare zouten) als Pt | 0,002 | ||||
Poly-acrylzuur | 9003-01-4 | 0,054 | |||
Polychloorbifenylen | 1336-36-3 | 0,1 | H | ||
Polycyclische aromatische koolwaterstoffen6 (bepaald als oplosbaar in cyclohexaan) | 8007-45-2 | 0,2 | |||
Polyethyleenglycol (mol,gew. 200-600) | 1000 | ||||
Portland cement1 | 65997-15-1 | 10 | |||
2-Propanol | 67-63-0 | 650 | H | ||
Propranolol | 525-66-6 | 2 | 6 | ||
Propionzuur | 79-09-4 | 31 | 62 | ||
Propoxur | 114-26-1 | 0,5 | |||
n-Propylacetaat | 109-60-4 | 440 | 800 | ||
Propyleen | 115-07-1 | 900 | |||
Propyleendinitraat | 6423-43-4 | 0,3 | H | ||
2-Propynol-1 | 107-19-7 | 2 | H | ||
Pyrethrum | 8003-34-7 | 5 | |||
Pyrocatechol | 120-80-9 | 20 | |||
Pyrolyseproducten afkomstig van harskern van soldeertin (alifatisch aldehyde berekend als formaldehyde) | 0,1 | ||||
Resorcinol | 108-46-3 | 45 | |||
Respirabel PVC-stof | 9002-86-2 | 12224 | |||
Rhodium (damp en stof. als Rh) | 7440-16-6 | 0,1 | |||
Rhodium (in water oplosbare zouten als Rh) | 0.001 | ||||
Carbon black | 1333-86-4 | 3,5 | |||
Rotenon | 83-79-4 | 5 | |||
Rouge (Fe2O3)1 | 1309-37-1 | 10 | |||
Rubber solvent | 1600 | ||||
Saccharose1 | 57-50-1 | 10 | |||
Salpeterzuur | 7697-37-2 | 1,3 | |||
Siliciumcarbide1 | 409-21-2 | 10 | |||
Speksteen | 14378-12-2 | 5 | |||
2,54 | |||||
Stearaten (uitgezonderd die van toxische metalen) | 5 | ||||
Stibine | 7803-52-3 | 0,5 | |||
Stikstofmonoxide | 10102-43-9 | 30 | |||
Stikstofwaterstofzuur | 7782-79-8 | 0,18 | |||
Stoddard solvent | 8052-41-3 | 575 | |||
Stof (inhaleerbaar) | 10 | ||||
Stof (respirabel) | 5 | ||||
Subtilisinen (proteolyt)sche enzymen) | 0,00006 | C | |||
Sulfometuron methyl | 74222-97-2 | 5 | |||
Sulfurylfluoride | 2699-79-8 | 20 | |||
Sulprofos | 35400-43-2 | 1 | |||
Temefos | 3383-96-8 | 2 | |||
Tereftalaatzuur | 100-21-0 | 10 | |||
Terpentijnolie | 8006-64-2 | 560 | |||
1,1,2,2-Tetrabroomethaan | 79-27-6 | 7 | H | ||
Tetracarbonylnikkel (als Ni) | 13463-39-3 | 0,35 | |||
1,1,1,2-Tetrachloor-2.2-difluorethaan | 76-11-9 | 4170 | |||
1,1,2,2-Tetrachloorethaan | 79-34-5 | 7 | H | ||
Tetrachloorethyleen | 127-18-4 | 24023 | H | ||
Tetrachloorkoolstof916 | 52-23-5 | 3,2 | 6,422 | ||
Tetraethyldithiopyrofostaat (TEDP) | 3689-24-5 | 0.1 | H | ||
Tetraethyllood (als Pb) | 78-00-2 | 0,05 | H | ||
Tetraethylorthosilicaat | 78-10-4 | 85 | |||
Tetraethylpyrofosfaat (TEPP) | 107-49-3 | 0,05 | H | ||
1,1,1,2-Tetrafluorethaan | 811-97-2 | 4200 | |||
Tetrahydrofuraan21 | 109-99-9 | 600 | H | ||
Tetramethyllood (als Pb) | 75-74-1 | 0.05 | H | ||
Tetramethylorthosilicaat | 681-84-5 | 6 | |||
Tetramethylthiuramdisulfide (TMTD) | 137-26-8 | 0,2 (inhaleerbare fractie) | |||
Tetranitromethaan | 509-14-8 | 0,04 | |||
Textielstof | 1 | ||||
Thallium (in water oplosbare verbindingen) (als Tl) | 0,123 | H | |||
4,4'-Thiobis (6-tert-butyl-m-cresol | 96-69-5 | 10 | |||
Thioglycolzuur | 68-11-1 | 4 | 8 | H | |
Tin (metaal) | 7440-31-5 | 2 | |||
Tinverbindingen (anorganisch uitgezonderd SnH4) (als Sn) | 2 | ||||
Tinverbindingen (organisch) (als Sn) | 0,1 | 0,2 | H | ||
Titaandioxide1 | 13463-67-7 | 10 | |||
m-Toluïdine | 108-44-1 | 9 | H | ||
p-Toluïdine | 106-49-0 | 9 | H | ||
Toxfteen (gechloreerde camfeen 60%) | 8001-35-2 | 0.5 | H | ||
Tributylfosfaat | 126-73-8 | 5 | |||
Tri-n-butyltinverbindingen8 (als TBTO) | 0,05 | ||||
Tricarbonyl(methylcyclopentadiënyl)-mangaan | 12108-13-3 | 0,1 | 0,3 | ||
Trichloorazijnzuur | 76-03-9 | 1 | |||
1,2,4-Trichloorbenzeen | 120-82-1 | 7,55 | 37,8 | H | |
1,1,1-Trichloorbis(chloorfenyl)ethaan | 50-29-3 | 1 | |||
1,1,1-trichloorethaan21 | 71-55-6 | 1110 | |||
1,1,2-Trichloorethaan | 79-00-5 | 45 | 9021 | H | |
2,4,5-Trichloorfenoxyazijnzuur | 93-76-5 | 1023 | |||
Trichloornitromethaan | 76-06-2 | 0,7 | |||
Triethanolamine | 102-71-6 | 5 | |||
Trifenylfosfaat | 115-86-6 | 3 | |||
Triglycidylisocyanuraat | 2451-62-9 | 0,1 | |||
Trimangaantetraoxide | 1317-35-7 | 1 | |||
Trimethytbenzeen (alle isomeren) | 25551-13-7 | 100 | 20021 | ||
1,2,3-Trimethylbenzeen | 526-73-8 | 100 | 20021 | ||
1,2,4-Trimethylbenzeen | 95-63-6 | 100 | 20021 | ||
1,3,5-Trimethylbenzeen | 108-67-8 | 100 | 20021 | ||
3,5,5-Trimethylcyclohexenon-2 | 78-59-1 | 25 | C | ||
Trimethylfosfiet | 121-45-9 | 10 | |||
Trimethytolpropaan | 77-99-6 | 5 | |||
2,4,6-Trinitrotolueen (TNT) | 118-96-7 | 0,1 | H | ||
Triorthocresylfosfaat | 78-30-8 | 0,1 | |||
Uranium en -verbindingen (als U) | 7440-61-1 | 0,2 | |||
Vinylacetaat | 108-05-4 | 18 | |||
4-Vinylcyclohexeen | 100-40-3 | 0,4 | |||
Vinylideenchloride | 75-35-4 | 20 | |||
Warfarin | 81-81-2 | 0,1 | |||
Waterstofperoxide 90% | 7722-84-1 | 1,4 | |||
Xylidine (alle isomeren) | 1300-73-8 | 2,5 | |||
lJzeroxide(rook) (als Fe) | 1309-37-1 | 5 | |||
lJzerzouten, in water oplosbaar (als Fe) | 0,1 | ||||
lJzerzout van dicyctopentadieen | 102-54-5 | 1023 | |||
Zilver (metaal) | 7440-22-4 | 0,1 | |||
Zilververbindingen (in water oplosbaar) (als Ag) | 0,01 | ||||
Zinkchloride (rook) | 7646-85-7 | 1 | |||
Zinkdistearaat1 | 557-05-1 | 10 | |||
Zinkoxide (rook) | 1314-13-2 | 5 | |||
Ziram | 137-30-4 | 1 | |||
Zoutzuur | 7647-01-0 | 8 | 15 | ||
Zwavelhexafluoride | 2551-62-4 | 6000 | |||
Zwavelwaterstof | 7783-06-4 | 15 | |||
Zwavelzuur | 7664-93-9 | 1 |
De wettelijke of bestuurlijke grenswaarde voor een stof geldt in beginsel slechts voor blootstelling aan de zuivere stoffen is niet zonder meer van toepassing als de stof een bestanddeel is van een mengsel van stoffen waaraan blootstelling plaatsvindt. Het kan namelijk voorkomen dat de schadelijke werking van een dergelijk mengset de som is van die van de afzonderlijke stoffen. Hiervan is bijvoorbeeld sprake bij een mensgsel van verschillende organische oplosmiddelen. Het is ook mogelijk dat bij een gecombineerde blootstelling de schadelijke effecten van de afzonderlijke stoffen aanzienlijk worden versterkt c.q. verminderd.
Indien afzonderlijke componenten in een mengsel dezelfde toxische werking op eenzelfde orgaansysteem uitoefenen, wordt toetsing van de blootstelling aan de voor elk van die stoffen geldende grenswaarden als volgt uitgevoerd: de som van alle afzonderlijke blootstellingsconcentraties, als fractie van de afzonderlijke wettelijke grens- of MAC-waarden, is kleiner zijn dan één. Met andere woorden:
C1 | C2 | C3 | Cn | |||||
--------- | + | --------- | + | --------- | + | --------- | < | 1 |
MAC1 | MAC2 | MAC3 | MACn |
De procedure om de risicoklasse van de werkzaamheden vast te stellen is hieronder puntsgewijs beschreven.
Tenzij anders is vermeld, loopt u achtereenvolgens alle punten van de leidraad door.
De verklaring van de gebruikte afkortingen en symbolen vindt u aan het einde van deze leidraad.
De in de bodem (incl. grondwater) aangetroffen toxische stoffen vormen het startpunt bij de bepaling van de risicoklasse voor het toxiciteitsrisico van de werkzaamheden (klasse T).
Als men niet of onvoldoende op de hoogte is van de aard van de verontreiniging – terwijl wel is vastgesteld dat het om een verontreinigde bodem gaat – dan dient het werk altijd in de hoogste risicoklassen (3T en 2F) ingedeeld te worden. Dat geldt eveneens wanneer er tijdens de sanering nieuwe feiten aan het licht komen, bijvoorbeeld wanneer er vaten, blikken, bussen e.d. te voorschijn komen.
Als de grond verontreinigd is met asbest dan vallen de werkzaamheden in klasse 3T.
Bepaal voor de verontreinigingen die volgens de grond(water)analyses aanwezig zijn tot welke voorlopige klasse ze behoren volgens de criteria uit tabel 1. Onder verontreiniging wordt in dit verband verstaan alle stoffen die vanwege de concentratie waarin zij in de bodem of het grondwater voorkomen, meewegen in de beslissing of de bodem of het grondwater al dan niet valt onder de definitie van verontreinigde grond of verontreinigd grondwater, bedoeld in beleidsregel 4.2-2, eerste lid, onderdeel a. Dit betekent bijvoorbeeld voor stoffen met een streefwaarde dat alleen voor díe stoffen die in de bodem of het grondwater aanwezig zijn in concentraties boven de streefwaarde, de leidraad wordt doorlopen.
Deze voorlopige klasse wordt verder aangeduid met n. Rangschik de stoffen in groepen naar voorlopige klasse en ga vervolgens met die in de hoogste klasse verder. Als u de hele leidraad heeft doorlopen voor een verontreiniging, komt u uit in een bepaalde klasse. U begint dan met de volgende verontreiniging. Dit herhaalt u net zolang tot u zeker weet dat nogmaals doorlopen van de leidraad met een volgende stof, niet zal leiden tot een hogere klasse. Met andere woorden, indien op basis van een bepaalde stof de werkzaamheden in de hoogste T-klasse worden ingedeeld, hoeft u de leidraad niet nogmaals voor een andere stof te doorlopen, en is de definitieve T-klasse bereikt. Indien de werkzaamheden echter in een lagere risicoklasse worden ingedeeld, moet de leidraad nogmaals doorlopen worden voor de overige stoffen.
In plaats van met de hoogste klasse kan ook begonnen worden met de stoffen waarvoor de hoogste concentraties zijn aangetroffen.
Voorlopige klasse | LD50 rat oraal (mg/kg) | LD50 rat/konijn percutaan (mg/kg) | LC50 rat inhalatoir (mg/l/4 uur) | Carcinogeniteit |
0T | > 2000 | > 2000 | > 20 | – |
1T | 200–2000 | 400–2000 | 2–20 | – |
2T | 25–200 | 50–400 | 0,5–2 | – |
3T | < 25 | < 50 | < 0,5 | Stoffen die voldoen aan de definitie voor kankerverwekkende stoffen zoals genoemd in artikel 4.11 van het Arbobesluit |
Is het kookpunt > 350°C?
Zo ja, dan wordt vanwege de zeer geringe vluchtigheid van die stof de voorlopig vastgestelde klasse met één verlaagd hetgeen in een definitieve klasse (n-1)T resulteert, tenzij blijkt (volgens punt 1.1.6) dat dit vanwege de mogelijkheid van verspreiding in de vorm van stofdeeltjes niet verantwoord is.
Ga verder met vraag 1.1.6.
Zo nee, ga verder met de volgende vraag.
Is 103.Pd (mbar, 20°C) < MAC (ppm)?
Zo ja, dan wordt vanwege het feit dat het onwaarschijnlijk is dat de MACwaarde bereikt wordt de definitieve klasse één lager ofwel (n-1)T, tenzij blijkt (volgens punt 1.1.6) dat dit om de hiervoor genoemde reden niet verantwoord is.
Zo nee, ga verder met vraag 1.1.7.
Deze vraag is alleen van belang voor niet-vluchtige stoffen in de bodem. Door middel van de volgende deelvragen wordt een inschatting gemaakt van de kans op overschrijding van MAC-waarden voor de verontreinigingen ervan uitgaande dat de blootstelling aan ‘bodemstof’ ten hoogste de stofnorm is, dus maximaal 10 mg/m3.
Na beantwoording van de vragen 1.1.6.1, 1.1.6.2 en 1.1.6.3 heeft u voor de betreffende niet-vluchtige verontreiniging de definitieve risicoklasse bereikt. Eventueel kunt u hierna verder gaan met het doorlopen van de leidraad voor de volgende verontreiniging.
Is de concentratie in de grond dusdanig dat schadelijk te achten concentraties verontreiniging in de lucht niet uitgesloten mogen worden geacht (dit is het geval als cg/MAC > 104)? In dat geval dient verlaging van klasse waartoe onder punt 1.1.4 of 1.1.5 in principe besloten werd achterwege te blijven.
Is de concentratie in de grond dusdanig dat schadelijk te achten concentraties verontreiniging in de lucht een gering risico vormen (dit is het geval als cg/MAC > 103, maar < 104)? In dat geval kan de definitieve klasse (n-1) worden.
Is de concentratie in de grond dusdanig dat schadelijk te achten concentraties verontreiniging in de lucht een zeer gering risico vormen (dit is het geval als cg/MAC < 103 )? In dat geval kan de definitieve klasse (n-2) worden.
Deze en de volgende vraag zijn alleen van belang voor de vluchtige verontreinigingen in de bodem (dus als vraag 1.1.4 en 1.1.5 beide met ‘nee’ zijn beantwoord).
Bevindt de stof zich volgens de onderzoeksgegevens uitsluitend in het grondwater? Zo nee, dan is een rekenkundige schatting van de kans op een mogelijke overschrijding van de MAC-waarde door de vele van invloed zijnde factoren vrijwel onmogelijk. Verlaging van klasse dient dan ook voor die situaties waarin de verontreiniging zich niet in de waterfase bevindt in eerste instantie achterwege gelaten te worden. Verhoging van risicoklasse dient onder andere overwogen te worden wanneer het hoge concentraties verontreiniging en bovendien grond met slechte adsorptie- eigenschappen (zandgrond) betreft. Neem bij de overwegingen ook de uitkomst van punt 1.1.5 in beschouwing. Blijkt daar dat de theoretische kans dat de MAC-waarde overschreden wordt zeer minimaal is (dit geldt dus ook voor de maximaal ongunstige omstandigheden), dan lijkt handhaving in de voorlopige klasse voor gunstiger omstandigheden vooralsnog voldoende. In dergelijke situaties dient men echter altijd zeer alert te zijn.
Indien de stof zich niet alleen in het grondwater bevindt, heeft u voor de betreffende vluchtige verontreiniging de definitieve risicoklasse bereikt. Eventueel kunt u hierna verder gaan met het doorlopen van de leidraad voor de volgende verontreiniging.
Bevindt de stof zich wel alleen in het grondwater, dan kan met behulp van de volgende formule geschat worden hoe groot de kans op overschrijding van de MAC-waarde is op het moment dat er afgraving van grond beneden de grondwaterspiegel plaatsvindt:
Cg=(1+800.u)-1.103 | Cl | Pd |
________ | ||
Cl.max |
De afleiding en onderbouwing van deze formule is te vinden in het rapport ‘Veiligheid en gezondheid bij bodemsanering’ door H.W.T.J. van Ingen, Nederlands Instituut voor Arbeidsomstandigheden. Amsterdam, mei 1986. Hier zal de formule slechts daar waar strikt noodzakelijk worden toegelicht.
De fysische grootheden C1.max en Pd zijn in handboeken te vinden. Verder stelt C1 de concentratie voor waarin de betreffende stof in het grondwater is aangetroffen. Men neme de hoogste concentratie die in de onderzoeken is vastgesteld.
Met de grootheid u (luchtsnelheid) wordt de mate van luchtverversing aangegeven. De waarde daarvan is afhankelijk van de omstandigheden waaronder gewerkt wordt. Die omstandigheden zijn vertaald naar een luchtsnelheid. Alhoewel de gekozen groottes van de luchtsnelheid mede gebaseerd zijn op windstatistieken e.d. is deze luchtsnelheid niet vergelijkbaar met windsnelheden. Het betreft hier in feite een fictieve luchtsnelheid (zie voor de bepaling van de grootte van ‘u’ de paragrafen 1.1.8.1 en 1.1.8.2).
Betreft het een stof uit de voorlopige klasse 1, ga dan na of bij een u = 1 m/s de MAC-waarde overschreden kan worden. Ofwel ga na of:
Cg = 1,25. | Cl | Pd > MAC |
________ | ||
Cl.max |
Zo ja, dan betekent dit een aanzienlijke kans op overschrijding van de MAC-waarde tijdens het werk. De voorlopige klasse wordt dan ook met één verhoogd: definitieve klasse 2T.
Opmerking: Uit deze en volgende kwantificeringen blijkt ook of het zinvol is om specifiek op bepaalde stoffen te gaan meten.
Voor de stoffen uit de voorlopige klassen 2 en 3 dienen de omstandigheden te worden geanalyseerd die van invloed zijn op de luchtverversingsgraad voor de werkers. Dat gebeurt aan de hand van een drietal vragen.
De antwoorden daarop bepalen welke waarde voor de luchtsnelheid moet worden aangehouden bij gebruik van de formule. Indien blijkt dat:
Cg = (1+800.u)-1.103. | Cl | Pd > MAC |
________ | ||
Cl.max |
dan wil dat zeggen dat - de specifieke omstandigheden op de betreffende werkplek in ogenschouw nernend - overschrijdingen van de MAC-waarde mogelijk zijn. De voorlopige klasse dient in dat geval te worden gehandhaafd: nT. Wanneer echter Cg< MAC, dan bestaat slechts een geringe kans op overschrijding en kan tot een lagere definitieve klasse worden overgegaan: (n-1)T.
De vragen ter bepaling van de waarde van de luchtsnelheid ‘u’ volgen hieronder:
- –
Is de locatie zodanig door hoge obstakels omgeven dat de wind er daardoor beduidend minder ‘vat’ op heeft?
Hierbij kan gedacht worden aan hoge gebouwen, muren, zandlichamen of bossen aan verschillende zijden van de locatie waardoor deze in de luwte ligt. Ook intensieve bebouwing in de omgeving, zoals een locatie in een stad, kan dit effect geven, zonder dat die locatie echt begrensd wordt door hoge obstakels.
- –
Is de diepte van de ontgraving – in verhouding tot de horizontale omvang ervan – zodanig dat de luchtverversing ‘in de put’ duidelijk belemmerd wordt?
Als vuistregel kan aangehouden worden dat dit het geval is indien:
h/d > 0,2
waarin:
h = hoogte van de put
d = (equivalente) diameter van de put
Opmerking: Voorwaarde is dat de ademzone beneden het maaiveld ligt.
- –
Wordt er voortdurend of zeer regelmatig vlak bij de verontreinigde grond intensief gewerkt? Hierbij moet gedacht worden aan intensief handmatig grondwerk, bijvoorbeeld wanneer kabels, leidingen of buizen die intact dienen te blijven ontgraven moeten worden.
Het aantal keer dat ‘ja’ is gescoord op bovenstaande vragen wordt naar een waarde van ‘u’ vertaald volgens tabel 2.
Ja | u (m/s) |
0x | 1 |
1x | 0,1 |
2x | 0,01 |
3x | 0 |
De genoemde belastende omstandigheden zijn voor saneringslocaties veelal allemaal - doch niet ten volle - van toepassing. Om die reden en om niet telkens gecompliceerde afwegingen te hoeven maken kan het beste voor elk werk als uitgangspunt een u = 0,1 m/s gehanteerd worden.
De verschillende klassen zijn geënt op situaties zoals die op afgraaflocaties en andere plaatsen waar grondverzet uitgevoerd wordt, voorkomen. Zij zijn niet bedoeld voor werkzaamheden in verontreinigde grond of verontreinigd grondwater waarbij hoge temperaturen worden toegepast, zoals laswerkzaamheden in een sleuf.
Heeft de stof een vlampunt boven de 55 oC? Zo ja, dan valt dit werk in klasse 0F aangezien er in de praktijk geen risico bestaat voor een gaswolkexplosie. U bent klaar met de indeling in een F-klasse voor de betreffende stof.
Heeft de stof een vlampunt tussen 21°C en 55°C? Zo ja, dan valt het werk in klasse 1F
Is de buitentemperatuur tijdens de werkzaamheden hoger dan het vlampunt van de stof? Zo nee, dan blijft het werk op basis van deze stof ingedeeld in klasse 1F en bent u klaar met de beoordeling van deze stof. Zo ja, dan wordt tot zolang dit het geval is, de klasse van de werkzaamheden verhoogd tot klasse 2F. Ga verder met vraag 1.2.4.
Heeft de stof een vlampunt kleiner dan 21 oC en komt hij behalve in het grondwater ook in niet te verwaarlozen hoeveelheden in de grond voor? Zo ja, dan is klasse 2F van toepassing voorzover het werkzaamheden aan die grond betreft.
Ga met onderstaande formule na of voor deze – alleen in het grondwater voorkomende – stof de LEL (lower exposure limit) bereikt kan worden in een situatie waarin in het geheel geen luchtverversing optreedt (u = 0 m/s). Het spreekt voor zich dat deze berekening slechts dan zin heeft indien daarbij alle kwantificeerbare bijdragen aan de vorming van een mogelijk explosief damp/luchtmengsel worden meegenomen:
Cg = 103 | C | Pd |
_________ | ||
Cmax |
Cg1 | + | Cg2 | + | ...... | + | Cgn | > 1 |
_________ | ________ | ________ | |||||
LEL1 | LEL2 | LELn |
Let wel: Cg en LEL in dezelfde eenheid (ppm of vol %).
Zo nee dan is het ontstaan van een explosief damp/luchtmengsel theoretisch onwaarschijnlijk en is klasse 1F voldoende. Zo ja, dan valt het werk definitief in de 2F-klasse.
cg = concentratie in de bodem (mg/kg)
Cg = dampconcentratie in de lucht (ppm(v/v))
Cl = concentratie in grondwater (μg/l)
Cl.max = max. oplosbaarheid in water bij 20°C (μg/l)
Pd = dampspanning bij 20°C (mbar)
u = luchtsnelheid (m/s)
Bijlage II bij Richtlijn 1999/45/EG (Pb L 200)
Bijzondere bepalingen betreffende het kenmerken
1.1. Op het etiket van de verpakking van dergelijke preparaten moeten naast de specifieke veiligheidsaanbevelingen, de volgende veiligheidsaanbevelmgen overeenkomstig de in bijlage VI van Richtlijn 67/548/EEG vastgestelde criteria ook de gepaste vedigheidsaanbevelingen S1, S2 S45 en S46 zijn aangebracht.
1.2. Indien dergelijke preparaten als zeer vergiftig (T+) vergiftig (T) of corrosief (bijtend) (C) zijn ingedeeid en het materieel onmogelijk is de bedoelde informatie op de verpakking zelf aan te brengen dient de verpakking van dergelijke preparaten vergezeld te gaan van een nauwkeurige en voor ieder begrijpelijke gebruiksaanwijzing die zo nodig aanwijzingen bevat voor de vernietiging van de lege verpakking.
Op het etiket van de verpakking van dergelijke preparaten is de vermelding vereist van veiligheidsaanbeveling S 23 in combinatie met veiligheidsaanbevelmg S38 of S51 overeenkomstig de in bijiage VI van Richtlijn 67/548/EEG vastgestelde criteria.
Op het etiket van een preparaat dat ten minste één stof bevat waaraan de standaardzin R33 is toegekend dient als de concentratie van deze stof in het preparaat 1% of meer bedraagt – tenzij in bijlage I van Richtlijn 67/548/EEG een andere waarde is vastgesteld – de volledige tekst te zijn aangebracht van zin R33 als vermeid in bijlage III van Richtlijn 67/548/EEG.
Op het etiket van een preparaat dat ten minste een stof bevat waaraan de standaardzin R64 is toegekend dient, als de concentratie van deze stof in het preparaat 1% of meer bedraagt – tenzij in bijlage I van Richtlijn 67/548/EEG een andere waarde is vastgesteld – de volledige tekst te zijn aangebracht van zin R64 als vermeld in bijlage III van Richtlijn 67/548/EEG.
1.1. Verven en vernissen
Op het etiket van de verpakking van verven en vernissen met een volgens ISO-norm 6503-1984 vastgesteld totaal loodgehalte van meer dan 0,15% (uitgedrukt in gewicht van het metaal) van het totale gewicht van het preparaat, moet de volgende vermelding zijn aangebracht:
‘Bevat lood. Mag niet worden gebruikt voor voorwerpen waarin kinderen kunnen bijten of waaraan kinderen kunnen zuigen.’
Bij verpakkingen met een inhoud van minder dan 125 mililiter luidt de vermelding als volgt,
‘Opgelet! Bevat lood.’
2.1. Lijmen
Op de verpakking die lijm op basis van cyanoacrylaat direct omsluit moeten de volgende vermeldingen zip aangebracht:
‘Cyanoacrylaat
Gevaarlijk!
Kleeft binnen enkele seconden aan huid en ogen vast.
Buiten het bereik van kinderen houden.’
Bij de verpakking dienen de toepasselijke vertigheidsaanbevelingen te worden gevoegd.
Op het etiket van de verpakking van preparaten die isocyanaten (monomeer, oligomeer, prepolymeer, enz. als zodanig of in een mengsel) bevatten, moeten de volgende vermeldingen zijn aangebracht:
‘Bevat isocyanaten
Zie de aanwijzingen van de fabrikant.’
Op het etiket van de verpakking van preparaten die epoxyverbindingen met een gemiddeld molecuulgewicht van 700 of lager bevatten, moeten de volgende vermeldingen zijn aangebracht:
‘Bevat epoxyverbindingen.
Zie de aanwijzingen van de fabrikant.’
De verpakking van preparaten die meer dan 1% actief chloor bevatten moet van de volgende bijzondere vermelding zijn voorzien:
‘Opgelet! Niet in combinatie met andere produkten gebruiken, er kunnen gevaarlijke gassen (chloor) vrijkomen.’
Op de verpakking van dergelijke preparaten moeten leesbaar en onuitwisbaar de volgende vermeldingen zijn aangebracht:
‘Opgelet! Bevat cadmium.
Bij het gebruik ontwikkelen zich gevaarlijke dampen.
Zie de aanwijzingen van de fabrikant.
Neem de veiligheidsvoorschriften in acht.’
Onverminderd de bepalingen van richtlijn 1999/45/EG zijn ook preparaten die in de vorm van aërosolen beschikbaar zijn, onderworpen aan de bepalingen voor het kenmerken overeenkomstig zijn punt 2.2 en 2.3 van de bijlage bij richtlijn 75/324/EEG, laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 94/1/EG.
Wanneer een preparaat een stof bevat die overeenkomstig artikel 13, lid 3, bij richtlijn 67/548/EEG de vermelding ‘Attentie! Nog niet volledig geteste stof’ draagt, moet op het etiket van het preparaat de vermelding staat ‘Attentie! Dit preparaat bevat een nog niet volledig geteste stof’, indien die stof aanwezig is in een concentratie van tenminste 1%.
Op de verpakking van preparaten die ten minste één als sensibiliserend ingedeelde stof bevatten in een concentratie gelijk aan of groter dan 0,1% of in een concentratie gelijk aan of groter dan die welke in een specifieke nota betreffende deze stof in bijlage I bij Richtlijn 67/548/EEG is aangegeven, moet de volgende vermelding zijn aangebracht:
‘Bevat (naam sensibiliserende stof). Kan een allergische reactie veroorzaken.’
Op de verpakking van vloeibare preparaten die geen vlampunt of een vlampunt boven 55(C hebben en die een gehalogeneerde koolwaterstof en meer dan 5% licht ontvlambare of ontvlambare stoffen bevatten, moet de vermelding zijn aangebracht:
‘Kan bij gebruik licht ontvlambaar worden.’ Of ‘Kan bij gebruik ontvlambaar worden.’
Op het etiket van de verpakkingen van de in artikel 14, lid 2, punt 2.1, onder b), bedoelde preparaten moet de volgende tekst zijn aangebracht:
‘Inlichtingenblad aangaande de veiligheid is voor de professionele gebruiker op aanvraag verkrijgbaar.’
Bij de aangeduide werkzaamheden wordt in de kapsalon gewerkt met de daarbij aangegeven producten en volgens de daarbij aangegeven werkmethode om blootstelling aan irriterende en allergene stoffen en invloeden zoveel mogelijk te beheersen:
- a.)
algemeen
- 1)
Het werk is zodanig georganiseerd dat per uur maximaal 30 minuten nat werk (haren wassen, aanbrengen en uitspoelen van vloeistoffen, handen wassen), wordt verricht, tenzij daarbij vloeistofdichte handschoenen worden gedragen, gemaakt van een materiaal dat geen allergische klachten veroorzaakt.
- 2)
Het werk is zodanig georganiseerd dat per dag maximaal 4 uur handschoenen worden gedragen.
- 3)
Tijdens het verrichten van nat werk en alle werkzaamheden met haarcosmetica worden geen handsieraden gedragen.
- 4)
Bereiden en mengen van chemische haarbehandelingsproducten, waaronder permanentvloeistoffen, haarverven en blondeermiddelen, vindt plaats in de productbereidingsruimte, bedoeld in beleidsregel 4.3a, tweede lid, onder a.
- 1)
- b.)
knippen en Het bij het knippen en snijden gebruikte kappersgereedschap is nikkelvrij snijden van haren of nikkelarm. Nikkelarm betekent dat een product maximaal 0,5 μg/cm2/week aan nikkel of nikkelcomponenten afgeeft, conform Richtlijn nr. 94/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 juni 1994 tot twaalfde wijziging van Richtlijn 76/769/EEG (PbEG L 188).
- c.)
permanenten
- 1)
Er wordt niet gewerkt met permanentvloeistoffen die GTG (glycerylthioglycolaat) bevatten.
- 2)
Er wordt gebruik gemaakt van permanentvloeistoffen in one-unit verpakkingen.
- 3)
Bij gebruik van een doordruksysteem waarbij de vloeistoffen in de gesloten verpakking worden vermengd kan mengen van permanentvloeistoffen in afwijking van het onder a4) gestelde ook buiten de productbereidingsruimte plaatsvinden.
- 4)
Bij het bereiden, opbrengen, neutraliseren en uitspoelen van permanentvloeistoffen en bij het uithalen van wikkels worden handschoenen gedragen. Deze handschoenen bieden voldoende bescherming en zijn van een materiaal dat geen allergische klachten veroorzaakt. Deze handschoenen worden eenmalig gebruikt.
- 1)
- d.)
kleuren en verven
- 1)
Om de kans op huidblootstelling bij verven te minimaliseren wordt bij van haren voorkeur gebruik gemaakt van haarverf in een gesloten spuitbussysteem of een ander gesloten doseer- en mengsysteem. Indien haarverf uit een tube wordt gebruikt, wordt verontreiniging met verf van de buitenkant van de tube voorkomen.
- 2)
Bij het bereiden, mengen, opbrengen en uitspoelen van haarverf en kleurspoelingen worden handschoenen gedragen. Deze handschoenen bieden voldoende bescherming en zijn van een materiaal dat geen allergische klachten veroorzaakt. Deze handschoenen worden eenmalig gebruikt.
- 1)
- e.)
blonderen
- 1)
Blootstelling van huid en luchtwegen aan blondeermiddel en verspreiding van blondeermiddel in de kapsalon wordt vermeden door stofvorming bij het bereiden van blondeermiddel te voorkomen. Dit wordt bereikt door het gebruik van niet-stuivende blondeermiddelen of door het gebruik van een gesloten doseer- en mengsysteem.
- 2)
Bij het aanmaken, opbrengen en uitspoelen van blondeermiddelen worden handschoenen gedragen. Deze handschoenen bieden voldoende bescherming en zijn van een materiaal dat geen allergische klachten veroorzaakt. Deze handschoenen worden eenmalig gebruikt.
- 1)
- f.)
opbrengen van
- 1)
Bij het opbrengen van haarspray/lak wordt waar mogelijk gebruik haarspray/lak gemaakt van een pompverstuiver.
- 2)
Bij het opbrengen van spray wordt niet meer gebruikt dan noodzakelijk en wordt alleen direct op het haar gespoten.
- 3)
Opbrengen van haarspray/lak gebeurt in een goed geventileerde ruimte.
- 1)
behorend bij beleidsregel 4.9-5 Arbobesluit
1. | algemeen bij toediening van inhalatie anesthetica | a. | Een goed werkend evacuatie-/anesthesiegasafvoersysteem (voorzien van CE-markering en conform NEN-EN 740:1998 ‘Anesthesie-systemen en hunmodulaire componenten - Bijzondere eisen’, inclusief correctieblad C1:1999) is aangesloten op het anesthesietoestel. | |
met inbegrip van onderhoud van apparatuur en `buitenposten' zoals CT-scan, MRI-scan, hartcatherisatie, verloskamer | b. | Uit het anesthesietoestel weggezogen gassen en dampen worden teruggevoerd in het toestel dan wel afgevoerd in het evacuatie-/anesthesiegasafvoersysteem. | ||
c. | De verdampers zijn lekvrij en voldoen aan NEN-EN 1280-1:1997 "Medicamenten-afhankelijke vulsystemen voor anesthesie-verdampers - Deel 1: Vulsystemen met rechthoekige codering" inclusief aanvulling A1:2000. | |||
d. | Er worden vulsystemen gebruikt die voldoen aan NEN-EN 1280-1:1997 "Medicamenten-afhankelijke vulsystemen voor anesthesie-verdampers - Deel 1: Vulsystemen met rechthoekige codering", inclusief aanvulling A1:2000. | |||
e. | Nieuw aan te schaffen apparatuur voldoet aan het gestelde onder a tot en met d. Bestaande apparatuur voldoet hieraan per 1-1-2004. | |||
f. | Er is voldoende ventilatievoud in alle ruimten waar blootstelling aan inhalatie anesthetica mogelijk is. Hierbij geldt een ventilatievoud voor de operatiekamer van 20, voor de verkoeverkamer van 10 en voor andere ruimten van 6. | |||
g. | De intubatie is - indien medisch mogelijk - met cuffs en gecontroleerde cuffdruk. | |||
h. | De aan- en afschakeling van de apparatuur is zodanig dat er zo weinig mogelijk inhalatie anesthetica vrij komen. | |||
i. | Het hele systeem wordt in het kader van periodiek onderhoud aan de hand van een onderhoudsprotocol onder meer 2 maal per jaar gecontroleerd op lekkages. De schriftelijk neergelegde gegevens worden getoetst. | |||
j. | Bij het toedienen van anesthesie met vluchtige anesthetica door middel van een niet-gesloten systeem wordt gebruikt gemaakt van bronafzuiging; bijvoorbeeld een dubbelmasker of een apparaat met gecombineerd dubbel-neus- en kinmasker. | |||
k. | Er is een protocol beschikbaar waaruit blijkt op welke wijze en onder wiens verantwoordelijkheid de uitvoering van het onder a tot en met j gestelde is gewaarborgd. Aan het protocol is een schriftelijke werkinstructie voor het betrokken personeel verbonden. | |||
2. | inleiding van de operatie | → | Indien technisch/medisch mogelijk wordt lachgas (of andere inhalatie anesthetica) door 100% zuurstof of een zuurstof/luchtmengsel vervangen. | |
3. | uitleidende fase | → | De patiënt wordt gedurende enige tijd (de tijd is afhankelijk van diverse factoren en wordt in het protocol aangegeven) 100% zuurstof dan wel een zuurstof/luchtmengsel toegediend. | |
4. | pre-recovery fase/-verkoeverkamer | → | Indien de patiënt hoest wordt uit de hoestrichting gebleven. | |
5. | sludertechniek | → | Er wordt gebruik gemaakt van een dubbelmasker. |
Concentratie kwarts in de ademzône (mg/m3 | Beschermingsfactor1) | Type filtermiddel2) | Beschrijving van het ademhalingsbeschermingsmiddel |
0,075 - 0,60 | 8 | FFP2 | Wegwerpmasker filtrerend gelaatsstuk, eventueel met uitblaasventiel |
8 | P2SL | Halfgelaatsmasker met verwisselbare filterbus | |
0,60 - 0,75 | 10 | P3SL | Halfgelaatsmasker met verwisselbare filter |
10 | TH2P | Aangedreven veiligheidskap of -helm in combinatie met een gelaatsscherm | |
10 | FFP3 | Wegwerpmasker filtrerend gelaatsstuk, eventueel met uitblaasventie) | |
0,75 - 1 ,13 | 15 | P2SL | Volgelaatsmasker met verwisselbare filterbus |
1,13 - 1 ,88 | 25 | TH3P | Aangedreven veiligheidskap of helm in combinatie met een gelaatsscherm |
1,88 - 3,75 | 50 | TM2P of TM3P | Aangedreven halfgelaatsmasker |
3,75 - 7,50 | 100 | TM2P | Aangedreven volgelaatsmasker |
7,50 - 15,0 | 200 | TM3P | Aangedreven volgelaatsmasker |
groter dan 15,0 | 1000 | -- | Onafhankelijke ademhalingsbescherming |
- a.
Bij het ter beschikking stellen van persoonlijke beschermingsmiddelen als genoemd in tabel 2 wordt het volgende in acht genomen:
De genoemde typen ademhalingsbeschermingsmiddelen voldoen minimaal aan de normen:
- •
NEN-EN 136:1998 ‘Ademhalingsbeschermingsmiddelen. Volgelaatsmaskers. Eisen, beproevingsmethoden, merken’, inclusief correctieblad C1:2000;
- •
NEN-EN 140:1998 ‘Ademhalingsbeschermingsmiddelen. Halfmaskers en kwartmaskers. Eisen, beproevingsmethoden, merken’ inclusief correctieblad C1:2000;
- •
NEN-EN 143:2000 ‘Ademhalingsbeschermingsmiddelen – Deeltjesfilters – Eisen, beproeving, merken’;
- •
Ontwerp NEN-EN 149:1998 ‘Ademhalingsbeschermingsmiddelen – Filtrerende halfmaskers ter bescherming tegen deeltjes - Eisen beproeving, merken’;
- •
NEN-EN 270:1995 ‘Ademhalingsbeschermingsmiddelen; persluchttoestellen met een kap; Eisen, beproevingsmethoden, merken’, inclusief aanvulling A1:2000;
- •
NEN-EN 271:1995 ‘Ademhalingsbeschermingsmiddelen – Via slang gevoede of aangedreven ademhalingstoestellen met een kap voor gebruik tijdens straalwerkzaamheden - Eisen, beproevingsmethoden, merken’, inclusief aanvulling A1:2000;
- •
Ontwerp NEN-EN 405:1998 ‘Ademhalingsbeschermingsmiddelen. Filtrerend halfmasker ter bescherming tegen gassen of gassen en stoffen. Eisen, beproeving, merken’;
- •
NEN-EN 1827:1999 ‘Ademhalingsbeschermingsmiddelen – Halfmaskers zonder inademventiel en met deelbare filters ter bescherming tegen gas of gas en deeltjes of tegen alleen deeltjes – Eisen, beproeving, merken’;
- •
EN-EN 1835:1999 ‘Ademhalingsbeschermingsmiddelen. Slangentoestellen, geschikt voor ademlucht, voor lichte werkzaamheden met een helm of kap. Eisen, beproevingsmethoden, merken’;
- •
NEN-EN 12021:1999 ‘Ademhalingsbeschermingsmiddelen. Perslucht voor ademhalings toestellen’,
- •
NEN-EN 12419:1999 ‘Ademhalingsbeschermingsmiddelen. Slangentoestellen, geschikt voor ademlucht, voor Ilchte werkzaamheden met een volgelaatsmasker, een halfgelaatsmasker of een mondstukgarnituur. Eisen, beproevingsmethoden. merken’;
- •
NEN-EN 12941:1998 ‘Ademhalingsbeschermingsmiddelen – Aangedreven filters gecombineerd met een helm of kap - Eisen beproeving, merken’;
- •
NEN-EN 12942:1998 ‘Ademhalingsbeschermingsmiddelen - Aangedreven filters gecombineerd met volgeiaatsmaskers, halfgelaatsmaskers of kwartgelaatsmaskers - Eisen, beproeving, merken’.
- •
- b.
Bij langdurig gebruik van filtrerende middelen met verwisselbare filters, langer dan twee uur, is het gelaatsmasker voorzien van een aanblaasunit, of wordt gebruik gemaakt van een masker met onafhankelijke toevoer van verse lucht.
- c.
Filtrerende gelaatsstukken kunnen slechts één keer worden gebruikt en worden na gebruik direct verwijderd.
- d.
Bij gezichtsbeharing wordt uitsluitend een aangedreven ademhalingsbeschermingsmiddel gedragen met een zodanige luchttoevoer dat inwaardse lekkage wordt voorkomen.
- e.
Halfgelaatsmaskers worden ter voorkoming van lekkage langs het montuur, niet in combinatie met een (veiligheids)bril gedragen.
- f.
Een volgelaatsmasker met stoffilter wordt alleen in combinatie met een (veiligheids)bril gebruikt, als de bril zodanig in het masker inzetbaar is. dat geen lekkage optreedt langs het brilmontuur.
- g.
Bij fysiek inspannend werk (o.a. traplopen) wordt het gebruik van een aangedreven deeltjesfilter niet gecombineerd met een helm of kap.
Bij werkzaamheden zoals de roetmeting komen uitlaatgassen vrij. Tevens ontstaat lawaai. De uitlaatgassen van diesels bevatten kankerverwekkende stoffen. Daarom moet de werkgever bronmaatregelen treffen om blootstelling te voorkomen of, indien dit niet mogelijk is, te beperken tot een zo laag mogelijk niveau. De blootstelling aan lawaai moet zoveel mogelijk worden voorkomen of beperkt. De garagehouder is op grond van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 verplicht hiervoor beschermende technische en organisatorische maatregelen te treffen.
Deze praktijkrichtlijn geeft aanwijzingen voor de te treffen maatregelen. De voorgestelde maatregelen zijn bedoeld om te komen tot een zogenaamde ‘nulemissie’ van dieseluitlaatgassen. De aanwijzingen zijn toegespitst op de roetmeting.
Er dient een afzuiginstallatie te zijn gemonteerd die zodanig is uitgevoerd dat blootstelling aan kankerverwekkende stoffen wordt voorkomen, mits dat technisch uitvoerbaar is, zonder dat de uitslag van de meting hierdoor wordt beïnvloed. Hieraan wordt voldaan indien de afzuiginstallatie minimaal bestaat uit de volgende onderdelen en deze op de juiste wijze zijn gemonteerd of geplaatst zoals aangegeven door de fabrikant van de afzuiginstallatie:
- a.
een afzuigventilator met voldoende capaciteit voor de te keuren voertuigen;
- b.
bij voorkeur een afvoerslang die de uitlaat volledig omsluit (bijvoorbeeld een manchet). Een trechter is ook toegestaan mits deze direct achter de uitlaatopening kan worden geplaatst op zodanige wijze dat er geen of nagenoeg geen ruimte is tussen de trechter en de uitlaatopening;
- c.
een inrichting die ervoor zorgt dat de uitlaatgassen die door de roetmeter gaan eveneens worden afgevoerd en
- d.
afvoerkanalen die bovenstaande onderdelen met elkaar verbinden waardoor de uitlaatgassen op doelmatige wijze direct naar buiten worden afgevoerd.
De afzuiginstallatie mag de roetmeting niet nadelig beinvloeden. Dit is herkenbaar aan een goedkeuring afgegeven door het Nmi.
Doordat het toerental van de dieselmotor bij de roetmeting enkele malen tot het afregeltoerental moet worden opgevoerd, kunnen er gedurende de test zodanige hoge geluidsniveaus voorkomen dat de wettelijke grens voor schadelijk geluid wordt overschreden. Geluidsbronnen mogen in beginsel geen equivalent geluidsniveau op de arbeidsplaats veroorzaken van meer dan 85 dB(A), tenzij dat in redelijkheid niet kan worden gevergd. Als dat laatste het geval is, moeten organisatorische maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat zo weinig mogelijk werknemers aan de schadelijke geluidsniveaus blootstaan en moet de blootstellingsduur zo ver worden gereduceerd dat het blootstellingsniveau gemiddeld over een representatieve werkdag tot beneden de grens van 85 dB(A) wordt gereduceerd. Aan werknemers die tijdens hun werk blootstaan aan equivalente geluidsniveaus boven 80 dB(A) moet de werkgever passende gehoorbeschermingsmiddelen beschikbaar stellen.
Het is van groot belang dat de werkgever de juiste maatregelen treft en zijn werknemers op de juiste wijze instrueert en controleert. Bij het niet naleven van onderstaande voorschriften kan de werknemer worden blootgesteld aan hoge geluidsniveaus die gehoorbeschadiging kunnen veroorzaken.
Ter voorkoming van gehoorbeschadiging worden derhalve de volgende maatregelen voorgeschreven:
- •
de roetmeting dient zo mogelijk in een aparte ruimte te worden uitgevoerd;
- •
de roetmeting moet zoveel mogelijk worden uitgevoerd gedurende perioden dat er weinig of geen collega's in dezelfde ruimte aanwezig zijn;
- •
de roetmeting moet worden uitgevoerd met gesloten motorkap;
- •
de werknemer die de roetmeting uitvoert, dient in het voertuig plaats te nemen en gehoorbescherming te dragen;
- •
de plaats waar de grens van 85 dB(A) wordt overschreden moet worden afgebakend (bijvoorbeeld met belijning op de vloer) en gemarkeerd met waarschuwingsborden conform artikel 8.4 Arbobesluit;
- •
werknemers die in deze gemarkeerde zone werkzaam zijn dienen gehoorbescherming te dragen.
Het geluidsniveau waar een werknemer gedurende een werkdag aan wordt blootgesteld wordt bepaald door het totaal aan werkzaamheden dat werknemers uitvoeren en de equivalente geluidsniveaus tijdens uitvoering van de werkzaamheden. De werkgever is verplicht de gevaren van de blootstelling aan geluid voor de gezondheid van de werknemers zoveel als redelijkerwijs kan worden gevergd te voorkomen of te beperken. De ernst van de situatie moet daarbij afgewogen worden tegen met name de technische, operationele en economische haalbaarheid van de te nemen maatregelen.
In onderstaande tabel 1 is bij de onderscheiden werkzaamheden aangegeven welke apparatuur en/of werkwijze, gelet op de mogelijkheden en uitgaande van de stand der techniek, toegepast moet worden teneinde de concentratie kwartsstof waaraan werknemers worden blootgesteld zo veel mogelijk te beheersen.
In verschillende situaties is de ontwikkeling van technieken evenwel nog onvoldoende om de blootstelling aan kwartsstof te beperken tot een niveau dat onder de wettelijke grenswaarde ligt. Het is dan noodzakelijk om persoonlijke beschermingsmiddelen toe te passen volgens de keuzesystematiek van tabel 2 en de daarbij behorende onderdelen b, tot en met g. In onderstaande tabel 1 is in de laatste kolom aangegeven in welke situaties in elk geval ademhalingsbeschermingsmiddelen noodzakelijk zijn. De ademhalingsbeschermingsmiddelen dienen te voldoen aan het gestelde in het onderdeel b, onder tabel 2.
Soort werk | Toe te passen apparatuur en/of werkwijze | Details afzuiging en/of aanvullende voorzieningen | Aanvullende ademhalingsbescherming1) | |||
1. | Hakken van voegen | a. | Elektrische of pneumatische hakhamer | a. | geen | Neen |
b. | Handmatig hakken | b. | geen | Neen | ||
2. | Slijpen van voegen | a. | Haakse slijper met stofafzuiging | a. | 1. Met behulp van de omkapping is de slijper aangesloten op een stofafzuiging. | Neen |
2. Stof wordt direct aan het te bewerken oppervlak, via de omkapping, door de afzuigmond afgezogen. | ||||||
3. De afzuiging is aangesloten op een stofafscheider die bestaat uit een filtersysteem waarbij als eindfilter een hepafilter of een microfilter wordt gebruikt met een afscheidingsgraad van 99,996% (DOP). | ||||||
b. | Haakse slijper met watertoevoer en waterafzuiger | b. | 1. Het water wordt toegevoerd in de vorm van een nevelstraal. | Neen | ||
2. De slijper is met behulp van een omkapping aangesloten op een waterafzuiging. | ||||||
3. De nevelstraal wordt direct door de omkapping afgevangen. | ||||||
3. | Slijpen van wanden, plafonds en vloeren in kleine ruimten en langs randen van grote vloeroppervlakken | a. | (Hand-)slijpmachine met watertoevoer en waterafzuiger | a. | De slijpmachine is zodanig uitgevoerd dat tijdens het slijpen een continue waterstroom wordt toegevoerd. | Neen |
b. | Alleen wanneer toepassing van water niet mogelijk is i.v.m. waterschade aan belendende bouwelementen is een (hand)slijpmachine met stofafzuiging toegestaan | b. | De afzuiging is aangesloten op een stofafscheider die bestaat uit een filtersysteem waarbij als eindfilter een hepafilter, of een microfilter wordt gebruikt met afscheidingsgraad van 99,996% (DOP). | Ja | ||
4. | Slijpen van grote vloeroppervlakken (droog slijpen) | Slijpmachine met omkapping en stofafzuiging | De afzuiging is van dusdanige kwaliteit dat deze gruis en stof afzuigt. | Ja | ||
5. | Stralen van vloeren (droog stralen) | Straalmachine met stofafzuiging | De straalmachine is voorzien van een nauwe aansluiting op het te stralen oppervlak. De afzuiging is aangesloten op een stofafscheider die bestaat uit een filtersysteem waarbij als eindfilter een hepafilter, of een microfilter wordt gebruikt met afscheidingsgraad van 99,996% (DOP). | Neen | ||
6. | Stralen van wanden of gevels (nat stralen) | Hogedruk-waterstralen, neveljetstralen of vochtnevelstraten | Het straalmiddel bevat minder dan de toegestane 1% kwarts. | Ja | ||
7. | Boren: | |||||
a. | Bij seriewerk2) | Nat boren. Boormachine met integrale watervoorziening | De boormachine wordt: 1. bevestigd op een statief dat verrijdbaar en in h te verstelbaar is en 2. op afstand bediend door de werknemer. | Neen | ||
b. | In harde materialen zoals beton en in kalkzandsteen | |||||
– | gaten tot 50 mm | Droogboren. Boormachine met geïntegreerde afzuiging en op maat gemaakte stofafzuigkap | De afzuiging is aangesloten op een stofafscheider die bestaat uit een filtersysteem waarbij als eindfilter een hepafilter, of een microfilter wordt gebruikt met afscheidingsgraad van 99,996% (DOP). | Neen | ||
– | gaten vanaf 50 mm | Nat boren. Kernboormachine met integrale watervoorziening | – | Ja | ||
c. | In zachte materialen zoals baksteen (behoudens klinkers), ponso-stenen, gasbeton en cellenbeton | |||||
– | gaten tot 100 mm | Droog boren; kernboormachine met stofafzuiging | 1. Het stof wordt door de boorkern heen afgezogen. | Neen | ||
2. De afzuiging is aangesloten op een stofafscheider die bestaat uit een filtersysteem waarbij als eindfilter een hepafilter of een microfilter wordt gebruikt met een afscheidingsgraad van 99,996% (DOP). | ||||||
– | gaten vanaf 100 mm | Nat boren; kernboormachine met integrale watervoorziening | Bij materialen die niet te nat mogen worden, wordt een wateropvangring gebruikt om weglekkend water zoveel mogelijk op te vangen. | Ja | ||
8. | Frezen van sleuven in | |||||
– | keramische bouwmaterialen zoals baksteen (behoudens klinkerkwaliteit), gas- of cellenbeton-elementen en kalkzandsteen | Freesmachine met watertoevoer en afzuiging | 1. De watertoevoer vernevelt of sproeit het water op het freeswiel 2. De afzuiging zuigt het stof met het water af. | Ja | ||
– | harde bouwmaterialen zoals beton, klinkers en de hardere kalkzandsteensoorten | Freesmachine met dubbele zaagbladen, watertoevoer en scharnierende beschermkap | 1. De watertoevoer is nauwkeurig af te regelen 2. De afzuigkap sluit nauw aan op de ondergrond, ook bij het aanzetten van de zaagsnede. | Neen | ||
9. | zagen van: | |||||
– | grindvloeren, al dan niet kunstharsgebonden | Zaagmachine met zaagkap en afzuiging | De afzuiging is aangesloten op een stofafscheider die bestaat uit een filtersysteem waarbij als eindfilter een hepafilter, of een microfilter wordt gebruikt met afscheidingsgraad van 99,996% (DOP). | Ja | ||
– | kwartshoudende materialen (behalve gasbeton en kalkzandsteen) | a. | Stationaire-zaagmachine met watertoevoer en afscherming | a. | Het zaagblad is voorzien van een afscherming om het water op te vangen. | Neen |
b. | Hand-zaagmachine met zaagkap, watertoevoer, waterafzuiging en waterzuiger | b. | 1. De zaagkap bedekt net zaagblad volledig. | Ja | ||
2. Het water wordt afgezogen door een afzuiging op de zaagkap. | ||||||
10. | Schoonmaken/-opruimen van stof na bouw- of sloop werkzaamheden | Industriële stofzuiger | De stofzuiger is voorzien van een drievoudige filtering namelijk: | Neen | ||
• een grofafscheiding na de inlaat te weten een cycloon of een dropoutbox. | ||||||
• een fijnfilter en een. | ||||||
• microfilter of een absoluutfilter. | ||||||
of | ||||||
De afzuiging is aangesloten op een stofafscheider die bestaat uit een filtersysteem waarbij als eindfilter een hepafilter of een microfilter wordt gebruikt met een afscheidingsgraad van 99,996% (DOP). | ||||||
11. | puinruimen na sloopwerkzaamheden | a. | Shovel of bobcat met overdrukfiltercabine | a. | De overdrukfiltercabine is voorzien van airconditioning. | Neen |
b. | Bij het opruim n van stof wordt een industriële stofzuiger gebruikt | b. | De afzuiging is aangesloten op een stofafscheider die bestaat uit een filtersysteem waarbij als eindfilter een nepafilter of een microfilter wordt gebruikt met een afscheidingsgraad van 99,996% (DOP). | Ja | ||
c. | Indien de apparatuur genoemd onder a en b om technische reden of vanwege geringe omvang van het sloopwerk niet inzetbaar is, kan het puin handmatig worden geruimd | c. | Het puin wordt eerst bevochtigd voordat het wordt opgeruimd. | Ja | ||
12. | slopen | a. | slooprobot | a. | Tijdens het slopen wordt het puin bevochtigd. | Neen |
b. | hydraulische handkraker | b. | Tijdens het slopen wordt het puin bevochtigd. | Ja | ||
c. | wanneer het onder a en b, gestelde technisch niet uitvoerbaar is of bij sloopwerk van geringe omvang, kan een hydraulisch aangedreven sloophamer worden gebruikt | c. | Tijdens het slopen wordt het puin bevochtigd. | Ja | ||
13. | sorteren en verwerken van bouw en sloopafval door afvalsorteer- en of afvalverwerkingsbedrijf | |||||
a. | Uitstorten op stort bordes van -de sorteer c.q. afvalinrichting | – | a. | Het puin wordt bevochtigd met sproei-installaties. | Neen | |
b. | Handmatig uitsorteren van lichte bestanddelen (hout, plastics, piepschuim e.d.) | b. | Overdruksorteercabine met afzuiging | b. | De cabine is voorzien van een geforceerde luchtstroom | Ja |
c. | Zeven van bouw- en sloopafval | c. | Fijne steenfracties worden in een zo vroeg mogelijk stadium van het te bewerken bouw en sloopafval afgezeefd | – | Ja | |
d. | Blazen d.m.v. windzifttechniek | d. | Deeltjes van beperkte omvang zoals houtsnippers, glasdeeltjes, plastics, e.d. worden d.m.v. gesloten windziftprocessen afgescheiden | – | Neen |
Concentratie kwarts in de ademzone (mg/m³) | Beschermingsfactor1) | Type filtermiddel2) | Beschrijving van het ademhalingsbeschermingsmiddel |
0,075 - 060 | 8 | FFP2 | Wegwerpmasker filterend gelaatsstuk, eventueel met uitblaasventiel |
8 | P2SL | Halfgelaatsmasker met verwisselbare filterbus | |
0,60 - 0,75 | 10 | P3SL | Halfgelaatsmasker met verwisselbare filterbus |
10 | TH2P | Aangedrevenveiligheidskap of -helm in combinatie met een gelaatsscherm | |
10 | FFP3 | Wegwerpmasker filterend gelaatsstuk, eventueel met uitblaasventiel | |
0,75 - 1,13 | 15 | P2SL | Volgelaatsmasker met verwisselbare filterbus |
1,13 - 1,88 | 25 | TH3P | Aangedrevenveiligheidskap of -helm in combinatie met een gelaatsscherm |
1,88 - 3,75 | 50 | TM2P of TM3P | Aangedreven halfgelaatsmasker |
3,75 - 7,50 | 100 | TM2P | Aangedreven volgelaatsmasker |
7,50 - 15,0 | 200 | TM3P | Aangedreven volgelaatsmasker |
groter dan 15,0 | 1000 | -- | Onafhankelijke ademhalingsbescherming |
- a.
Bij het ter beschikking stellen van persoonlijke beschermingsmiddelen als genoemd in tabel 2 wordt het volgende in acht genomen:
De genoemde typen ademhalingsbeschermingsmiddelen voldoen minimaal aan de normen:
NEN-EN 136:1998 "Ademhalingsbeschermingsmiddelen. Volgelaatsmaskers. Eisen, beproevensmethoden, merken", inclusief correctieblad C1:2000;
NEN-EN 140:1998 "Ademhalingsbeschermingsmiddelen. Halfmaskers en kwartsmaskers. Eisen, beproevensmethoden, merken", inclusief correctieblad C1:2000;
NEN-EN 143:2000 "Ademhalingsbeschermingsmiddelen - Deeltjesfilters - Eisen, beproeving, merken";
Ontwerp NEN-EN 149:1998 "Ademhalingsbeschermingsmiddelen - Filterende halfmaskers ter bescherming tegen deeltjes - Eisen, beproeving, merken";
NEN-EN 270:1995 "Ademhalingsbeschermingsmiddelen; persluchttoestellen met een kap; Eisen, beproevensmethoden, merken", inclusief aanvulling A1:2000;
NEN-EN 271:1995 "Ademhalingsbeschermingsmiddelen - Via slang gevoede of aangedreven ademhalingstoestellen met een kap voor gebruik tijdens straalwerkzaamheden - Eisen, beproevensmethoden, merken", inclusief aanvulling A1:2000;
Ontwerp NEN-EN 405:1998 "Ademhalingsbeschermingsmiddelen. Filtrerend halfmasker ter bescherming tegen gassen of gassen en stoffen. Eisen, beproeving, merken";
NEN-EN 1827:1999 "Ademhalingsbeschermingsmiddelen - Halfmaskers zonder inademventiel en met deelbare filters ter bescherming tegen gas of gas en deeltjes of tegen alleen deeltjes - Eisen, beproeving, merken";
NEN-EN 1835:1999 "Ademhalingsbeschermingsmiddelen. Slangentoestellen, geschikt voor ademlucht, voor lichte werkzaamheden met een helm of kap. Eisen, beproevensmethoden, merken";
NEN-EN 12021:1999 "Ademhalingsbeschermingsmiddelen. Perslucht voor ademhalingstoestellen";
NEN-EN 12419:1999 "Ademhalingsbeschermingsmiddelen. Slangentoestellen, geschikt voor ademlucht, voor lichte werkzaamheden met een volgelaatsmasker, een halfgelaatsmasker of een mondstukgarnituur. Eisen, beproevingsmethoden, merken";
NEN-EN 12941:1998 "Ademhalingsbeschermingsmiddelen - Aangedreven filters gecombineerd met een helm of kap - Eisen, beproeving, merken";
NEN-EN 12942:1998 "Ademhalingsbeschermingsmiddelen - Aangedreven filters gecombineers met volgelaatsmaskers, halfgelaatsmaskers en kwartsgelaatsmaskers - Eisen, beproeving, merken".
- b.
Bij langdurig gebruik van filltrerende middelen met verwisselbare filters, langer dan twee uur, is het gelaatsmasker voorzien van een aanblaasunit, of wordt gebruik gemaakt van een masker met onafhankelijke toevoer van verse lucht.
- c.
Filtrerende gelaatsstukken kunnen slechts één keer worden gebruikt en worden na gebruik direct verwijderd.
- d.
Bij gezichtsbeharing wordt uitsluitend een aangedreven ademhalingsbeschermingsmiddel gedragen met een zodanige luchttoevoer dat inwaardse lekkage wordt voorkomen.
- e.
Halfgelaatsmaskers worden ter voorkoming van lekkage langs het montuur, niet in combinatie met een (veiligheids)bril gedragen.
- f.
Een volgelaatsmasker met stoffilter wordt alleen in combinatie met een (veiligheids)bril gebruikt, als de bril zodanig in het masker inzetbaar is, dat geen lekkage optreedt langs het brilmontuur.
- g.
Bij fysiek inspannend werk (o.a. traplopen) wordt het gebruik van een aangedreven deeltjesfilter niet gecombineerd met een helm of kap.
Doeltreffende beheersing van de blootstelling aan cytostatica in ziekenhuizen
Hierna volgt zowel in het algemeen als voor de onderscheiden werkzaamheden welke apparatuur en/of werkwijze, gelet op de mogelijkheden en uitgaande van de stand van de techniek, toegepast moet worden teneinde de cytostaticaconcentratie waaraan werknemers in ziekenhuizen kunnen worden blootgesteld, zo veel mogelijk te beheersen.
werkzaamheid toe te passen maatregel/methode
1. algemeen
- a.
Voor al het materiaal dat mogelijk met cytostatica besmet is, wordt gebruik gemaakt van speciale SZA (Speciaal Ziekenhuisafval)-afvalbakken met een voetpedaal.
- b.
Persoonlijke beschermingsmiddelen voldoen aan de eisen beschreven in onderdeel B van deze bijlage.
- c.
Persoonlijke beschermingsmiddelen worden na gebruik onmiddellijk weggeworpen (in de SZA-bak) indien het een 'wegwerp'artikel betreft. Indien het een niet-wegwerpartikel betreft worden de artikelen verzameld in een container met een pH-neutraal of alkalisch reinigingsmiddel. De materialen worden vervolgens grondig gewassen. De overschorten worden bij het besmette wasgoed gevoegd.
- d.
Alle ruimten waarin gewerkt wordt met cytostatica worden voorzien van een bord waarop dit duidelijk is aangegeven.
- e.
De handelwijze bij calamiteiten dient voor iedere afdeling afzonderlijk te zijn vastgelegd in een procedure.
2. bereiding
- a.
Er wordt gebruik gemaakt van een veiligheidswerkbank met 'laminaire flow' techniek welke zich bevindt in een centrale ruimte die is ingericht volgens de GMP-ziekenhuisfarmacie1). In dezelfde ruimte worden gelijktijdig geen andere werkzaamheden verricht en bevinden zich alleen personen die bij de bereiding van cytostatica betrokken zijn.
- b.
De primaire verpakking (= verpakking waarmee het cytostaticum aankomt op de apotheek) wordt vóór gebruik gereinigd; zie onderdeel F van deze bijlage.
- c.
Met de spuit wordt omgegaan volgens de aanwijzingen in onderdeel C van deze bijlage.
- d.
Er wordt een zodanig systeem gebruikt bij de bereiding van poedervormige cytostatica dat er geen blootstelling aan aërosolen plaats kan vinden. Hiervoor wordt een gesloten systeem gebruikt of een semi-gesloten systeem (zie onderdeel E. van deze bijlage). Dit laatste alleen indien aangetoond wordt dat er geen blootstelling plaats kan vinden.
Bij de bereiding van vloeibare cytostatica wordt minimaal een semi-gesloten systeem gebruikt.
- e.
De aansluitingen die worden gebruikt zijn luer-lock aansluitingen. Bij kortdurende infusen kan ook een geborgde naald-septumverbinding worden gebruikt.
- f.
Er wordt, indien dit technisch mogelijk is, gebruik gemaakt van injectieflacons (in plaats van breekampullen) en van kunststof flessen/infuuszakken (in plaats van glazen).
- g.
De bereide cytostatica worden afgeleverd in een (semi-)gesloten infuussysteem waarbij tussen het luer-lockkoppelpunt en het cytostaticum een barrière zit in de vorm van een infuuslijntje gevuld met lucht of een neutrale vloeistof.
- h.
De infuussystemen worden vóór aflevering aan de buitenkant schoongemaakt; zie hiervoor onderdeel F van deze bijlage.
- i.
Indien er blootstelling kan plaatsvinden aan cytostatica worden handschoenen en een overschort gebruikt.
3. toediening
- a.
De toediening vindt plaats in een daartoe speciaal uitgeruste ruimte, die voldoet aan de voorwaarden zoals geformuleerd in onderdeel D van deze bijlage.
- b.
Het (semi-)gesloten systeem wordt na de toediening schoongespoeld en in één keer ontkoppeld.
- c.
Er wordt gebruik gemaakt van handschoenen en een overschort.
4. verpleging kuur-patiënten
- a.
Er wordt rekening gehouden met de risicoperiode2) (variërend per cytostaticum, van 1 tot 7 dagen) van de patiënt als besmettingsbron door bijvoorbeeld het verzamelen van urine of het afnemen van bloed niet in deze periode plaats te laten vinden.
- b.
Bij het bepalen van de vochtbalans wordt de methode gekozen waarbij de patiënt wordt gewogen dan wel wordt een beddenpan of bokaal gebruikt in plaats van een methode waarbij urine moet worden overgegoten. Indien dit laatste toch noodzakelijk is wordt gewerkt in een veiligheidswerkbank en verder volgens een protocol dat speciaal hiervoor is opgesteld en waarin in ieder geval aandacht wordt besteed aan materialen, methode en persoonlijke beschermingsmiddelen.
- c.
Er wordt een pospoeler met omkeermechanisme gebruikt.
- d.
Er worden handschoenen gebruikt indien er een kans bestaat op dermale blootstelling (bijv. verschonen beddengoed, wassen patiënt).
Bij handelingen waarbij blootstelling op kan treden aan cytostaticabevattend vocht (bijv. bij het overgieten van urine) worden een overschort, handschoenen en een bril gebruikt.
- e.
Het beddengoed wordt in een gesloten systeem afgevoerd.
5. schoonmaak
- a.
Er is een schoonmaakprotocol aanwezig, waarin in ieder geval aandacht is besteed aan de hierna onder b tot en met d genoemde aspecten.
- b.
Bij de schoonmaak wordt gezorgd dat de besmetting niet verspreid wordt, door in ieder geval na elke ruimte nieuw schoonmaakmateriaal te gebruiken.
- c.
Degene die schoonmaakt draagt handschoenen.
- d.
Het schoonmaken wordt regelmatig gecontroleerd door middel van veegproeven.
6. transport, beddencentrale, linnendienst
- a.
Het transport van apotheek naar verpleegafdeling van een toedieningsvorm vindt plaats in een lekdichte zak in een afgesloten container die wordt voorzien van een sticker waarop de inhoud staat vermeld met een duidelijke gevaarsaanduiding.
- b.
Het transport kan ook plaatsvinden in een buispostsysteem, waarbij het transport van cytostatica of cytostatica bevattend materiaal in een apart systeem geschiedt.
- c.
Het transport vindt plaats door personeel dat op de hoogte is van de risico's bij het werken met cytostatica.
- d.
Het transport van de SZA-bakken vindt plaats in een voor dit doel toegeruste transportwagen.
- e.
Er worden handschoenen gebruikt bij contact met besmet materiaal.
Handschoenen voldoen in ieder geval aan Ontw. NEN-EN 374-3 1998. "Beschermende handschoenen tegen chemicaliën en micro-organismen - Deel 3: Bepaling van de weerstand tegen permeatie van chemicaliën".
Latex is doorlaatbaar voor ethanol en methanol, van stoffen die daarin oplossen wordt dan ook de doorlaatbaarheid vergroot. Voer een handeling met deze stoffen, bijvoorbeeld een desinfectie, dus niet uit met latexhandschoenen. Indien het een klein te desinfecteren oppervlak betreft, gebruik dan een wattenstaafje.
Was voor het aantrekken van de handschoenen de handen en herhaal dit bij het wisselen van de handschoenen.
De handschoenen worden onmiddellijk uitgedaan na de handeling om besmetting van de omgeving te voorkomen.
Handschoenen worden gewisseld na iedere handeling, beschadiging of zichtbare besmetting.
Handschoenen worden voor gebruik geïnspecteerd op verkleuring, gaatjes en scheuren.
Een beschermbril is gemaakt van polycarbonaat of acetaat, is krasbestendig en sluit goed om het gelaat.
Hergebruik is mogelijk indien een bril niet besmet is en goed gereinigd met veel stromend water.
Een besmette bril wordt afgevoerd als besmet afval.
Ademhalingsbescherming bestaat uit een volgelaatsmasker met P3SL filter.
Een overschort is van nietvezelend, waterafstotend materiaal, bevat een rugsluiting en lange mouwen met een manchet en is van een kleur die afwijkend is van andere schorten. Het materiaal bestaat uit Tyvek met een saranexlaagje of een poylethyleencoating. Dit schort wordt niet buiten de werkruimte gedragen.
Na een besmetting wordt het overschort direct verwisseld.
'Wegwerp'schorten worden als cytostatica afval behandeld; niet-'wegwerp'schorten als besmet wasgoed.
Vanwege het mogelijke optreden van aërosolvorming bij ontluchten, wordt bij het ontluchten een steriel gaasje bij de opening van de naald gehouden en de zuiger zo voorzichtig verplaatst tot de vloeistof meekomt.
Een prikaccident wordt vaak veroorzaakt bij het terugsteken van de naald in de huls. Steek de naald daarom niet meer terug op de spuit maar gooi deze weg in een naaldenbeker of plaats de huls terug met een pincet.
Een andere - iets minder veilige methode- is: steek met één hand de naald in de liggende beschermhoes en wip de hoes op met de naald, draai vervolgens de spuit verticaal zodat de hoes over de naald schuift en trek met de duim en wijsvinger van de hand die de naald vasthoudt, de beschermhoes stevig op de naald.
De toedieningsruimte voldoet aan de volgende voorwaarden:
- ●
Gemakkelijk te reinigen ruimte waarbij wanden en vloeren naadloos aansluiten
- ●
De ventilatievoud is 4 tot 6 en er is geen recirculatie
- ●
Materialen ten behoeve van calamiteiten zijn voorhanden zoals extra persoonlijke beschermingsmiddelen waaronder een volgelaatsmasker met P3SL filter, materiaal om verspreiding van cytostatica tegen te gaan (zoals adsorptiemateriaal bij vloeistoffen) en de antidota die worden gebruikt bij extravasatie.
- ●
In de onmiddellijke nabijheid bevindt zich een (nood)douche en een oogspoelvoorziening. De oogspoelvoorziening (oogdouche dan wel oogspoelfles) is zo dat beide ogen voldoende lang gespoeld kunnen worden en dat de ogen daarbij niet kunnen worden beschadigd.
Een gesloten systeem is een systeem waarbij tijdens de bereiding bij overdruk geen lucht vanuit de cytostaticumflacon in de omgevingslucht terecht kan komen. Bij een semi-gesloten systeem kan lucht tijdens de bereiding bij overdruk uit de cytostaticumflacon wel in de omgevingslucht terechtkomen, echter na het passeren van een filter.
Een voorbeeld van een gesloten systeem is een systeem met een disposable spuit + een systeem met veiligheidspal en naald + een speciale spike met ballon + een vial.
Een semi-gesloten systeem kan bestaan uit een zijlijn die gevuld is met neutrale vloeistof uit de infuuszak. Via naaldvrije aansluiting op de kunststofnaald wordt vloeistof uit de zak gehaald om het cytostaticum op te lossen. Op de vial is een spike bevestigd met een 0.2 micron hydrofoob filter ter voorkoming van aërosolen. Via de luer-lock aansluiting op de spike kan de spuit met de neutrale vloeistof worden leeggespoten om het cytostaticum op te lossen in de vial.
Dit kan door het antidoturn van het cytostaticum of een zeepoplossing te gebruiken plus niet-vezelende tissues; het afvalwater wordt via het riool afgevoerd.
Een andere methode is: sprayen met 0.03 N NaOH (of basische zeepoplossing), dit 30 seconden in laten trekken. Vervolgens droog maken met een tissue. Daarna deze bewerking herhalen met n-propanol.
Hierna wordt aangegeven hoe een aantal van de in het tweede lid van de beleidsregel genoemde onderwerpen in een werkinstructie nader zou kunnen worden uitgewerkt.
- •
Het gebruik van een herkenningskaart door degenen die aan een bedrijf of een inrichting verbonden zijn voor het verrichten van werkzaamheden onder overdruk in een werkkamer (zie voor een desbetreffend model de laatste pagina van deze bijlage).
- •
Een verbod op het gebruik van alcoholhoudende drank op het werkterrein.
- •
Een rookverbod tijdens een verblijf onder overdruk in een werkkamer, personenschutsluis of personenschacht.
Onder meer de regelmatige beproeving van de apparatuur voor het regelen van de druk in de verschillende onderdelen van de installatie (in het bijzonder de terugslagkleppen).
Zoals brandblusmiddelen, brandmeldapparatuur, middelen voor ademhalingsbescherming, vluchtwegaanduidingen, voorzieningen voor eerste hulp (alsmede voor het verplaatsen van zieken en gewonden) en alarmeringsapparatuur.
- •
De maatregelen ter voorkoming van een te grote plotselinge drukverandering in een bevolkte werkkamer.
- •
De hoeveelheid van de in een werkkamer of personenschutsluis aan te voeren lucht van atmosferische druk (bij een overdruk van minder dan 0,5.105 Pa bijvoorbeeld ten minste 35 m3 per man per uur en bij een overdruk van 0,5.105 Pa of meer ten minste 45 m3 per man per uur).
- •
De extra ventilatie als de concentratie van verontreinigingen in de werkkamer of de personenschutsluis daartoe aanleiding geeft.
- •
De maatregelen ter vrijwaring van gevaarlijke, voor de gezondheid schadelijke of hinderlijke concentraties van gassen of dampen en stof in de lucht bestemd voor de werkkamer en de personenschutsluis.
- •
Controle van de luchtverversing en desbetreffende meetprocedures.
- •
De temperatuurschommelingen en temperatuurgrenzen. In een personenschutsluis (bijvoorbeeld niet lager dan 18°C en niet hoger dan 25°C).
- •
Voorzieningen en procedures, in ieder geval ten aanzien van het in- en uitschutten, en de decompressie- en de behandelingstabellen.
- •
De inschuttijd en de uitschuttijd met inbegrip van de verblijfsduur in een werkkamer (gebaseerd op algemeen geaccepteerde decompressietabellen, bijvoorbeeld die van het Nationaal Duik Centrum).
- •
De eventuele verstrekking van dekens en warme dranken aan werknemers die zijn uitgeschut, bij het verlaten van de personenschutsluis.
- •
Douchegelegenheid voor de uitgeschutte werknemers.
- •
Lokaal voor eerste-hulp-verlening met rustbed en met voorgeschreven EHBO-uitrusting inclusief zuurstofkoffer.
- •
De nablijftijd van personen die zijn uitgeschut. Suggesties voor de bedoelde nablijftijd zijn:
- a.
bij 1 tot 1,8.105 Pa een half uur;
- b.
bij meer dan 1,8.105 Pa een uur.
- a.
- •
Het aantal personen in de werkkamer in relatie tot de uitschutcapaciteit.
- •
Het toezicht op het verblijf van personen onder overdruk in een werkkamer of personenschutsluis, buiten die ruimten.
- •
Het gebruik van de uitschuttijdentabel door de toezichthouders.
- •
De procedures voor ongevallen, voor brand in een van de ruimten onder overdruk, voor het binnendringen van water in de werkkamer, voor de aanwezigheid daar van een te hoge concentratie van een schadelijk gas of een schadelijke damp, en voor defecte apparatuur (bijv. voor het geval de reserveapparatuur of de noodenergievoorziening voor het in stand houden van de overdruk in werking treedt). De noodprocedures geven aan hoe in de verschillende gevallen moet worden gehandeld. Aandacht is nodig voor taken en bevoegdheden van alle bij de caissonarbeid betrokken personen, de wijze van alarmering, het inschakelen van hulp van buitenaf en het evacueren van degenen die in gevaar verkeren.
- •
De regelmatige oefening van noodprocedures (waaronder het gebruik van de noodinrichting in de personenschutsluis die degenen die worden ingeschut, in staat stelt zichzelf uit te schutten).
Herkenningskaart
Bewijs van deelneming aan caissonarbeid
Naam en voornamen: .........................
Geboortedatum: .........................
Woonadres: .........................
Verblijfadres: .........................
Werkzaam als caissonarbeider in dienst van: .........................
Plaats van uitvoering van het werk: .........................
Telefoonnummer: .........................
Naam van aan het werk verbonden arts
(ex art. 6.15, tweede lid, Arbobesluit): .........................
Telefoonnummer: .........................
Datum van afgifte: .........................
In geval van ziekteverschijnselen onmiddellijk de op deze kaart vermelde arts waarschuwen