Wet · BWBR0013100

Wet Raad voor de rechtspraak

Wijzigingen Officiële bron
Wet van 6 december 2001 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enkele andere wetten in verband met de instelling van de Raad voor de rechtspraak (Wet Raad voor de rechtspraak)Wet Raad voor de rechtspraakWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet op de rechterlijke organisatie, de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enkele andere wetten te wijzigen in verband met de instelling van de Raad voor de rechtspraak;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage6 december 2001BeatrixDe Minister van Justitie,A. H. KorthalsDe Staatssecretaris van Justitie,N. A. KalsbeekDe Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,K. G. de Vriesde achttiende december 2001De Minister van Justitie,A. H. Korthals

Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie.

Wijzigt de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.

Wijzigt de Beroepswet.

Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie.

Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht.

Wijzigt de Wet organisatie en bestuur gerechten.

Bij het voor de eerste maal vaststellen van de in artikel 97 van de Wet op de rechterlijke organisatie bedoelde algemene maatregel van bestuur stelt Onze Minister, alvorens een voordracht daarvoor te doen, degenen die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet zijn aangewezen als kwartiermaker voor de Raad voor de rechtspraak in de gelegenheid schriftelijk hun zienswijze kenbaar te maken en wordt in de nota van toelichting bij de algemene maatregel van bestuur aangegeven in hoeverre en op welke gronden van deze zienswijze is afgeweken.

Ten aanzien van het begrotingsvoorstel van de Raad, bedoeld in artikel 98, eerste lid, voor het jaar 2003 geldt dat:

In afwijking van artikel 29 kent de Raad aan de gerechten voor het jaar 2002 een budget toe met inachtneming van het bepaalde in de aan de Tweede Kamer bij brief van de Minister van Justitie van 18 mei 2001 aangeboden Notitie hoofdlijnen amvb bekostiging (Kamerstukken II 2000/01, 27 182, nr. 41).

Onze Minister van Justitie zendt binnen vijf jaren na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

Voor de plaatsing van deze wet in het Staatsblad stelt Onze Minister van Justitie de nummering van de artikelen, paragrafen, afdelingen en hoofdstukken van de Wet op de rechterlijke organisatie opnieuw vast, en brengt hij de in deze wet voorkomende aanhalingen van de artikelen, paragrafen, afdelingen en hoofdstukken van die wet met de nieuwe nummering in overeenstemming.

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Deze wet wordt aangehaald als: Wet Raad voor de rechtspraak.