Wijzigingen Officiële bron
Circulaire ouderdomsbepaling bij bodemverontreiniging op in gebruik zijnde en blijvende bedrijfsterreinenCirculaire ouderdomsbepaling bij bodemverontreiniging op in gebruik zijnde en blijvende bedrijfsterreinen Hoogachtend, De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke ordening en Milieu,J.P.Pronk

Op 11 juni 2001 is het convenant bodemsanering in gebruik zijnde en blijvende bedrijfsterreinen ondertekend door de ministers van VROM en Economische Zaken, het georganiseerde bedrijfsleven, het Interprovinciaal Overleg en de Vereniging Nederlandse Gemeenten. Het convenant heeft betrekking op de sanering van bodemverontreiniging in en op terreinen die ten dienste staan aan de bedrijfsuitoefening1 van een onderneming zoals bedoeld in de Wet inkomstenbelasting en de Wet Vennootschapsbelasting2 en die niet als belegging of als voorraad door de onderneming worden gehouden. In het convenant wordt uitgegaan van een mogelijke overheidsbijdrage aan de sanering van ernstige gevallen van bodemverontreiniging die in belangrijke mate (80% of meer) zijn ontstaan vóór 1-1-1975 en waarvan de sanering milieuhygiënisch urgent3 is of omdat er een verplichting tot sanering is als gevolg van de aanvraag van een bouw- of milieuvergunning4. De bepaling van de mate van ontstaan van de verontreiniging vóór 1-1-1975 vindt plaats aan de hand van het protocol ouderdomsbepaling (Zie hoofdstuk 2 blz. 5).

Doel van de voorliggende circulaire is het kader te bieden voor de toepassing van het Ouderdomsprotocol. Hiertoe worden doel, reikwijdte, werking, beheer, communicatie en evaluatie van het protocol kort beschreven. Ten slotte worden de kernbegrippen gedefinieerd.

Het doel van het protocol is om 'gevallen van bodemverontreiniging' - conform de definitie van de Wet bodembescherming - te onderscheiden in gevallen, die in belangrijke mate (80% of meer) zijn veroorzaakt vóór 1-1-1975 en gevallen die voor meer dan 20% zijn veroorzaakt op of na 1-1-1975. Met het protocol wordt de 'veroorzaking vóór 1975' van gevallen van bodemverontreiniging beoordeeld en als zodanig vastgesteld. Hiermee wordt aan de potentiële subsidieaanvrager in een vroeg stadium op basis van een relatief gering aantal gegevens via een ambtelijke vaststelling een bevestiging gegeven dat de verontreiniging daadwerkelijk voor 80% of meer vóór 1-1-1975 is veroorzaakt.

De reikwijdte van het protocol is beperkt tot gevallen van ernstige bodemverontreiniging in en op terreinen die ten dienste staan aan de bedrijfsuitoefening van een onderneming zoals bedoeld in de Wet inkomstenbelasting en de Wet Vennootschapsbelasting en die niet als belegging of als voorraad door de onderneming worden gehouden, waarvan de sanering milieuhygiënisch urgent3 is of omdat er een verplichting tot sanering is als gevolg van de aanvraag van een bouw- of milieuvergunning4.

Het protocol bestaat uit vier, niet noodzakelijk opeenvolgende, stappen. De eerste twee stappen kunnen worden genomen op basis van algemene (historische) informatie over de bedrijfsvoering en bedrijfsprocessen (de periode van mogelijke veroorzaking staat hierbij centraal). De stappen drie en vier worden gezet op basis van specifieke informatie over de bedrijfsvoering en/of de bodemverontreiniging.

Verontreinigingen van de bodem opgetreden na 1 januari 1987 vallen buiten de subsidieregeling en daarmee buiten het protocol. Hiervoor geldt dat de kwaliteit van de bodem hersteld moet worden conform het zorgplichtartikel van de Wet Bodembescherming.

Het beheer en communicatie hebben betrekking op de stoffenlijst, de weegfactoren en standaardwaarden uit de formule en vinden plaats door een beheersorganisatie. Deze beheersorganisatie wordt samengesteld uit vertegenwoordigers van partijen betrokken bij het convenant.

De beheersorganisatie draagt met name zorg voor:

Daarnaast zal de beheersorganisatie de werking van het protocol regelmatig evalueren. Specifiek onderdeel van de evaluatie zal met name de afspraken uit het convenant omtrent de reikwijdte van de regeling zijn.

In het kader van het Uitvoeringsprogramma Beleidsvernieuwing Bodemsanering (BEVER/UPR) is een zogenoemde Bedrijvenregeling gedefinieerd. Deze Bedrijvenregeling regelt de afspraken tussen bedrijven en overheid over de sanering van in gebruikzijnde en blijvende bedrijfsterreinen. In deze regeling5 wordt uitgegaan van een overheidsbijdrage voor de sanering van ernstige gevallen van bodemverontreiniging veroorzaakt vóór 1-1-1975, waarvan de sanering milieuhygiënisch urgent is of omdat er een verplichting tot sanering is als gevolg van de aanvraag van een bouw- of milieuvergunning.

Ter vergemakkelijking van de uitvoering en vermindering van de mogelijkheid van meningsverschillen, wordt de beoordeling van het criterium van 'veroorzaking vóór 1975' geregeld in een protocol. Door het protocol te volgen wordt met een aantal stappen aantoonbaar gemaakt dat een onderneming 80% of meer van de verontreiniging in de bodem heeft veroorzaakt vóór 1-1-1975. Indien aan dit criterium wordt voldaan, bestaat er aanspraak op een bijdrage. In het hiernavolgende betekent 'veroorzaking vóór 1975' steeds: voor 80% of meer veroorzaakt vóór 1-1-1975.

Dit protocol is bestemd voor:

Het protocol dient om 'gevallen van bodemverontreiniging' - conform de definitie van de Wet bodembescherming - te onderscheiden in gevallen, die in belangrijke mate (80% of meer) zijn veroorzaakt vóór 1-1-1975, en gevallen die voor meer dan 20% zijn veroorzaakt op of na 1-1-1975.

Met het protocol wordt de 'veroorzaking vóór 1975' van gevallen van bodemverontreiniging beoordeeld en als zodanig vastgesteld. Het resultaat van deze beoordeling wordt vastgelegd in een modelformulier (zie hoofdstuk 5, blz. 26). Bij de invulling van dit formulier levert zowel de initiatiefnemer als het bevoegde gezag een aandeel. Het ingevulde en door partijen voor akkoord ondertekende formulier geeft onderbouwing aan de feitelijke aanvraag voor een bijdrageverlening in het kader van het 'Convenant bodemsanering in gebruik zijnde en blijvende bedrijfsterreinen'. Deze aanvraag en de in dat kader in acht te nemen procedures maken een onderdeel uit van het protocol.

Aan de kenmerken van een bodemverontreiniging zelf is zelden eenvoudig en eenduidig te bepalen wanneer de verontreinigende stoffen in de bodem zijn terechtgekomen. Of de verontreiniging in belangrijke mate veroorzaakt is vóór 1-1-1975 wordt bepaald op basis van gegevens over de bedrijfsvoering (processen, gebruik van stoffen of eventueel gebeurtenissen of incidenten) en bij twijfel op basis van een combinatie van gegevens over de bedrijfsvoering en specifieke kenmerken van de bodemverontreiniging.

Het protocol ter bepaling van de 'veroorzaking vóór 1975' bestaat uit vier stappen, waarbij de eerste twee stappen genomen kunnen worden op basis van algemene (historische) informatie over de bedrijfsvoering en bedrijfsprocessen (de periode van mogelijke veroorzaking staat centraal). De stappen drie en vier worden gezet op basis van specifieke informatie over de bedrijfsvoering of de bodemverontreiniging.

Het protocol heeft de volgende uitgangspunten:

Door te werken in vier stappen zijn de voorwaarden aanwezig om aan bovengenoemde uitgangspunten te kunnen voldoen. In de eerste stap wordt om beperkte, maar voor de bepaling van de ouderdom cruciale informatie gevraagd. In de daarop volgende stappen moet meer en specifiekere informatie worden geleverd.

Tot het protocol behoort een verplicht modelformulier bestaande uit de volgende bladen (zie hoofdstuk 5, blz. 26):

Het protocol wordt doorlopen aan de hand van het genoemde modelformulier. De initiatiefnemer vult de gegevens in. Dit kan op basis van algemene gegevens (stap 1 en 2 uit het protocol) of op basis van meer specifieke gegevens (stap 3 en 4). Indien het bevoegd gezag op basis van de aangedragen informatie eveneens van mening is dat het geval in belangrijke mate vóór 1-1-1975 veroorzaakt is, ondertekent deze de eindconclusie en retourneert het naar de initiatiefnemer. Bij een aanvraag voor een bijdrage in het kader van het 'Convenant bodemsanering in gebruik zijnde en blijvende bedrijfsterreinen' wordt het ondertekende formulier als bijlage bijgevoegd.

Het is aan de initiatiefnemer om te beoordelen of volstaan kan worden met algemeen inhoudelijke informatie ter bepaling van de ontstaansperiode (stap 1 of stap 2) en of direct meer specifieke informatie geleverd wordt (volgens stap 3 of 4). De initiatiefnemer kan dit doen aan de hand van de in dit protocol geformuleerde informatiebehoefte of aan de hand van tussentijds overleg met het bevoegde gezag.

Het bevoegd gezag heeft de taak om te beoordelen of de aangeleverde informatie voldoet. Tevens heeft het bevoegd gezag de taak om vast te stellen - nadat zij alle aangedragen informatie heeft beoordeeld - of de verontreiniging in belangrijke mate vóór 1-1-1975 is veroorzaakt. Het is aan het bevoegd gezag om te beoordelen of zij zelf informatie in wil brengen als aanvulling op de informatie die door de initiatiefnemer verschaft wordt.

Indien voor een bepaald geval niet aan het criterium van 'veroorzaking vóór 1975' wordt voldaan, of naar het oordeel van het bevoegd gezag onvoldoende onderbouwing is gegeven, kan de initiatiefnemer enerzijds in dezelfde stap additionele gegevens verstrekken of anderzijds besluiten alsnog een volgende stap uit te voeren, waaruit een meer gedetailleerde onderbouwing volgt. Indien de initiatiefnemer op basis van de (historische) informatie tot het inzicht komt dat geen argumenten aanwezig zijn of kunnen worden gevonden om aan het criterium van 'veroorzaking vóór 1975' te voldoen, kan worden besloten af te zien van een vaststellingsverzoek 'veroorzaking vóór 1975'. Alleen indien in een der eerdere stappen reeds een vaststellingsverzoek is gedaan dient de initiatiefnemer het bevoegd gezag hiervan op de hoogte te stellen.

Het ouderdomsprotocol is uitgewerkt in een getrapt model van vier stappen. Voor eenduidige gevallen kan met het aanleveren van relatief weinig informatie in stap 1 of 2 worden vastgesteld of de verontreiniging vóór 1-1-1975 dan wel op of na 1-1-1975 is ontstaan. Voor meer complexe gevallen zal meer informatie aangeleverd moeten worden. Niet alle stappen hoeven na elkaar gezet te worden.

In de onderstaande paragrafen wordt per stap de informatie aard en -kwaliteit aangegeven die benodigd is om aan te tonen dat de betreffende situatie voldoet aan het criterium van 'veroorzaking vóór 1975'. Vervolgens wordt de werkwijze beschreven die door initiatiefnemer moet worden gevolgd om tot vaststelling door het bevoegd gezag te komen. Omdat het protocol bestemd is voor zowel de initiatiefnemer en het bevoegd gezag in de rol van beoordelaar en vaststeller, wordt bij de werkwijze onderscheid gemaakt in de door beide partijen uit te voeren activiteiten. In onderstaande tabel staat het stappenplan schematisch weergegeven.

Algemene informatie is nodig bij het bevoegd gezag ten behoeve van de registratie en de administratieve verwerking van de vaststellingsaanvraag.

Het gaat hierbij om algemene bedrijfsgegevens, de locatiegegevens en een omschrijving van het (vermoedelijke) geval van bodemverontreiniging, waarop de vaststelling van de ouderdom van toepassing is. De informatie staat op het blad 'Algemene gegevens initiatiefnemer' weergegeven. De informatie wordt in eerste instantie door de initiatiefnemer aangeleverd door invulling van het betreffende blad. Indien de initiatiefnemer bekend is met de gevraagde topografische coördinaten en de bedrijfscodering (zie hoofdstuk 2.4.2.1, blz. 8) dan kan de initiatiefnemer ook deze gegevens op het formulier invullen. Het bevoegd gezag controleert vervolgens de aangeleverde informatie en vult waar nodig zelf de topografische coördinaten en de bedrijfscodes in.

De informatievoorziening te verzorgen door de initiatiefnemer bestaat in stap 1 uit:

De informatievoorziening te verzorgen door het betreffende bevoegd gezag bestaat in stap 1 uit:

Op basis van de ontstaansperiode van de verontreiniging zal de initiatiefnemer per geval moeten aantonen dat de betreffende verontreiniging voldoet aan het criterium van 'veroorzaking vóór 1975'. Hierbij worden begin en einde van de operationele periode van bedrijfsvoering met de betreffende verontreinigende stoffen genomen als maatstaf voor de beoordeling. Van belang zijn de 'potentieel bodemverontreinigende activiteiten' (pba's) en de modale situatie ten aanzien van de bedrijfsvoering. De potentieel bodemverontreinigende activiteiten zijn activiteiten die een geval van bodemverontreiniging kunnen veroorzaken, zoals productie, op- en overslag van stoffen. Volgens onderstaande formule wordt rekenkundig bepaald of aan het criterium van 'veroorzaking vóór 1975' is voldaan. De berekening is als volgt gedefinieerd:

P0

% (vóór 1-1-1975) = 100 * -----------------------------------------------

P0 + 0,5 * x * P1 + 0,2 * y * P2

P0 is aantal jaren van de start productieproces vóór 1-1-1975

P1 is het aantal jaren in de periode 1-1-1975 - 31-12-1980 (max. 6 jaar)

P2 is het aantal jaren in de periode 1-1-1981 - 31-12-1986 (max. 6 jaar)

De weegfactoren, x en y geven de omvang van de 'potentieel bodemverontreinigende activiteiten' (pba's) voor de betreffende periode weer t.o.v. de periode vóór 1-1-1975. De weegfactoren hebben de waarde 1 indien de omvang van de pba's voor de betreffende periode gelijk is aan die van periode vóór 1-1-1975.

De standaardwaarden 0,5 en 0,2 horen bij een modale situatie van bedrijfsvoering van de respectievelijk de periodes 1-1-1975 - 31-12-1980 en 1-1-1981 - 31-12-1986.

Voorbeelden

a. Een productieproces is gestart in 1959 en geëindigd in 1983, waarbij de potentieel bodemverontreinigende activiteit (pba) gelijk is gebleven.

Volgens de berekening wordt het percentage dan:

16

% (vóór 1-1-1975) = 100 * ----------------------------------------------- = 81,6%

16 + 0,5 * 1 * 6 + 0,2 * 1 * 3

b. Een productieproces is gestart in 1958 en is nog in bedrijf, waarbij de potentieel bodemverontreinigende activiteit (pba) gelijk is gebleven.

Volgens de berekening wordt het percentage dan:

17

% (vóór 1-1-1975) = 100 * ----------------------------------------------- = 80,2%

17 + 0,5 * 1 * 6 + 0,2 * 1 * 6

Het kan zijn dat op brancheniveau of anderszins meer generiek, afspraken gemaakt worden/zijn met het ministerie van VROM over specifiek te hanteren weegfactoren en/of standaardwaarden voor enkele bijzondere bedrijfstakken. Deze afspraken zullen in die situaties onderdeel vormen van dit protocol.

De weegfactoren en/of standaardwaarden kunnen worden bijgesteld op basis van gerichter 'documenten onderzoek'.

Voor de weegfactoren zal de initiatiefnemer dienen aan te tonen of en in welke mate de potentieel bodemverontreinigende activiteiten zijn gewijzigd ten opzichte van de referentie periode van vóór 1-1-1975.

Voorbeeld:

Indien op grond van de hinderwet vergunning of productiegegevens blijkt dat de bedrijfsactiviteiten in omvang zijn veranderd, kunnen de weegfactoren die de potentieel bodembedreigende activiteiten beschrijven worden bijgesteld.

Voor de standaardwaarden zal de initiatiefnemer dienen aan te tonen dat bij de bedrijfsvoering op of na 1-1-1975 zodanige maatregelen en voorzieningen zijn getroffen dat de kans op bodemverontreiniging in deze periode sterk is afgenomen ten opzichte van de modale situatie. Maatgevend is of bij de betreffende bedrijfsvoering de bodembeschermende maatregelen en voorzieningen beter waren dan destijds gangbaar was.

Voorbeeld:

Indien uit een hinderwet vergunning of een bouwvergunning blijkt, dat aan het proces of de installatie in de periode 1975 - 1987 zodanige veranderingen hebben plaatsgevonden dat de kans op bodemverontreiniging aanzienlijk is afgenomen, ten opzichte van de normale ontwikkelingen (de modale situatie, welke nog nader gedefinieerd dient te worden voor beide perioden), kunnen de standaardwaarden worden bijgesteld.

Het documenten onderzoek dient evenals het genoemde historisch onderzoek verifieerbaar te zijn. Archieven van onder andere het bevoegd gezag als ook van het bedrijf, de branche of de Kamer van Koophandel kunnen als bron dienen.

Indien op grond van de eerdere stappen niet voldaan wordt aan het criterium van 'veroorzaking vóór 1975', maar het nochtans aannemelijk kan worden gemaakt dat de verontreiniging in belangrijke mate vóór 1-1-1975 is ontstaan, kan de initiatiefnemer dit op grond van gericht onderzoek aantonen. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan onderzoek naar de ouderdom op grond van voorkomen van specifieke componenten (lood, MTBE e.d.), fingerprints ter bepaling van de herkomst, de lengte van een pluim in relatie tot theoretische verplaatsingssnelheid en andere ontwikkelde of in ontwikkeling zijnde methoden. In deze stap zal vaak sprake zijn van veldonderzoek. Dergelijk onderzoek dient plaats te vinden met een informatieniveau van onderzoeksprotocollen zoals het 'nader onderzoek' (NO) of vergelijkbare protocollen. De uitkomst van een dergelijk onderzoek laat zich niet meer vertalen in weegfactoren en/of standaardwaarden, maar geeft een meer kwantitatief beeld van de ontstaansgeschiedenis.

Een geval van verontreiniging of dreigende verontreiniging van de bodem dat betrekking heeft op grondgebieden die vanwege die verontreiniging, de oorzaak of gevolgen daarvan in technische, organisatorische en ruimtelijke zin samenhangen.

Verontreinigingsvlekken die ruimtelijk geheel of gedeeltelijk van elkaar gescheiden zijn en ieder een verschillende oorzaak kennen zijn in beginsel aan te merken als verschillende gevallen van ernstige verontreiniging. Op een bedrijfsterrein kunnen zich daarom meerdere gevallen van bodemverontreiniging voordoen, die ook verschillend kunnen worden beoordeeld en aangepakt, zelfs als deze elkaar overlappen. Een voorbeeld betreft een bedrijfsterrein waarop zich een verontreinigde ophooglaag bevindt (ernstig en niet urgent) boven een er niet mee samenhangende mobiele verontreiniging in de ondergrond (ernstig en urgent).

Lijst met stoffen en processen, waarbij algemeen bekend is dat deze uitsluitend een toepassing kenden vóór 1-1-1975 (categorie 1) of een toepassing kenden zowel voor als na 1-1-1975 (categorie 2) of uitsluitend op of na 1-1-1975 (categorie 3). Deze lijst wordt op dit moment ontwikkeld, en wordt zo opgesteld dat deze in de loop van de tijd kan worden uitgebreid met stoffen en/of processen waarvan bijvoorbeeld bij de evaluatie van het ouderdomsprotocol blijkt dat ze altijd in de regeling vallen. In onderstaande lijsten wordt de stand van zaken op 1-4-2002 weergegeven. De eerste lijst kent een opsomming van stoffen welke in het UBI systeem worden gebruikt. De tweede lijst is gebaseerd op de indeling van stoffen waarvoor een interventiewaarde bekend is.

Het formulier bestaat uit de volgende bladen:

Figuur 1 Algemene gegevens

Figuur 2 Statusblad

Figuur 3 Samenvatting van de informatie

Figuur 4 formulier Stap 1 - Algemene bedrijfsgegevens en gegevens over gebruikte stoffen

Figuur 5 Conclusie na stap 1

Figuur 6 formulier stap 2 - Algemene beoordeling veroorzaking vóór en op of na 1-1-1975 inzake de bedrijfsvoeringsperiode

Figuur 7 formulier stap 3 - Specifieke aanpassing van de weegfactoren en/of standaardwaarden

Figuur 8 formulier stap 4 - Specifieke beoordeling op basis van gerichte bewijsmiddelen

Het eerste blad van het formulier bevat een aantal algemene gegevens die de identificatie van subsidieaanvrager/initiatiefnemer, de locatie en het geval van bodemverontreiniging mogelijk maken. Deze gegevens zijn vereist voor de subsidie-aanvraag zelf en voor de registratie van het geval in het provinciale registratiesysteem voor gevallen van bodemverontreiniging (GLOBIS). De algemene gegevens dienen geleverd te worden door de initiatiefnemer.

Figuur 1 Algemene gegevens

Op het statusblad wordt de proceshistorie (informatie uitwisseling tussen bevoegd gezag en initiatiefnemer) vermeld. Hierdoor zijn wijzigingen traceerbaar.

Figuur 2 Statusblad

Het statusblad geeft een samenvatting van de informatie uit de achterliggende bladen. Bij iedere aanvulling wordt aangekruist welke nieuwe informatie door welke partij is weergegeven. Tevens staat aangeven of er bijlagen (zoals onderzoeksrapporten of historische documenten) bijgevoegd zijn.

Figuur 3 Samenvatting van de informatie

Onderaan het statusblad wordt de eindconclusie van de kant van het bevoegd gezag weergegeven zodra de initiatiefnemer aangeeft niet met nieuwe informatie te komen. Het ondertekende document zal uiteindelijk als bijlage bij de subsidie-aanvraag cq subsidiebesluit worden gevoegd.

De benodigde gegevens ten behoeve van stap 1 wordt weergegeven in onderstaande figuur.

Figuur 4 formulier Stap 1 -Algemene bedrijfsgegevens en gegevens over gebruikte stoffen

Bepalend voor stap 1 is de vraag of de kenmerkende verontreinigende stoffen voor het 'geval van bodemverontreiniging' reeds uitsluitsel geven over het criterium van 'veroorzaking vóór 1975'. Daartoe gebruikt het bevoegd gezag de Stoffenlijst (zie hoofdstuk 4 , blz. 19)

Onderaan het formulier voor stap 1 geeft het bevoegd gezag haar oordeel of op basis van deze beperkte gegevens de ouderdom reeds vastgesteld kan worden.

Figuur 5 Conclusie na stap 1

In onderstaande figuur staan de benodigde gegevens voor stap 2. Om stap 2 te kunnen invullen heeft de initiatiefnemer een vertaling nodig van zijn bedrijfsprocessen naar periode waarin sprake is van potentieel bodembedreigende activiteiten (PBA). De benodigde gegevens kunnen worden verzameld door het uitvoeren van een NVN 5725, het historisch bodemonderzoek , eventueel in combinatie met het Verkennend onderzoek volgens de NEN 5740. Een rapport met dezelfde informatiekwaliteit als NVN 5725 eventueel in combinatie met die van NEN 5740 dient bijgevoegd te zijn.

Figuur 6 formulier stap 2 - Algemene beoordeling veroorzaking vóór en op of na 1-1-1975 inzake de bedrijfsvoeringsperiode

Stap 3 richt zich op de verzameling van specifieke gegevens die aanleiding (kunnen) geven om de weegfactoren en/of standaardwaarden bij te stellen.

Het bevoegd gezag dient de informatie op zijn merites te beoordelen.

Figuur 7 formulier stap 3 - Specifieke aanpassing van de weegfactoren en/of standaardwaarden

In bepaalde gevallen is het mogelijk om met specifiek bodemonderzoek de ouderdom van een verontreiniging te kunnen bewijzen. In stap 4 gaat het om echt maatwerk. Initiatiefnemer en bevoegd gezag zullen veelal moeten overleggen over de te leveren informatie aard en kwaliteit en de hieruit te trekken conclusies.

De benodigde informatie wordt vastgelegd met behulp van onderstaande figuur.

Figuur 8 formulier stap 4 - Specifieke beoordeling op basis van gerichte bewijsmiddelen