Ministeriële regeling · BWBR0013359

Regeling uitvoering integriteitsbeleid AZ 2001

Wijzigingen Officiële bron
Regeling uitvoering integriteitsbeleid AZ 2001Regeling uitvoering integriteitsbeleid AZ 2001De Minister van Algemene Zaken,

Gelet op de artikelen 51, 61, 62 en 64 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), de circulaire nr. AD1999/U84410 van 13 september 1999 en de Regeling procedure inzake het omgaan met een vermoeden van misstand nr. AD/2000/U98929 van 7 december 2000 van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

gehoord het departementaal georganiseerd overleg en de departementale ondernemingsraad, ingesteld bij het Ministerie van Algemene Zaken;

Besluit:

's-Gravenhage4 december 2001 De Minister van Algemene Zaken, namens deze,De Secretaris-Generaal,W.J.Kuijken

In deze regeling wordt verstaan onder:

a.de minister:

de Minister van Algemene Zaken;

b.het ministerie:

het Ministerie van Algemene Zaken en de daaronder ressorterende diensten;

c.de medewerker:

de ambtenaar in de zin van het ARAR werkzaam bij het ministerie;

d.het hoofd van dienst:e.de adviseur integriteit:

de door de secretaris-generaal aangewezen adviseur bedoeld in artikel 15;

f.nevenwerkzaamheden:

hetgeen daaronder wordt verstaan in de artikelen 61 en 62 van het ARAR;

g.het registratiepunt integriteit:

het registratiepunt integriteit bedoeld in artikel 19;

h.een geschenk:

een vergoeding, beloning, gift of belofte, in welke vorm dan ook, die aan een medewerker in die hoedanigheid door een derde wordt aangeboden of gedaan;

i.een standaard relatiegeschenk:

een geschenk van geringe waarde dat door een derde in het algemeen aan zijn relaties pleegt te worden aangeboden;

j.een vermoeden van misstand:

een op redelijke gronden gebaseerd vermoeden omtrent:

k.voorkennis:

bekendheid met een bijzonderheid omtrent een rechtspersoon, vennootschap of instelling, waarvan de medewerker, die de bijzonderheid kent, weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat zij niet openbaar is en dat zij niet zonder schending van de geheimhouding buiten de kring van geheimhoudingsplichtigen kan komen of is gekomen.

De in artikel 3, eerste lid, bedoelde melding bevat de volgende gegevens:

Het hoofd van dienst toetst of door het verrichten van de nevenwerkzaamheden de goede functievervulling door de medewerker of het goed functioneren van de openbare dienst, voor zover deze in verband staan met die functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.

De medewerker, aan wie toestemming voor het verrichten van de gemelde nevenwerkzaamheden is verleend, meldt elke wijziging van omstandigheden die van invloed kan zijn op de verleende toestemming, terstond aan zijn hoofd van dienst. Het bepaalde in de artikelen 3 tot en met 6 is van overeenkomstige toepassing.

Indien een geschenk niet wordt aangenomen maakt betrokkene of het hoofd van dienst dat bekend aan de aanbieder van het geschenk, onder verwijzing naar het integriteitsbeleid van het ministerie.

Indien het geschenk al is overgedragen, zorgt betrokkene voor teruggave of indien niet mogelijk voor een alternatieve bestemming, eventueel onder vergoeding van de kosten aan de gever.

Het is het hoofd van dienst niet toegestaan ex-medewerkers van het ministerie binnen een termijn van 2 jaar na datum van ontslag, direct of via derden in te huren voor het verrichten werkzaamheden ten behoeve van de betreffende dienst. Hiervoor kan een uitzondering worden gemaakt als het inhuren deel uit maakt van de ontslagregeling die met deze ex-medewerker is getroffen en het een vooraf te bepalen en beperkte periode betreft.

Indien een regeling, zoals bedoeld in artikel 17, is getroffen dan wordt een afschrift van de brief waarin de afspraken zijn vastgelegd ter hand gesteld aan het meldpunt integriteit.

De als adviseur integriteit brengt jaarlijks voor 1 maart aan de secretaris-generaal een vertrouwelijk en geanonimiseerd verslag uit over het aantal malen dat hij is geraadpleegd en de onderwerpen waarover hij heeft geadviseerd in het voorgaande kalenderjaar.

Voor de toepassing van dit besluit fungeert voor de hoofden van dienst de secretaris-generaal als hoofd van dienst en voor de secretaris-generaal de minister.

Het besluit Regeling uitvoering integriteitsbeleid AZ van 11 september 1998 (Stcrt. 12 oktober 1998) wordt ingetrokken.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. De regeling treedt in werking met ingang van 4 december 2001.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling uitvoering integriteitsbeleid AZ 2001.