Wijzigingen Officiële bron
Mandaatbesluit gemeenschappelijke landelijke diensten R.O. en rechterlijke ambtenaren in opleidingMandaatbesluit gemeenschappelijke landelijke diensten R.O. en rechterlijke ambtenaren in opleidingDe Minister van Justitie,

Gehoord de gemeenschappelijke ondernemingsraad van de directie Rechtspleging;

Gehoord het sectoroverleg Rechterlijke Macht;

Besluit:

Den Haag28 mei 2002 De Minister voornoemd,A.H. KorthalsMede-ondertekenaars:De voorzitter van de Raad voor de Rechtspraak,A.H. vanDeldenDe voorzitter van het College van procureurs- generaal,J.L. deWijkerslooth

In dit besluit wordt verstaan onder:

a)de Minister:

de Minister van Justitie

b)de Raad:

de Raad voor de rechtspraak, bedoeld in artikel 84, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie;

c)het College:

het College van procureurs-generaal, bedoeld in artikel 130 van de Wet op de rechterlijke organisatie;

d)een dienst:

een gemeenschappelijke landelijke dienst als bedoeld in artikel 3 van dit besluit;

e)de Raad van Opdrachtgevers:

elke dienst heeft een Raad van Opdrachtgevers bestaande uit een lid van de Raad en een lid van het College;

f)de leiding:

de directie of het college van bestuur van een dienst.

De bevoegdheden toegedeeld krachtens dit besluit kunnen uitsluitend worden aangewend ter uitvoering van het Convenant gemeenschappelijke landelijke diensten rechterlijke organisatie van 13 maart 2002, dan wel in het kader van het aanstellen en opleiden van rechterlijke ambtenaren in opleiding.

De Raad en het College gezamenlijk zijn bevoegd de bij of krachtens de Ambtenarenwet aan het bevoegde gezag toegekende bevoegdheden uit te oefenen ten aanzien van de bij artikel 3, eerste lid, genoemde diensten werkzame ambtenaren.

De Raad en namens de Minister het College gezamenlijk zijn bevoegd om namens de Staat privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten voor zover die voortvloeien uit het beheer van het deel van de Justitiebegroting dat betrekking heeft op de in artikel 3 genoemde diensten, tenzij bij of krachtens de wet is bepaald dat een andere minister dan onze minister de rechtshandeling verricht.

De Voorzitter van de Raad en de Voorzitter van het College gezamenlijk zijn bevoegd de Staat in rechte te vertegenwoordigen ten aanzien van besluiten, genomen op grond van de bevoegdheden die ingevolge dit besluit zijn gemandateerd.

Aan de Raad en het College gezamenlijk wordt mandaat verleend om namens de Minister besluiten te nemen met betrekking tot de individuele rechtspositie van rechterlijke ambtenaren in opleiding.

Het Mandaatbesluit opleiding rechterlijke ambtenaren van 2 juni 1998 wordt ingetrokken.

Vervallen

Deze regeling laat onverlet de rechten als bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en de rechten van de ondernemingsraden als bedoeld in de Wet op de ondernemingsraden.

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 januari 2002.

Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit gemeenschappelijke landelijke diensten R.O. en rechterlijke ambtenaren in opleiding.