U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-10-2017.

Wet · BWBR0013800

Wet op het onderwijstoezicht

Wijzigingen Officiële bron
Wet van 20 juni 2002 houdende Wet op het onderwijstoezichtWet op het onderwijstoezichtWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels vast te stellen met betrekking tot het toezicht op het onderwijs;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage20 juni 2002BeatrixDe Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,L. M. L. H. A. Hermans De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,K. Y. I. J. Adelmund De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,L. J. Brinkhorst drieëntwintigste juli 2002De Minister van Justitie,A. H. Korthals

In deze wet wordt verstaan onder:

Bij de uitoefening van het toezicht op opleidingen, gericht op een beroep waarvoor bij of krachtens de wet vereisten zijn gesteld op het gebied van kennis, inzicht, vaardigheden en in voorkomende gevallen beroepshoudingen, waarover degene die de opleiding voltooit, met het oog op het beroepsmatig functioneren dient te beschikken, pleegt de inspectie overleg met door Onze Minister wie het aangaat, aangewezen ambtenaren.

Vervallen

De artikelen 11, 12 en 15 zijn niet van toepassing op de instellingen voor hoger onderwijs.

Indien de inspectie oordeelt dat de kwaliteit van het onderwijs zeer zwak is, als bedoeld in artikel 10a, eerste of vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 19a van de Wet op de expertisecentra en artikel 23a1, eerste of vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, informeert zij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de betreffende instelling gelegen is.

Dit hoofdstuk is van toepassing op het toezicht op de uitoefening van de taken van het samenwerkingsverband.

Artikel 4 en artikel 8, eerste tot en met derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

De artikelen 20, eerste tot en met vijfde lid, en 21 zijn van overeenkomstige toepassing.

Dit hoofdstuk is van toepassing op het College voor toetsen en examens, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Wet College voor toetsen en examens.

Dit hoofdstuk is van toepassing op het toezicht op de kwaliteitsvoorwaarden voor voorschoolse educatie in peuterspeelzalen en kindercentra, bedoeld in de bij of krachtens de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen vastgestelde bepalingen.

De artikelen 20, eerste tot en met vijfde lid, 21, 22 en 23 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in artikel 20, tweede lid, onder «een bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschrift» wordt verstaan «een bij of krachtens een onderwijswet of een bij of krachtens de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen gegeven voorschrift omtrent de kwaliteit van voorschoolse educatie» en dat in het derde en vierde lid onder «het bestuur» moet worden verstaan: de houder van een kindercentrum of peuterspeelzaal als bedoeld in de artikelen 1.1 en 2.1 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.

Dit hoofdstuk is van toepassing op het toezicht op de uitoefening van de taken van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven.

De artikelen 4, artikel 8, eerste tot en met derde lid, en 9 zijn van overeenkomstige toepassing.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

De inspectie draagt zorg voor een verantwoorde taakuitoefening.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Uit het basisregister onderwijs kunnen persoonsgegevens worden verstrekt aan de betrokkene en diens wettelijke vertegenwoordiger.

Uit het basisregister onderwijs kunnen persoonsgegevens worden verstrekt aan Onze Minister en de inspectie voor zover dat noodzakelijk is voor de uitoefening van hun wettelijke taken.

De artikelen 24h tot en met 24k zien mede op beroepsopleidingen ten aanzien waarvan toepassing is gegeven aan artikel 1.4.1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, opleidingen educatie ten aanzien waarvan toepassing is gegeven aan artikel 1.4a.1, eerste lid, van die wet, en scholen die zijn aangewezen op grond van artikel 56 van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Artikel 24j is van overeenkomstige toepassing.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Behoudens artikel 24r omvat het diplomaregister gegevens over:

Diplomagegevens worden tot 60 jaar na de maand van afgifte van het laatst behaalde waardedocument of, indien dat eerder is, tot het overlijden van betrokkene bewaard in het diplomaregister in een vorm die het mogelijk maakt betrokkene te identificeren.

Een derde kan bij het verwerken van persoonsgegevens gebruik maken van het persoonsgebonden nummer voor zover dit noodzakelijk is in verband met de verstrekking van gegevens aan hem uit het diplomaregister.

Wijzigt de Leerplichtwet 1969.

Wijzigt de Wet op het primair onderwijs.

Wijzigt de Wet op de expertisecentra.

Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs.

Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs.

Wijzigt de Wet op de erkende onderwijsinstellingen.

Wijzigt de Wet studiefinanciering 2000.

Wijzigt de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.

a.Wijzigt deze wet.

b.Wijzigt deze wet.

c.Wijzigt kamerstuk 26935.

d.Wijzigt deze wet.

c.Wijzigt kamerstuk 27728.

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na inwerkingtreding van paragraaf 4 van hoofdstuk 6a van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de realisatie van de volgende doelstellingen van het register vrijstellingen en vervangende leerplicht:

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Deze wet wordt aangehaald als: Wet op het onderwijstoezicht.