U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-08-2008.
Wijzigingen Officiële bron
Wet van 27 juni 2002, houdende bepalingen inzake de geldtransactiekantorenWet inzake de geldtransactiekantorenWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het, ter bescherming van de integriteit van het financiële stelsel in Nederland en met het oog op het tegengaan van het witwassen van gelden en van het financieren van terroristische misdrijven en de uitvoering van de Wet identificatie bij dienstverlening en de Wet melding ongebruikelijke transacties, wenselijk is het huidige stelsel van registratie van en toezicht op de wisselkantoren uit te breiden tot kantoren die aanverwante geldtransacties uitvoeren;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage27 juni 2002BeatrixDe Minister van Financiën,G. Zalmde achttiende juli 2002De Minister van Justitie,A. H. Korthals

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Onze Minister kan, indien zich bij een geldtransactiekantoor een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a of b, of in artikel 5, tweede lid, onder b tot en met f, aan het geldtransactiekantoor dan wel aan de personen bedoeld in artikel 2, derde lid, onder a, b of c, een aanwijzing geven om ten aanzien van met name aan te geven onderwerpen een bepaalde gedragslijn te volgen, teneinde te bereiken dat deze omstandigheid zich niet meer voordoet. Het geldtransactiekantoor dan wel de persoon aan wie de aanwijzing is gegeven, volgt deze op binnen een door Onze Minister te bepalen termijn.

Het is een instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, met uitzondering van een instelling als bedoeld in onderdeel 15°, verboden een zakelijke relatie aan te gaan met of een incidentele transactie als bedoeld in artikel 3, derde lid, onder b van die wet te verrichten ten behoeve van een geldtransactiekantoor waarop, naar de instelling weet of redelijkerwijs kan vermoeden, het verbod van artikel 3, eerste lid, van toepassing is.

In afwijking van artikel 12, eerste lid, licht Onze Minister het Meldpunt ongebruikelijke transacties, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, in, indien hij bij de uitoefening van zijn bij deze wet opgelegde taak feiten ontdekt die duiden op witwassen of heling van geld.

In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is voor beroepen tegen besluiten op grond van deze wet de rechtbank te Rotterdam bevoegd.

Degene jegens wie door Onze Minister een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat hem wegens een overtreding een bestuurlijke boete zal worden opgelegd, is niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.

De werkzaamheden in verband met het opleggen van een dwangsom of van een bestuurlijke boete worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van de overtreding en het daaraan voorafgaande onderzoek.

Degene jegens wie door Onze Minister een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat Onze Minister zijn handelen of nalaten op grond van artikel 31 ter openbare kennis zal brengen, is niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.

De werkzaamheden in verband met het op grond van artikel 31 ter openbare kennis brengen van een feit worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van het feit en het daaraan voorafgaande onderzoek.

Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie.

Wijzigt de Wet toezicht beleggingsinstellingen.

Wijzigt de Wet toezicht effectenverkeer 1995.

Wijzigt de Wet toezicht kredietwezen 1992.

Wijzigt de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf.

Wijzigt de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993.

Wijzigt de Wet op de economische delicten.

Een ontheffing als bedoeld in artikel 5 van de Wet inzake de wisselkantoren wordt geacht te zijn verleend op grond van artikel 4 van deze wet.

Ingeval voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet beroep is ingesteld tegen een op grond van de Wet inzake de wisselkantoren genomen besluit of tegen een ingevolge artikel 82 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 genomen besluit terzake van een activiteit als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 3°, van deze wet, wordt op het beroep beslist met toepassing van het voor dat tijdstip geldende recht.

De Wet inzake de wisselkantoren wordt ingetrokken.

Onder toepassing van artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet treedt deze wet in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

Deze wet wordt aangehaald als: Wet inzake de geldtransactiekantoren.

Voor de overtredingen genoemd in tabel 1 en tabel 2, begaan na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, zijn de boetebedragen vastgesteld als volgt:

Tariefnummer: Bedrag (vasttarief):

1. Indien een bestuurlijke boete wordt opgelegd voor het overtreden van een bepaling als genoemd in tabel 11, is bij de vaststelling van de hoogte van deze bestuurlijke boete de volgende categorie-indeling naar opbrengst respectievelijk balanstotaal van toepassing met de daarbij behorende factor:2

Categorie-indeling normgeadresseerden

Categorie I: ingeschreven geldtransactiekantoren met een opbrengst van minder dan € 45 400; factor: 0,25;

Categorie II: ingeschreven geldtransactiekantoren met een opbrengst van ten minste € 45 400 maar minder dan € 90 800; factor: 0,5;

Categorie III: ingeschreven geldtransactiekantoren met een opbrengst van ten minste € 90 800 maar minder dan € 226 900 alsmede kredietinstellingen en financiële instellingen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel c of d, met een balanstotaal van minder dan € 45 378 000; factor: 1;

Categorie IV: ingeschreven geldtransactiekantoren met een opbrengst van ten minste € 226 900 maar minder dan € 453 800, alsmede kredietinstellingen en financiële instellingen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel c of d, met een balanstotaal van ten minste € 45 378 000 maar minder dan € 453 780 000; factor: 2;

Categorie V: ingeschreven geldtransactiekantoren met een opbrengst van ten minste € 453 800, alsmede kredietinstellingen en financiële instellingen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel c of d, met een balanstotaal van ten minste € 453 780 000 maar minder dan € 4 537 800 000; factor: 3;

Categorie VI: kredietinstellingen en financiële instellingen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel c of d, met een balanstotaal van ten minste € 4 537 800 000 maar minder dan € 45 378 020 000; factor: 4;

Categorie VII: kredietinstellingen en financiële instellingen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel c of d, met een balanstotaal van ten minste € 45 378 020 000; factor: 5.

2. De bestuurlijke boete wordt vastgesteld door het bedrag, bedoeld in artikel 1, te vermenigvuldigen met de factor behorende bij de categorie naar opbrengst respectievelijk balanstotaal, bedoeld in het eerste lid.

3. Indien de gegevens omtrent de opbrengst respectievelijk balanstotaal niet aan Onze Minister beschikbaar zijn gesteld, kan Onze Minister aan degene aan wie de bestuurlijke boete wordt opgelegd, verzoeken deze gegevens binnen een door hem te stellen termijn te verstrekken. Indien de betrokkene niet binnen de gestelde termijn voldoet aan dit verzoek, is bij de vaststelling van de hoogte van de bestuurlijke boete categorie VII van toepassing.

Indien het een overtreding betreft waarvoor tariefnummer 1 of 2 is vastgesteld, behoeft de betrokkene op grond van artikel 24, tweede lid, niet in de gelegenheid te worden gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de bestuurlijke boete wordt opgelegd.

TABEL 1

TABEL 2