U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 20-02-2010.
Wijzigingen Officiële bron
Verordening van het Productschap Zuivel van 18 September 2002, houdende eisen ter zake van methoden van onderzoek van de kwaliteit van boerderijmelkZuivelverordening 2003, Eisen methoden van onderzoekHet bestuur van het Productschap Zuivel;

Gelet op artikel 93 van de Wet op de bedrijfsorganisatie, artikel 5, lid 1, van de Instellingsverordening Productschap Zuivel, alsmede op artikel 8, lid 5, en artikel 13, lid 1, van de Zuivelverordening 2000, Uitbetaling van boerderijmelk naar kwaliteit, samenstelling en gewicht;

Besluit:

Amersfoort18 september 2002G. van denBergvoorzitterF.Beekmansecretaris

Goedgekeurd door de Bestuurskamer van de Sociaal-Economische Raad bij besluit van 2 mei 2003.

In deze verordening wordt gebezigd de terminologie van de Zuivelverordening 2005, Grondslag uitbetaling boerderijmelk.

Een melkcontrolestation beschikt over een voorschriftenbundel met een gedetailleerde en actuele beschrijving van de methoden die worden toegepast voor het onderzoek van de samenstelling en kwaliteit van boerderijmelk.

Voor de bepaling van het kerngetal geldt NEN-EN-ISO 4833 als referentiemethode.

In plaats van de referentiemethode mogen andere gevalideerde methoden worden toegepast, met dien verstande dat:

Het resultaat wordt uitgedrukt in kolonievormende eenheden per ml. Voor uitslagen boven 999.000 per ml dient 999.000 per ml te worden vermeld als uitslag.

De toe te passen methode berust op het filtreren van 22 tot 28 ml melk met een temperatuur van 37 ±2 ºC bij een drukverschil van 25 tot 30 kPa. De verontreinigingsgraad wordt vastgesteld na droging van het filter, waarbij een gradatiecijfer wordt toegekend op grond van vergelijking met een grensstandaard. Deze grensstandaard wordt periodiek verstrekt door het COKZ.

Een gradatiecijfer II wordt toegekend aan een monster indien de daardoor veroorzaakte verontreinigingsgraad van het filter groter is dan die van de grensstandaard. In de andere gevallen wordt een gradatiecijfer I toegekend.

Het onderzoek op melkvreemde bacteriegroeiremmende stoffen vindt plaats volgens een onderzoekschema dat bestaat uit een screeningsmethode (A), een bevestigingsmethode (B) en een test ter nadere kwalificering van de groeiremming.

Met de screeningsmethode A worden monsters rauwe melk opgespoord die aantoonbaar bacteriegroeiremmende stoffen kunnen bevatten.

Met de bevestigingsproef B wordt nagegaan of na verhitting van de met methode A opgespoorde monsters de bacteriegroeiremming in deze monsters wordt bevestigd.

Indien ook in bevestigingsproef B sprake is van groeiremming, wordt een test uitgevoerd ter nadere kwalificering in aard en mate van de groeiremming.

De concentraties van enkele bacteriegroeiremmende stoffen die ten minste aantoonbaar moeten zijn in de screeningsmethode (A) en de bevestigingsmethode (B) zijn weergegeven in de onderstaande tabel.

* uitgedrukt in internationale Eenheden per ml

In geval bij de test ter nadere kwalificering een groeiremming wordt vastgesteld die groter is dan die voor de meelopende grensstandaard van 0,0037 IE/ml penicilline en een test op penicillinen en cefalosporinen (ß-lactam antibiotica) positief is, wordt het resultaat als positief gekwalificeerd en met een P aangeduid.

In geval bij de test ter nadere kwalificering een groeiremming wordt vastgesteld die groter is dan die voor de meelopende grensstandaard van 0,0037 IE/ml penicilline en een test op penicillinen en cefalosporinen (ß-lactam antibiotica) negatief is, wordt het resultaat als positief gekwalificeerd en met een O aangeduid.

In geval van een positieve bevinding dient ten minste 2 ml van het betreffende monsterrestant tot ten minste 3 maanden na datum monsterneming bij -20 °C of lager te worden bewaard. Dit monsterrestant moet zijn voorzien van een adequate identificatie.

Voor de bepaling van het celgetal geldt de microscopische celtelling volgens NEN-EN-ISO 13366-1 als referentiemethode.

In plaats van de referentiemethode mogen andere gevalideerde methoden worden toegepast, met dien verstande dat:

Het celgetal wordt uitgedrukt in cellen per ml. Voor celgetallen boven 9.999.000 per ml wordt 9.999.000 per ml vermeld als uitslag.

De toe te passen methode voor de bepaling van de aanwezigheid van sporen van boterzuurbacteriën vindt plaats volgens NEN 6877, met dien verstande dat:

Gasvorming in de buis wordt aangeduid met een " + ", anders wordt een " - " genoteerd.

De zuurtegraad van het vet wordt uitgedrukt in mmol per 100 g vet.

Voor de bepaling van het vriespunt geldt NEN-EN-ISO 5764 als referentiemethode.

In plaats van de referentiemethode mogen andere gevalideerde methoden worden toegepast, met dien verstande dat:

Het vriespunt wordt uitgedrukt in °C.

De toe te passen methode berust op de verwarming van een hoeveelheid monster in een afgesloten flesje met een septum. Aansluitend wordt een deel van de bovenstaande gasfase (headspace) in een gaschromatograaf geïnjecteerd. Na scheiding van de gehalogeneerde koolwaterstoffen vindt detectie plaats middels een EC-detector en wordt het chloroformgehalte met behulp van een kalibratiecurve gekwantificeerd. Het gemeten gehalte wordt vervolgens gecombineerd met het volgens artikel 19 gemeten vetgehalte van het monster.

Het chloroformgehalte wordt uitgedrukt in milligram chloroform per kilogram vet.

Bij een vetgehalte van 4,5% en een chloroformgehalte van 0,2 mg/kg vet dient de herhaalbaarheid van de meting kleiner te zijn dan 0,02 mg/kg vet.

Voor de bepaling van het vetgehalte geldt de methode volgens NEN-EN-ISO 1211 als referentiemethode. Voor de bepaling van het eiwitgehalte geldt de methode volgens NEN-EN-ISO 8968 deel 1 of deel 2 als referentiemethode. Bij toepassing van alternatieve methoden voor de bepaling van het vet- en eiwitgehalte mogen geen wezenlijke afwijkingen worden verkregen van de uitslagen volgens de genoemde referentiemethoden.

Per kalendermaand neemt het COKZ minimaal twee series monsters voor uitvoering van heronderzoek bij een door het productschap aangewezen laboratorium. Per serie worden 12 willekeurig gekozen monsters onderzocht op vetgehalte met de methode volgens NEN-EN-ISO 1211 en 12 willekeurig gekozen monsters onderzocht op eiwitgehalte met de methode volgens NEN-EN-ISO 8968 deel 1 of deel 2. Voor de beoordeling van de resultaten gelden per serie onderzochte monsters ten aanzien van gemiddelde verschillen en standaardafwijking de volgende normen:

Gemiddeld mag, over een willekeurige periode van 1 jaar, het gemiddelde verschil per component hoogstens plus of min 0,010% bedragen voor het voldoen aan het criterium, als bedoeld in artikel 20.

De Zuivelverordening 2000, Methoden van kwaliteitsonderzoek en het Besluit 2000, Beoordeling resultaten onderzoek samenstelling boerderijmelk worden ingetrokken.

Deze verordening wordt aangehaald als Zuivelverordening 2003, Eisen methoden van onderzoek.

Deze verordening treedt in werking op een nader door het bestuur vast te stellen datum.