Ministeriële regeling · BWBR0014035
Regeling locatiespecifieke omstandigheden
Gelet op artikel 38, derde lid van de Wet bodembescherming;
Besluit:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst
De regeling treedt in werking met ingang van 14 oktober 2002.
's-Gravenhage23 september 2002 De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, P.L.B.A. vanGeelIn deze regeling wordt verstaan onder:
a.wet:b.besluit:Besluit locatiespecifieke omstandigheden
c.bodemgebruikswaarde:een functiegerichte bodemkwaliteitsnorm voor immobiele verontreiniging
d.leeflaag:een laag grond die wordt aangebracht om blootstelling aan de onderliggende verontreiniging te voorkomen, waarvan de fysieke en chemische kwaliteit is afgestemd op de bijbehorende vorm van bodemgebruik
e.watersysteem:een samenhangend geheel van grondwater, oppervlaktewater, bodem, flora en fauna, alsmede de omgeving van dat geheel voorzover hiermee een functionele samenhang bestaat.
Indien maatregelen worden getroffen als bedoeld in artikel 1, tweede lid onder a. van het besluit, kunnen die het volgende inhouden:
- a.
het afgraven van verontreinigde bodem
- b.
het verwijderen van de verontreiniging uit de bodem of het grondwater
- c.
het toepassen van technieken die biologische of chemische omzetting tot niet schadelijke eindproducten tot gevolg hebben
- d.
het realiseren van een fysieke isolatie van de verontreiniging teneinde verspreiding te voorkomen
- e.
het onttrekken van grondwater uit de verontreinigde locatie waardoor verspreiding van verontreiniging vanuit de verontreinigde locatie wordt voorkomen
- f.
het aanbrengen van een leeflaag of andere duurzame afdeklaag.
In gevallen als bedoeld in artikel 1, tweede lid onder b. van het besluit, stelt het bevoegd gezag vast van welke vorm van bodemgebruik sprake is bij de instemming met het saneringsplan, als bedoeld in artikel 39, tweede lid van de wet.
Indien maatregelen worden getroffen als bedoeld in artikel 1, tweede lid onder b. van het besluit, kunnen die het volgende inhouden:
- a.
het afgraven van verontreinigde bodem
- b.
het verwijderen van de verontreiniging uit de bodem of het grondwater
- c.
het toepassen van technieken die biologische afbraak/omzetting of chemische omzetting tot niet schadelijke eindproducten tot gevolg hebben
- d.
het aanbrengen van een leeflaag of andere duurzame afdeklaag.
Wanneer de saneringsmaatregel het aanbrengen van een leeflaag inhoudt, geldt het volgende:
- a.
de leeflaag heeft een standaarddikte van één meter
- b.
in tuinen mag de dikte variëren van 1 tot 1.5 meter, afhankelijk van de bewortelingsdiepte
- c.
bij overige begroeid terrein mag de dikte variëren van 0.5 - 1.5 meter, afhankelijk van de bewortelingsdiepte
- d.
een geringere dikte van de leeflaag is mogelijk onder bijzondere omstandigheden
- e.
onder de leeflaag wordt als regel een signaallaag aangebracht, die tot doel heeft te waarschuwen voor verontreiniging die zich onder die laag bevindt.
In gevallen als bedoeld in artikel 2, tweede lid van het besluit, houden de saneringsmaatregelen het volgende in:
- a.
het afgraven van verontreinigde bodem onder oppervlaktewater als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder a en b van het Besluit
- b.
het verwijderen van verontreiniging uit de bodem
- c.
het aanbrengen van een leeflaag of andere duurzame afdeklaag
- d.
het realiseren van een fysieke isolatie van de verontreiniging teneinde verspreiding te voorkomen
- e.
andere maatregelen die tot gevolg hebben dat de blootstelling aan en verspreiding van verontreinigende stoffen zoveel mogelijk wordt beperkt.
Bij de keuze voor de te nemen saneringsmaatregelen wordt rekening gehouden met de gevolgen van die maatregelen op het watersysteem en de effecten die de dynamiek van het watersysteem kan hebben op het resultaat van de sanering.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling locatiespecifieke omstandigheden.
Bodemgebruikswaarden
Bodemgebruikswaarden per bodemgebruiksvorm, in relatie tot streefwaarden en interventiewaarden voor een standaardbodem (25% lutum en 10% organisch stof(1)
(mg/kg)
Bodemgebruiksvorm* | ||||||
Stof | streefwaarde | I | II | III | IV(4) | interventiewaarde |
Arseen | 29 | 40 | 40 | - | 55 | |
Cadmium | 0,8 | 1 | 12 | - | 12 | |
Chroom | 100 | 300 | 380 | - | 380 | |
Koper | 36 | 80 | 190 | - | 190 | |
Kwik | 0,3 | 2 | 10 | - | 10 | |
Lood | 85 | 85 | 290 | - | 530 | |
Nikkel | 35 | 50 | 210 | - | 210 | |
Zink | 140 | 350 | 720 | - | 720 | |
PAK (10-VROM) | 1 | 2 | 40 | - | 40 | |
DDT/DDD/DDE (2) | 0,0025 | 2,5 | 4 | - | 4 | |
Drins (3) | 0,005 | 0,2 | 4 | - | 4 | |
Andere stoffen streefwaarde interventiewaarde | streefwaarde | interventiewaarde |