U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 15-04-2010.

Ministeriële regeling · BWBR0014138

Regeling aanstellingseisen politie 2002

Wijzigingen Officiële bron
Regeling aanstellingseisen politie 2002Regeling aanstellingseisen politie 2002De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Gelet op artikel 7, eerste lid, onderdelen b, c en d, van het Besluit algemene rechtspositie politie;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen (1 tot en met 5) die ter inzage worden gelegd in de bibliotheek van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.Hessing

In deze regeling wordt verstaan onder:

Het Instituut Werving en Selectie Politie rapporteert het bevoegd gezag naar aanleiding van de uitkomsten van het geschiktheidsonderzoek.

Niet tot aanstelling kan worden overgegaan indien

De aspirant is op het moment van zijn aanstelling in het bezit van het rijbewijs B of behaalt dit binnen twee jaar na zijn aanstelling.

De Regeling aanstellingseisen politie wordt ingetrokken.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanstellingseisen politie 2002.

De kandidaat die solliciteert naar een executieve functie bij de Nederlandse politie, wordt onderworpen aan een geschiktheidonderzoek. Voor kandidaten die de selectie ondergaan voor de opleidingen op de kwalificatieniveaus 2, 3 en 4 maakt een taalvaardigheidonderzoek deel uit van dit geschiktheidonderzoek.

Het taalvaardigheidonderzoek wordt afgenomen overeenkomstig de richtlijnen van het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) en is geijkt op de kwalificatieniveaus 2, 3 en 4 van het Nederlandse beroepsonderwijs. Met het onderzoek wordt in eerste instantie de testbaarheid van de kandidaat bepaald. Bezien wordt of de kandidaat over een voldoende taalvaardigheid beschikt om de instructies en vragen te begrijpen van de overige tot het geschiktheidonderzoek behorende onderzoeken. Daarnaast wordt bepaald of de taalvaardigheid van de kandidaat voldoende is om direct te kunnen deelnemen aan het politieonderwijs.

Het taalvaardigheidonderzoek is opgedeeld in de onderdelen ‘Nederlands algemeen’ en ‘Nederlands vakspecifiek’. Op basis van testgegevens van het onderdeel ‘Nederlands algemeen’ wordt beoordeeld of de kandidaat in voldoende mate het Nederlands beheerst zodat een betrouwbare interpretatie kan worden gegeven van de gegevens uit het geschiktheidonderzoek.

Het onderdeel ‘Nederlands algemeen’ wordt met behulp van een computer afgenomen in de vorm van een zogenoemde C-toets waarbij de kandidaat in volzinnen waarin delen van woorden zijn weggelaten, de ontbrekende delen dient in te vullen.

De minimale grenswaarde op dit onderdeel is vastgesteld op 19. Kandidaten die lager scoren dan de minimale grenswaarde worden als ‘niet testbaar’ beschouwd. Dit houdt in dat op grond van de score wordt verondersteld dat de schriftelijke beheersing van het Nederlands te zwak is om de resultaten van de psychologische tests te kunnen interpreteren. Bij niet testbare kandidaten wordt de procedure door het IWSP beëindigd. In dat geval brengt het IWSP geen advies uit over de geschiktheid van de kandidaat. De niet testbare kandidaten kunnen op grond van artikel 7, onder a, van de Regeling aanstellingseisen 2002 niet worden aangesteld.

Bij het onderdeel ‘Nederlands algemeen’ wordt tevens bezien of de taalvaardigheid van de kandidaat voldoende is om direct te kunnen deelnemen aan het politieonderwijs. Bij kandidaten die ten minste de grenswaarde van 30 behalen wordt verondersteld dat de schriftelijke taalbeheersing voldoende is om het politieonderwijs te kunnen volgen. Van testbare kandidaten die niet de grenswaarde van 30 behalen, wordt verondersteld dat zij het Nederlands in voldoende mate beheersen om de resultaten van de psychologische tests te kunnen interpreteren, maar dat zij in het politieonderwijs tekort zullen schieten. Voor deze kandidaten luidt het advies van het IWSP voorafgaand aan het politieonderwijs aanvullende scholing in het schriftelijk Nederlands te volgen (‘voorschakeladvies’). Dit advies is niet bindend voor het tot aanstelling bevoegde gezag. Het desbetreffende bevoegde gezag dient voorafgaand aan het geschiktheidonderzoek aan de kandidaat kenbaar te maken welke eisen dat gezag op dit punt aan de kandidaat stelt.

De grenswaarden van het onderdeel ‘Nederlands algemeen’ worden ten minste jaarlijks gevalideerd op grond van een analyse van de toetsresultaten en de resultaten op de taalonderdelen van het politieonderwijs en de bevindingen van taaldocenten. Het onderdeel ‘Nederlands vakspecifiek’ meet de woordenschat, leesvaardigheid en schrijfvaardigheid van de kandidaat. Hier is sprake van een open normering waarbij het desbetreffende bevoegde gezag voorafgaand aan het geschiktheidonderzoek aan de kandidaat kenbaar dient te maken welke eisen het bevoegd gezag stelt aan de uitkomsten van het onderzoek.

De kandidaat die solliciteert naar een executieve functie bij de Nederlandse politie, wordt onderworpen aan een geschiktheidonderzoek. Van dit geschiktheidonderzoek maakt deel uit het cognitieve capaciteitenonderzoek. Het cognitieve capaciteitenonderzoek biedt het bevoegd gezag, naast het behaalde diploma van de kandidaat, een graadmeter om de geschiktheid van een kandidaat te beoordelen.

Het cognitieve capaciteitenonderzoek voor de kwalificatieniveaus 2, 3 en 4 geschiedt op basis van de zogenoemde Politie Intelligentie Test. Deze test wordt geautomatiseerd afgenomen en bestaat uit de volgende 6 onderdelen:

Per onderdeel worden de goede antwoorden gelijk gewaardeerd. De score per onderdeel is gelijk aan de som van de waarderingen van de goede antwoorden. De score per onderdeel wordt vervolgens weergegeven op een schaal van 0 tot en met 10 (de klassescore). De optelsom van de klassescores leidt tot de eindscore van de Politie Intelligentie Test. De resultaten van de Politie Intelligentie Test geeft voor de kwalificatieniveaus 5 en 6 een onvoldoende spreiding van de resultaten te zien. Dientengevolge is een goede Interpretatie van die resultaten niet mogelijk. Voor de kwalificatieniveaus 5 en 6 wordt daarom gebruik gemaakt van de LSCP-Multiculturele test voor de hogere niveaus (LMCT-H). De test wordt schriftelijk afgenomen en bestaat uit de volgende onderdelen:

Per onderdeel worden de goede antwoorden gelijk gewaardeerd. De score per onderdeel is gelijk aan de som van de waarderingen van de goede antwoorden. De score per onderdeel wordt vervolgens weergegeven op een schaal van 0 tot en met 10 (de klassescore). De optelsom van de klassescores leidt tot de eindscore van de LMCT-H.

De eindscore van iedere kandidaat wordt vergeleken met de resultaten van normgroepen. Er zijn vijf normgroepen die elk afzonderlijk bestaan meer dan 2000 kandidaten die de test eerder hebben afgelegd en die een opleiding hebben genoten die toegang geeft tot eenzelfde aan het politieonderwijs verbonden kwalificatieniveau.

De eindscore van de Politie Intelligentie Test wordt derhalve vergeleken met de resultaten van drie normgroepen. Dit zijn de groep eerder geteste kandidaten op het kwalificatieniveau 2, de groep op kwalificatieniveau 3 en de groep op kwalificatieniveau 4.

De eindscore van de LMCT-H wordt vergeleken met de resultaten van twee normgroepen. Het betreft hier de groep eerder geteste kandidaten op het kwalificatieniveau 5 en de groep op het kwalificatieniveau 6.

Voor de Politie Intelligentie Test en de LMCT-H geldt dat de vergelijking van de eindscore met de resultaten van een normgroep wordt gepresenteerd op een 20-puntsschaal. Daarbij staat elk punt voor 5% van de normgroep. Scoort een kandidaat in deze vergelijking 12 punten dan betekent dit dat (11 X 5 =) 55 procent van de desbetreffende normgroep een lager resultaat heeft behaald en (8x5=) 40 procent een hoger resultaat.

Open advisering en bindend advies

Beschrijving van de 7-puntsschaaI, de ondergrens en het gewenste competentieniveau.

Het nieuwe Politie Onderwijs 2002 brengt ook voor de selectie een aantal veranderingen met zich mee. Een belangrijke verandering is de open advisering, waarmee de beslissingsbevoegdheid bij het korps wordt gelegd. Dit houdt in dat korpsen, op basis van de uitkomsten en scores op de verschillende onderdelen van het selectieonderzoek, zelf bepalen of en op welk niveau zij een kandidaat willen aanstellen.

Niettemin zal er in enkele gevallen sprake zijn van een bindende ondergrens voor de psychologische dimensies die betrekking hebben op (stabiele) eigenschappen. Deze ondergrens zal slechts op extreme eigenschappen (of combinaties daarvan) reduceren. De resterende adviezen worden gepresenteerd in de vorm van een sterkte/zwakteanalyse waarbij het korps in alle vrijheid haar keuze kan maken. Voor wat betreft de ontwikkelbare punten (die doorgaans te maken hebben met vaardigheden en inzichten) wordt geen bindende ondergrens vastgesteld. Wel zal er een taxatie worden gemaakt van de haalbaarheid van het ontwikkelpunt, gelet op de mogelijkheden van het nieuwe politieonderwijs.

In de rapportage van het psychologisch onderzoek is gekozen voor een 7-puntsschaal. Voorheen werd gerapporteerd op een 5-puntsschaal. Deze biedt echter te weinig mogelijkheden om het onderscheid te maken tussen de kwalificatieniveaus 2, 3, 4, 5 en 6.

Vanzelfsprekend hoort er bij elke schaalwaarde een bepaald type gedrag, een bepaald competentieniveau. Dit document geeft beschrijvingen van deze competentieniveaus. Ook is per competentie aangegeven wat het gewenste competentieniveau per kwalificatieniveau is (de niveaus 2, 3, 4, 5 en 6). Een sterretje (*) bij een uitspraak uit de kernopgaven, betekent dat het onderhavige kenmerk een dusdanige verzwaring van de competentie inhoudt, dat een hoger gewenst competentieniveau gerechtvaardigd wordt.

Aan de allround-politiemedewerker wordt op het vlak van initiatief andere eisen gesteld dan aan de assistent-politiemedewerker. In het gewenste profiel valt dan ook te lezen dat de allround-politiemedewerker bij voorkeur een score 5 heeft op de competentie initiatief, terwijl voor de assistent-politiemedewerker een score 3 volstaat.

Bij de bepaling van deze gewenste niveaus is uitgegaan van de (van de kernopgaven afgeleide) beroepsprofielen. De omschrijvingen uit de beroepsprofielen zijn ‘gelinkt’ met de competenties. Bijvoorbeeld de omschrijving ‘kan toezicht houden en corrigerend optreden’ vergt overwicht (een ander beïnvloeden door houding en uitstraling) en communicatieve vaardigheden (om de motivering voor het ingrijpen te bespreken met de ander).

De ondergrens voor een bindend negatief advies is laag: voor de niveaus 2, 3 en 4 zullen alleen kandidaten met een score 1 op één van de competenties een negatief advies ontvangen (met uitzondering van de competentie integriteit; daar is een score 2 de ondergrens). Voor de niveaus 5 en 6 ligt de ondergrens bij alle competenties bij een 2-score.

Ten aanzien van het beoordelingsproces van de psycholoog kan het volgende worden opgemerkt. Het psychologisch rapport wordt door psychologen opgesteld. De psycholoog baseert zich daarbij op drie informatiebronnen:

De 11 competenties worden gemeten in een zogenaamde matrixstructuur:

Volgens de huidige ‘best practice’ op het gebied van personeelselectie wordt de mate waarin een competentie zich heeft ontwikkeld met meerdere instrumenten vastgesteld (met uitzondering van ‘zelfinzicht’).

De persoonlijkheidsvragenlijst M5Q is een zelfbeoordelinglijst waarbij de kandidaat aangeeft in welke mate een bepaalde uitspraak van toepassing is. Het gedrag van de kandidaat in de praktijkproef wordt beoordeeld door selectieadviseurs op grond van beoordelingsschalen. De psycholoog neemt het interview af en beoordeelt de informatie die de kandidaat geeft. De psycholoog heeft pas inzicht in de resultaten van de praktijkproef en de persoonlijkheidsvragenlijst nadat het interview is afgerond en beoordeeld.

In het rapport geeft de psycholoog de kandidaat uit eindelijk een beoordeling op een 7-puntsschaal. De expertise van de psycholoog is gelegen in de nauwkeurige afweging van de scores op de drie meetinstrumenten en de integratie in een eindoordeel.

Het over kunnen dragen van informatie, ideeën en opvattingen, zowel verbaal als non-verbaal

Schaalankers

Toelichting: meest relevante omschrijvingen uit de kernopgaven

Niveau 2

Relevante extra’s uit niveau 3

Relevante extra’s uit niveau 4

Relevante extra’s uit niveau 5

Relevante extra’s uit niveau 6

De behoefte aan sociale contacten en deze aan kunnen gaan en onderhouden.

Schaalankers

Toelichting: meest relevante omschrijvingen uit de kernopgaven

Niveau 2

Relevante extra’s uit niveau 3

Relevante extra’s uit niveau 5

Relevante extra’s uit niveau 6

Zich kunnen en willen verplaatsen in de gedachten, gevoelens en reacties van anderen.

Schaalankers

Toelichting: meest relevante omschrijvingen uit de kernopgaven

Niveau 2

Relevante extra’s uit niveau 3

Relevante extra’s uit niveau 4

Relevante extra’s uit niveau 5

Relevante extra’s uit niveau 6

Uit eigen beweging, zonder aansporing van buitenaf, actie ondernemen of actie in gang zetten, in plaats van af te wachten.

Schaalankers

Toelichting: meest relevante omschrijvingen uit de kernopgaven

Niveau 2

Relevante extra’s uit niveau 3

Relevante extra’s uit niveau 4

Relevante extra’s uit niveau 6

Het vermogen om vlot en soepel van taak te wisselen en zich aan te passen aan wisselende omstandigheden alsmede de behoefte aan verandering en afwisseling.

Schaalankers

Toelichting: meest relevante omschrijvingen uit de kernopgaven

Niveau 2

Relevante extra’s uit niveau 3

Relevante extra’s uit niveau 4

Relevante extra’s uit niveau 5

Relevante extra’s uit niveau 6

Knopen door kunnen hakken en beslissingen durven en kunnen nemen, ook bij dilemma’s en bij onvolledige informatie, waarbij verantwoordelijkheid wordt genomen voor de hieruit voortvloeiende consequenties.

Schaalankers

Toelichting: meest relevante omschrijvingen uit de kernopgaven

Niveau 2

Relevante extra’s niveau 3

Relevante extra’s niveau 4

Relevante extra’s niveau 5

Relevante extra’s niveau 6

Het verbaal en/of non-verbaal kunnen beïnvloeden van anderen en als autoriteit geaccepteerd worden.

Schaalankers

Toelichting: meest relevante omschrijvingen uit de kernopgaven

Niveau 2

Relevante extra’s uit niveau 3

Relevante extra’s uit niveau 4

Relevante extra’s uit niveau 5

Relevante extra’s uit niveau 6

Kennis van het eigen gedrag en eigenschappen en het vermogen daarop te reflecteren alsmede de bereidheid deze reflecties te integreren in het toekomstig handelen.

Schaalankers

Toelichting: meest relevante omschrijvingen uit de kernopgaven

Niveau 2

Relevante extra’s uit niveau 3

Relevante extra’s uit niveau 4

Relevante extra’s uit niveau 5

Relevante extra’s uit niveau 6

Om kunnen gaan met spanningen, waarbij het zowel gaat om emotioneel ingrijpende gebeurtenissen, als om spanningen voortkomend uit de dagelijkse werksituatie.

Schaalankers

Toelichting: meest relevante omschrijvingen uit de kernopgaven

Niveau 2

Relevante extra’s uit niveau 3

Relevante extra’s uit niveau 4

Relevante extra’s uit niveau 5

Relevante extra’s uit niveau 6

Vermogen verschillen tussen mensen te accepteren, te respecteren, op waarde te schatten en te integreren in het eigen handelen.

Uit relevante stukken blijkt, dat tolerantie niet, zoals andere eigenschappen, voor hogere niveaus in meerdere mate aanwezig moet worden geacht.

Schaalankers

Uit de relevante stukken zijn geen specifieke niveaugerelateerde competenties met betrekking tot Tolerantie gevonden.

Toelichting: meest relevante omschrijving uit de kernopgaven

Alle niveaus:

Het bewust zijn van algemeen aanvaarde normen en waarden van de samenleving en blijk geven van de bereidheid hiervan niet af te wijken om eigen voordeel te behalen.

Toelichting

Het onderzoek van Paul van de Maesen en Richard Martinus, ‘Integriteit in de politiefunctie’, heeft de volgende clusters van functionele gedragingen opgeleverd:

De eerste twee clusters zijn bruikbaar bij de constructie van schaalankers, de derde is te weinig politiespecifiek; het is ook niet de taak van het IWSP om voorspellende uitspraken op dat gebied te doen. Daarnaast mag van hoger geplaatste, al naar gelang de plaats in de hiërarchie en in de organisatie in het algemeen:

Schaalankers

Uit de relevante stukken zijn geen specifieke niveaugerelateerde competenties met betrekking tot Integriteit gevonden.

Toelichting: meest relevante omschrijving uit de kernopgaven

Alle niveaus:

Toelichting

De hokjes X (ondergrens niveaus 2, 3,4, 5 en 6) van de tabel zijn een weergave van de ondergrens voor de politiefunctie. Staat er een bolletje in één van deze vakjes, dan wordt men niet toegelaten tot het politieonderwijs.

De drie tabellen geven voor de eerste drie kwalificatieniveaus (2, 3 en 4) het gewenste competentieprofiel weer. De hokjes Y (gewenst niveau) geven aan wat voor het betreffende kwalificatieniveau een wenselijke score is. Ze staan in de drie tabellen op andere plaatsen omdat de eisen die de functie stelt per kwalificatieniveau verschillen. Het gewenste competentieniveau geeft aan in welke mate een competentie ontwikkeld moet zijn om op dat kwalificatieniveau naar behoren te kunnen functioneren. Omdat bijvoorbeeld de functie van allround-politiemedewerker op een aantal vlakken nu eenmaal andere eisen stelt dan die van assistent-politiemedewerker, is er op een aantal competenties ook een verschil in gewenst niveau.

Met de Fysieke Vaardigheids Toets (FVT) wordt beoogd te beoordelen of de politieambtenaar voldoende competent is zijn/haar fysieke taken, waarmee deze in het dagelijkse werk kan worden geconfronteerd, naar behoren te kunnen uitvoeren.

Het circuit bestaat uit vier onderdelen die zijn uitgezet in een binnenruimte (bij voorkeur een sportzaal) met een minimale afmeting van een volleybalveld (9 x 18 meter) waarbij aan alle kanten een vrije ruimte aanwezig is van minimaal 2 meter.

De vier onderdelen zijn gebaseerd op:

Verderop in deze map is een schematische weergave van de plattegrond van het circuit opgenomen.

Gesommeerd over het gehele circuit rent en sprint de kandidaat 226,5 meter, duwt deze een kar van 200 kilogram over 18 meter (verdeeld over 3 rondes) en trekt hij/zij deze kar 12 meter (verdeeld over 2 rondes). Verder wordt tillend een gewicht van 5 kilogram over een afstand van ± 3 meter per keer verplaatst (verdeeld over 3 rondes met een frequentie van 6 maal per ronde) en ten slotte wordt een pop van 48 kilogram verplaatst over een afstand van 5 meter. De genoemde materialen zijn gespecificeerd in de materiaallijst (zie bijlagen).

De FVT wordt afgelegd in binnen sporttenue.

De kandidaat begint het circuit bij de startpion. Met een voet wordt een voetschakelaar ingedrukt waardoor de elektronische tijdswaarneming wordt gestart. (situatie 1)

Hij/zij loopt in voorwaartse richting 9 meter naar een pion. Men gaat hier via de linker kant omheen en vervolgt de weg diagonaal in de richting van een dwars opgestelde springkast. (situatie 2)

Tijdens deze verplaatsing gaat de kandidaat over deze dwars opgestelde kast. Vervolgens gaat hij/zij over twee opeenvolgende banken heen in dezelfde voorwaartse diagonale richting.

De daarop volgende pion wordt aan de rechter kant gepasseerd en de kandidaat maakt een draaiing linksom.

Vanaf hier loopt men 4 meter recht vooruit tot aan de kar. Deze kar duwt de kandidaat in voorwaartse richting over een afstand van 6 meter. Daar wordt de kar met de achterzijde ter hoogte van de pionnen gecontroleerd stopgezet.

Hierna vervolgt men de route en loopt diagonaal de hoek in naar het verst gelegen vak 1. Hierin liggen drie medicineballen van 5 kilogram. Het vak is gemarkeerd door middel van stippellijnen en is 100:150 cm groot. De vakken liggen hier in een ‘driehoek-opstelling’. De medicineballen worden door de kandidaat een voor een van vak 1 naar vak 2, daarna van vak 2 naar vak 3 verplaatst en neergelegd. Hierna loopt men naar het startpunt van het parcours.

Bij het startpunt keert de kandidaat zich 180 graden om, nadat deze om de pion is heen gelopen. (situatie 6)

Men loopt nu het eerste gedeelte van de tweede ronde exact hetzelfde als ronde één.

Bij de kar aangekomen wordt deze vanaf de verste positie terug naar de oorspronkelijke startplek van de kar getrokken. Daar wordt de kar met de achterzijde ter hoogte van de pionnen met twee handen gecontroleerd stopgezet.

Van hieruit gaat hij/zij naar de springkast en hierbij passeert hij/zij de eerste pion, welke links naast de kar staat aan de linker kant. De kandidaat passeert de volgende pion aan de rechter kant en gaat in de lengterichting over de springkast, waarbij de openingen van de kast niet als ‘treden’ gebruikt mogen worden; hierna gaat men rechtstreeks door naar het startpunt.

Deze ronde is gelijk aan ronde 1, maar nu worden de medicineballen door de kandidaat één voor één van vak 3 naar vak 2 en vervolgens weer van vak 2 naar vak 1 verplaatst en neergelegd.

Deze ronde is gelijk aan ronde 2.

Deze ronde is tot en met het verplaatsen van de ballen gelijk aan ronde 1.

Nadat de laatste medicinebal is neergelegd in vak 3, vervolgt de kandidaat het parcours via de kortste weg naar de pion, welke de eindstreep bij het verplaatsen van de pop markeert. De kandidaat moet via de linker kant om deze pion heenlopen. Vervolgens maakt de kandidaat het parcours af door na een afstand van 12 meter de finishlijn te passeren; deze finishlijn is getrokken ter hoogte van de startlijn van de kar. Bij het passeren van de sensoren op de finishlijn stopt de tijdwaarneming.

Nadat de kandidaat de finish heeft gepasseerd wandelt hij/zij in een stevige pas 1 ½ ronde om het parcours heen totdat deze weer bij de pop aankomt.

Pop Verplaatsen: Tot slot verplaatst de kandidaat volgens de daarvoor geldende criteria de pop over een afstand van 5 meter. De voeten van de pop dienen na het verplaatsen voorbij de stippellijn te zijn. Hiermee is de Fysieke Vaardigheids Toets voltooid.

De kast is een standaard kast met een hoogte van 110 centimeter.

Zowel voor de breedte- als lengteopstelling geldt het volgende: de kandidaat dient zodanig over de kast heen te gaan, dat er geen lichaamsdelen aan de zijkanten van de kast mogen passeren.

In de breedteopstelling moet men minimaal met één hand steunen op het bovendek. Een dievensprong en spreidsprong zijn niet toegestaan.

In de lengteopstelling mogen de openingen in de kast niet als opstap worden gebruikt. Hierbij dienen minimaal 2 stappen op de kast gedaan te worden, voordat er neergesprongen wordt. Ook bij deze opstelling dient men met minimaal een hand te steunen op het bovendek. Ook hier zijn de dievensprong en spreidsprong niet toegestaan.

Het betreft hier de zogenaamde Zweedse gymnastiekbanken. Men moet in de breedte over elke bank springen. De banken staan 1,5 meter uit elkaar. De banken mogen niet worden aangeraakt.

De kar heeft een gewicht van 200 kilogram.

De kar staat bij de startpositie van de 1e ronde met de achterzijde ter hoogte van de pionnen. De kandidaat duwt de kar met 2 handen in de eerste, derde en vijfde ronde over 6 meter, totdat de kar weer met de achterzijde gelijk staat met de pionnen.

In de tweede en vierde ronde trekt hij/zij de kar weer met 2 handen terug, totdat de achterzijde ter hoogte van de pionnen staat.

De kar moet steeds gecontroleerd tot stilstand worden gebracht.

De kar mag niet door derden op de juiste plaats worden gezet.

De drie medicineballen wegen elk 5 kilogram. De drie vakken zijn elk 100 x 150 cm groot. Bij aanvang liggen alle drie de medicineballen in vak 1. Één voor één worden de medicineballen op een fysiek verantwoorde wijze opgepakt en verplaatst naar het volgende vak. De kandidaat verplaatst de medicineballen in de eerste en vijfde ronde van vak 1 naar vak 2 en van vak 2 naar vak 3 en in de derde ronde van vak 3 naar vak 2 en van vak 2 naar vak 1. Pas als alle medicineballen in vak 2 zijn neergelegd, mag men verdergaan met het verplaatsen van een medicinebal naar het volgende vak. Als de laatste bal in vak 2 is gelegd, moet hij/zij een andere bal pakken. De kandidaat mag dus niet gelijk de laatste bal weer gaan verplaatsen. De medicineballen mogen niet uit het vak rollen. De ballen mogen niet door derden terug in het vak worden gelegd.

Mocht er toch een bal uitrollen, dan moet hij/zij deze zelf eerst terugleggen, alvorens door te gaan. Mocht dit gebeuren op het moment, dat de volgende bal al gepakt is, dan mag je deze eerst neerleggen in het vak waarnaar je toe op weg was. Daarna moet je eerst de weggerolde bal oppakken en terugleggen in het vak waar deze uit gerold is. Een andere bal dient hierna weer opgepakt te worden.

Vanaf vak 3 loopt de kandidaat om de aangegeven pion heen. Vanaf hier loopt de kandidaat via de kortste weg naar de finishlijn. Men dient daarbij tussen de tijdwaarnemingsapparatuur door te lopen. Hierbij zal de tijdklok stoppen.

De kandidaat loopt 1½ ronde om het parcours in stevige wandelpas naar de pop.

De pop betreft een dummy van het type ‘Lowieke’ en heeft een gewicht van 48 kilogram. De kandidaat pakt de pop vast in de okselgreep of in de Rautec greep. De kopgreep is verboden. Men mag pas met de pop gaan lopen als de kandidaat de gekozen greep goed heeft aangelegd. De kandidaat vervoert de pop alsof deze een levend persoon vervoert (dus rustig neerleggen).

De pop ligt met de voeten ter hoogte van de pion op de startstreep(de gehele pop ligt dus binnen het 5 meter vak). Hij/zij verplaatst de pop over een afstand van 5 meter. De voeten van de pop moeten de lijn bij de volgende pion zijn gepasseerd (de pop ligt dan in zijn geheel buiten het 5 meter vak).

Dit onderdeel wordt buiten de tijdsregistratie uitgevoerd. De kwaliteit van het verplaatsen zal hierbij worden beoordeeld.

Indien de kandidaat een onderdeel van het circuit niet op de juiste wijze heeft afgelegd, moet deze stoppen en teruggaan naar dit fout uitgevoerde onderdeel. Hij/zij voert dit onderdeel opnieuw uit, voordat deze het parcours vervolgt.

In afwachting op het startteken staat de kandidaat achter de startlijn.

De elektronische tijdwaarneming staat opgesteld op de startlijn.

De voetschakelaar is tussen de 2 pionnen op de startlijn gesitueerd.

De kandidaat vertrekt direct, nadat deze het startteken heeft gekregen.

Hierbij drukt de kandidaat met één voet de voetschakelaar van de elektronische tijdwaarneming in.

De eerste pion wordt aan de linkerzijde gepasseerd.

Van hieruit wordt de richting ingezet naar situatie 3.

In deze diagonale verplaatsing gaat u over een dwars opgestelde kast. Vervolgens gaat u over twee achter elkaar opgestelde banken heen in voorwaartse diagonale richting.

Tijdens deze verplaatsing gaat de kandidaat over de dwars opgestelde kast. Vervolgens gaat de kandidaat over twee achter elkaar opgestelde banken heen in dezelfde voorwaartse diagonale richting.

De daarop volgende pion wordt aan de rechter kant gepasseerd en kandidaat maakt een draaiing linksom.

Kast: De kast is een standaard kast, met een hoogte van 110 centimeter.

In de breedte- en lengteopstelling: u dient over de kast te gaan, waarbij er geen lichaamsdelen aan zijkanten, naast de kast mogen zijn. Het betreft hier een horizontaal vlak. Er moet minstens met 1 hand worden gesteund en men is niet verplicht een voetplaatsing te doen.

Tevens is het verboden om zonder steunpunten over de kast te gaan.

Een verboden techniek is de dievensprong.

Risico dat hierbij wordt gelopen is dat bij toenemende vermoeidheid de coördinatie minder wordt, waardoor men bijvoorbeeld met het bekken en/of staartbeentje op de kast komt.

De kandidaat moet in de breedte over elke bank springen.

Pas op! Aandacht voor risico tot struikelen.

De banken staan 1,5 meter uit elkaar.

De banken mogen niet worden aangeraakt.

De kar staat bij de startpositie van de 1e, 3e en 5e ronde met achterzijde gelijk aan de pionnen.

De kandidaat duwt de kar met 2 handen in de eerste, derde en vijfde ronde over 6 meter.

De kar moet weer met de achterzijde gelijk met de pionnen worden geplaatst alvorens naar het volgende onderdeel te gaan (medicineballen).

De kar mag pas worden losgelaten tot deze daadwerkelijk stil staat. Bij overtreding hiervan moet de kandidaat teruglopen naar de kar, het handvat met 2 handen aanraken en de weg weer vervolgen.

De pion die op de lijn staat moet aan de linker zijde gepasseerd worden op weg naar de medicineballen.

De kar staat bij de startpositie van de 2e en 4e ronde met de achterzijde gelijk met de pionnen.

In de tweede en vierde ronde trekt de kandidaat de kar weer met 2 handen terug.

De kar mag niet met een hand worden getrokken.

De kar moet steeds gecontroleerd met de achterzijde van de kar gelijk met de pionnen ot stilstand worden gebracht.

De kar mag niet door derden op de juiste plaats worden gezet.

Wanneer de kar weer met de achterzijde gelijk met de pionnen is geplaatst, gaat de kandidaat naar het volgende onderdeel (lengte kast).

De kar mag pas worden losgelaten tot deze daadwerkelijk stil staat. Bij overtreding hiervan moet de kandidaat teruglopen naar de kar, het handvat met 2 handen aanraken en de weg weer vervolgen.

De eerste pion moet hierbij aan de linker zijde worden gepasseerd.

3 medicineballen moeten twee keer één voor één worden opgepakt en in een ander vak worden gelegd. De drie medicineballen wegen elk 5 kilogram.

De kandidaat verplaatst de medicineballen in de eerste en vijfde ronde van vak 1 naar vak 2 en van vak 2 naar vak 3 en in de derde ronde van vak 3 naar vak 2 en van vak 2 naar vak 1.

Bij aanvang liggen alle drie de medicineballen in vak 1.

Eén voor één worden de medicineballen op verantwoorde wijze opgepakt en verplaatst naar het volgende vak.

Pas als alle medicineballen in vak 2 zijn neergelegd, mag de kandidaat verder gaan met het verplaatsen van een medicinebal naar het volgende vak.

Als de laatste bal in vak 2 is gelegd, moet de kandidaat een andere bal pakken. Deze mag dus niet gelijk de laatste bal weer gaan verplaatsen.

Als de laatste bal in vak 2 is gelegd, moet de kandidaat een andere bal pakken. Deze mag dus niet gelijk de laatste bal weer gaan verplaatsen.

De medicineballen moeten neergelegd worden, zodat ze niet het vak uitrollen. De ballen mogen niet door derden terug in het vak worden gelegd. Mocht er toch een bal uitrollen, dan moet de kandidaat deze zelf eerst terugleggen, alvorens door te gaan. Dus niet gooien met de ballen.

De medicineballen moeten neergelegd worden, zodat ze niet het vak uitrollen

De ballen mogen niet door derden terug in het vak worden gelegd.

Mocht er toch een bal uitrollen, dan moet de kandidaat deze zelf eerst terugleggen, alvorens door te gaan.

Dus niet gooien met de ballen.

Wanneer de bal uit het vak rolt als de volgende bal al door de kandidaat is gepakt, dan legt de kandidaat deze eerst in het volgende vak. Daarna wordt pas de weggerolde bal opgepakt en teruggelegd in het vak.

Waarna weer een andere bal verplaatst gaat worden dan wel dat de kandidaat verder gaat naar het volgende onderdeel.

Als de laatste bal in vak 2 is gelegd, moet de kandidaat een andere bal pakken. Deze mag dus niet gelijk de laatste neergelegde bal weer gaan verplaatsen.

(ronde 1 en 3)

De medicineballen moeten een voor een worden neergelegd in het laatste vak op een manier, zodat ze niet uit het vak rollen.

De ballen mogen niet door derden terug in het vak worden gelegd.

Mocht er toch een bal uitrollen, dan moet de kandidaat deze zelf eerst terugleggen, alvorens door te gaan.

Dus niet gooien met de ballen.

Als de laatste bal is neergelegd, moet de kandidaat via de kortste weg naar het startpunt toe lopen.

Noot:

In ronde 1 is het laatste vak nummer 3

In ronde 3 is het laatste vak nummer 1

(ronde 5)

De medicineballen moeten een voor een worden neergelegd in het laatste vak op een manier, zodat ze niet uit het vak rollen.

De ballen mogen niet door derden terug in het vak worden gelegd.

Mocht er toch een bal uitrollen, dan moet de kandidaat deze zelf eerst terugleggen, alvorens door te gaan.

Dus niet gooien met de ballen.

Als de laatste bal is neergelegd, moet de kandidaat via de kortste weg naar de pion toe lopen, welke de laatste stippellijn bij het verplaatsen van de pop markeert. Deze pion wordt aan de linker kant gepasseerd. De kandidaat moet om deze pion heenlopen, alvorens hij/zij de finish gaat passeren.

NOOT:

In ronde 1 is het laatste vak nummer 3

In ronde 3 is het laatste vak nummer 1

De kandidaat dient na ronde 1 t/m 4 telkens de startlijn te passeren.

Hierbij moet de kandidaat om de pion heen lopen. Dit mag zowel linksom als rechtsom.

De voetschakelaar van de elektronische tijdswaarneming mag hierbij niet worden aangeraakt.

De kandidaat mag niet volstaan met het aantikken van de pion of lijn met hand of voet.

(ronde 2 en 4)

Nadat de kar teruggetrokken is gaat de kandidaat voorwaarts naar een pion, die links naast het vak van de kar staat.

Deze wordt aan de linker kant gepasseerd.

De kandidaat passeert de volgende pion aan de rechter kant en vervolgt de weg richting springkast.

De kandidaat gaat in de lengterichting over de springkast. Hierna gaat de kandidaat rechtstreeks naar het startpunt.

(ronde 2 en 4)

Na het terugtrekken van de kar gaat de kandidaat in de lengterichting over de kast, waarna de kandidaat rechtstreeks naar het startpunt gaat.

De kandidaat dient zodanig over de kast heen te gaan, dat er geen lichaamsdelen aan de zijkanten van de kast passeren. (Betreft een horizontaal vlak).

Hierbij dienen minimaal 2 stappen op de kast gedaan te worden, voordat er neergesprongen wordt.

Ook bij deze opstelling dient men tijdens het opkomen met minimaal een hand te steunen op het bovendek.

(ronde 2 en 4)

In de lengteopstelling van de kast mogen de openingen in de kast niet als opstap worden gebruikt.

Ook hier zijn de dievensprong (zie kast breedte) en spreidsprong niet toegestaan.

Nadat de kandidaat in de 5e en laatste ronde de aangegeven pion is gepasseerd moet er gefinished worden.

Via de kortste weg sprint de kandidaat naar de finishlijn.

De kandidaat dient de finishlijn te passeren en moet daarbij tussen de tijdwaarnemingsapparatuur door lopen. Hierbij zal de tijdswaarneming stoppen.

1½ ronde stevig wandelen rondom het parcours vanaf de finish tot aan de pop

(zie ronde 6)

Protocol Verplaatsen van de Pop binnen de FVT

Uitgangspunt is dat de pop buiten de tijd wordt verplaatst. Dit gebeurt nadat de kandidaat het het parcours heeft afgelegd. Na het passeren van de finish wandelt de kandidaat in stevige pas anderhalve ronde tot bij de pop.

Deze wordt gecontroleerd vastgepakt. Daarna wordt de pop vervoerd alsof dit een levend persoon betreft.

De pop ligt met de voeten ter hoogte van de pion op de startstreep (de gehele pop ligt dus binnen het 5 meter vak).

De kandidaat verplaatst de pop over een afstand van 5 meter. De voeten van de pop moeten de lijn bij de volgende pion zijn gepasseerd. (De pop ligt dan in zijn geheel buiten het 5 meter vak.)

Handgreep: De pop moet worden gepakt in okselgreep of rautecgreep. Ondergreep okselgreep, bovengreep okselgreep of gemengde okselgreep.

De pop mag niet bij het hoofd worden gepakt en verplaatst.

Bij het in stelling brengen van de pop mag deze zowel bij de schouders als bij de nek/schouders worden opgepakt.

Tijdens het 5 meter traject mag de pop niet worden losgelaten.

Wanneer dit toch gebeurt dient deze te worden teruggelegd op het startpunt en zal de pop opnieuw moeten worden opgepakt, verplaatst en neergelegd.

Neerleggen: De pop dient zorgvuldig en gecontroleerd te worden neergelegd. Indien dit niet gebeurt moet de kandidaat de pop opnieuw vanaf het begin verplaatsen.

In de eindpositie dienen de armen naast het lichaam te liggen. Dit mag ter plaatse gecorrigeerd worden.

Tips: Voordat je de pop daadwerkelijk optilt is het veilig deze zo dicht mogelijk tegen je aan te trekken. Dit geldt ook bij het neerleggen.

Houd tijdens het lopen de benen enigszins uit elkaar om het risico tot struikelen vanwege de pop zo klein mogelijk te maken.

PERSONEEL IN EXECUTIEVE DIENST

Agent van politie

Artikel 2 van de politiewet 1993 luidt:

De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegde gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven.

In de uitvoering van deze taak zijn de volgende elementen te onderscheiden:

De diensten zijn onregelmatig (dag-, avond-, en nachtdiensten) ook tijdens het weekeinde, waarbij geen vaste maaltijden kunnen worden gegarandeerd.

De diensten worden te voet, per (motor)rijwiel of per auto verricht en moeten onder alle weersomstandigheden doorgang vinden.

Expositie aan gevaarlijke stoffen – ook radioactieve – komt voor.

Het dragen van een helm, beschermende kleding en een gasmasker is soms noodzakelijk.

De surveillant is een ambtenaar met een lagere opleiding dan agent. In de meeste regio’s verricht de surveillant dezelfde taken als de agent doch heeft hij hierbij minder bevoegdheden. In een aantal regio’s heeft de surveillant een ander takenpakket dan de agent van politie, zoals specifieke beveiligingsfuncties of de taken van parketpolitie. De surveillant is in de meeste korpsen niet met een vuurwapen bewapend. Bij een aantal korpsen zijn zij met een wapenstok en pepperspray en in sommige regio’s met een vuurwapen uitgerust. Het diploma surveillant is landelijk geldig.

Bij doorstroming naar de functie van agent dient de surveillant een aanzienlijk aantal cursusmodulen te volgen.

Gezien het takenpakket en de opleiding worden bij de selectie in de meeste regio’s dezelfde eisen gesteld als aan de aspirant van de politie. Surveillanten worden bij benoeming tot agent van politie niet opnieuw gekeurd.

Het vrijwillig politiepersoneel doet alleen dienst in bijzondere situaties (grote werkdruk, uitzonderlijke evenementen). Zij kunnen aan dezelfde werkbelasting blootstaan als de surveillant van politie. Voor deze categorie worden dezelfde keuringseisen gehanteerd.

Hoger politiepersoneel heeft in het algemeen fysiek gesproken bij aanvang dezelfde taak. Aangezien hoger personeel stages tijdens opleiding verricht en later executieve diensten verricht om vaardigheden op peil te houden zijn dezelfde eisen van kracht.

Functie-eisen:

Ten aanzien van de energetische belastbaarheid is voor het executieve politiepersoneel de Fysieke Vaardigheids Toets (FVT) maatgevend. De ergometrie dient om relevante cardiovasculaire pathologie uit te sluiten en de bepaalde VO2max dient bij het behalen van de Fysieke Vaardigheids Toets als bevestiging. In de uitzonderlijke situatie dat de keuring plaatsvindt zonder voorafgaande Fysieke Vaardigheids Toets of bij het niet gehaald hebben van de minimumnorm tijdens de selectie, geldt de minimale norm voor de VO2max. Deze norm is voor leeftijd en geslacht minus 10% in de bijlage gecorrigeerd.

1 Bij overlappende belastbaarheideisen van de diverse functie-eisen belastbaarheideisen moet de zwaarste eis als beoordelingscriterium genomen worden.

2 Bij overlappende belastbaarheideisen van de diverse functie-eisen belastbaarheideisen moet de zwaarste eis als beoordelingscriterium genomen worden.